← België

Arrest 245606 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 02/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.606 Rolnummer: A. 219034/XIV-37002 Zaak: Arrest 245606 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 00:53 Fiche Arrest nr 245.606 van 2 oktober 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.606 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 219.034/XIV-37.002 In zake : Andy JANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5381 BILZEN-HOESELT-RIEMST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Schellingen kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de politieraad d.d. 14.10.2015 van de Politiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.002-1/10 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marlies De Raeve, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Christophe Bodvin, die loco advocaat Erik Schellingen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Na het doorlopen van een selectieprocedure wordt verzoeker met ingang van 1 februari 2014 door de verwerende partij aangesteld als ICT Consulent, niveau B, technisch systeembeheerder. Het betreft een graad binnen het administratief personeel (Calog) van het politiekader. 3.2. Bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 ‘tot wijziging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldende anciënniteit’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 maart 2014) (BS 22 april 2014) wordt afdeling 1 (‘De basiswedde, de geldelijke anciënniteit en de tussentijdse verhogingen’) van hoofdstuk II van titel II van deel XIV-37.002-2/10 XI RPPol, die de artikelen XI.II.3 tot XI.II.10 omvat, vervangen. Het voor het voorliggende beroep relevante artikel XI.II.5 ervan, luidt: “Art. XI.II.5. §1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, worden ambtshalve aangenomen de diensten verricht in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat. §2. De personeelsleden aangeworven door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die niet bedoeld zouden worden in § 1, in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens de machtiging van de overheid, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten bedoeld in § 1. § 3. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, kan de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, eveneens de diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privésector of als zelfstandige erkennen indien hij van mening is dat deze diensten een beroepservaring vormen die bijzonder nuttig is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangeworven of in dienst wordt genomen bij arbeidsovereenkomst. Voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar, wint de in het eerste lid bedoelde overheid het advies in van een commissie, die als volgt is samengesteld : 1° een lid van het Administratief en Technisch secretariaat Binnenlandse Zaken aangewezen door de minister, voorzitter; 2° een personeelslid van de lokale politie aangewezen door de Vaste Commissie van de lokale politie, bijzitter; 3° een personeelslid van de federale politie aangewezen door de commissaris-generaal, bijzitter. De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor een functie is deze die aan de betrokkene die erover beschikt een klaarblijkelijk voordeel verschaft in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties, voor de uitoefening van de functie. De valorisering van de bijzonder nuttige ervaring gebeurt bij de aanwerving van het personeelslid van het administratief en logistiek kader of van de aspirant- hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent. Die valorisering blijft naderhand ongewijzigd, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel XI.II.4, derde en vierde lid. Het personeelslid van het administratief en logistiek kader of de aspirant-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent die de erkenning vraagt van een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie, levert het bewijs ervan. Behoudens een bijzondere termijn toegekend door de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, is deze erkenningsaanvraag niet meer ontvankelijk vanaf de vierde maand na de indiensttreding. De erkenning kan ook vóór de indiensttreding gebeuren maar ze geldt pas bij de indiensttreding. XIV-37.002-3/10 Het in aanmerking nemen van de erkende diensten bedoeld in deze paragraaf wordt berekend overeenkomstig artikel XI.II.6, § 1, § 3, eerste lid, en §§ 4 tot 7.” Artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 voorziet in een overgangsbepaling en bepaalt, voor wat de personeelsleden betreft die in dienst zijn getreden tussen 1 januari 2014 en de publicatiedatum van hetzelfde koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad (dit is op 22 april 2014), de erkenningsaanvraag, in afwijking van artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014, niet meer ontvankelijk is vanaf de vierde maand die volgt op die publicatiedatum. Het genoemde artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 bepaalt dat het uitwerking heeft met ingang van 1 december 2008 met uitzondering van (onder meer) artikel XI.II.5, § 3, zesde en zevende lid, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2014. 3.3. Met verwijzing naar het koninklijk besluit van 26 maart 2014 ‘tot wijziging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldelijke anciënniteit’ verstuurt de personeelsdienst van de verwerende partij op 1 september 2014 een nota waarin wordt meegedeeld dat het mogelijk is om voorgaande diensten in de privésector tot twee derden te valoriseren in de geldelijke anciënniteit mits het indienen van een verzoek vergezeld van het tewerkstellingsattest dat de “voorgaande diensten” bewijst. 3.4. Verzoeker dient op 14 juli 2014 een aanvraag tot valorisatie van voorgaande diensten in, met name voor zijn tewerkstelling als systeemingenieur bij Cisco Systems Belgium bvba van 29 augustus 2005 tot en met 29 mei 2009. Deze gegevens worden door de korpschef opgenomen in een nota van 12 januari 2015, bestemd voor het politiecollege. De korpschef is van oordeel dat de beroepservaring van verzoeker “een klaarblijkelijk voordeel XIV-37.002-4/10 verschaft voor de uitoefening van zijn huidige functie”, reden waarom hij besluit dat er voor verzoeker “maximum 45 maanden als nuttige beroepservaring [kunnen] worden erkend.” 3.5. Op 30 januari 2015 beslist het politiecollege niet in te gaan op verzoekers erkenningsaanvraag (alsook van nog drie andere collega’

  1. s)om zijn voorgaande dienstjaren te valoriseren, en beslist verzoekers aanvraag naar de politieraad te verwijzen. Het politiecollege overweegt dat het bij deze vacatures niet ging om moeilijk rekruteerbare jobs, er waren meerdere kandidaten voor deze functies en dat indien deze personen deze ervaring niet zouden hebben gehad, ze waarschijnlijk niet als beste uit de selectieproeven waren gekomen en de job niet hadden gekregen. Hun ervaring heeft zich dus geloond en ervaring maakte geen onderdeel uit van de vacature. Het politiecollege overweegt nog dat “[z]e hebben gesolliciteerd, terwijl ze wisten dat hun anciënniteit niet zou meetellen” en dat ze “bij de aanwerving op de hoogte [waren] hiervan.” Op 1 april 2015 beslist de politieraad van de verwerende partij de argumentatie van het politiecollege te volgen en verleent goedkeuring aan de beslissing van het politiecollege van 30 januari 2015. Bij brief van 24 april 2015 wordt aan verzoeker kennis gegeven van deze beslissingen. 3.6. Verzoeker heeft tegen deze beslissingen een klacht ingediend bij de toezichthoudende overheid, zo blijkt uit een brief van het Agentschap Binnenlands Bestuur van 30 juni 2015, die de ontvangst van die klacht bevestigt. Tevens heeft verzoeker op 14 juli 2015 tegen de beslissing van de politieraad van 1 april 2015 een verzoek tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingediend (zoals gekend onder het nummer A.216.451/XIV-36.565). XIV-37.002-5/10 Op 17 juli 2015 beslist het politiecollege zijn beslissing van 30 januari 2015 in te trekken. De politieraad beslist op 14 oktober 2015 eveneens om zijn beslissing van 1 april 2015 in te trekken. Die intrekkingen leiden ertoe dat het hiervoor genoemde verzoek tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring dat doelloos was geworden, door de Raad van State bij zijn arrest nr. 232.882 van 10 november 2015 zijn verworpen. De klacht bij het Agentschap Binnenlands Bestuur wordt eveneens zonder voorwerp verklaard. 3.7. Op 14 oktober 2015 neemt de politieraad een nieuwe beslissing met betrekking tot de geldelijke anciënniteit van verzoeker waarbij hij na onderzoek van verzoekers dossier de aanvraag ongegrond verklaart omdat de beroepservaring die betrokkene naar voren schuift, niet kan worden beschouwd worden als beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de huidige functie van verzoeker, zoals bedoeld door de artikelen XI.II.5 tot XI.II.l0 RPPol. Dit is de bestreden beslissing die berust op de volgende overwegingen: “Gelet op de wet van 07.12.1998 i.v.m. geïntegreerde politie, gestructureerd op 2 niveaus (verder WGP genoemd); Gelet op het KB van 26.03.2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het KB van 30.03.2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldelijke anciënniteit; Gelet op het KB van 30.03.2001 tot regeling van de rechtspositie van de politiediensten (RPPol) in het bijzonder de artikelen XI.II.5 tot XI.II.l0 RPPol; Gelet op de aanvraag tot valorisatie van vroegere beroepservaring en de herberekening van de geldelijke anciënniteit van Andy Jans, consulent IT; Gelet op het feit dat het diensten betreft die gepresteerd zijn als contractueel personeelslid bij een publiek- of privaatrechtelijk rechtspersoon; Gelet dat enkel de bevoegde overheid kan overgaan tot een valorisatie van beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie; Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, kan de politieraad of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56 WGP, diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privésector of als zelfstandige erkennen indien deze diensten een beroepservaring vormen die bijzonder nuttig is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangeworven. De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor een functie is deze die aan de betrokkene die erover beschikt een klaarblijkelijk voordeel verschaft in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties, voor de uitoefening van de functie. XIV-37.002-6/10 Wat de beroepservaring betreft, kan uit het dossier worden afgeleid : • [Verzoeker] (verder betrokkene genoemd) was in de periode van 29.08.2005 tot en met 29.05.2009 tewerkgesteld bij [C. S. I.] bv (29.08.2005 - 29.07.2006) en [C. S. B.] (30.07.2006 - 29.05.2009) als respectievelijk 'associate systems engineer.intl sales' en ‘systems engineer.sales’. Een formele functiebeschrijving vanuit de organisatie werd niet toegevoegd. Naar eigen zeggen van betrokkene stond hij binnen deze functies in voor de openbare sector en was hij onder meer verantwoordelijk voor het onderhoud en uitbreiding van het demolab en de ontwikkeling en installatie van klantspecifieke setups, technisch en systeemonderhoud van het serverpark, opvolging met de centrole ITdienst, technische opleiding omtrent producten en technologlieën, onderhoud van de website, samenwerking met IT- en technische diensten, technische ondersteuning bij het ontwikkelen/beantwoorden van openbare aanbestedingen, samenwerking met accountmanagers om de beste prijs/kwaliteit oplossing te bieden, ontwikkeling van lighthouses. • Betrokkene is sedert 01.02.2014 binnen de politiezone tewerkgesteld als technisch systeembeheerder, onder leiding van het diensthoofd Directie Operaties. Hij is een eerstelijnsmedewerker en staat binnen de politiezone in voor het volledig technisch beheer van de informatica architectuur van de politiezone, onder meer in het domein van veiligheid, beheer van de gebruikers binnen ISLP, beheer van technische defecten, onderhoud van de servers, beheer van de licenties, behoud van de eenvormigheid van ISLP en update van ISLP, beheer van de uitbreidingen, opvolging van de installatie van materiaal, goede werking en continuïteit van de door de gemeente aan de politiezone ter beschikking gestelde bureautica-automatiseringsarchitectuur. Wat de beoordeling van de aanvraag betreft, wordt rekening gehouden met volgende elementen: • de inhoud en specificaties van de beroepservaring die betrokkene in aanmerking wenst te laten nemen, zijn niet gebaseerd op een objectief document opgesteld door de vroegere werkgever maar op een eigen verklaring over de jobinhoud. Deze verklaring wordt evenwel weerhouden voor de verdere beoordeling van de aanvraag. • Ingevolge de wettelijke voornoemde bepalingen moet een onderscheid gemaakt worden tussen generieke en technische competenties. • De aanwezigheid van generieke competenties worden getoetst in het kader van de wervingsselectie. In casu beschikte betrokkene ingevolge zijn vroegere werkervaring over de nodige generieke skills. • De technische competenties, die eigen zijn aan de functie en voortvloeien uit het functieprofiel, in het bijzonder het volledig technisch beheer van de informatica architectuur van de politiezone, het beheer van de gebruikers binnen ISLP, het behoud van de eenvormigheid van ISLP, de update van ISLP en de continuïteit van de door de gemeente aan de politiezone ter beschikking gestelde bureautica-automatiseringsarchitectuur, had betrokkene nog niet verworven op het ogenblik van zijn indiensttreding. • Het wordt uiteraard niet ontkend dat betrokkene een zekere beroepservaring had op het ogenblik van zijn aanwerving binnen de politiezone, hij had op dat ogenblik echter nog geen ervaring vergaard in de technische competenties zoals weergegeven in de functiebeschrijving. • Dit komt vast te staan uit de opleidingen die hij sedert zijn aanwerving op kosten van de politiezone heeft gevolgd waaronder de voortgezette opleidingen voor de systemen XIV-37.002-7/10 ISLP - OPI - ANG - Pol Office - Bestuurlijke politie Bepad OPI-ANG-ISLP - Assistent functionele beheerder OPI-ANG - Pol Office RAAVIS […].” Deze beslissing wordt verzoeker op 16 oktober 2015 ter kennis gebracht. 3.8. Tegen deze beslissing heeft verzoeker op 6 november 2015 een klacht ingediend bij de toezichthoudende overheid. Deze klacht werd op 25 februari 2016 door de gouverneur verworpen in essentie omdat naar het oordeel van de toezichthoudende overheid met de bestreden beslissing geen schending voorligt van de formele-, noch van de materiëlemotiveringsplicht. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Amtbshalve exceptie 4. In zijn arrest nr. 245.605 van heden in de zaak die bij de Raad van State is gekend onder het nummer A/218.991/XIV-36.997 heeft de Raad van State het beroep tot nietigverklaring ingediend door de verzoekster in die zaak, die één van de in punt 3.5 bedoelde collega’s van verzoeker is, verworpen. Het beroep in die zaak was eveneens gericht tegen een beslissing van de politieraad van de verwerende partij van 14 oktober 2015 - dit is van dezelfde dag als deze waarop de thans bestreden beslissing werd genomen - waarbij de door verzoekster in die zaak ingediende aanvraag tot erkenning van haar beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de uit te oefenen functie zoals bedoeld door de artikelen XI.II.5 tot XI.II.10 van het RPPol, evenzo werd geweigerd. In de zaak die geleid heeft tot het genoemde arrest van heden is gebleken dat de verzoekster in die zaak met ingang van 1 juni 2009 door de verwerende partij als contractueel consulent boekhouder niveau B, werd aangesteld bij een arbeidsovereenkomst. De betrokken arbeidsovereenkomst werd door de verzoekster in die zaak bijgebracht wat ertoe heeft geleid dat de Raad van XIV-37.002-8/10 State in het eerdergenoemde arrest het beroep tot nietigverklaring in die zaak heeft verworpen bij gebrek aan rechtsmacht. In de thans voorliggende zaak heeft verzoeker geen arbeidsovereenkomst bijgebracht noch overigens de verwerende partij die voorts in haar beslissingen geen enkele melding maakt van een gebeurlijke contractuele aanwerving van verzoeker noch overigens van een statutaire tewerkstelling. In de aanhef van haar bestreden beslissing vermeldt de verwerende partij wel dat “[g]elet op het feit dat het diensten betreft die gepresteerd zijn ais contractueel personeelslid bij een publiek- of privaatrechtelijk rechtspersoon”, doch die aanhefbepaling verwijst naar de voorgaande gepresteerde diensten in contractueel verband bij een vorige werkgever doch niet naar (het bestaan van) een gebeurlijk contractueel dienstverband bij de verwerende partij. Desalniettemin is bij de beoordeling van de voorliggende zaak gebleken dat verzoeker in het door hem ingediende verzoekschrift, weliswaar slechts bij de uiteenzetting van zijn enig middel, op een enkele plaats alsnog wijst op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Aldus stelt hij in zijn verzoekschrift op pagina 6 onder punt 2. e), dat hij uit de in punt 3.5 genoemde nota en de in punt 3.6. genoemde beslissing van het politiecollege en de politieraad afleidt dat “[u]it al deze elementen blijkt dat [de] verwerende partij de beroepservaring van [verzoeker] als bijzonder nuttig [beschouwt] voor de functie waarin [verzoeker] werd in dienst genomen bij de arbeidsovereenkomst, en waarbij deze ervaring […] een klaarblijkelijk voordeel oplevert in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties.”. De Raad van State vermag daaraan niet voorbij te gaan. Het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst is een element dat in acht moet worden genomen door de Raad van State met het oog op het beoordelen van zijn rechtsmacht. XIV-37.002-9/10 5. Er blijft in deze stand van het geding onduidelijkheid over de aard van het dienstverband van verzoeker met de verwerende partij. Het auditoraat heeft dit element niet betrokken in zijn onderzoek over de zaak. Er is derhalve reden vooraleer kan worden overgegaan tot het onderzoek van de zaak om het debat te heropenen opdat de partijen hierover klaarheid zouden scheppen en om hen de gelegenheid te bieden hierover standpunt in te nemen. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.002-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.606 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.