id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.597 Rolnummer: A. 228243/X-17516 Zaak: Arrest 245597 - Tucht (openbaar ambt) - 01/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-03 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:48 Fiche Arrest nr 245.597 van 1 oktober 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 245.597 van 1 oktober 2019 in de zaak A. 228.243/X-17.
- In zake : Stephan DEBLAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door :
- de Vlaamse regering
- de beroepscommisie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de STAD WERVIK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Astrid Versmissen kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 mei 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) van 8 mei 2019 om de beslissing van 5 mei 2015 waarbij de gemeenteraad van de stad Wervik aan Stephan Deblaere de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag oplegt, niet te vernietigen. X-17.516-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De stad Wervik heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annick Lemmens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor verzoeker, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Bij besluit van 5 mei 2015 legt de gemeenteraad van de stad Wervik verzoeker, diensthoofd van de technische dienst, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. De bewezen geachte tenlasteleggingen betreffen de aankoop van veiligheidsschoenen op kosten van de stad voor eigen gebruik. X-17.516-2/9 Op beroep van verzoeker vernietigt de beroepscommissie op 5 november 2015 de gemeenteraadsbeslissing. Geoordeeld wordt dat het niet bewezen voorkomt dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn. Bij arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigt de Raad van State op vraag van de stad Wervik de beslissing van de beroepscommissie. In het arrest wordt overwogen dat de motivering, in de beslissing van de beroepscommissie, van de onwettigheid van het oordeel van de gemeenteraad over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden “wezenlijk beperkt [is] tot een ontkenning van dat bewezen-zijn” en dat de beroepscommissie, die in haar beslissing geen enkele concrete aandacht besteedt aan de elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden, er niet kan van overtuigen dat zij op een zorgvuldige en terechte wijze, en na een grondige studie van het dossier, tot haar zienswijze is gekomen. Op 8 mei 2019 spreekt de beroepscommissie zich – met de thans bestreden beslissing – opnieuw uit over verzoekers beroep tegen het hem door de stad Wervik opgelegde ontslag van ambtswege. Dit keer beslist de beroepscommissie om de beslissing niet te vernietigen. Zij overweegt onder meer dat uit het vernietigingsarrest geconcludeerd dient te worden “dat de door de stad Wervik opgelegde tuchtstraf geenszins als niet bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd door de beroepscommissie”, om finaal, na uit het arrest te hebben geciteerd, te concluderen: “Gelet op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het tussengekomen arrest is de Beroepscommissie er in de gegeven omstandigheden toe gehouden om vast te stellen dat de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond dienen te worden afgewezen en dat de bestreden beslissing dient te worden gehandhaafd”. IV. Tussenkomst
- Het belang van de stad Wervik is betrokken bij de zaak. Zij vraagt op goede grond in de procedure te mogen tussenkomen. X-17.516-3/9 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. VI. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker leidt een enig middel af uit “Schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 dd. 06.12.2018 van de Raad van State, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen[, van het] materiëlemotiveringsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Toegelicht wordt dat de beroepscommissie enkel en alleen verwijst naar het gezag van gewijsde en het beroep dus ongegrond verklaart, dat dit “veel te kort door de bocht” is, dat er immers in het arrest geen uitspraak over wordt gedaan of de tuchtoverheid al dan niet redelijk heeft gehandeld en dat het nu net de taak van de beroepscommissie was om die overwegingen te maken. Door na te laten een oordeel te vellen heeft de beroepscommissie niet alleen het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State geschonden, maar ook het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
- De verwerende partij repliceert in de nota dat uit de motivering van het arrest van de Raad van State blijkt “dat de Beroepscommissie niet kon oordelen dat de tuchtfeiten niet bewezen zijn, zodat er a contrario geoordeeld kan worden dat de tuchtoverheid de tuchtfeiten wel degelijk bewezen kon verklaren”. X-17.516-4/9
- De tussenkomende partij meent dat de beroepscommissie noch het gezag van gewijsde noch de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden “door het feitenonderzoek niet over te doen, maar te besluiten dat er [zich] geen wettigheidsbezwaren voordoen en dat de tuchtbeslissing in achtgenomen het gevoerde onderzoek niet kennelijk onredelijk is”. Beoordeling
- Het arrest van de Raad van State nr. 243.163 van 6 december 2018 heeft de beslissing van de beroepscommissie van 5 november 2015 vernietigd om reden dat de beroepscommissie niet rechtmatig tot haar oordeel is gekomen dat de gemeenteraad van Wervik ten onrechte de aankoop door verzoeker van veiligheidsschoenen voor privédoeleinden als bewezen heeft beschouwd. Immers beperkte, volgens het arrest, de beroepscommissie haar motivering wezenlijk tot een ontkenning van het bewezen-zijn van de aankoop voor privédoeleinden en besteedde zij in haar beslissing geen enkele concrete aandacht aan de elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden.
- Hieruit afleiden, zoals volgens de nota van de verwerende partij mag, dat de gemeenteraad terécht de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden bewezen heeft geacht en verzoekers bezwaar ter zake verwerpen “[g]elet op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het tussengekomen arrest” lijkt logische geldigheid te missen.
- Waartoe het arrest de beroepscommissie op het eerste gezicht wel – en sléchts – verplicht, is tot een nieuwe uitspraak over verzoekers administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 waarbij zij niet haar eigen oordeel over het al dan niet bewezen-zijn van de tegen verzoeker in aanmerking genomen tuchtfeiten geeft, maar aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden beoordeelt of de zienswijze hieromtrent van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, is gebleven. X-17.516-5/9
- Bijgevolg lijkt de beroepscommissie, door in de bestreden beslissing van 8 mei 2019 het administratief beroep van verzoeker af te wijzen omdat uit het arrest van de Raad van State zou volgen dat “de door de stad Wervik opgelegde tuchtstraf geenszins als niet-bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd” en dat “de door de beroepsindiener aangehaalde argumenten als ongegrond dienen te worden afgewezen”, een foutieve invulling te hebben gegeven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en heeft het administratief beroep van verzoeker op het eerste gezicht niet de zorgvuldige en deugdelijke beoordeling gekregen die vereist is.
- Het middel is ernstig. VII. Voorwaarde van de spoedeisendheid Standpunt van de partijen
- Ter staving van de spoedeisendheid wordt in de eerste plaats een moreel nadeel aangevoerd. Verzoeker, zestig jaar, licht toe zich zeer zwaar getroffen te voelen door de beslissing “gelet op de afkeuring die eraan kleeft”. Tevens wijst hij erop sedert 1986 te hebben gewerkt voor de stad Wervik en als ingenieur-diensthoofd van de technische dienst een goede reputatie te hebben opgebouwd. De imagoschade die hij binnen zijn uitgebreide kennissenkring en in zijn familie lijdt, dreigt onherroepelijk te worden als hij dient te wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. Een annulatiearrest zou niet zomaar vermogen de schandvlek van de bestreden beslissing weg te nemen.
- Volgens de verwerende partij is verzoeker op moreel vlak “niet zo zwaar getroffen […] als hij tracht te laten uitschijnen”. Hij kreeg al eerder een tuchtstraf opgelegd (een schorsing van acht dagen op 25 juni 2013) en hij is sedert 14 december 2015 in disponibiliteit gesteld wegens ambtsontheffing vermits zijn functie werd opgeheven en hij niet bereid was een andere functie op te nemen. Er is volgens de verwerende partij geen sprake van imagoschade. X-17.516-6/9
- De tussenkomende partij betwist de spoedeisendheid niet. Beoordeling
- Nadat de verwerende partij verzoekers tuchtrechtelijk ontslag op 5 november 2015 vernietigde omdat het haar niet bewezen voorkwam dat hij veiligheidsschoenen voor privédoeleinden kocht, besluit zij met de bestreden beslissing om het ontslag alsnog te bevestigen, zodat het uitwerking krijgt. Als gezien, is aan die beslissing niet het vereiste ernstig onderzoek voorafgegaan. Het ontslag mag in de concrete omstandigheden van deze zaak verondersteld worden verzoeker een morele opdoffer te bezorgen, die redelijkerwijze kan verantwoorden dat hij van de voor een schorsing vereiste urgentie doet blijken. Kennelijk denkt ook de auteur van het ontslag zelf daar zo over. Alleszins heeft de tussenkomende partij opvallend nagelaten ter zake enige betwisting te voeren.
- Ook de tweede en laatste grondvoorwaarde voor een schorsing is vervuld. VIII. Injunctie Vraag van de tussenkomende partij
- De tussenkomende partij vraagt in het verzoekschrift tot tussenkomst, ondergeschikt, dat de beroepscommissie bij wege van injunctie ertoe verplicht wordt om, onder verbeurte van een dwangsom, ”binnen de maand een nieuwe uitspraak te doen over het beroep van verzoekende partij tegen de beslissing van 5 mei 2015, en daarbij inhoudelijk uitspraak te doen over de wettelijkheid en de kennelijke (on)redelijkheid van de beroepen beslissing”. X-17.516-7/9 Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten kan de Raad van State alle voorlopige maatregelen bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen “van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak”. Voor zoveel het verzoek van de tussenkomende partij in die bevoegdheid zou kunnen worden ingepast, wordt het in het verzoekschrift tot tussenkomst door geen enkele bijzondere reden gestaafd. Het verzoek tot injunctie wordt bijgevolg verworpen.
- Evenmin kan de bijkomende vraag van de tussenkomende partij “om in geval van vernietiging de gevolgen van de vernietigde beslissing […] te handhaven tot datum van een nieuwe uitspraak van de Beroepscommissie” worden ingewilligd. De voorliggende vordering tot schorsing kan immers niet tot vernietiging leiden.
- Een en ander mag de beroepscommissie er evenwel niet van weerhouden dit schorsingsarrest als een uitnodiging te zien, zo al niet een aansporing, om met bekwame spoed haar beslissing van 8 mei 2019 te heroverwegen, ze eventueel in te trekken en een nieuwe beslissing te nemen – dit keer doende wat lijkt te moeten worden gedaan. BESLISSING
- De Raad van State willigt het verzoek tot tussenkomst van de stad Wervik in.
- De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 8 mei 2019 om de beslissing van 5 mei 2015 waarbij de gemeenteraad van de stad Wervik aan Stephan X-17.516-8/9 Deblaere de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag oplegt, niet te vernietigen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.516-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.597 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.