← België

Arrest 245655 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.655 Rolnummer: A. 221112/IX-8995 Zaak: Arrest 245655 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Arrest nr 245.655 van 7 oktober 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.655 van 7 oktober 2019 in de zaak A. 221.112/IX-8995 In zake : Philippe CENGIAROTTI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse Zaken van 14 november 2016 “houdende de overplaatsing van de heer Philippe Cengiarotti als maatregel van inwendige orde, benoemd in de graad van veiligheidsmedewerker bij Bureau T van de AD Vreemdelingenzaken, met als standplaats het Gesloten Centrum voor Illegalen te Merksplas, naar de graad van veiligheidsmedewerker bij de Directie Asiel, met als standplaats Brussel”. IX-8995-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 242.918 van 12 november 2018 is het debat heropend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met één lid. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lize Vandersteegen, die tevens loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. IX-8995-2/6 III. Teloorgaan van het voorwerp van het beroep
  5. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij bij besluit van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 22 februari 2019 voor een derde maal is overgeplaatst en het bestreden besluit is ingetrokken. Het voorliggende beroep heeft aldus – zoals verzoeker zelf aangeeft in zijn laatste memorie – geen voorwerp meer en dient te worden verworpen. IV. Kosten
  6. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker de verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding, “waaronder een maximale rechtsplegingsvergoeding van 1.400 [euro]”. Hij motiveert die vraag als volgt (voetnoten weggelaten): “
  7. Dat verwerende partij middels het besluit van 22 februari 2019 verzoekende partij intussen opnieuw heeft overgeplaatst en hierbij de bestreden beslissing heeft ingetrokken, ontslaat verwerende partij niet van diens verplichting tot betaling van de gedingkosten.
  8. Het verval van de bestreden beslissing, waardoor onderhavige procedure zonder voorwerp is komen te vallen, was immers geenszins te voorzien door verzoekende partij. Verwerende partij heeft ervoor geopteerd om het bestreden besluit uitdrukkelijk in te trekken. Meer nog, de nieuwe beslissing van 22 februari 2019 werd uitsluitend door verwerende partij genomen in een poging tegemoet te komen aan de verzuchtingen die verzoekende partij in huidige vernietigingsprocedure heeft geuit t.a.v. de bestreden beslissing waarbij hij werd overgeplaatst naar de functie van veiligheidsmedewerker bij Directie Asiel te Brussel. Verwerende partij tracht met de nieuwe beslissing een vernietiging van de bestreden beslissing te vermijden. Dit blijkt enerzijds uit de vaststelling dat de bestreden beslissing deze keer expliciet wordt ingetrokken, en anderzijds uit de opvallende timing, m.n. vlak na het niet mis te verstane verslag van de auditeur waarin Uw Raad werd geadviseerd om het bestreden besluit te vernietigen.
  9. Verzoekende partij dient in elk geval als de in het gelijk gestelde partij te worden beschouwd vermits het gebrek aan voorwerp (en zijn verlies aan belang) niet aan hem te wijten is, maar het gevolg is van een door de verwerende partij ingetrokken beslissing. IX-8995-3/6
  10. Verzoekende partij meent tot slot dat er afdoende redenen voorhanden zijn om verwerende partij de maximale rechtsplegingsvergoeding op te leggen. Verwerende partij heeft verzoekende partij doelbewust eerst de gehele vernietigingsprocedure bij de Raad van State laten doorlopen, om pas op het einde van deze procedure een eenzijdige beslissing te nemen tot intrekking van het bestreden besluit. Het is pas wanneer verwerende partij kennis heeft gekregen van het zeer vernietigende auditoraatsverslag dat zij besloten heeft om de beslissing in te trekken en zo te ontsnappen aan een arrest.
  11. Verzoekende partij betoogt reeds sinds november 2016, m.a.w. zodra hij had kennisgenomen van de bestreden beslissing, dat hij als veiligheidsmedewerker op Directie Asiel in aanraking zou blijven komen met rook en tevens andere (gezondheids)risico’s zou lopen. Verwerende partij heeft dit gedurende de hele procedure voor Uw Raad trachten te ontkennen. Het is dan ook hoogst verwonderlijk te noemen dat in de nieuwe beslissing van 22 februari 2019 verwerende partij hier nu plotsklaps lijkt op terug te komen; waarom zou verwerende partij er – behalve vanwege het ongunstig auditoraatsverslag, waarnaar in de nieuwe beslissing niet wordt verwezen – anders voor kiezen om verzoekende partij nu toch opeens over te plaatsen indien er geen problemen met de huidige tewerkstelling zouden zijn?! Verwerende partij erkent met de nieuwe overplaatsing m.a.w. dat zij destijds bij het nemen van de bestreden beslissing geen rookvrije werkplek kon garanderen en niet afdoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke situatie van verzoekende partij, zodat bijgevolg de motivering van de bestreden beslissing feitelijke grondslag miste.
  12. Verzoekende partij is altijd vragende partij geweest om in een rookvrije werkomgeving te kunnen werken. Een rookvrije werkplek was en is voor verzoekende partij cruciaal. Hij heeft steeds onderbouwd uiteengezet dat deze rookvrije tewerkstelling zou kunnen worden georganiseerd in het CIM, m.n. wanneer hij als vaste man en/of portier terug op zijn oude werkplaats van vóór de eerste (intussen door Uw Raad vernietigd[e]) overplaatsingsmaatregel uit 2014 zou worden ingezet. Omdat verzoekende partij echter geen bereidheid vond bij verwerende partij om hem in deze functie (terug) te plaatsen, heeft verzoekende partij als compromis gevraagd of hij - in afwachting van een uitspraak door Uw Raad in onderhavige procedure (!) […] - misschien tijdelijk een administratieve zou kunnen uitoefenen. Op die manier zou hij in tussentijd tenminste met zekerheid in een rookvrije ruimte kunnen werken. Nu wordt de constructieve houding van verzoekende partij en de door hem voorgestelde tijdelijke oplossing door verwerende partij evenwel misbruikt om aan haar verantwoordelijkheden t.a.v. de tweede overplaatsingsmaatregel te ontsnappen. De beslissing van 22 februari 2019 voorziet dan wel in een tijdelijk karakter voor de overplaatsing naar een rookvrije administratieve functie, maar de bestreden beslissing wordt ook uitdrukkelijk ingetrokken. Bijgevolg kan Uw Raad niet langer oordelen over de onwettigheid van de bestreden beslissing in het licht van de door verzoekende partij ingeroepen middelen. Niet alleen heeft dit impact op de reeds lopende procedure bij het Arbeidshof waarin een vordering tot schadevergoeding n.a.v. het onwettig overheidshandelen hangende is, maar hierdoor vermijdt verwerende partij op IX-8995-4/6 zeer discutabele wijze ook dat zij zich zou moeten buigen over de vraag of verzoekende partij niet terug in het CIM zou moeten worden tewerkgesteld. Immers, een vernietigingsarrest van de huidige bestreden beslissing, samengenomen met het eerdere vernietigingsarrest van Uw Raad van 14 november 2017, nr. 239.868 ten aanzien van de eerste overplaatsingsmaatregel, zou in principe verzoekende partij terug moeten plaatsen op het moment dat hij nog tewerkgesteld was als veiligheidsmedewerker in het CIM te Merksplas. Verzoekende partij stelt zich oprecht de vraag wat verwerende partij in dergelijk geval zou hebben gedaan waarbij verzoekende partij zich niet constructief zou hebben opgesteld door een tijdelijke overplaatsing in een administratieve functie voor te stellen, wat nu in feite evenwel op absurde wijze en zonder enig perspectief op een verdere tewerkstelling als veiligheidsmedewerker tegen verzoekende partij wordt gebruikt.
  13. In elk geval blijkt ook uit het nieuwe besluit van 22 februari 2019 dat er geen enkele reden voor verwerende partij was om meer dan twee jaar lang te wachten alvorens de bestreden beslissing in te trekken.
  14. De vordering van verzoekende partij tot het opleggen van verwerende partij van een maximum rechtsplegingsvergoeding is dan ook gegrond.”
  15. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding ertoe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, mag de proceshouding van de verwerende partij niet in rekening worden gebracht voor de begroting van deze vergoeding. Noch de handelwijze van de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing, noch de omstandigheid dat zij – ondanks een voor haar ongunstig auditoraatsverslag – om de voortzetting van de procedure heeft gevraagd waardoor verzoeker ertoe genoopt was om een laatste memorie in te dienen en zich op een terechtzitting te laten vertegenwoordigen – hetgeen overigens niet meer is dan het normale verloop van een beroep voor de Raad van State – is van aard om een “kennelijk onredelijke aard van de situatie” aan te tonen, als bedoeld in artikel 30/1, § 2, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Er is derhalve geen reden om de toegekende rechtsplegingsvergoeding te verhogen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-8995-5/6
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-8995-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.655 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.024 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.