id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.607 Rolnummer: A. 219359/XIV-37055 Zaak: Arrest 245607 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-06-28 15:06 Fiche Arrest nr 245.607 van 2 oktober 2019 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.607 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 219.359-XIV/37.055 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets, Elke Cloots en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PSYCHOLOGENCOMMISSIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Psychologencommissie van 25.03.2016 die ertoe strekt om de aanvraag van mevr. Cornelis tot erkenning als psychologe niet goed te keuren, zoals blijkt uit de kennisgeving d.d. 29.03.2016, zoals door verzoekster ontvangen op 31.03.2016”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. XIV-37.055-1/14 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joos Roets, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Tim Souverijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een e-mail van 31 december 2015 dient verzoekster een aanvraag in tot registratie en het bekomen van een erkenningsnummer als psychologe. Zij herhaalt haar verzoek met een brief van 8 januari
- In haar aanvraag vermeldt zij dat zij in het bezit is van een diploma van licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen, richting orthopedagogiek uitgereikt door de Vrije Universiteit Brussel
(1988), met een bijkomende psychotherapeutische specialisatie in de Systeem-, Relatie-en Gezinstherapie
(1996). Zij wijst er nog op dat zij tijdens het academiejaar 2014-2015 twee modules van de klinische psychologie heeft gevolgd, met name “volwassendiagnostiek” en “psychofarmacologie” waarvoor zij is geslaagd. XIV-37.055-2/14 3.2. Met een brief van 29 maart 2016 deelt de Psychologencommissie verzoekster mee dat haar aanvraag niet is goedgekeurd omdat niet is voldaan aan de mogelijke erkenningsgronden, met name omdat elke mogelijke erkenningsgrond uitgaat van een universitair diploma van licentiaat of master in de psychologie. Het door verzoekster behaalde diploma van licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen, richting orthopedagogiek komt niet voor in de wet van 8 november 1993 ‘ter bescherming van de titel van psycholoog’ (hierna: de wet van 8 november 1993). Hetzelfde geldt voor de andere door verzoekster aangereikte documenten. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State 4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie op waarbij zij aanvoert dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep een geschil over subjectieve rechten betreft waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. Zij zet uiteen dat de Psychologencommissie bij de toekenning van de wettelijk beschermde titel van psycholoog over geen enkele discretionaire bevoegdheid beschikt. De registratie kan enkel worden verleend als aan de wettelijke voorwaarden ervan is voldaan, zijnde in het bezit zijn van een bepaalde academische graad. De bevoegdheid van de Psychologencommissie is strikt gebonden. Zij dient enkel na te gaan of het diploma van de aanvrager voor komt in de lijst van artikel 1 van de wet van 8 november 1993. 5. Verzoekster argumenteert in haar memorie van wederantwoord in repliek op de exceptie van de verwerende partij dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het voorliggende beroep geenszins een geschil over subjectieve rechten betreft. Zij stelt dat uit de door verzoekster aangevoerde middelen onmiskenbaar blijkt dat zij louter een schending van het objectief recht aanklaagt, te dezen een schending door de verwerende partij van artikel 1, 1°, f), XIV-37.055-3/14 van de wet van 8 november 1993, gelezen in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsmede van de materiële- en formelemotiveringsplicht. Zij vraagt op grond daarvan om een vernietiging van de bestreden beslissing. Het zal vervolgens aan de verwerende partij toekomen om, met een correcte toepassing van het objectief recht, een nieuwe beslissing te nemen. Vermits het objectief contentieux en het subjectief contentieux de keerzijde vormen van éénzelfde medaille, houdt het objectief contentieux vanzelfsprekend steeds tevens een vorm van subjectief rechtsherstel in. Het feit dat een tussen te komen vernietiging desgevallend zijdelings een invloed kan hebben op de uitoefening van een subjectief recht, is op zich niet voldoende om de rechtsmacht van de Raad van State uit te sluiten. Verzoekster bestrijdt dat de verwerende partij te dezen slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt en dat de bestreden beslissing “onvermijdelijk voortvloeide” uit een correcte toepassing van artikel 1, 1°,
- f)van de wet van 8 november 1993. Volgens verzoekster veronderstelt een grondwetsconforme interpretatie van artikel 1, 1°,
- f)van die wet integendeel dat de verwerende partij over een beoordelingsmarge beschikt om universitaire diploma’s in de tussenrichting orthopedagogiek die werden behaald vóór de bekendmaking van de wet van 8 november 1993, te kwalificeren als universitaire diploma’s in de psychologische en pedagogische wetenschappen, dan wel in de psycho-pedagogische wetenschappen. Het tegendeel beweren, zou artikel 1, 1°,
- f)onmiskenbaar op gespannen voet brengen met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, hetgeen alsdan aanleiding zou dienen te geven tot een bevraging van het Grondwettelijk Hof. Verzoekster doet nog gelden dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uitgebreid rekening houdt met de mogelijkheid dat zij weldegelijk over de nodige interpretatiemarge beschikt. De verwerende partij gaat er immers (zelf) van uit dat “[z]elfs indien de Psychologencommissie bevoegd zou zijn om de tekst van artikel 1, 1°,
- f)van de wet van 8 november 1993 te interpreteren aan de hand van de parlementaire voorbereiding, dan nog moet […] worden vastgesteld dat die parlementaire voorbereiding de bestreden beslissing XIV-37.055-4/14 ondersteunt.”. Tot slot gaf de verwerende partij in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aan dat de Raad van State het geëigende rechtscollege is voor de beoordeling van een beroep tegen de bestreden beslissing waarin zij stelt: “U kan steeds een herziening aanvragen door bijkomende documenten op te sturen die alle argumenten voor uw niet-erkenning ontkrachten. Een beroep instellen is ook mogelijk. Dit dient dan te gebeuren binnen de 60 dagen volgend op dit bericht en per aangetekend schrijven aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel.”. In haar laatste memorie herneemt verzoekster haar argumenten zoals zij die in haar memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. Zij benadrukt nog dat de Raad van State bezwaarlijk anticipatief zijn rechtsmacht kan uitsluiten op basis van de overweging dat de bestreden beslissing voortvloeit uit een gebonden bevoegdheid nog vooraleer hij “genoeglijk heeft geverifieerd dat er daadwerkelijk sprake is/was van een gebonden bevoegdheid (quod non), en […] dat een dergelijke gebonden bevoegdheid verenigbaar is met de hogere rechtsnormen (eveneens quod non)”. Volgens verzoekster volgt zowel uit de bewoordingen van artikel 1, 1°, f), van de wet van 8 november 1993 als uit de parlementaire toelichtingen erbij, onmiskenbaar dat het diploma van verzoekster weldegelijk kwalificeert als een diploma in de zin van die bepaling. Het standpunt van de verwerende partij dat artikel 1, 1°,
- f)van de wet van 8 november 1993 niet toelaat om het diploma van verzoekster te kwalificeren als een diploma in de zin van die wetsbepaling zou in strijd komen met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel waarvan verzoekster in haar enig middel de schending aanvoert. Zij licht in haar laatste memorie met het oog op de weerlegging van de door de verwerende partij ingeroepen exceptie, haar enig middel nogmaals bondig toe. Volgens verzoekster vereist een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen 1, 1°,
- f)en 2, §1 tot §3, van de wet van 8 november 1993 dat de verwerende partij over een beoordelingsmarge beschikt om universitaire diploma's in de (tussenrichting) “orthopedagogiek” die werden behaald vóór de bekendmaking van de wet van 8 november 1993, te kwalificeren als universitaire diploma's in de “psychologische XIV-37.055-5/14 en pedagogische wetenschappen” of in de “psycho-pedagogische wetenschappen”. In de mate dit standpunt niet zou worden bijgetreden, herhaalt zij haar vraag om de in haar verzoekschrift gesuggereerde prejudiciële vragen te richten aan het Grondwettelijk Hof zonder welke volgens haar geen ontstentenis van rechtsmacht kan worden vastgesteld. Indien het Grondwettelijk Hof de gesuggereerde prejudiciële vragen bevestigend beantwoordt dan wel zich aansluit bij de door verzoekster voorgestane grondwetsconforme interpretatie van artikel 1, 1°, f), zal immers vaststaan dat de bestreden beslissing weldegelijk een legitieme rechtsbasis ontbeert, en dat de bestreden beslissing door de Raad van State uit het rechtsverkeer moet worden verwijderd. Ondergeschikt, sluit zij zich aan bij het auditoraatsverslag in zoverre daarin wordt geoordeeld dat de kosten van het beroep en de rechtsplegingsvergoeding ten laste dienen te komen van de verwerende partij vermits deze in haar brief van 29 maart 2016 waarmee zij de bestreden beslissing aan verzoekster ter kennis brengt, heeft meegedeeld dat ertegen een beroep bij de Raad van State kon worden ingediend. Beoordeling 6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoeker zich beroept op een XIV-37.055-6/14 welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan een verzoeker belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is. Te dezen moet worden beoordeeld of de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing over enige discretionaire bevoegdheid cq. beoordelingsvrijheid beschikt, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementaire vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren (Cass. 8 maart 2013, nr. C.12.0424.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.4). De Raad van State heeft enkel rechtsmacht indien de bestreden beslissing een constitutieve beslissing is waarbij de overheid gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Hij is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij zich kan beroepen op een welbepaald recht. 7. Verzoekster heeft haar diploma behaald aan een Belgische universiteit zodat te dezen de artikelen 1 tot 3 van de wet van 8 november 1993 van toepassing zijn. De voor het voorliggende beroep relevante bepalingen ervan bepalen wat volgt: “Artikel 1. Niemand mag de titel van psycholoog dragen, indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° houder zijn :
- a)van een door een Belgische universiteit uitgereikt diploma van licentiaat of doctor in de psychologie of van een daarmee door de bevoegde instantie gelijkwaardig verklaard buitenlands diploma;
- b)of van één van de hierna vermelde, door een Belgische universiteit uitgereikte diploma’s of van een daarmee door de bevoegde instantie gelijkwaardig verklaard buitenlands diploma: - licentiaat of doctor in de beroepsoriëntering en selectie; - licentiaat of doctor in de psychologische wetenschappen; - licentiaat of doctor in de toegepaste psychologie; - licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen – richting ontwikkelingspsychologie; - licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen - XIV-37.055-7/14 richting industriële psychologie; - licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen - richting ontwikkelings- en klinische psychologie; - licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen - richting bedrijfspsychologie; - licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen - richting theoretische en experimentele psychologie; - licentiaat of doctor in de ontwikkelingspsychologie; - licentiaat of doctor in de klinische psychologie; - licencié ou docteur en orientation et sélection professionnelles; - licencié ou docteur en sciences psychologiques; - licencié ou docteur en psychologie appliquée; - licencié ou docteur en sciences psychologiques et pédagogiques - orientation psychologie génétique; - licencié ou docteur en sciences psychologiques et pédagogiques - orientation psychologie industrielle; - licencié ou docteur en sciences psychologiques et pédagogiques avec l'une des attestations suivantes : - psychologie clinique; - psychologie sociale et socio-psychologie; - psychologie industrielle; - psychologie clinique et curative; - licentiaat of doctor in de psychopedagogische wetenschappen - richting psychologie;
- c)of van een vóór 1 januari 1960 door een Belgische universiteit uitgereikt diploma van licentiaat of doctor en als lid van het academisch personeel psychologie doceren aan een Belgische universiteit;
- d)[…];
- e)of van een diploma van “licencié en sciences psychopédagogiques - orientation guidance et counseling”, uitgereikt door de Rijksuniversiteit te Bergen vóór de bekendmaking van deze wet;
- f)of van een diploma van licentiaat of doctor in de psychologische en pedagogische wetenschappen, of van een diploma van licentiaat of doctor in de psycho-pedagogische wetenschappen, behaald voor de bekendmaking van deze wet;
- g)[…]. 2° voorkomen op de lijst bedoeld in artikel 2.” Art. 2. § 1. De Psychologencommissie bedoeld in artikel 3 houdt een lijst bij van de personen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, 1°, en die de titel van psycholoog wensen te dragen. § 2. De personen bedoeld in § 1 sturen bij een ter post aangetekende brief een afschrift van hun diploma of een getuigschrift uitgaande van de universiteit […], waar zij hun diploma behaald hebben en waaruit zulks effectief blijkt, naar de Psychologencommissie. […] § 3. Personen die opgenomen werden op de lijst kunnen er te allen tijde op eigen verzoek van geschrapt worden. §4 […]. Art. 3. § 1. De Psychologencommissie - hierna de Commissie - is een onafhankelijk organisme met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.” XIV-37.055-8/14 Uit de toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de wet van 8 november 1993 die een lange besluitvormingsprocedure heeft gekend, blijkt dat met de bescherming van de beroepstitel van psycholoog de bedoeling voorlag een einde te stellen aan de wildgroei die was ontstaan “door de enorme expansie die de wereld van psychologen heeft doorgemaakt”. Beoogd werd een einde te stellen aan “de ondoorzichtigheid van en de bestaande verwarring omtrent taak, vorming en statuut van de psycholoog” (Parl. St. Senaat, 1983-1984, nr. 726/1, 1). Volledigheidshalve bemerkt de Raad van State dat in de toelichting bij het wetsvoorstel nog kan worden gelezen dat de “personen die nu of in de toekomst van de titel psycholoog gebruik maken of willen maken maar daar, gelet op hun diploma geen recht op hebben, in principe hun activiteit verder [zouden] mogen zetten respectievelijk hun voorgenomen activiteit aanvragen, maar zonder gebruik van de titel” (Parl. St. Senaat, 1983-1984, nr. 726/1, 3). In diezelfde toelichting wordt “voor alle duidelijkheid” gesteld dat de bij het hiervoor aangehaalde artikel 3, § 1, opgerichte Psychologencommissie “geen enkele discretionaire bevoegdheid bezit op het stuk van de registratie: als aan de wettelijke voorwaarden voor registratie is voldaan, nl. het bezit van een bepaalde academische graad, moet de Psychologencommissie tot registratie overgaan.” (Parl. St. Senaat, 1983-1984, nr. 726/1, 4). Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de bevoegde parlementaire commissies wordt nog vermeld dat er “wel in een Psychologencommissie [wordt] voorzien doch alleen om adviezen te geven en om de lijst bij te houden van de personen die de titel van psycholoog wensen te dragen en daartoe aan de gestelde voorwaarden voldoen […] De procedure tot bescherming van de titel is eenvoudig: namelijk het registreren van het diploma door een commissie.” (Parl. St. Senaat, 1983-1984, nr. 726/2, 2) of, nog, dat de Psychologencommissie alleen een lijst kan aanleggen van personen die houder zijn van een universitair diploma bepaald in artikel 1 van de wet van 8 november 1993 en “als dusdanig geen beslissingsbevoegdheid [heeft]” (Parl. St. Kamer, 1985-1986, nr. 256/6, 11). XIV-37.055-9/14 Het door verzoekster in haar enig middel geschonden geachte artikel 1, 1°, f), van de wet van 8 november 1993 tot slot is het resultaat van een parlementair amendement nr. 17. Dit amendement beoogt ermee rekening te houden dat op het ogenblik van de totstandkoming van de wet zeven universitaire instellingen, in de wetenschappelijke graad, een opleiding in de tweede en derde cyclus van de psychologische studies organiseren. Die instellingen verzorgen ook een pedagogische opleiding. In de verantwoording bij het amendement kan worden gelezen dat vier van die universitaire instellingen (diploma’s van licentiaat of doctor) uitreiken met de vermelding van de gevolgde specifieke opleiding (psychologie of pedagogie). Aan drie ervan, te weten “aan de “Rijksuniversiteit Gent”, aan de “Université Libre de Bruxelles” en aan de “Université de l’Etat” te Bergen echter worden de desbetreffende studies bekrachtigd door de uitreiking van een gemengde titel waarin het tweevoudige karakter van de opleiding wordt gespecificeerd. De houders van die diploma’s hebben altijd toegang gehad tot dezelfde functies als die welke toegankelijk zijn voor de houders van een zuiver psychologisch diploma. Het amendement nr. 17 dat heeft geleid heeft tot het aangehaalde artikel 1, 1°,
- f)viseert tot slot diploma’s behaald vóór de bekendmaking van de wet van 8 november 1993 wat wordt verklaard door het gegeven dat inmiddels aan de dubbelzinnigheid in de specificatie van de opleidingen werd verholpen door een gezamenlijk initiatief van die zeven instellingen om in de toekomst slechts twee benamingen te gebruiken, namelijk voor de psychologie “licentiaat in de psychologie” en voor de opvoedkundige wetenschappen “licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen” omwille van “de noodzakelijkheid om op landelijk vlak tot een rationalisatie in uitgereikte titels te komen”. De mogelijkheid om (ook) de titel van psycholoog te dragen voor houders van een in het verleden behaald universitair diploma met een tweevoudige specificiteit (psychologie en pedagogie) wordt beperkt tot de diploma’s die voor de uitvaardiging van de wet werden uitgereikt aangezien de toekomstige gediplomeerden genoegzaam zullen zijn voorgelicht om een verantwoorde keuze te doen. (Parl. St. Kamer, 1985-1986, nr. 256/4, 1-2 en nr. 256/6, 10). XIV-37.055-10/14 8. Zowel uit de hiervoor aangehaalde artikelen 1 tot 3 van de wet van 8 november 1993 als uit de parlementaire voorbereiding die eraan voorafgaat, volgt dat de Psychologencommissie wanneer zij op grond van de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 november 1993 met een aanvraag tot registratie wordt gevat, niet meer vermag te doen dan vast te stellen of de betrokkene (al dan niet) in het bezit is van één van de in artikel 1 (limitatief) opgesomde diploma’s bij gebrek waaraan zij niet tot registratie vermag over te gaan en, omgekeerd, zo die voorwaarde wel is vervuld, de betrokkene moet worden geregistreerd op de lijst van titelvoerende psychologen. Haar bevoegdheid is derhalve gebonden. Het gaat om een declaratieve beslissing waarbij de bevoegde overheid, te dezen de Psychologencommissie, vaststelt dat de betrokkene voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij of zij zich kan beroepen op een welbepaald recht, te dezen het recht om de beroepstitel te voeren. Dat de verwerende partij bovenvermelde wettelijke bepalingen verkeerd zou interpreteren, zoals verzoekster stelt, toont niet aan dat de verwerende partij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Anders dan verzoekster dat ziet, brengt de noodzaak tot interpreteren alvorens tot toepassing van de wettelijke bepaling kan worden overgegaan niet mee dat het om een discretionaire beoordelingsbevoegdheid zou gaan. De door de verwerende partij ingeroepen exceptie moet worden bijgevallen. Het werkelijk voorwerp van het voorliggende beroep betreft een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de verwerende partij bovenvermeld artikel 1, 1°,
- f)correct heeft geïnterpreteerd en toegepast staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter, evenals de vraag of door die toepassing gebeurlijk een schending voorligt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, het verbod van discriminatie of het beginsel van de rechtszekerheid, daarin begrepen het vertrouwensbeginsel. 9. Voorts, in de mate verzoekster in haar memorie van wederantwoord nog verwijst naar een in het kader van de totstandkoming van de XIV-37.055-11/14 wet van 8 november 1993 door de afdeling Wetgeving van de Raad van State uitgebracht advies van 23 maart 1989 (Parl. St. Senaat, 1989-1990, nr. 817/2, 6-8) evenals naar rechtspraak van de Raad van State bemerkt de Raad van State dat zowel dat advies als de door verzoekster aangehaalde rechtspraak betrekking hebben op wat artikel 12 van de wet van 8 november 1993 is geworden en niet op de artikelen 1 iuncto 2 van de wet van 8 november 1993 die verzoekers aanvraag en de daaropvolgende bestreden beslissing tot rechtsgrond strekken. Het genoemde artikel 12 betreft een overgangsbepaling die ertoe strekte personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 november 1993 een diploma hebben behaald aan een faculteit of een instituut voor psychologie en pedagogie van een Belgische universiteit waarvan door de minister van Middenstand, na advies van de Psychologencommissie, - daarbij rekening houdende met de aanvullende vorming die, in voorkomend geval, verkregen werd in dezelfde instellingen - de gelijkwaardigheid aan de in artikel 1, 1°,
- a)en b), bedoelde diploma’s is erkend, te machtigen om zelfs na de bekendmaking van de meergenoemde wet de beroepstitel van psycholoog te dragen. Die overgangsbepaling op grond waarvan de minister van Middenstand over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, kende een beperkte werking in de tijd. Immers, krachtens artikel 13 van dezelfde wet dienden zij daartoe bij een ter post aangetekende brief, een omstandige aanvraag tot de minister van Middenstand te richten vóór 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar waarin de wet werd bekendgemaakt, dit is vóór 31 december 1996. 10. De exceptie is gegrond. Er is geen reden om de door verzoekster gesuggereerde prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Daargelaten nog de vraag of de in het kader van de beoordeling van de voorliggende exceptie door verzoekster voorgestelde prejudiciële vraag er niet toe strekt - veeleer dan het bepaalde in artikel 1, 1°, f), van de wet van 8 november 1993 - de grondwettigheid van de rechtspraak van de Raad van State inzake het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep ter discussie te stellen, dient te worden vastgesteld dat hij XIV-37.055-12/14 te dezen in ieder geval niet de laatste rechter is noch wat de beoordeling van de ingeroepen exceptie betreft, noch - gelet op het gegrond bevinden van de ingeroepen exceptie - wat de beoordeling van het enig middel betreft. V. Kosten 11. In de gegeven omstandigheden past het de kosten van het beroep daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de verwerende partij, aangezien zij in de bestreden beslissing ten onrechte heeft gesteld dat het beroep diende te worden ingeleid bij de Raad van State. VI. Anonimisering 12. Verzoekster vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoekster. XIV-37.055-13/14 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.055-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.607 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div