id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.602 Rolnummer: A. 219130/XIV-37016 Zaak: Arrest 245602 - Politie - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:44 Fiche Arrest nr 245.602 van 2 oktober 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.602 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 219.130/XIV-37.016 In zake : Dany ROOSEBROUCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Brugge van 25 februari 2016 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van drie maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.016-1/17 De verwerende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokale politiezone Brugge (PZ 5444). 3.
- Op 24 september 2012 beslist de korpschef toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en stelt hij verzoeker daarvan in kennis. Onder de rubriek “uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen is het volgende gesteld: XIV-37.016-2/17 “Op 14 september 2012 werd [de korpschef] in kennis gesteld door de Gerechtelijk Directeur van de Federale Gerechtelijke politie - Arrondissement Brugge [..] dat zijn diensten gelast zijn met de uitvoering van een opdracht van Onderzoeksrechter […], gekend onder dossiernummer 2011/[XX] - notienummer BG.52.[XXXX] houdende de klacht met burgerlijke partijstelling van [XX], lastens [verzoeker], middenkader van de lokale Opsporingsdienst PZ Brugge wegens valsheid in geschriften, laster en eerroof, schending van het geheim van het onderzoek, manipulatie van bewijsmateriaal en machtsmisbruik. HCP [G.] meldde de korpschef verder dat de voornoemde klacht een gevolg is aan het onderzoek gevoerd in het dossier 2010[XXX] - notienummer BG.37.[XXX] van de Onderzoeksrechter [W.] uit hoofde van verkrachting van de minderjarige [XX]. Het onderzoek in laatst genoemd dossier werd initieel gevoerd door [verzoeker], doch werd aan de FGP Brugge toevertrouwd nadat was gebleken dat [verzoeker] hierin niet verder kon optreden gezien hij nog tijdens het lopende onderzoek een verhouding was aangegaan met klaagster, […], toen nog de partner van [XX]. Onderzoeksrechter [G.] besliste om het verder onderzoek in zijn dossier 2011/[XXX] te laten uitvoeren door een andere politiedienst.” 3.
- Met het inleidend verslag van 26 februari 2015 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van drie maanden op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming van de feiten, van bewijs en de toerekening ervan en de kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. In het inleidend verslag wordt inzake de datum van kennisneming van de feiten het volgende gesteld: “De feiten […] werden door inzage in het gerechtelijk dossier ter kennis gebracht van de gewone tuchtoverheid op 8 oktober
- Deze datum is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag.” 3.
- Op 24 april 2015 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoeker de zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van drie maanden op te leggen. XIV-37.016-3/17 Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 4 januari 2016 adviseert de Tuchtraad “dat de ten laste gelegde feiten zoals omschreven in punt 5.2, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat ze een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de [tuchtwet] [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van drie maanden een te zware straf is en dat een inhouding van wedde van vijf procent gedurende twee maanden een meer gepaste straf is”. In punt 5.
- van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoeker de volgende feiten ten laste worden gelegd: “[Verzoeker] heeft als verantwoordelijke van een delicaat gerechtelijk onderzoek, het onderzoek verder gezet nadat hij met de klaagster een relatie had aangeknoopt, hierdoor kwam de onpartijdigheid van het onderzoek in het gedrang. Hij heeft nagelaten om de onderzoeksrechter van het dossier hiervan tijdig in te lichten.” 3.
- Op 29 januari 2016 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en om het initiële voorstel tot zware tuchtstraf te behouden. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 25 februari 2016 om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en legt aan verzoeker de schorsing bij tuchtmaatregel op voor een periode van drie maanden. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.016-4/17 IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 7 en 56 van de tuchtwet. Nadat verzoeker beide bepalingen heeft geduid in de rechtspraak van de Raad van State, doet hij gelden dat uit de toepassing van die bepalingen op zijn zaak blijkt dat de tuchtvordering was verjaard. Hij steunt zich hiertoe op de door hem gedeeltelijk geciteerde verklaring van zijn hiërarchische meerdere, commissaris van politie R.. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat die zijn directe hiërarchische meerdere heeft ingelicht, die op zijn beurt de korpschef heeft ingelicht “over de toestand”, die volgens verzoeker “de feitelijkheid [is] dat verzoeker een relatie had aangeknoopt met klaagster [XX].” Volgens verzoeker was “welke de rol en houding van verzoeker was inzake de betreffende ambtsverrichtingen” de korpsleiding evenzeer bekend, minstens kon die dat eenvoudig te weten komen mocht zij het niet weten. In het voorstel van zware tuchtstraf wordt ook niet ontkend dat de korpschef werd ingelicht, maar daar wordt aan toegevoegd “dat dit gebeurde in een sfeer van optimaal vertrouwen in [verzoeker] waarbij [elke] leidinggevende van oordeel was dat [verzoeker] correct handelde door zich uit het onderzoek terug te trekken.” Zo poogt volgens verzoeker de tuchtoverheid - bekeken vanuit een kennis achteraf - haar oor- spronkelijke inertie toe te dekken. In essentie wordt verzoeker immers verweten zich te laat uit het onderzoek te hebben teruggetrokken, terwijl dat een kernelement was waarvan de tuchtoverheid reeds in 2010-2011 kennis had, minstens van had kunnen hebben indien zij niet inert was gebleven. De tuchtoverheid wist dat verzoeker een relatie had met de meldster van de strafbare feiten. Navolgend was binnen de dienst en het korps en dus ook bij de hiërarchie evenzeer geweten dat het onderzoek door de onderzoeksrechter na februari 2011 aan de federale gerechtelijke politie werd toevertrouwd. De dienst, het korps en noodzakelijkerwijze ook de hiërarchie wist ook dat door verzoeker nadien, naar verzoeker stelt, “nog enkel hoogstens administratieve taken” waren verricht, alsook een verhoor samen met een collega, en dat nog wel op last van zijn XIV-37.016-5/17 dienstoverste. Volgens verzoeker had de korpschef zodoende als gewone tuchtoverheid reeds eind november - begin december 2010 kennis van de feiten waarvoor jaren later, buiten de termijn van zes maanden bepaald in artikel 56 van de tuchtwet, een inleidend verslag werd betekend. De tuchtoverheid is inert gebleven en heeft geen enkele inspanning gedaan om middels een eigen onderzoek tot - gebeurlijk - een verdere feitenvinding te komen. Pas op 24 september 2012 schiet de tuchtoverheid in actie naar aanleiding van de ontvangst van een zending van de federale gerechtelijke politie van 12 september
- Dit is evenwel niet relevant vermits de tuchtrechtelijke tenlastelegging niets van doen heeft met de kwalificaties in het strafonderzoek. De tuchtvordering is verjaard en de actie van de tuchtoverheid in 2012 kan daar niets meer aan veranderen. De these van de tuchtoverheid dat verzoeker haar niet heeft aangemaand hangende de strafzaak, kan dan ook niet dienstig in aanmerking worden genomen: op dat ogenblik was de tuchtvordering reeds verjaard. Niet het bestaan van het strafonderzoek heeft de tuchtoverheid verhinderd een eigen administratief onderzoek te voeren, al was ook dit zelfs niet nodig nu de essentie van de feiten haar reeds bekend was in november/december
- Verzoeker beklemtoont dat de tuchtoverheid na de kennisname van de feiten in november/december 2010 geen enkel initiatief heeft genomen. Zij kon voor zo veel als nodig een onderzoek gevoerd hebben, hetgeen zij nagelaten heeft. Er kon ook geen interferentie zijn met het strafonderzoek waarvan zij op 12 september 2012 kennis kreeg vermits dit onderzoek er nog niet was. Artikel 7 van de tuchtwet is voorts relevant waar de Raad van State in zijn arrest nr. 203.575 van 3 mei 2010 stelt dat het enkele gegeven dat de tuchtoverheid uit het navolgend strafdossier finaal nog enkele andere elementen zou halen die zij meent tuchtrechtelijk te moeten aanpakken, niet met zich mee kan brengen dat zij de betekening van het inleidend verslag omtrent de feiten die haar toen reeds bekend waren kon uitstellen.
- In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat, in zoverre de verwerende partij betwist dat de informatie waarover zijn dienstoverste R. beschikte, ook effectief tot bij de korpschef zou zijn geraakt, het voorstel van zware tuchtstraf letterlijk het volgende vermeld: “Het wordt niet ontkend dat de XIV-37.016-6/17 gewone tuchtoverheid, de korpschef, werd ingelicht door hoofdcommissaris [D.] die ingelicht werd door commissaris [R.] …”. Wat de zorgvuldigheidplicht in tuchtzaken betreft, wijst verzoeker erop dat hij in het verzoekschrift reeds heeft gesteld dat wat hem actueel verweten wordt, reeds vroeger geweten was, minstens geweten kon zijn indien de tuchtoverheid niet inert was gebleven. De zorgvuldigheidsplicht heeft de tuchtoverheid dan ook geenszins genoodzaakt inert te blijven tot de mededeling vanwege de federale gerechtelijke politie van 12 september
- De tuchtoverheid werd te dezen ingelicht door hoofdcommissaris D. en commissaris R., zodat de termijn van zes maanden dan een aanvang heeft genomen. De tuchtoverheid heeft niets ondernomen binnen die termijn en de zending van 12 september 2012 kan de termijn van zes maanden niet doen herleven. Verzoeker wijst erop dat de stelling van de Algemene Inspectie, waar de verwerende partij op steunt, niet correct is vermits de tuchtoverheid kennis had van de relatie tussen verzoeker en klaagster evenals van “de noodzakelijkheden daaruit voortvloeiende voor wat betreft de onderzoeksdaden waar verzoeker in het gerechtelijk onderzoek mee was belast.” Zijn evenmin relevant, de beschouwingen van de verwerende partij over de toepassing van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet vermits de verjaring op dat ogenblik reeds was ingetreden, temeer daar de bevindingen uit het strafonderzoek de finale tuchtrechtelijke tenlasteleggingen ook niet schragen. Verzoeker preciseert dat “de finaliteit van onderhavig middel […] niet [is] dat de tuchtoverheid inert is gebleven in het kader van een toepassing art. 56, lid 2 tuchtwet maar wel dat zij inert is gebleven nadat zij kennis verwierf van de feiten, wat lange tijd voor de opstart van een strafrechtelijk onderzoek was.” Tot slot is het onderwijl tussengekomen strafvonnis niet relevant vermits dit niet bij de beoordeling van de tuchtzaak betrokken is. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de verwerende partij heeft erkend dat de gewone tuchtoverheid ervan in kennis werd gesteld dat verzoeker een relatie had met de meldster van de strafbare feiten, evenals dat aan de gewone tuchtoverheid toen ook is meegedeeld dat verzoeker het desbetreffende onderzoek voerde en dat die kennisgeving zich situeert “eind november begin XIV-37.016-7/17 december” (verklaring van verzoeker) dan wel “begin december 2010” (verklaring dienstoverste). Voorts benadrukt hij dat het gegeven dat een personeelslid dat een persoonlijke betrokkenheid kent, de tuchtoverheid er niet van ontslaat om eens de problematiek haar is gekend, op te volgen en dat de zorgvuldigheidsplicht voor de tuchtoverheid ook impliceert dat zij zich minstens nader bevraagt en/of een formeel onderzoek voert “omtrent het vraagstuk sedert wanneer er dan een relatie was en dit in het licht van het gegeven dat verzoeker belast was met dat onderzoek.” Verzoeker verwijst benevens de zorgvuldigheidsplicht ook naar de deontologische code en de erin vervatte plicht van de chef. In fine van het verzoekschrift tot slot, vordert verzoeker de bestreden beslissing te vernietigen, gebeurlijk na het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof die hij detailleert. Beoordeling De schending van artikel 56 van de tuchtwet
- Verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 7 en 56 van de tuchtwet. In de memorie van wederantwoord preciseert hij, wat de schending betreft van artikel 56 van de tuchtwet, dat de finaliteit van het middel niet is dat de tuchtoverheid inert is gebleven in het kader van een toepassing van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, maar wel dat zij inert is gebleven nadat zij kennis verwierf van de feiten, hetgeen te dezen volgens verzoeker een lange tijd gebeurde voor de opstart van het strafrechtelijk onderzoek. In essentie voert verzoeker aldus aan dat de bestreden beslissing de in het eerste lid van artikel 56 van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn miskent. Het middel wordt wat het geschonden geachte artikel 56 betreft, vanuit dat oogpunt onderzocht. XIV-37.016-8/17
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet bepaalt het volgende: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht “de bevoegde tuchtoverheid” om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Of die kennisneming of de vaststelling van de feiten gebeurt door de gewone dan wel de hogere tuchtoverheid, is te dezen niet van belang: beiden zijn bevoegde overheden in de zin van artikel 17 van de tuchtwet. Luidens de toelichting bij het wetsvoorstel dat de tuchtwet is geworden kan, “wanneer de gewone overheid die op de hoogte is van bepaalde feiten, geen procedure heeft aangespannen binnen het jaar [lees thans: zes maanden] na de kennisneming van die feiten, […] de hogere tuchtoverheid, eens die termijn verstreken, niets meer initiëren. De inertie van de ene kan niet worden goedgemaakt door een laattijdig initiatief van de andere.” (Parl. St. Kamer 1998-1999, nr. 1965/1, 19).
- Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. XIV-37.016-9/17 Voorts doet alleen de kennisneming of vaststelling van de tuchtfeiten in hoofde van een bevoegde tuchtoverheid de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn ingaan en niet de kennis in hoofde van personeelsleden van de politiezone die over de betrokken politieambtenaar geen tuchtbevoegdheid hebben. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- Verzoeker plaatst zich op het standpunt dat de tuchtoverheid in de periode november-december 2010 de essentie van wat zij thans aan verzoeker verwijt, kende of kon kennen en dat de tuchtoverheid niettemin inert bleef en pas in actie trad in 2012, na ontvangst van de brief van de federale gerechtelijke politie van 12 september
- Ter adstructie van zijn stelling, citeert verzoeker uit de getuigenverklaring van commissaris van politie R. Hij leidt daaruit af dat de gewone tuchtoverheid eind november - begin december 2010 met zekerheid wist dat verzoeker een relatie had met de klaagster. Navolgend, stelt verzoeker, is ongetwijfeld bij de hiërarchie geweten dat het door verzoeker gevoerde onderzoek naderhand was toevertrouwd aan de federale gerechtelijke politie. De verwerende partij van haar kant plaatst zich op het standpunt dat pas op 12 september 2012 de tuchtoverheid voldoende gegevens voorhanden had om stappen te ondernemen. XIV-37.016-10/17
- Centraal staat derhalve het gegeven of eind november- december 2010 de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten, derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld (supra, punt 8). Uit de bestreden beslissing blijkt dat de aan verzoeker verweten feiten het volgende tuchtvergrijp uitmaken en hem worden toegerekend: “
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier: 3.
- Meen ik, op basis van bovenstaande elementen die blijken uit het gerechtelijke dossier dat bewezen is dat [verzoeker] nagelaten heeft om zich onpartijdig te gedragen door nadat hij een relatie had aangeknoopt met de klaagster […] toch nog ambtsverrichtingen uit te voeren in het lopende gerechtelijke onderzoek dat gevoerd werd lastens haar ex-partner […]. 3.2 Dien ik te vermelden dat [verzoeker] over een blanco blad der tuchtstraffen beschikt, doch dat hij niet ontsnapt aan de integriteit die verwacht wordt aanwezig te zijn bij iedere politiefunctionaris. 3.3 Meen ik dat de voormelde feiten toerekenbaar zijn aan [verzoeker] daar er in het tuchtdossier geen elementen voorhanden zijn waaruit, in voorkomend geval, de gezondheidstoestand van [verzoeker] of andere elementen als verschoningsgrond of als verzachtende omstandigheid zouden kunnen blijken. 3.4 Meen ik dat [verzoeker] ontegensprekelijk gefaald heeft om zich onpartijdig op te stellen. Het initiatief om zich van de zaak te laten halen berustte ontegensprekelijk bij [verzoeker] zelf. [verzoeker] heeft echter nagelaten om zich tijdig (dit is vanaf het ogenblik dat hij een relatie begon met [de klaagster], namelijk medio november 2010) te laten vervangen als rechercheur. Integendeel, nadat hij een relatie had aangeknoopt met [de klaagster] stelde hij daarna nog verscheidene ambtsverrichtingen […]. 3.
- Meen ik dat [verzoeker] door zich niet onpartijdig te gedragen gedurende het lopende gerechtelijke onderzoek dat werd gevoerd lastens de ex-partner van [de klaagster], verzaakt heeft aan het respecteren van artikel 127 Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. […]. 3.6 Meen ik dat de feiten tuchtrechtelijk als zeer zwaar aan te rekenen zijn aangezien het aspect ‘onpartijdigheid’ in het voormelde KB vermeld wordt onder de rubriek ‘fundamentele waarden’. Het zich te allen tijde onpartijdig opstellen is een basisprincipe dat elke politiefunctionaris moet eerbiedigen. Het onpartijdig optreden van een politieman vormt de hoeksteen van de integriteit die aanwezig moet zijn in hoofde van elke politiefunctionaris. De legitimiteit van het optreden van een politiefunctionaris wordt geschraagd door het zich te allen tijde onpartijdig opstellen in alle omstandigheden. 3.7 Meen ik dat [verzoeker] zich gedurende het lopende gerechtelijke onderzoek lastens [XX] het vertrouwen van het parket en de onderzoeksrechter te Brugge heeft geschaad alsook het gerechtelijke onderzoek nodeloos in gevaar heeft gebracht. 3.8 Meen ik dat deze feiten het volgende tuchtvergrijp uitmaken: niet elke gedraging of handeling vermeden te hebben die een tekortkoming aan de XIV-37.016-11/17 beroepsplichten uitmaakt en de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht door te verzaken aan de plicht om zich te allen tijde onpartijdig op te stellen door nadat hij een relatie aanknoopte met de klaagster, […] (ex-partner van [XX]) medio november 2010, toch nog wetens en willens ambtsverrichtingen te hebben gesteld in het lopende gerechtelijke onderzoek dat gevoerd werd lastens haar ex-partner […].” Dit spoort met de wijze waarop de Tuchtraad de feiten en de tenlastelegging kwalificeert (supra, punt 3.5.). Essentieel gegeven van het tuchtvergrijp dat te dezen in het middel ter beoordeling staat, is derhalve het feit dat verzoeker zich niet tijdig van het gerechtelijk onderzoek heeft laten halen - terwijl het initiatief om zulks te doen ontegensprekelijk bij hem rustte - zodat hij ook na het aanknopen van een relatie met de klaagster, nog ambtsverrichtingen stelde. Uit de gegevens van de zaak blijkt immers dat hij pas op 4 februari 2011 de onderzoeksrechter heeft verzocht om hem van de zaak te halen.
- Ter adstructie van zijn standpunt steunt verzoeker zich vooreerst op de getuigenverklaring van commissaris van politie R., die op 7 juni 2013 als getuige werd gehoord door de dienst Enquêtes van het Vast Comité van toezicht op de Politiediensten. Op de door de dienst Enquêtes gestelde vragen antwoordt de voornoemde commissaris van politie het volgende: “Eigenlijke verhoor […]Uit de verklaringen van [verzoeker], blijkt dat hij u tijdens de uitvoering van het lopend onderzoek lastens [XX] inzake pedofilie, op de hoogte gebracht heeft van het feit dat hij een relatie had gestart met de klaagster in het dossier […]. Wanneer werd u in kennis gesteld. De aangifte dateert van 2l oktober
- Naar ik mij meen te herinneren was dit in begin december
- Kunt meedelen hoe de zaken hun beloop gekend hebben [Verzoeker] vertelde mij dat hij met een probleem zat. Concreet zei hij daarop dat hij een relatie had met de meldster. Hij zei me dat ik niet de eerste was die op de hoogte was. Hij had reeds hetzelfde verteld aan de heer substituut van procureur des Konings [B.]. Deze had hem de opdracht gegeven om de opdrachten die hij nog in behandeling had verder administratief af te werken. Daarna moest de onderzoeksrechter ingelicht worden. Wat was uw reactie daarop, welke adviezen hebt u daarover gegeven? Ik heb geadviseerd om dat inderdaad wel te doen. Ik vroeg hem om de zaak verder te behandelen met hoofdinspecteur […]. Zij is de sectiechef van afdeling gezin en zeden. Ook deelde ik mee dat hij zo vlug als mogelijk de onderzoeksrechter moest inlichten. Intern heb ik onmiddellijk de korpschef ingelicht over de toestand. XIV-37.016-12/17 Ik heb het niet rechtstreeks verteld aan de korpschef maar wel aan mijn directe meerdere de heer hoofdcommissaris [D.]. Op zijn beurt heeft hij de heer [D.], als korpschef toen ingelicht. [Verzoeker] heeft daarover verklaard dat hij u ingelicht heeft begin november vermoedelijk na zeven november 2010 en dat u aanvankelijk de optie wilde nemen om het onderzoek te laten gebeuren door andere leden van de recherche en dat u daarbij niet de intentie vertoonde om de onderzoeksrechter ]W.] daarvan op de hoogte te brengen. Wat is uw reactie daarop Het lijkt mij normaal dat ik het onderzoek onmiddellijk zou laten gebeuren door iemand anders. Dat ik de onderzoeksrechter niet zou laten inlichten is totaal onjuist. Ik heb hem deze opdracht zeker gegeven. Ik ben daar heel formeel over. Hebt u weet welke onderzoeksdaden [verzoeker] gesteld heeft in het dossier nadat hij u ingelicht had? Neen Hebt u weet of hij nog onderzoeksdaden gesteld heeft nadat hij u ingelicht heeft. Neen. Wanneer werd de onderzoeksrechter [W.] verwittigd van dit probleem. Ik weet dat ik het een paar keer gevraagd heb aan [verzoeker] of hij al een onderhoud had gehad met de onderzoeksrechter over het probleem. Ik weet dat er enige tijd overgegaan is en dat het niet onmiddellijk is gebeurd nadat wij elkaar gesproken hadden. Ik meen dat het eind december was tegen dat de [W.] als onderzoeksrechter verwittigd werd. [Verzoeker] vertelde mij wel dat hij geprobeerd had maar dat hij de onderzoeksrechter niet kon bereiken. Wat was de reactie van de onderzoeksrechter? Ik weet dat de onderzoeksrechter gekozen had om het dossier over te hevelen naar de FGP te Brugge. Ik weet niet meer of dit eind december was of later. Dat herinner ik mij niet meer. Hebt u zelf iets toe te voegen. Ik heb nog nooit enige reden gehad om te twijfelen aan de integriteit van [verzoeker] en tot op heden nog niet.” Uit die getuigenis volgt dat mag worden aangenomen dat de korpschef als gewone tuchtoverheid ten laatste in december 2010 was ingelicht van het feit dat verzoeker een relatie heeft met de klaagster. Het is niet onredelijk aan te nemen dat de korpschef ook kennis had van het feit dat verzoeker de leiding had over het onderzoek naar de strafbare feiten die op 21 oktober 2010 werden gemeld door de klaagster waarmee verzoeker nadien een relatie aanknoopte. Zulks wordt overigens door de verwerende partij in de laatste memorie erkend. Anders is het wat het essentiële gegeven betreft dat verzoeker zich niet tijdig - te weten pas op 4 februari 2011 - van het onderzoek heeft laten halen. Hoewel uit de hiervoor aangehaalde getuigenverklaring van commissaris van politie R. blijkt dat die op de hoogte was van het feit “dat er enige tijd [is] overgegaan en dat het [onderhoud] niet onmiddellijk is gebeurd nadat [hij en verzoeker] elkaar gesproken hadden” - XIV-37.016-13/17 en dat die derhalve wist dat verzoeker dus niet tijdig heeft gevraagd zich van het onderzoek af te halen - blijkt uit geen enkel stuk of verklaring uit het dossier dat die kennis werd gedeeld met de korpschef. De enkele kennis in hoofde van commissaris van politie R. - die over verzoeker geen tuchtbevoegdheid heeft - betekent, zoals hiervoor is gesteld (supra, punt 11.), evenwel geen kennisneming in hoofde van een bevoegde tuchtoverheid in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Uit de door verzoeker aangehaalde getuigenverklaring blijkt aldus niet dat vaststaat dat de korpschef kennis had van het feit dat verzoeker zich pas op 4 februari 2011 van het gerechtelijk onderzoek heeft laten halen.
- Wordt te dezen evenmin bijgevallen, verzoekers argument dat de tuchtoverheid in 2010-2011 kennis moest hebben van het feit dat hij zich te laat uit het onderzoek heeft laten terugtrekken indien de tuchtoverheid niet inert was gebleven. Er mag worden aangenomen dat een tuchtoverheid de afdoende kennisneming van de feiten niet nodeloos mag uitstellen en dat de zorgvuldig- heidsplicht gebiedt dat de tuchtoverheid informatie inwint wanneer zij aan- wijzingen heeft van mogelijke tuchtfeiten. Is zulks niet het geval, dan kan niet worden verwacht van een tuchtoverheid dat zij alle gevaarzettingen of mogelijks tuchtrechtelijk strafbaar gedrag van politieambtenaren proactief inschat, opvolgt of desgevallend verhindert dat die zich misdragen op een wijze die mogelijks tuchtrechtelijk bestraft kan worden. Uit niets blijkt en verzoeker voert zulks ook niet aan, dat er enige aanwijzing zou zijn geweest dat wanneer verzoeker - die lid is van het midden- kader in de zin van artikel 3 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ en in die hoedanigheid een voorbeeldfunctie heeft ten aanzien van zijn eigen personeels- XIV-37.016-14/17 leden - geconfronteerd wordt met een situatie waarin hij zijn onpartijdigheid in een delicaat gerechtelijk onderzoek niet meer kan garanderen, hij niet tijdig de nodige stappen zou nemen om tegemoet te komen aan zijn deontologische en professionele plichten ter zake. In de concrete zaak kon de korpschef als tuchtoverheid, uit de feiten waarvoor hijzelf beschikte en diende te beschikken, zonder miskenning van zijn appreciatiebevoegdheid ter zake, oordelen dat de hem wel gekende feiten niet van die aard waren dat zij de vraag tot een voorafgaand tuchtonderzoek opriepen, omdat er op dat ogenblik geen aanwijzingen waren dat er mogelijks een tuchtvergrijp zou kunnen plaatsvinden.
- In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van zijn in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aantoont noch aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid reeds midden december 2010 voldoende kennis had van de tuchtfeiten, vermits op dat ogenblik uit niets blijkt dat er sprake was van een tuchtvergrijp, noch van aanwijzingen daarvan. Verzoeker levert derhalve het bewijs niet dat de door artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Het eerste middel is in de aangegeven mate ongegrond. De schending van artikel 7 van de tuchtwet
- Verzoeker voert in het middel voorts nog de schending aan van artikel 7 van de tuchtwet. Over die grief is geen onderzoek gevoerd door het auditoraat, zodat de Raad van State niet vermag in de huidige stand van het geding hierover uitspraak te doen. XIV-37.016-15/17 V. Verzoek tot prejudiciële vraagstelling
- Verzoeker vraagt in de laatste memorie de bestreden beslissing te vernietigen, “gebeurlijk na volgende prejudiciële vraag te hebben gesteld aan het Grondwetttelijk Hof”, waarna verzoeker de te stellen vraag suggereert. De vraag betreft de verenigbaarheid van artikel 38sexies van de tuchtwet, in de interpretatie die verzoeker voorhoudt, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 EVRM.
- Het antwoord op een prejudiciële vraag dient nuttig te zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Het in het voorliggende arrest gedeeltelijk beslechte middel heeft geenszins betrekking op het door verzoeker genoemde artikel 38sexies van de tuchtwet, zodat het antwoord op de gesuggereerde prejudiciële vraag niet kan leiden tot enig nuttig gevolg voor de oplossing ervan. Aangezien wat de overige middelen betreft, het onderzoek nog moet worden verdergezet, is het stellen van de vraag in deze stand van het geding wat die middelen betreft, in elk geval voorbarig en dus niet nuttig. Het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag wordt in de huidige stand van het geding afgewezen. VI. Aanvullend onderzoek
- Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het gedeeltelijk onderzoek van het eerste middel in de zin als hiervoor behandeld en waarvan blijkt dat het niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat. XIV-37.016-16/17
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.016-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.602 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.584 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div