id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.633 Rolnummer: A. 227406/VII-40489 Zaak: Arrest 245633 - Dierenwelzijn - 03/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-11 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 07:14 Fiche Arrest nr 245.633 van 3 oktober 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 245.633 van 3 oktober 2019 in de zaak A. 227.406/VII-40.489 In zake : Ludo SIMONS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jos Janssen kantoor houdend te 3920 Lommel Lepelstraat 125 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van [de inspectie Dierenwelzijn] dd 10.12.2018 in […] dossier met nummer G-18-5365 […], waarin in toepassing van artikel 42§2 van de Wet van 14.8.1986, veertien kuikens en één hond in volle eigendom worden gegeven aan de asielen waar de dieren verblijven”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.489-1/11 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kaat Claes, die loco advocaat Jos Janssens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 22 augustus 2017 beslist de inspectie Dierenwelzijn om twee kittens van verzoeker wegens overtredingen op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: dierenwelzijnswet) in volle eigendom te geven aan een erkend dierenasiel dat daarmee instemt. Eenzelfde bestemmingsbeslissing wordt genomen op 13 december 2017 voor één kip met twaalf kuikens en een kitten en op 6 maart 2018 voor een kat. VII-40.489-2/11 3.
- Vervolgens beslist de inspectie Dierenwelzijn op 21 juni 2018 tot toekenning in volle eigendom van 30 kuikens aan een erkend asiel dat daarmee instemt en tot het vrijgeven van negen runderen mits aan bepaalde opgelegde maatregelen wordt voldaan. Tegen deze beslissing dient verzoeker en beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in. Ondertussen heeft de Raad van State bij arrest nr. 243.072 van 29 november 2018 de vordering verworpen wegens gebrek aan spoedeisendheid. 3.
- Op 5 november 2018 wordt ten laste van verzoeker proces-verbaal opgesteld wegens overtredingen op het dierenwelzijn. Een aantal dieren wordt in beslag genomen, waaronder een hond die van een dierenarts de nodige (medische) zorgen bekomt. 3.
- Om reden dat op 19 november 2018 enkele voorbijgangers een hond die zij als verwaarloosd beschouwden, binnenbrachten bij een dierenarts, waarna werd vastgesteld dat het ging om de hond van verzoeker waarvan eerder sprake, wordt proces-verbaal opgesteld en dat dier opnieuw in beslag genomen. 3.
- Op 5 december 2018 wordt verzoeker verhoord. 3.
- De inspectie Dierenwelzijn beslist op 10 december 2018 om 14 kuikens en de hond, in toepassing van artikel 42, § 2, van de dierenwelzijnswet, definitief in volle eigendom te geven aan een erkend opvangcentrum dat hiermee instemt. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen in PV TG.63.L6.022878/2018 namelijk: - kalf met oormerk BE9 1349 7115 op stal o Zeer veel materialen/rommel/afval waaraan het dier zich kan kwetsen o Geen drinkwater; automatische drinkbakken niet in werking; bij aanbieden water begint het kalf meteen en gulzig te drinken o Bot hooi ingepakt in touw aanwezig; bij aanbieden hooi begint het kalf meteen te eten VII-40.489-3/11 o Waarschijnlijk menselijke uitwerpselen en gebruikt toiletpapier op de rooster - 14 kuikens in voormalig hok van de beer (varkensstal) o Mager tot extreem mager o Warmtelamp in hoekje van de stal o Dood vertrappeld kadaver van kuiken onder de lamp o Water aanwezig o Er liggen nog uitwerpselen van varkens; de stal is niet proper o Beschimmeld brood - Runderen op de weide o Electrische afsluiting raakt een baal voer waardoor er stroomverlies optreedt o Vervuild drinkwater o Stenen en scherpe voorwerpen op de weide nog steeds niet opgeruimd ondanks herhaalde waarschuwingen per pv, per brief en mondeling - Hond op het terrein o Ziet er verwilderd uit o Extreme jeuk; krabt zich voortdurend o Kale plekken op de onderrug o De hond werd ondanks eerder opgelegde maatregelen nog niet door een dierenarts onderzocht, wat erop wijst: - dat de dieren niet volgens hun ethologische en fysiologische behoeften worden gehouden, - dat de dieren onvoldoende voeding krijgen, - dat de dieren niet steeds beschikken over een basisbehoefte als water, - dat de dieren niet de nodige (medische) zorgen krijgen, - dat de hygiëne ontoereikend is, - dat de dieren in een onveilige omgeving gehouden worden, - dat de betrokkene geen verantwoordelijkheid neemt om voor zijn dieren te zorgen, Gelet op het feit dat op 5/11/18 een dierenarts werd gevorderd om de hond te onderzoeken. Uit het verslag van de dierenarts blijkt het volgende: - De hond is aan de magere kant, - De hond heeft heel veel jeuk, vooral ter hoogte van de kop en de oren, - Redelijk wat tandsteen aanwezig, - Lichte staar tgv ouderdom, - Alopecie plekken vnl thv lenden en staartbasis, met lichenificatie en overmatige aanwezigheid van huidschilfers, - Vlooienuitwerpselen in de vacht, - Vuile oren met muffe geur, - Behandeld met spot-on tegen vlooien, wormen en mijten en inspuiting tegen de jeuk, - De hond zou idealiter moeten gewassen worden met kalmerende, ontsmettende shampoo, - Het is noodzakelijk de hond regelmatig voor vlooien en andere parasieten te behandelen, alsook de omgeving, VII-40.489-4/11 wat erop wijst dat de hond niet de nodige medische zorgen heeft gekregen, Gelet op het feit dat betrokkene na deze vaststellingen en de inbeslagname van de kuikens niet is ingegaan op de schriftelijke uitnodiging tot verhoor door de lokale politie, Gelet op het feit dat de factuur voor onderzoek en behandeling van de hond naar betrokkene werd gestuurd; betrokkene heeft in een mail aan de dierenarts expliciet geweigerd om deze factuur te betalen; betrokkene wil dus niet instaan voor de kosten die komen kijken bij de verzorging van zijn hond, Gelet op de vaststellingen in PV TG.63.L6.024050/2018 namelijk: - de hond werd zwervend op straat aangetroffen en - na tijdelijke opvang door de dierenarts - naar het asiel gebracht, - de hond geeft een verwaarloosde indruk, - het chipnummer van de hond staat nog steeds niet correct geregistreerd, Gelet op het feit dat betrokkene opnieuw schriftelijk werd uitgenodigd voor een verhoor door de lokale politie, en dan wel is komen opdagen op 5/12/18, Gelet op dit verhoor, waarin betrokkene het volgende verklaart: - Hij dacht dat het chipnummer van de hond correct geregistreerd stond, - De hond is niet verwaarloosd, hij kan alleen zijn urine geen ganse nacht ophouden, - Hij vermoedt dat de hond niet is gaan lopen maar dat de dierenarts de hond bij hem heeft weggehaald omdat hij een bezwaarmail had verstuurd nav de eerste factuur. Hij gaat nog bekijken of hij de tweede factuur (voor tijdelijke opvang van de hond) zal betalen, - Het kalf stoot zijn drinken regelmatig om, hij kan dit niet continu in de gaten houden, - De kuikens zijn mager omdat dit legkippen zijn, het is normaal dat deze mager zijn, - Hij vermoedt dat de controle is gebeurd net nadat de drinkbakken leeg waren, - Hij heeft zelf een product om de hond tegen vlooien te behandelen, hij gaat niet naar de dierenarts als dit niet nodig is, - Hij zal de eerste factuur van de dierenarts betalen, nu hij weet dat de dierenarts gevorderd werd om de hond te onderzoeken, - De hond krijgt elke dag een botervlootje hondenbrokken, - De hond vindt drinkwater op het domein. - De hond trekt zijn plan, er wordt niet mee gewandeld, er wordt verder niets mee gedaan, - Hij wil de hond zo snel mogelijk terug, - Hij wil de kosten enkel betalen als hij de hond terug krijgt, Gelet op het feit dat er al eerder dieren in beslag werden genomen en weggehaald bij betrokkene: - op 26/7/17: een duif en twee kittens, - op 20/11/17: een kip met 12 kuikens en een kitten, - op 21/2/18: een kat, - op 7/6/18: 30 kuikens, die telkens werden toegewezen aan het asiel, VII-40.489-5/11 - op 13/8/18: een kalf met open, etterende, onverzorgde wondes en uitgebreide infecties tot in de gewrichten; dit dier werd geëuthanaseerd in het opvangcentrum, wat erop wijst dat dhr. Simons ondanks eerdere inbeslagnames geen maatregelen heeft genomen om het welzijn van de dieren te verbeteren, Gelet op het feit dat dezelfde overtredingen steeds blijven terugkeren, waaruit wij kunnen afleiden dat betrokkene zijn dieren de nodige zorgen niet kan of niet wil bieden, Gelet op het feit dat het onverantwoord zou zijn om de kuikens en de hond te laten terugkeren gezien er onvoldoende garanties zijn dat het dierenwelzijn kan gegarandeerd worden in de toekomst omwille van - het ontbreken van inzicht in de noden van de dieren, - het niet naleven van eerder opgelegde maatregelen met betrekking tot de nog aanwezige dieren, Gelet op het feit dat de kosten voor opvang en verzorging van de dieren blijven oplopen, Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- Een eerste middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker betoogt: “
- Wat betreft de hond: Daar waar er naar aanleiding van de eerste vaststellingen op 5.11.2018 nog een attestering is van de dierenarts met bepaalde opmerkingen werd op dat moment de hond terug aan verzoeker bezorgd. Nadien heeft verzoeker ook de nodige maatregelen getroffen. Op 21.11.2018 werd de hond blijkbaar aangetroffen en werd deze naar het asiel overgebracht, zonder dat er in de beslissing of het P.-V. blijkbaar sprake is van bijkomende vaststellingen. VII-40.489-6/11 Uit de beslissing blijkt geen bijkomend onderzoek van een dierenarts doch er wordt enkel vermeld dat er sprake zou zijn van een zogenaamde ‘verwaarloosde’ indruk. Verzoeker heeft echter van de politie-inspecteur vernomen dat er wel een dierenarts zou zijn tussengekomen en dat uit het onderzoek zelfs zou zijn gebleken dat de hond in orde zou zijn. Hoe dan ook houdt één en ander een schending in van de materiële motiveringsplicht. De motieven waar men naar verwijst, nl. het louter hebben van een verwaarloosde indruk, zijn niet aanvaardbaar om tot de beslissing in kwestie te komen. Het is immers zo dat op het moment dat er onderzoek werd gedaan door de dierenarts en er een aantal opmerkingen werden geformuleerd (op 5.11.), de hond terug naar verzoeker is gekomen, waarbij nu zonder attest van een dierenarts, de hond simpelweg administratief in beslag is genomen en nadien aan het asiel werd toevertrouwd. Alvorens een dergelijke beslissing had mogen worden genomen, had er op zijn minst opnieuw een attest moeten geweest zijn van een dierenarts waarin werd geattesteerd dat er geen sprake is van een verbetering van de situatie.
- Met betrekking tot de kuikens: Er worden enkel bepaalde feitelijke vaststellingen gedaan en er wordt geen verder onderzoek van de kuikens gedaan. Dezelfde redenering zoals hierboven geldt. Zonder effectieve attestering van een dierenarts omtrent de werkelijke toestand van de kuikens, wordt de materiële motiveringsverplichting geschonden en kan niet op een aanvaardbare wijze tot de beslissing worden gekomen waar men thans toe is gekomen”.
- Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord: “De reden dat de hond van huis was, was simpelweg gelegen in het feit dat de batterij in de halsband van de hond plat was waardoor de hond kon ontsnappen. […] Verwerende partij stelt dat de beslissing ook zou zijn genomen op basis van de vaststellingen van 05.11.2018, doch zoals overduidelijk blijkt uit het dossier en ook uit de memorie van antwoord is het zo dat er met betrekking tot de hond juist sprake was van beterschap. Er wordt verwezen naar het feit dat verzoeker niet naar een verhoor zou zijn gekomen, doch enerzijds heeft dit niets te maken met de toestand van de hond enerzijds en achteraf is verzoeker trouwens wel naar een verhoor gegaan. Er wordt verwezen naar het feit dat de hond van huis was, doch wat dat betreft wordt verwezen naar hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet met betrekking tot de halsband. Ook wordt verwezen naar het verleden van verzoeker, doch ook wat dat betreft kan verzoeker alleen maar verwijzen naar het bovenstaande. VII-40.489-7/11 Verzoeker wenst er nogmaals de nadruk op te leggen dat er juist beterschap was en de hond er veel beter aan toe was dan op 05.11.
- Tevens wil verzoeker opmerken dat, in tegenstelling tot wat verweerster voorhoudt, hij de dierenarts voor de interventie op 5.11.2018 wel heeft betaald […] Hoe dan ook is verzoeker de mening toegedaan dat, vooraleer er kan worden gesproken over zogenaamde verwaarlozing, dit effectief dient te worden vastgesteld, quod non in casu. In casu staat het juist vast dat de situatie verbeterd was”. Beoordeling
- Verzoeker argumenteert dat het “louter hebben van een verwaarloosde indruk” wat betreft de hond, de bestreden beslissing niet kan schragen. Die beslissing is echter niet enkel gesteund op die ene feitelijkheid, maar tevens op het proces-verbaal van 5 november 2018 opgesteld door de lokale politie en op de vaststelling dat de hond dwalend werd teruggevonden op 19 november 2018 ondanks de op 5 november gevorderde tussenkomst van een dierenarts om de door de hem mager qua conditie en voedingstoestand bevonden hond te behandelen tegen parasieten en vlooien. Het feitelijk uitgangspunt waarop dit aspect van het middel is geënt, kan dus niet worden bijgetreden. Daarenboven wordt met een eigen beoordeling van de feitelijke toedracht -dat de hond niet werd verwaarloosd- niet aannemelijk gemaakt dat de verwerende partij tot een conclusie is gekomen in weerwil van de materiëlemotiveringsplicht.
- Voorts eist verzoeker een effectieve vaststelling van de verwaarlozing van zowel de hond als de kuikens via een attest van een dierenarts. Artikel 42, § 1, van de dierenwelzijnswet vereist evenwel niet dat -bij uitsluiting van andere- een dierenarts dergelijke vaststelling doet; ook de inspectie Dierenwelzijn en de leden van de lokale politie, zoals te dezen, zijn hiertoe VII-40.489-8/11 gemachtigd volgens voornoemde bepaling, waarna de bestemming van het dier moet worden bepaald overeenkomstig artikel 42, § 2, van voormelde wet. Dit aspect van het middel faalt dan ook naar recht.
- Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- Een tweede middel is genomen uit de schending van “de formele motiveringsplicht conform artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991”. Verzoeker betoogt: “
- Met betrekking tot de hond: De motivering om tot een bepaalde beslissing te komen, moet pertinent en draagkrachtig zijn en dient tevens afdoende te zijn. De aangehaalde redenen moeten voldoende zijn om de beslissing te kunnen schragen. In feite is dit in casu niet het geval. Er kan wat dat betreft worden verwezen naar de motivering omtrent de materiële motiveringsplicht. De beslissing is thans enkel geënt op het feit dat de hond een verwaarloosde indruk gaf zonder dat er sprake is van enig bijkomend onderzoek door een dierenarts. Wat meer is, is dat er blijkbaar wel een onderzoek is geweest, dat een positief resultaat had, maar dit is blijkbaar niet ter kennis gebracht van verweerster. Verzoeker is de mening toegedaan dat, alvorens tot een bepaalde beslissing te komen in dit geval, er bijstand had moeten worden verleend door een dierenarts als deskundige om een terdege oordeel te kunnen vormen.
- Met betrekking tot de kuikens: Ook hier geldt dezelfde redenering als hierboven Ook hier is er geen enkel onderzoek gebeurd naar de kuikens zelf alvorens tot een bepaalde beslissing te komen waardoor de motivering niet als afdoende kan worden beschouwd in de zin van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29.7.1991”. VII-40.489-9/11 Beoordeling
- De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. De enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de motivering van de bestreden beslissing, maakt deze niet onwettig. Voor zover wordt verwezen naar de kritieken ontwikkeld in het eerste middel, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling ervan om het tweede middel te verwerpen. Hieruit volgt bovendien dat verzoeker in de mogelijkheid verkeerde om de motivering van de bestreden beslissing te betwisten, waardoor is voldaan aan de formelemotiveringsplicht.
- Het middel is ongegrond. V. Toepassing van de kortedebattenprocedure
- Uit de beoordeling van de middelen blijkt dat het te dezen om een zaak gaat, die geen problemen doet rijzen die een snelle finale beslechting van het geschil verhinderen. VI. Rechtsplegingsvergoeding
- De verwerende partij vraagt dat verzoeker zou worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
- Gelet op het bepaalde van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is er aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van 140 euro. VII-40.489-10/11 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.489-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.