← België

Arrest 245637 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.637 Rolnummer: Zaak: Arrest 245637 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-21 21:46 Fiche Arrest nr 245.637 van 4 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 245.637 van 4 oktober 2019 in de zaken A. 220.557/X-16.767 (I) A. 220.559/X-16.768 (II) A. 220.565/X-16.769 (III) In zake : I. Harry BLOCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva De Witte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen II. Marc VAN HERREWEGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva De Witte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen III. Johanna DE ROECK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva De Witte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Steve Ronse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-16.767-16.768-16.769-1/14 I. Voorwerp van het beroep 1. De beroepen, ingesteld op 24 oktober 2016, strekken tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 juni 2016 houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis-Waas – fase 1” en b. het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest van 27 februari 2015 dat het voornoemde ruimtelijk uitvoeringsplan “geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben in de drie zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben elk een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Joke Goris heeft in de drie zaken een verslag opgesteld. De tweede verwerende partij en de verzoekende partijen hebben in elke zaak een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2019. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eva De Witte, die verschijnt voor de verzoekende partijen, juriste Leen Lippevelde, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Michiel De Scheemaeker, die loco advocaten Meindert Gees en Steve Ronse verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. X-16.767-16.768-16.769-2/14 Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoekers in de zaken sub I, en II zijn eigenaar van een perceel met weekendverblijf aan de Hofpachtstraat te Sint-Gillis-Waas dat volgens het bij het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan “Sint-Niklaas - Lokeren” (hierna: het gewestplan) gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie. Verzoekster in de zaak sub III is eigenaar van een perceel met weekendverblijf aan de Maatweg te Sint-Gillis-Waas dat volgens het gewestplan eveneens gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie. De hiervoor genoemde percelen worden hierna aangeduid als de percelen van verzoekers. 4. In het najaar van 2014 beslist het provinciebestuur van Oost- Vlaanderen om de procedure te starten voor de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis-Waas – fase 1” (hierna: het PRUP). Het voorgenomen PRUP beoogt, enerzijds, de zone voor verblijfsrecreatie Reinakker te herbestemmen, waarbij de bestaande vergunde weekendverblijven worden bestendigd (geen permanente bewoning) binnen een openruimtebestemming (bosgebied) en waarbij een beperkt onbebouwd gedeelte rechtstreeks naar bosgebied wordt bestemd en, anderzijds, een deel van het woonuitbreidingsgebied Collemanstraat in Sint-Pauwels te herbestemmen, onder andere met het oog op het aanbieden van compenserende woningen voor X-16.767-16.768-16.769-3/14 permanente bewoners van weekendverblijven in zones die op termijn worden omgevormd naar een openruimtebestemming. 5. Op 12 december 2014 vindt een plenaire vergadering plaats over een voorontwerp van PRUP “Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis- Waas – fase 1”. 6. Op 27 februari 2015 beslist de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) dat “het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. Dit is het tweede bestreden besluit. 7. Op 18 november 2015 stelt de provincieraad van Oost- Vlaanderen het ontwerp van PRUP “Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis- Waas – fase 1” voorlopig vast. 8. Tijdens het openbaar onderzoek, dat loopt van 21 december 2015 tot 18 februari 2016, worden 48 bezwaarschriften ingediend, onder meer door verzoekers. 9. Op 12 april 2016 behandelt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de Procoro) de ingediende bezwaarschriften en de uitgebrachte adviezen. 10.1. Op 22 juni 2016 stelt de provincieraad van Oost-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit. 10.2. De percelen van verzoekers worden herbestemd tot “zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bosgebied”. De voorschriften voor deze zone luiden: X-16.767-16.768-16.769-4/14 “Categorie van gebiedsaanduiding: - Tot 1 januari 2022: “recreatie” (VCRO art. 2.2.3 §2 3°) - Vanaf 1 januari 2022: “bos” (VCRO art. 2.2.3 §2 5°) 1.1.1. Bestemming Tot 1 januari 2022 zijn binnen deze zone volgende bestemmingen toegelaten: - verblijfsrecreatie onder de vorm van openluchtrecreatieve verblijven - de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van bos, waarbij het recreatief medegebruik een ondergeschikte functie is Vanaf 1 januari 2022 is de bestemming „bosgebied‟. De zone is dan bestemd voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van bos, waarbij het recreatief medegebruik een ondergeschikte functie is. Bestaande niet-verkrotte hoofdzakelijk vergund(

  1. e)(geachte) openluchtrecreatieve verblijven kunnen in stand worden gehouden. Personen die op 31 augustus 2009 reeds gedurende ten minste één jaar een (hoofdzakelijk) vergund (geacht) openluchtrecreatief verblijf, dat voldoet aan de vereisten vastgesteld bij en krachtens artikel 5 § 1 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, als hoofdverblijfplaats betrekken (zulks blijkens een voorlopige of definitieve inschrijving in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister van de betrokken gemeente) en die geen andere woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik hebben, kunnen permanent wonen in betreffend openluchtrecreatief verblijf tot op het moment dat ze een alternatieve woning uit het eerste aanbod tot herhuisvesting van overheidswege betrekken, of tot op het moment dat ze het eerste aanbod tot herhuisvesting van overheidswege weigeren. Permanent wonen kan sowieso niet meer vanaf 1 januari 2030. 1.1.2. Inrichting en beheer 1.1.2.1. Bepalingen voor openluchtrecreatieve verblijven Tot 1 januari 2022 gelden voor openluchtrecreatieve verblijven volgende bepalingen: - Het is verboden tenten, caravans, mobilhomes, kampeerauto's en woonauto's als openluchtrecreatief verblijf te gebruiken op een perceel gelegen in deze zone. Het perceel mag niet gebruikt worden als gewoonlijke of tijdelijke staanplaats. - Er zijn geen ondoorzichtige, dichte afsluitingen toegelaten op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, noch op de perceelsgrenzen, noch op enige afstand daarvandaan. Enkel een open draadafsluiting met een maximale hoogte van 1,5 m mag op de perceelsgrenzen worden geplaatst. - Bestaande vergund(
  2. e)(geachte) openluchtrecreatieve verblijven kunnen behouden blijven en verbouwd worden binnen het bestaande volume. - Nieuwbouw van een openluchtrecreatief verblijf is mogelijk maar alleen op nog niet-bebouwde percelen. Per perceel is slechts 1 openluchtrecreatief verblijf toegelaten. Er is een verbod op verkavelen. - Herbouw van een openluchtrecreatief verblijf is mogelijk. - Bij nieuwbouw en herbouw van openluchtrecreatieve verblijven dienen volgende bepalingen gevolgd te worden: X-16.767-16.768-16.769-5/14 o In geval het perceel bebost is, mag nooit meer dan de helft van het perceel ontbost worden. Wanneer het perceel bebost is en groter is dan 400 m², mag sowieso niet meer dan 200 m² worden ontbost. De ontbossing dient te gebeuren op het minst schadelijke deel van het perceel. o Elk openluchtrecreatief verblijf heeft een maximale grondoppervlakte van 60 m², inclusief overdekte terrassen en bijgebouwen. Alle boven- en ondergrondse, toegankelijke constructies hebben samengeteld maximaal een volume van 200 m³. o Een openluchtrecreatief verblijf kan enkel een gelijkvloerse verdieping omvatten. Bijkomende ondergrondse of bovengrondse verdiepingen zijn verboden. o Elk bijgebouw dient bouwfysisch verbonden te zijn met het hoofdgebouw. Vrijstaande bijgebouwen zijn niet toegelaten. o Een peil van globale warmte-isolatie (K-peil) van 30 of lager dient behaald te worden. Dit dient aangetoond te worden met een nota gevoegd bij de vergunningsaanvraag. o De totale verharde oppervlakte van het openluchtrecreatief verblijf, de terrassen, parkeerplaats en eventuele andere verhardingen inbegrepen, mag niet meer bedragen dan 100 m², en wordt in elk geval beperkt tot maximaal de helft van de oppervlakte van het perceel. o Per verblijf mag maximaal 1 autostaanplaats in waterdoorlatend materiaal worden voorzien. Deze staanplaats heeft een maximale oppervlakte van 15 m² en moet worden voorzien aan de perceelsgrens die paalt aan de ontsluitingsweg. o Zwembaden, zwemvijvers, tuinconstructies en tuinverlichting zijn verboden. o De minimumafstand van de gebouwen tot de perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2 m. Gekoppelde of geschakelde openluchtrecreatieve verblijven zijn verboden. o Het hoogste punt van eender welke constructie op een perceel waarop zich een openluchtrecreatief verblijf bevindt, mag, gemeten vanaf het maaiveld, niet meer dan 5 m bedragen. o De kroonlijsthoogte van eender welke constructie is beperkt tot maximaal 3 m, de nokhoogte tot 5 m. o Het openluchtrecreatief verblijf moet volledig worden opgetrokken in hout, met uitzondering van die elementen die technisch niet in hout kunnen worden uitgevoerd. o Het dak van het openluchtrecreatief verblijf dient als extensief, niet begaanbaar groendak te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de dakbedekking hoofdzakelijk dient te bestaan uit levende planten. Het groendak moet worden gerealiseerd volgens de regels van de kunst. De aanleg van het groendak en de daarvoor noodzakelijke technische vereisten van de (dak)constructie moeten in een nota bij de vergunningsaanvraag worden aangetoond. o Het verblijf wordt verplicht uitgevoerd in een in diens natuurlijke omgeving passende, donkere kleur. o Het hemelwater dient zoveel mogelijk op eigen terrein te worden vastgehouden en mag enkel vertraagd worden afgevoerd naar een oppervlaktewater of gescheiden riolering. X-16.767-16.768-16.769-6/14 o Het is verboden vervuild water in het oppervlaktewater te lozen. Er dient een systeem van Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA) of een betonnen opvangput van 10 m³ zonder overloop op eigen terrein te worden voorzien. Bestaande niet hoofdzakelijk vergund(
  3. e)(geachte) constructies met overtredingen dienen voor 1 januari 2022 in overeenstemming gebracht te worden met alle bovenstaande bepalingen, inclusief de bepalingen die gelden voor nieuwbouw en herbouw van openluchtrecreatieve verblijven. Vanaf 1 januari 2022 is het niet meer mogelijk om nieuwe openluchtrecreatieve verblijven op te richten of bestaande openluchtrecreatieve verblijven te herbouwen. Enkel bestaande niet- verkrotte hoofdzakelijk vergund(
  4. e)(geachte) openluchtrecreatieve verblijven kunnen in stand worden gehouden. 1.1.2.2. Bepalingen voor de bestemming „bos‟ Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg, het beheer en de inrichting van bos zijn toegelaten. Alle werken, handelingen en wijzigingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten. Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten: - het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied, waaronder sanitaire gebouwen of schuilplaatsen van één bouwlaag met een oppervlakte van ten hoogste 100 m², met uitsluiting van elke verblijfsaccommodatie; - het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer; - het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijke milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. [...] 1.1.4. Voorkooprecht Op de percelen in deze zone is een recht van voorkoop van toepassing voor het Agentschap voor Natuur en Bos, zoals bedoeld in art. 2.4.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Dit voorkooprecht wordt vastgesteld voor een periode van 15 jaar.” 11. Het definitief vastgestelde PRUP wordt niet geschorst door de toezichthoudende overheid en er wordt melding van gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2016. X-16.767-16.768-16.769-7/14 IV. Samenhang 12. De zaken A.220.557/X/16.767, A.220.559/X-16.768 en A.220.565/X-16.769 dienen wegens samenhang te worden gevoegd. V. Onderzoek van de middelen in alle zaken A. Eerste middel Het aangevoerde middel 13. Verzoekers steunen een eerste middel op de schending van de artikelen 1.1.3, 2.1.1, eerste en tweede lid, 1°, 2.1.2, § 6, 2.2.1 en 2.2.10, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) “in samenhang met de richtinggevende bepalingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), inzonderheid wat de ontwikkelingsperspectieven voor openluchtrecreatieve verblijven en individuele weekendverblijven betreft”, en op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, en “met bevoegdheidsoverschrijding”. Volgens het eerste middel volgt uit het RSV dat het ruimtelijk beleid voor openluchtrecreatieve verblijven en individuele weekendverblijven moet worden uitgevoerd via door de Vlaamse regering op te maken gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Verzoekers stellen dat de eerste verwerende partij zich klaarblijkelijk bevoegd heeft geacht omdat een in het Vlaams parlement aangenomen resolutie ter zake taken toekent aan de provinciale overheid. Dergelijke resolutie kan echter het RSV niet wijzigen. Verzoekers menen dat hun bezwaar over de onbevoegdheid van de provincie niet op een afdoende wijze werd weerlegd. X-16.767-16.768-16.769-8/14 Beoordeling 14. Verzoekers voeren aan dat het provinciale niveau niet bevoegd zou zijn voor de herbestemming van de verblijfsrecreatiezone van het gewestplan. Zij verwijzen hiervoor naar de volgende passage uit het richtinggevend gedeelte van het RSV: “7.1.3. Ontwikkelingsperspectieven voor specifieke toeristisch- recreatieve infrastructuren die een uitspraak op Vlaams niveau behoeven Omwille van hun ruimtelijke impact en complexiteit behoeven een aantal specifieke toeristisch-recreatieve infrastructuren een uitspraak in verband met hun gewenste ruimtelijke ontwikkeling op Vlaams niveau. Dit is met name het geval voor terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven (kampeerverblijfparken, kampeerterreinen en vakantieparken) en individuele weekendverblijven, golfterreinen en U.L.M.- en sportvliegvelden.” 15. Het uitgangspunt van het middel is dat de in het vorige randnummer aangehaalde passage van het richtinggevend gedeelte van het RSV aan het Vlaamse Gewest de exclusieve bevoegdheid toewijst om uitvoeringsplannen op te maken ter uitvoering van het beleid inzake weekendverblijven. Zoals onder meer in ‟s Raads arrest nr. 231.228 van 19 mei 2015 in herinnering is gebracht, is het voornoemde uitgangspunt onjuist. Er moet immers worden vastgesteld dat de voornoemde passage enkel “specifieke toeristisch-recreatieve infrastructuren” opsomt die “een uitspraak” in verband met hun gewenste ruimtelijke ontwikkeling “op Vlaams niveau” behoeven, waarbij niet is bepaald dat die “uitspraak” de vorm zou moeten aannemen van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 16. Uit hetgeen verzoekers aanvoeren blijkt niet dat het bestreden PRUP het RSV zou schenden of dat de plannende overheid in strijd met de aangevoerde rechtsregels zou hebben gehandeld. 17. Het eerste middel wordt verworpen. X-16.767-16.768-16.769-9/14 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 18.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.2.3, § 2, VCRO, alsook van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. 18.2. Verzoekers wijzen er op dat het bestemmingsvoorschrift voor de “Zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bosgebied” voorziet in een gefaseerde inwerkingtreding van de stedenbouwkundige voorschriften, waarbij die voorschriften tot 1 januari 2022 sorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding „recreatie‟ en vanaf 1 januari 2022 onder de categorie „bos‟, terwijl de verwezenlijking van het bosgebied reeds vanaf de inwerkingtreding van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan als nevengeschikte functie verordenend is voorgeschreven. Het bestemmingsvoorschrift voor de betrokken zone is volgens verzoekers rechtsonzeker omdat de bestemming bos tegenstrijdig is met de bestemming verbijfsrecreatie. Door, tot 1 januari 2022, verblijfsrecreatie toe te staan, kan de doelstelling van de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos ter plaatse in de praktijk niet verwezenlijkt worden. Verzoekers verwijzen naar ‟s Raads arresten nrs. 230.392 en 230.393 van 3 maart 2015, die betrekking hadden op een ruimtelijk uitvoeringsplan waarover het agentschap Natuur en Bos geadviseerd had dat het toestaan van woongebouwen met uitbreidingsmogelijkheden lijnrecht stond tegenover de doelstellingen van een bosgebied omdat een bos nooit in een goede staat kan behouden of ontwikkeld worden indien er woningen (permanent of recreatief) in staan. 19. De eerste verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat de betrokken zone tot 1 januari 2022 bestemd is voor verblijfsrecreatie. Nevengeschikt functioneert deze zone eveneens in zijn geheel als een bosuitbreidingsgebied. Volgens deze partij is er geen tegenstrijdigheid X-16.767-16.768-16.769-10/14 tussen de verblijfsrecreatie en een bos, waar recreatief medegebruik als ondergeschikte functie ook toegelaten is. Beide kunnen perfect samengaan. Volgens de eerste verwerende partij ging het in de door verzoekers aangehaalde arresten van de Raad van State over gebieden waarbij volgens het advies van het agentschap Natuur en Bos de verstoring door de aanwezige bebouwing te groot was. Dat is hier niet het geval. Beoordeling 20. In de “zone voor openluchtrecreatieve verblijven in een beboste omgeving met nabestemming bosgebied” (hierna: de betrokken zone) blijken er bij de inwerkingtreding van het bestreden PRUP tezelfdertijd drie bestemmingen te gelden, te weten verblijfsrecreatie, bos en wonen. De voorschriften laten tot 1 januari 2022 nieuwe bebouwing op de onbebouwde percelen binnen de betrokken zone toe. Anders dan de eerste verwerende partij dit ziet, volgt uit de omstandigheid dat de verstoring door de bestaande bebouwing niet te groot zou zijn niet dat in de betrokken zone de bestemming bos “perfect [kan] samengaan” met de bestemmingen verblijfsrecreatie en wonen. 21. Bovenal dient de Raad van State vast te stellen dat de artikelen 1.1.1, derde lid, van de voorschriften van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (zie randnr. 10.2) een persoonsgebonden karakter hebben en bijgevolg niet kunnen aanzien worden als bestemmings-, inrichtings- of beheersvoorschriften die uit hun aard steeds een grondgebonden karakter moeten hebben. Daaruit volgt dat de eerste verwerende partij de laatstgenoemde voorschriften niet kon vaststellen binnen haar algemene planningsbevoegdheid. De meergenoemde voorschriften, die – onder meer door het schrappen van het uit artikel 5.4.1, 1°, VCRO volgende maximum van 300 m³ – een versoepeling van het decretale woonrecht behelzen, kunnen evenmin worden X-16.767-16.768-16.769-11/14 ingepast in Hoofdstuk IV “Aanpak permanente bewoning weekendverblijven” van Titel V of enige andere bepaling van de VCRO. 22. De conclusie is dat de eerste verwerende partij haar bevoegdheid heeft overschreden met het aannemen van de voorschriften voor de betrokken zone, hetgeen de vernietiging van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan verantwoordt. VI. Omvang van de vernietiging 23. Het onderzoek en de berechting van de eerste bestreden beslissing, zijnde de eindbeslissing en de enige van de bestreden beslissingen die van aard is uit zichzelf de bestaande rechtsorde te wijzigen, leidt aldus niet tot de vaststelling van de onwettigheid van de tweede bestreden beslissing. Aangezien de tweede bestreden beslissing louter voorbereidend is, worden de beroepen ertegen verworpen. VII. Kosten Standpunt van de partijen 24. De tweede verwerende partij vraagt verzoekers te veroordelen tot het betalen van de basisrechtsplegingsvergoeding aan haar, nu de beroepen in zoverre ze gericht zijn tegen de tweede bestreden beslissing moeten worden afgewezen. Beoordeling 25. In de concrete omstandigheden van de zaak past het om het rolrecht van de beroepen tot nietigverklaring ten laste van de eerste verwerende partij te leggen. Zij wordt ook veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, ten behoeve van elk van verzoekers. X-16.767-16.768-16.769-12/14 26. Terecht echter vraagt de tweede verwerende partij om verzoekers tot een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro lastens haar te veroordelen. De beroepen worden immers niet ingewilligd in zoverre ze tegen de tweede bestreden beslissing – de enige beslissing waarvoor de tweede verwerende partij te dezen verantwoordelijkheid draagt en als verwerende partij optreedt – zijn gericht. De tweede verwerende partij dient ten aanzien van verzoekers dan ook als de in het gelijk gestelde partij te worden beschouwd. BESLISSING 1. De zaken A. 220.557/X-16.767, A. 220.559/X-16.768 en A. 220.565/X-16.769 worden samengevoegd. 2. De Raad van State vernietigt het besluit van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 juni 2016 houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis-Waas – fase 1”. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 4. De eerste verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen zijn elk een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de tweede verwerende partij. X-16.767-16.768-16.769-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust. X-16.767-16.768-16.769-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.