← België

Arrest 245608 - Politie - 02/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.608 Rolnummer: A. 218992/XIV-36998 Zaak: Arrest 245608 - Politie - 02/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:14 Fiche Arrest nr 245.608 van 2 oktober 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.608 van 2 oktober 2019 in de zaak A. 218.992/XIV-36.998 In zake : Dirk JACOBS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5381 BILZEN-HOESELT-RIEMST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Schellingen kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 april 2016, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de politieraad d.d. 14.10.2015 van de Politiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-36.998-1/13 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marlies De Raeve, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Christophe Bodvin, die loco advocaat Erik Schellingen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Na het doorlopen van een selectieprocedure wordt verzoeker met ingang van 1 januari 2007 door de verwerende partij aangesteld als contractueel ICT Consulent, niveau B, technisch systeembeheerder. Het betreft een graad binnen het administratief personeel (Calog) van het politiekader. Met ingang van 1 februari 2009 wordt deze contractuele tewerkstelling omgezet in een statutaire tewerkstelling. 3.2. Bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 ‘tot wijziging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 XIV-36.998-2/13 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldende anciënniteit’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 maart 2014) (BS 22 april 2014) wordt afdeling 1 (‘De basiswedde, de geldelijke anciënniteit en de tussentijdse verhogingen’) van hoofdstuk II van titel II van deel XI RPPol, die de artikelen XI.II.3 tot XI.II.10 omvat, vervangen. Het voor het voorliggende beroep relevante artikel XI.II.5 ervan, luidt: “Art. XI.II.5. §1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, worden ambtshalve aangenomen de diensten verricht in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat. §2. De personeelsleden aangeworven door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die niet bedoeld zouden worden in § 1, in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens de machtiging van de overheid, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten bedoeld in § 1. § 3. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, kan de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, eveneens de diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privésector of als zelfstandige erkennen indien hij van mening is dat deze diensten een beroepservaring vormen die bijzonder nuttig is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangeworven of in dienst wordt genomen bij arbeidsovereenkomst. Voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar, wint de in het eerste lid bedoelde overheid het advies in van een commissie, die als volgt is samengesteld : 1° een lid van het Administratief en Technisch secretariaat Binnenlandse Zaken aangewezen door de minister, voorzitter; 2° een personeelslid van de lokale politie aangewezen door de Vaste Commissie van de lokale politie, bijzitter; 3° een personeelslid van de federale politie aangewezen door de commissaris-generaal, bijzitter. De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor een functie is deze die aan de betrokkene die erover beschikt een klaarblijkelijk voordeel verschaft in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties, voor de uitoefening van de functie. De valorisering van de bijzonder nuttige ervaring gebeurt bij de aanwerving van het personeelslid van het administratief en logistiek kader of van de aspirant- hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent. Die valorisering blijft naderhand ongewijzigd, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel XI.II.4, derde en vierde lid. Het personeelslid van het administratief en logistiek kader of de aspirant-hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisatie of met specialiteit politieassistent die de erkenning vraagt van een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie, levert het bewijs ervan. Behoudens een bijzondere termijn toegekend door de gemeenteraad of de politieraad of de burgemeester of het politiecollege in geval van de delegatie XIV-36.998-3/13 bedoeld in artikel 56, tweede en derde lid, van de wet, voor wat betreft de lokale politie, en de commissaris-generaal of de door hem aangewezen overheid, voor wat betreft de federale politie, is deze erkenningsaanvraag niet meer ontvankelijk vanaf de vierde maand na de indiensttreding. De erkenning kan ook vóór de indiensttreding gebeuren maar ze geldt pas bij de indiensttreding. Het in aanmerking nemen van de erkende diensten bedoeld in deze paragraaf wordt berekend overeenkomstig artikel XI.II.6, § 1, § 3, eerste lid, en §§ 4 tot 7.” Artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 maart 2014 voorziet in een overgangsbepaling. Het luidt: “Art. 2. De geldelijke anciënniteit verworven door de personeelsleden op datum van 1 december 2008 blijft verworven. Zij kan enkel gewijzigd worden bij toepassing van artikel XI.II.4, derde en vierde lid, RPPol, ingevoegd bij artikel 1 van dit besluit.” Artikel XI.II.4, derde en vierde lid, RPPol zoals vervangen door datzelfde koninklijk besluit van 26 maart 2014, bepaalt het volgende: “Art. XI.II.4. [...] Wanneer een reeds in dienst zijnd personeelslid een betrekking bekomt in het raam van een externe aanwerving, maakt zijn geldelijke anciënniteit het voorwerp uit van een nieuwe berekening. Buiten het geval bedoeld in het derde lid, kan de component van de geldelijke anciënniteit bedoeld in het tweede lid, 1°, enkel gewijzigd worden wanneer wordt vastgesteld dat een vergissing of bedrog werd begaan op het ogenblik van zijn initiële berekening. Indien dit effectief het geval is, dient deze laatste herberekend te worden op basis van de regelgeving die van toepassing was op het ogenblik van de indiensttreding van het betrokken personeelslid.” Het genoemde koninklijk besluit van 26 maart 2014 bepaalt dat het uitwerking heeft met ingang van 1 december 2008 met uitzondering van (onder meer) artikel XI.II.5, § 3, zesde en zevende lid, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2014. 3.3. Met verwijzing naar het koninklijk besluit van 26 maart 2014 ‘tot wijziging van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldelijke anciënniteit’ verstuurt de personeelsdienst van de XIV-36.998-4/13 verwerende partij op 1 september 2014 een nota waarin wordt meegedeeld dat het mogelijk is om voorgaande diensten in de privésector tot twee derden te valoriseren in de geldelijke anciënniteit mits het indienen van een verzoek vergezeld van het tewerkstellingsattest dat de “voorgaande diensten” bewijst. 3.4. Verzoeker dient op 11 september 2014 een aanvraag tot valorisatie van voorgaande diensten in, met name voor zijn tewerkstelling als netwerkbeheerder bij het Verbond voor Dierenartsen vzw van 1 oktober 1996 tot 31 december 2001) en als IT-verantwoordelijke bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw van 1 januari 2002 tot 31 december 2006. Deze gegevens worden door de korpschef opgenomen in een nota van 21 november 2014, bestemd voor de politieraad. De korpschef is van oordeel dat de beroepservaring van verzoeker “een klaarblijkelijk voordeel verschaft voor de uitoefening van zijn huidige functie”, reden waarom hij besluit dat er voor verzoeker “maximum 123 maanden als nuttige beroepservaring mogen worden erkend.” 3.5. Op 30 januari 2015 beslist het politiecollege niet in te gaan op verzoekers erkenningsaanvraag (alsook van nog drie andere collega’

  1. s)om zijn voorgaande dienstjaren te valoriseren, en beslist verzoekers aanvraag naar de politieraad te verwijzen. Het politiecollege overweegt dat het bij deze vacatures niet ging om moeilijk rekruteerbare jobs, er waren meerdere kandidaten voor deze functies en dat indien deze personen deze ervaring niet zouden hebben gehad, ze waarschijnlijk niet als beste uit de selectieproeven waren gekomen en de job niet hadden gekregen. Hun ervaring heeft zich dus geloond en ervaring maakte geen onderdeel uit van de vacature. Het politiecollege overweegt nog dat “[z]e hebben gesolliciteerd, terwijl ze wisten dat hun anciënniteit niet zou meetellen” en dat ze “bij de aanwerving op de hoogte [waren] hiervan.” XIV-36.998-5/13 Op 1 april 2015 beslist de politieraad de argumentatie van het politiecollege te volgen en verleent goedkeuring aan de beslissing van het politiecollege van 30 januari 2015. Bij brief van 24 april 2015 wordt aan verzoeker kennis gegeven van deze beslissingen. 3.6. Verzoeker heeft tegen deze beslissingen een klacht ingediend bij de toezichthoudende overheid, zo blijkt uit een brief van het Agentschap Binnenlands Bestuur van 30 juni 2015, die de ontvangst van die klacht bevestigt. Tevens heeft verzoeker op 14 juli 2015 tegen de beslissing van de politieraad van 1 april 2015 een verzoek tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak gekend onder het nummer A.216.450/XIV-36.564). Op 17 juli 2015 beslist het politiecollege zijn beslissing van 30 januari 2015 in te trekken. De politieraad beslist op 14 oktober 2015 eveneens om zijn beslissing van 1 april 2015 in te trekken. Die intrekkingen leiden ertoe dat het hiervoor genoemde verzoek tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring dat doelloos was geworden, door de Raad van State bij zijn arrest nr. 232.881 van 10 november 2015 zijn verworpen. De klacht bij het Agentschap Binnenlands Bestuur wordt eveneens zonder voorwerp verklaard. 3.7. Op 14 oktober 2015 neemt de politieraad een nieuwe beslissing met betrekking tot de geldelijke anciënniteit van verzoeker. Luidens artikel 2 ervan besluit de politieraad dat hij “[n]a onderzoek van het dossier de aanvraag ongegrond verklaart omdat de beroepservaring die betrokkene naar voren schuift, niet kan beschouwd worden als beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de huidige functie zoals bedoeld door de artikelen XI.II.5 tot XI.II.l0 RPPol.” Artikel 3 van diezelfde beslissing stelt vervolgens dat “[a]vorens een definitieve XIV-36.998-6/13 beslissing te nemen, onderhavig dossier, inclusief het standpunt van de politieraad, over te maken voor desbestreffend wettelijk advies”. Dit is de bestreden beslissing die berust op de volgende overwegingen: “Gelet op de wet van 07.12.1998 i.v.m. geïntegreerde politie, gestructureerd op 2 niveaus (verder WGP genoemd); Gelet op het KB van 26.03.2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het KB van 30.03.2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de geldelijke anciënniteit; Gelet op het KB van 30.03.2001 tot regeling van de rechtspositie van de politiediensten (RPPol) in het bijzonder de artikelen XI.II.5 tot XI.II.l0 RPPol; Gelet op de aanvraag tot valorisatie van vroegere beroepservaring en de herberekening van de geldelijke anciënniteit van [verzoeker], consulent IT; Gelet op het feit dat het diensten betreft die gepresteerd zijn als contractueel personeelslid bij een publiek- of privaatrechtelijk rechtspersoon; Gelet dat enkel de bevoegde overheid kan overgaan tot een valorisatie van beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie; Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit verworven op het tijdstip van de indiensttreding, kan de politieraad of het politiecollege in geval van de delegatie bedoeld in artikel 56 WGP, diensten verricht in andere overheidsdiensten of in de privésector of als zelfstandige erkennen indien deze diensten een beroepservaring vormen die bijzonder nuttig is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangeworven. De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor een functie is deze die aan de betrokkene die erover beschikt een klaarblijkelijk voordeel verschaft in termen van competenties, in het bijzonder technische competenties, voor de uitoefening van de functie. Wat de beroepservaring betreft, kan uit het dossier worden afgeleid: • [Verzoeker] (verder betrokkene genoemd) was in de periode van 01.10.1996 tot en met 31.12.2001 als netwerkbeheerder tewerkgesteld bij het [V. v. D.] vzw en in de periode van 01.01.2002 tot en met 31.12.2006 bij [D. V.] vzw als IT-verantwoordelijke. Een formele functiebeschrijving vanuit de organisaties werd niet toegevoegd. Naar eigen zeggen van betrokkene stond hij binnen deze functie in voor de installatie, onderhoud en up-to-date houden van de netwerkstructuur, het serverpark, de terminal-server Infrastructuur, de pc's en randapparatuur, backup van de gegevens, installatie, onderhoud en up to date houden van de software en ondersteuning van de eindgebruiker van alle hard- en software, beheer en toekenning van de rechten van gebruikers, implementatie en onderhoud van de website, ontwikkelen van specifieke informaticaprocedures. • Betrokkene is sedert 01.01.2007 binnen de politiezone tewerkgesteld als technisch systeembeheerder, onder leiding van het diensthoofd Directie Operaties. Hij is een eestelijnsmedewerker en staat binnen de politiezone in voor het volledig technisch beheer van de informatica architectuur van de politiezone, onder meer in het domein van veiligheid, beheer van de gebruikers binnen ISLP, beheer van technische defecten, onderhoud van de servers, beheer van de licenties, behoud van de eenvormigheid van ISLP en update van ISLP, beheer van de uitbreidingen, XIV-36.998-7/13 opvolging van de installatie van materiaal, goede werking en continuïteit van de door de gemeente aan de politiezone ter beschikking gestelde bureautica-automatiseringsarchitectuur Wat de beoordeling van de aanvraag betreft, wordt rekening gehouden met volgende elementen: • de inhoud en specificaties van de beroepservaring die betrokkene in aanmerking wenst te laten nemen, zijn niet gebaseerd op een objectief document opgesteld door de vroegere werkgever maar op een eigen verklaring over de jobinhoud. Deze verklaring wordt evenwel weerhouden voor de verdere beoordeling van de aanvraag. • Ingevolge de wettelijke voornoemde bepalingen moet een onderscheid gemaakt worden tussen generieke en technische competenties. • De aanwezigheid van generieke competenties worden getoetst in het kader van de Wervingsselectie. In casu beschikte betrokkene ingevolge zijn vroegere werkervaring over de nodige generieke skills. • De technische competenties, die eigen zijn aan de functie en voortvloeien uit het functieprofiel, in het bijzonder het volledig technisch beheer van de informatica architectuur van de politiezone, het beheer van de gebruikers binnen ISLP, het behoud van de eenvormigheid van ISLP, de update van ISLP en de continuïteit van de door de gemeente aan de politiezone ter beschikking gestelde bureautica-automatiseringsarchitectuur, had betrokkene nog niet verworven op het ogenblik van zijn indiensttreding. • Het wordt uiteraard niet ontkend dat betrokkene een zekere beroepservaring had op het ogenblik van zijn aanwerving binnen de politiezone, hij had op dat ogenblik echter nog geen ervaring vergaard in de technische competenties zoals weergegeven in de functiebeschrijving, • Dit komt vast te staan uit het feit dat hij , na zijn aanwerving, op kosten van de politiezone op 01.03.2007 de functionele opleiding OPI-ANG-ISLP-functionele beheerder heeft gevolg. Hij heeft zich door de jaren verder kunnen bekwamen door tal van voortgezette opleidingen. Krachtens artikel XI.II.5 RPPol § 3 tweede lid moet voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar, het advies van een commissie ingewonnen worden. Gelet op de beraadslaging ter zitting; BESLUIT: Artikel 1 Kennis te nemen van de aanvraag tot valorisatie van beroepservaring. Artikel 2 Na onderzoek van het dossier de aanvraag ongegrond te verklaren omdat de beroepservaring die betrokkene naar voren schuift, niet kan beschouwd worden als beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de huidige functie zoals bedoeld door artikelen XI.II.5 tot XI.II.10 RPPol. Artikel 3 Alvorens een definitieve beslissing te nemen, onderhavig dossier, inclusief het standpunt van de politieraad, over te maken voor desbetreffend wettelijk advies. Artikel 4 Onderhavig besluit vervangt het besluit dd. 1 april 2015 dat zonder voorwerp was ingevolge intrekking van het besluit van het politiecollege dd. 17 juli 2015. Het besluit van 1 april 2015 wordt door middel van onderhavig besluit volledig opgeheven. […]” XIV-36.998-8/13 Deze beslissing wordt verzoeker op 19 oktober 2015 ter kennis gebracht. 3.8. Tegen deze beslissing heeft verzoeker op 6 november 2015 een klacht ingediend bij de toezichthoudende overheid. Deze klacht werd op 25 februari 2016 door de gouverneur verworpen in essentie omdat naar het oordeel van de toezichthoudende overheid met de bestreden beslissing geen schending voorligt van de formele-, noch van de materiëlemotiveringsplicht. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Amtbshalve exceptie 4. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae in vraag gesteld. Verzoeker heeft daarover in het auditoraatsverslag het volgende kunnen lezen: “[…] Artikel 3 van het bestreden besluit stelt het volgende: ‘Alvorens een definitieve beslissing te nemen, onderhavig dossier, inclusief het standpunt van de politieraad, over te maken voor desbetreffend wettelijk advies.’ In de motivering van de bestreden beslissing wordt gesteld dat krachtens artikel XI.II.5, § 3, tweede lid, RPPol moet voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar het advies van een commissie ingewonnen worden. Artikel XI.II.5, § 3, tweede lid, RPPol bepaalt: ‘Voor de erkenning van een bijzonder nuttige ervaring van meer dan negen jaar, wint de in het eerste lid bedoelde overheid het advies in van een commissie, die als volgt is samengesteld : 1° een lid van het Administratief en Technisch secretariaat Binnenlandse Zaken aangewezen door de minister, voorzitter; 2° een personeelslid van de lokale politie aangewezen door de Vaste Commissie van de lokale politie, bijzitter; 3° een personeelslid van de federale politie aangewezen door de commissaris-generaal, bijzitter.’ Het is derhalve duidelijk dat de verwerende partij beslist heeft het dossier voor advies aan de ‘commissie erkenning bijzondere nuttige ervaring’ over te maken en dat er nog geen definitieve beslissing over de aanvraag werd genomen. Dit wordt door de verwerende partij in de memorie van antwoord ook erkend (p. 6 - ‘Een definitieve beslissing ligt in huidig dossier aldus nog niet voor.’). Zij formuleert ondanks deze vaststelling evenwel geen exceptie. Hoewel het moeilijk te begrijpen is waarom de verwerende partij dan ook XIV-36.998-9/13 gelijktijdig toch een negatieve beslissing genomen heeft over de aanvraag van de verzoeker, is het gelet op de bewoordingen van artikel 3 van het bestreden besluit duidelijk dat de bestreden beslissing slechts een voorlopige beslissing in afwachting van het advies van de commissie is, waarna een eindbeslissing zal kunnen genomen worden. Een principiële maar voorlopige beslissing in afwachting van een eindbeslissing is geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. Het beroep is derhalve onontvankelijk ratione materiae. Dat de verwerende partij mogelijks geen gevolg gegeven heeft aan het artikel 3 van het bestreden besluit (de bestreden beslissing dateert van 14 oktober 2015 en in de memorie van antwoord van 14 juli 2016 - dit is negen maanden later - verduidelijkt de verwerende partij niet of de commissie een advies heeft verstrekt, hetgeen laat vermoeden dat dit advies niet gevraagd en/of gegeven
  2. is)doet niet anders besluiten. In voorkomend geval beschikt de verzoeker over de mogelijkheid om de verwerende partij aan te manen een definitieve beslissing te nemen (en kan bij het uitblijven van die beslissing een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 14, § 3 RvS-wet ingediend worden). Dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie wegens gebrek aan belang opwerpt omdat de verzoeker onder de toepassing van de overgangsmaatregel in artikel 2 van het KB van 26 maart 2014 zou vallen waardoor hij uitgesloten zou zijn van de regeling van de valorisering van voorgaande diensten zoals ingevoerd door dat KB doet evenmin anders besluiten. Vastgesteld wordt dat de verwerende partij de bestreden beslissing niet op dit motief heeft gesteund en dat het door de commissie te verstrekken advies hierover standpunt kan innemen. Het onderzoek van het auditoraat wordt overeenkomstig artikel 24 RvS-wet beperkt tot het onderzoek van het punt dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt.”. 5. Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld - en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat - dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. Te dezen beperkt verzoeker er zich in zijn laatste memorie toe te wijzen op de flagrante tegenstrijdigheid tussen de artikelen 2 en 3 van de bestreden beslissing. Hij leidt uit de libellering van artikel 2 van de bestreden beslissing het bestaan van een definitieve beslissing af zodat hij, gelet op de beperkte termijn waarbinnen dit dient te gebeuren, niet anders kon dan een beroep tot nietigverklaring in te dienen, ook al moet het in artikel IX.II.5, § 3, tweede lid, RPPol. genoemde advies verplicht worden ingewonnen. XIV-36.998-10/13 Dit verweer kan de Raad van State evenwel niet overtuigen of ertoe brengen om het anders te zien: er ligt immers geen eindbeslissing voor wat ook reeds door de verwerende partij in haar memorie van antwoord werd erkend. De bestreden beslissing is geen voor de Raad van State aanvechtbare handeling. 6. De exceptie is gegrond en het beroep is derhalve niet ontvankelijk. V. Kosten 7. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker om in zoverre het beroep niet-ontvankelijk zou worden beoordeeld, de verwerende partij te veroordelen tot de kosten - daarin begrepen de door de verwerende partij gevraagde rechtsplegingsvergoeding -, “gelet op haar tweeslachtige en onduidelijke houding”. Beoordeling 8. Luidens artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Verzoeker kan niet worden bijgetreden waar zij de verwerende partij een tweeslachtige en onduidelijke houding toedicht. Zoals is gebleken uit wat in de punten 4 en 5 is uiteengezet, heeft de verwerende partij, alvorens de eindbeslissing te kunnen nemen, beslist dat nog het advies van de in artikel XI.II.5, § 3, tweede lid, RPPol, bedoelde commissie moest worden ingewonnen, wat duidelijk blijkt uit artikel 3 van de eerder aangehaalde bestreden beslissing (cfr. punt 3.7). Dergelijke voorbereidende beslissing is geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. In de voorliggende zaak dient de verwerende partij dan XIV-36.998-11/13 ook te worden beschouwd als “de in het gelijk gestelde partij” en komt zij derhalve in aanmerking voor de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. Overeenkomstig artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement stemt de in dit geval door de verwerende partij gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro overeen met het basisbedrag van een dergelijke vergoeding. In aanmerking genomen dat de verwerende partij zich tegen het verzoekschrift heeft verweerd in een memorie van antwoord, kan haar vraag tot toekenning van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-36.998-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-36.998-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.