id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.657 Rolnummer: A. 229202/IX-9623 Zaak: Arrest 245657 - Examens (onderwijs) - 07/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-08 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:44 Fiche Arrest nr 245.657 van 7 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.657 van 7 oktober 2019 in de zaak A. 229.202/IX-9623 In zake: Soukaina BINDACH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Deborah Johnson kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Herentalsestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE BRASSCHAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e eindbeslissing van de delibererende klassenraad van 27 augustus 2019 […] van het tweede leerjaar van de derde graad, algemeen secundair onderwijs, Hu- mane wetenschappen […] van het Gemeentelijk Instituut Brasschaat te Brasschaat waarbij besloten werd om aan [Soukaina Bindach] een oriënteringsattest C te geven en bevestigd door de delibererende klassenraad op 30 augustus 2019”. In fine van het verzoekschrift wordt het gevorderde herhaald en wordt daaraan toegevoegd: “en door de Interne Beroepscommissie op 11 sep- tember 2019.” IX-9623-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Deborah Johnson, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is voor het schooljaar 2018-2019 ingeschreven als leerling in het tweede leerjaar van de derde graad „humane wetenschappen‟ (ASO) in het Gemeentelijk Instituut Brasschaat. Op het einde van het schooljaar dienen de resultaten van ver- zoekster zich als volgt aan: IX-9623-2/14 DW1 GE/EX1 DW2/GE2 DW3 GE3/EX2 Nederlands […] 65 70 53 Frans […] 51 48 53 Engels […] 56 60 57 Duits […] 63 56 58 Wiskunde […] 59 25 67 75 37 Natuurwetenschappen […] 65 81 90 70 67 Aardrijkskunde […] 56 39 59 52 44 Geschiedenis […] 50 42 60 76 35 Cultuurwetenschappen […] 65 49 50 65 67 Gedragswetenschappen […] 81 52 68 68 Lichamelijke Opvoeding […] 64 80 68 Labo wetenschappen […] 90 71 Niet-confessionele zedenleer […] 76 74 79 De delibererende klassenraad stelt zijn beslissing uit tot na het afleggen door verzoekster van uitgestelde proeven voor wiskunde en geschiedenis. Op die proeven scoort verzoekster 35% voor wiskunde en 40% voor geschiedenis. De delibererende klassenraad beslist daarop om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Die beslissing motiveert hij als volgt: “Je examens voor aardrijkskunde, geschiedenis en wiskunde vertoonden het voorbije schooljaar twee maal zware tekorten. Je had voor die vakken de doelstellingen niet gehaald. De klassenraad wilde je de kans geven met bijkomende proeven aan te tonen dat je hier toch vooruitgang kon boeken. De bijkomende proeven voor wiskunde (35%) en geschiedenis (40%) ver- sterken de klassenraad echter in zijn eerder oordeel. Zowel voor aard- rijkskunde, geschiedenis als wiskunde reken je te veel op reproductie en toon je een gebrek aan inzicht. Voor wiskunde gaat dit niet enkel over het gedeelte uitbreiding (zoals integralen), maar ook over de basisleerstof in Humane Wetenschappen: kansrekenen (5,5/13) en kansverdeling (12,5/32).” IX-9623-3/14 3.2. Uit het overleg met de vader van verzoekster begrijpt de direc- teur dat er “medisch-psychologische gegevens” zouden zijn die onbekend zijn aan de klassenraad. Er wordt afgesproken “dat de directeur de klassenraad zal sa- menroepen als de nieuwe elementen door de vader voor vrijdag 30 augustus worden binnengebracht”. Op 30 augustus 2019 komt de klassenraad opnieuw samen, maar hij handhaaft zijn beslissing. Daartoe overweegt hij wat volgt: “Het oordeel van de klassenraad werd niet gewijzigd door de elementen die je aanbracht en die hieronder worden behandeld: – De klassenraad maakt geen gebruik van de opdeling tussen A- en B-vakken, zoals jij voorstelt. De drie vakken waarvoor de basisdoelstel- lingen niet gehaald werden zijn algemene vakken die in een aso-richting van belang zijn. Aardrijkskunde en geschiedenis zijn binnen de studie- richting Humane Wetenschappen bovendien ondersteunend voor de vak- ken cultuur- en gedragswetenschappen. Wiskunde is een basisvak in alle richtingen. Voor humane wetenschappen ligt de nadruk daar op statistiek (met o.a. kansverdeling). – De leerkracht wiskunde heeft geen extra vragen van jou gekregen ter voorbereiding van de bijkomende proef, hoewel je dit in je brief wel be- weert. – De klassenraad heeft geen zicht op de invloed van je psychologische problemen op je schoolse resultaten. De school werd daarvan niet op de hoogte gebracht. Naar aanleiding van de uitgestelde beslissing had dit ze- ker kunnen gebeuren. – Je hebt je in het verleden zeker ingezet. Daarom was de klassenraad van oordeel dat je een kans moest krijgen om de tekorten recht te zetten en dat je daar ook de mogelijkheden voor bezat. Je hebt deze kans echter niet kunnen verzilveren. Er is geen enkele vooruitgang geboekt ten opzichte van de eerdere examenresultaten. – De klassenraad bekijkt elke leerling individueel. Vergelijkingen met andere leerlingen zoals je in je brief voorstelt, vindt de klassenraad dan ook niet aan de orde.” Verzoekster stelt daarop een beroep in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 11 september 2019 bevestigt de beroepscommissie “het C-attest dat is uitgesproken door de klassenraad”. Die beslissing is als volgt ge- motiveerd: IX-9623-4/14 “De beroepscommissie is van oordeel dat de klassenraad zich gebaseerd heeft op het totaalbeeld van de leerling. De klassenraad heeft zorgvuldig geoordeeld op basis van een grondige analyse van alle resultaten van [verzoekster] gedurende het hele schooljaar. De beroepscommissie volgt de redenering dat de examenresultaten voor geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde – met inbegrip van de bijkomende proeven – een groot tekort laten zien voor de basisdoelstellingen. De problemen liggen op het niveau van het verwerven van inzichtelijke kennis. De punten voor dagelijks werk waren weliswaar beter maar worden beschouwd als een bewijs dat [ver- zoekster] kleine onderdelen kan verwerken. De school heeft volgens de beroepscommissie voldoende signalen gegeven aan [verzoekster] om aan de tekorten te werken. Ook op het vlak van remediëring zijn er door de school voldoende initiatieven genomen. Aan de klassenraad of de school kan niet verweten worden dat zij geen rekening heeft gehouden met me- dische of psychologische achtergronden van [verzoekster], aangezien zij daarvan niet op de hoogte werd gebracht, zelfs niet op het moment dat de bijkomende proeven aangekondigd werden.” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep – exceptie – ontvanke- lijkheid van de vordering en van de middelen 4. Volgens de verwerende partij is de vordering gericht tegen de verkeerde beslissing en daarom onontvankelijk. Zij argumenteert in haar nota met opmerkingen aldus (voetnoten weggelaten): “Over de aanduiding van het voorwerp van het beroep kan geen twijfel bestaan: verzoekster richt haar schorsingsverzoek tegen de beslissing van de delibererende klassenraad. Ook de drie middelen zijn immers uitdrukkelijk tegen de beslissing van de delibererende klassenraad gericht, en verzoekster duidt ook op de inventa- ris van haar stukken de klassenraadbeslissing aan als „de bestreden beslis- sing‟. Ten slotte herbevestigt verzoekster het voorwerp van haar beroep in het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift. De Raad van State zou ultra petita oordelen door een andere administra- tieve akte als voorwerp van het schorsingsverzoek aan te duiden. Enkel een eindbeslissing is vatbaar voor een beroep bij de Raad van State. Sinds de inwerkingtreding op 1 september 2014 van het decreet van 4 april 2014 „houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende de partici- patie op school‟, is de beroepscommissie in het secundair onderwijs [be- kleed] met volheid van bevoegdheid, zodat haar beslissing in de plaats komt van deze van de delibererende klassenraad, die het voorwerp van de interne beroepsprocedure heeft uitgemaakt. IX-9623-5/14 Het is bijgevolg enkel de beslissing van de beroepscommissie die het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring – en een vordering tot schorsing – bij de Raad van State kan uitmaken. Het beroep van verzoekster is evenwel niet gericht tegen de beslissing van de beroepscommissie van 11 september 2019, maar tegen de onderliggende beslissing van de delibererende klassenraad, die zich niet langer in het rechtsverkeer bevindt. Van een materiële vergissing is kennelijk geen sprake. Het schorsingsverzoek is dan ook onontvankelijk. Dat verzoekende partij achteraan het eerste middel „voor zover als nodig‟ opmerkt dat ook de beslissing van de beroepscommissie niet afdoende werd gemotiveerd, doet daaraan geen afbreuk. Een verzoekende partij mag het – bijvoorbeeld door het hanteren van de voorwaardelijke wijs – immers niet aan de Raad van State zelf overlaten om in zijn plaats het onderwerp van haar vordering te bepalen. Het vor- deren van de vernietiging „voor zover als nodig‟ is volgens de rechtsleer en de vaste rechtspraak van de Raad van State uit den boze en kan leiden tot de – gebeurlijk ambtshalve door de Raad uitgesproken – niet-ontvankelijkheid van die vordering.” 5. Alleen een in laatste aanleg genomen beslissing kan bij de Raad van State worden bestreden. In de voorliggende zaak is dat de beslissing van de beroeps- commissie van 11 september 2019. Voor zover de vordering is gericht tegen de beslissingen van de delibererende klassenraad, is ze niet ontvankelijk. 6. Het inquisitoriaal karakter van de rechtspleging voor de Raad van State houdt onder meer in dat het aan de Raad toevalt om uit te maken wat het precieze voorwerp is van een beroep of vordering, waarbij hij rekening dient te houden met de bewoordingen van het verzoekschrift, maar ook onder meer met het resultaat dat de verzoekende partij wil bereiken en de middelen die zij daartoe aanvoert. De Raad van State moet ook ervoor waken dat hij in een te strikt formalisme zou vervallen, als dat een ontoelaatbare belemmering zou zijn voor het recht van een verzoekende partij op toegang tot de rechter. IX-9623-6/14 Daar staat dan weer tegenover, dat zeker in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid van die rechter ook weer niet te véél mag worden verwacht; het ligt in de eerste plaats op de weg van de verzoekende partij om haar zaak klaar en helder uiteen te zetten. Van de Raad van State mag alleszins in de huidige rechtspleging niet worden verwacht dat hij diepgaande studies doet naar de intenties van de verzoekende partij. 7. Wat voorafgaat brengt de Raad ertoe om vast te stellen, zoals verzoekster in de uiteenzetting van de eerste schorsingsvoorwaarde en op de te- rechtzitting ook aangeeft, dat met het verzoekschrift wordt beoogd verzoekster ervoor te behoeden dat zij een schooljaar zou verliezen, wat noodzakelijk impli- ceert dat zij de beslissing van de beroepscommissie aanvecht. Zij vermeldt, zij het bijzonder gebrekkig, die beslissing ook in het zogenaamde beschikkend gedeelte van haar vordering en “[v]oor zoveel als nodig” voert zij er wettigheidskritiek tegen aan. In de huidige stand van de rechtspleging neemt de Raad aan dat de beslissing van de beroepscommissie mede tot het voorwerp van de vordering gerekend mag worden en hij bijgevolg niet ultra petita oordeelt door die beslissing te beoordelen. In zoverre mist de exceptie ernst. 8. De welwillende lezing van het verzoekschrift heeft evenwel grenzen. De aangevoerde middelen zijn slechts ontvankelijk in de mate dat ze in het inleidend verzoekschrift zijn betrokken op de eindbeslissing van de beroepscommissie. Is het theoretisch mogelijk dat een aangevoerde onwettigheid die betrekking heeft op een eerdere klassenraadbeslissing toch geacht kan worden af te kleuren op de eindbeslissing, dan heeft verzoekster door de aanpak van haar verzoekschrift die eventuele band hoegenaamd niet gelegd of verduidelijkt. Zeker in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en mede gelet op de IX-9623-7/14 rechten van verdediging, kan van de rechter niet worden verwacht dat hij die middelen zou “hertalen” en de invulling en draagwijdte ervan zou aanpassen. Dit betekent dat het eerste middel enkel ontvankelijk is voor hetgeen erin is aangevoerd tegen de beslissing van de beroepscommissie onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.