id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.654 Rolnummer: A. 224110/XIV-37596 Zaak: Arrest 245654 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-24 00:51 Fiche Arrest nr 245.654 van 7 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.654 van 7 oktober 2019 in de zaak A. 224.110/XIV-37.596 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A alwaar woonplaats wordt gekozen tegen :
- XXX
- XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Blomme kantoor houdend te 8820 Torhout Vredelaan 66 bij wie woonplaats wordt gedaan -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 195.139 van 16 november 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.709 van 9 februari
- De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-37.596-1/9 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verweerders dienen op 27 december 2013 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De staatssecretaris voor Asiel en Migratie verklaart die aanvraag met een beslissing van 8 mei 2014 niet-ontvankelijk en hij neemt dezelfde dag in hoofde van iedere verweerder een afzonderlijke beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten. Op 19 juni 2014 stellen de verweerders tegen de beslissing waarmee hun voornoemde aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard en tegen de XIV-37.596-2/9 twee voornoemde beslissingen houdende bevel om het grondgebeid te verlaten een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 16 november 2017 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de drie voornoemde beslissingen van 8 mei
- Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een eerste middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van de artikelen 1, 8°, 9bis, 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet iuncto de artikelen 3.6 en 11 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115) en van “het beginsel van de uitvoerbaarheid van rechtswege van een overheidshandeling”. De verzoekende partij voert aan dat zij volgens het bestreden arrest bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing geen gevolgen zou mogen verbinden aan een inreisverbod zolang de betrokken vreemdeling het grondgebied niet heeft verlaten en dat zij er daarom toe gehouden zou zijn een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet op haar merites te onderzoeken. Nochtans verhindert een niet opgeheven of niet geschorst inreisverbod wel degelijk de toekenning van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij merkt op dat de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod niet kan binnenkomen of verblijven in het Rijk. Op grond van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet kan de vreemdeling die het voorwerp XIV-37.596-3/9 uitmaakt van een inreisverbod enkel een asielaanvraag of een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet indienen. Op grond van artikel 74/12 van de vreemdelingenwet kan de betrokken vreemdeling wel een aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod indienen bij de voor zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland bevoegde diplomatieke of consulaire post en enkel indien hij schriftelijk het bewijs levert dat hij het Belgische grondgebied heeft verlaten in overeenstemming met de beslissing tot verwijdering. Deze bepalingen vormen volgens de verzoekende partij de (gedeeltelijke) omzetting van richtlijn 2008/
- De verzoekende partij vervolgt dat, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, richtlijn 2008/115 de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tot doel heeft. Uit de artikelen 3.6, 11.1 en 11.3 van de voornoemde richtlijn volgt dat het verblijf en de binnenkomst worden verboden gedurende de termijn van het inreisverbod en dat de vraag tot opheffing of schorsing van dat verbod wordt onderzocht “op het ogenblik dat de vreemdeling aantoont het grondgebied van de Lidstaten te hebben verlaten” conform de terugkeerbeslissing. Artikel 11.5 van de richtlijn bevat een voorbehoud voor het recht op internationale bescherming doch niet voor andere aanvragen om machtiging tot verblijf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze visie bijgetreden in zijn arrest van 14 september 2017 in de zaak C-184/
- Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 juli 2017 in de zaak C-225/16 oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verweerders, die het voorwerp uitmaken van een inreisverbod, toch een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet kunnen vragen omdat het inreisverbod slechts uitwerking zou hebben vanaf het ogenblik dat de verweerders het grondgebied hebben verlaten. De verzoekende partij laat gelden dat het Hof van Justitie in dat arrest heeft benadrukt dat de termijn van een inreisverbod pas bij het verlaten van het grondgebied kan ingaan en dat het belangrijk is dat dit beginpunt in alle lidstaten gelijk wordt XIV-37.596-4/9 toegepast. Volgens de verzoekende partij is het inreisverbod vanaf het opleggen ervan aanwezig in het rechtsverkeer, ook wanneer de termijn ervan pas ingaat op een latere datum, bij het effectieve vertrek van de betrokken vreemdeling. Het inreisverbod geeft een supplementaire draagwijdte aan het bevel om het grondgebied te verlaten doordat een lidstaat met het opleggen van een inreisverbod haar wil te kennen geeft de betrokken vreemdeling niet langer te willen toelaten op zijn grondgebied en niet bereid te zijn deze vreemdeling een verblijfsrecht toe te kennen zolang de termijn van het inreisverbod niet is verstreken of het inreisverbod niet is opgeheven of opgeschort. Rekening houdend met de finaliteit van richtlijn 2008/115 en met het feit dat deze richtlijn een nuttig effect moet hebben, is de verzoekende partij van oordeel dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om een aanvraag om machtiging tot verblijf niet te behandelen op basis van de enkele vaststelling dat het inreisverbod nog steeds van kracht is. Beoordeling
- Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 juli 2017 oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “dat het inreisverbod pas rechtsgevolgen teweegbrengt vanaf het tijdstip van de vrijwillige of gedwongen uitvoering van de terugkeerverplichting en bijgevolg vanaf de daadwerkelijke terugkeer van de betrokkene naar zijn land van herkomst, een land van doorreis of een ander land”. Hij vervolgt dat “uit niets blijkt dat de verzoekende partijen [thans de verweerders] niet meer op het Belgisch grondgebied aanwezig waren op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen” doch dat zij op de terechtzitting van 1 juni 2017 nog in persoon aanwezig waren, zodat “het inreisverbod thans nog geen rechtsgevolgen teweegbrengt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat “het inreisverbod waarvan sprake […] er dus niet aan in de weg [staat] dat de verwerende [thans verzoekende] partij alle door de verzoekende partijen aangevoerde buitengewone omstandigheden [onderzoekt] om de aanvraag XIV-37.596-5/9 in te dienen bij de burgemeester van de plaats waar zij verblijven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht artikel 9bis van de vreemdelingenwet geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing “door dat niet te doen, onder de enkele verwijzing naar het inreisverbod en de daaraan gekoppelde vaststelling dat de verzoekende partijen niet het recht hebben om zich op het Belgische grondgebied te bevinden en door het onderzoek van de in de aanvraag aangehaalde buitengewone omstandigheden te beperken tot de vermeende schending van artikel 3 van het EVRM”.
- In artikel 1, 8°, van de vreemdelingenwet wordt het inreisverbod omschreven als “een beslissing waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering”. De artikelen 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet hebben respectievelijk betrekking op het opleggen dan wel het opheffen of opschorten van een inreisverbod. Ze vormen de omzetting in het Belgische recht van artikel 11 van richtlijn 2008/
- Artikel 74/11, § 3, eerste lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat het inreisverbod in werking treedt “de dag waarop de beslissing met betrekking tot het inreisverbod wordt betekend”.
- In antwoord op een prejudiciële vraag heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 26 juli 2017 in de zaak C-225/16, Ouhrami tegen Nederland, gesteld “dat artikel 11, lid 2, van richtlijn 2008/115 aldus moet worden uitgelegd dat de duur van het inreisverbod als bedoeld in deze bepaling, die in principe niet meer dan vijf jaar bedraagt, moet worden berekend vanaf het tijdstip waarop de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten”. Daarmee heeft het Hof enkel uitspraak gedaan over de vraag of de duur van het inreisverbod moet worden berekend vanaf de datum waarop het inreisverbod is uitgevaardigd dan wel vanaf de datum waarop de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten dan wel vanaf enig ander tijdstip. Uit het voornoemde arrest van het Hof kan echter, anders dan in het bestreden arrest wordt aangenomen, niet op algemene wijze worden afgeleid dat bij de beoordeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf geen rekening mag XIV-37.596-6/9 worden gehouden met het bestaan van een inreisverbod zolang de betrokkene niet het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Zo overweegt het Hof in punt 51 van het meergenoemde arrest van 26 juli 2017 dat een eventueel inreisverbod een middel vormt “om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal zal kunnen terugkomen op het grondgebied van de lidstaten” en in punt 52 dat aan deze doelstelling “afbreuk [zou] worden gedaan indien de weigering van een dergelijke derdelander om gevolg te geven aan de terugkeerverplichting en mee te werken in het kader van een verwijderingsprocedure hem in staat zou stellen zich geheel of ten dele te onttrekken aan de rechtsgevolgen van een inreisverbod, wat het geval zou zijn indien het tijdvak waarin een dergelijk inreisverbod geldt, gedurende deze procedure zou kunnen ingaan of verstrijken”.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in antwoord op een prejudiciële vraag in zijn arrest van 8 mei 2018 in de zaak C-82/16, K.A. en anderen tegen België, gesteld dat richtlijn 2008/115, met name de artikelen 5 en 11 ervan, “aldus [moet] worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat hij een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die op zijn grondgebied is ingediend door een derdelander, familielid van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot het grondgebied is verboden”. Uit het arrest blijkt geen onderscheid tussen derdelanders aan wie een inreisverbod was opgelegd naargelang zij al dan niet het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk hebben verlaten. Vermits het Hof deze praktijk in principe toelaat voor aanvragen met betrekking tot het recht op gezinshereniging, is ze a fortiori toegelaten voor aanvragen om machtiging tot verblijf, zoals te dezen het geval is. Waar het Hof in zijn arrest wel onderzoekt of artikel 20 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich verzet tegen die praktijk en aanneemt dat dit in bepaalde gevallen wel het geval kan zijn, moet XIV-37.596-7/9 worden opgemerkt dat het enkel ging om aanvragen tot gezinshereniging met een burger van de Unie wiens rechten in het gedrang zouden komen. Te dezen betreft het echter geen aanvraag tot gezinshereniging, noch een andere aanvraag waarop het recht van de Unie van toepassing zou zijn, zodat die beoordeling niet relevant is voor de huidige zaak.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partij met de aanvankelijk bestreden beslissing artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet heeft geschonden door de met toepassing van die bepaling ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf niet in aanmerking te nemen, omdat aan de verweerders een inreisverbod was opgelegd. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het voornoemde artikel 9bis van de vreemdelingenwet geschonden door te oordelen dat de verwerende partij ertoe was gehouden alle buitengewone omstandigheden te onderzoeken die de verweerders hadden aangevoerd om hun aanvraag in te dienen bij de burgemeester van de plaats waar zij verblijven.
- Het enige middel is in die mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding
- In het verzoekschrift tot cassatie en de toelichtende memorie vraagt de verzoekende partij de verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits de verweerders als de in het ongelijk gestelde partijen tweedelijns juridische bijstand genieten en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. XIV-37.596-8/9 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het arrest nr. 195.139 van 16 november 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- De verweerders worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, elk voor de helft en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.596-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div