← België

Arrest 245657 - Examens (onderwijs) - 07/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.657 Rolnummer: A. 229202/IX-9623 Zaak: Arrest 245657 - Examens (onderwijs) - 07/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-08 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:44 Fiche Arrest nr 245.657 van 7 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.657 van 7 oktober 2019 in de zaak A. 229.202/IX-9623 In zake: Soukaina BINDACH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Deborah Johnson kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Herentalsestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE BRASSCHAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e eindbeslissing van de delibererende klassenraad van 27 augustus 2019 […] van het tweede leerjaar van de derde graad, algemeen secundair onderwijs, Hu- mane wetenschappen […] van het Gemeentelijk Instituut Brasschaat te Brasschaat waarbij besloten werd om aan [Soukaina Bindach] een oriënteringsattest C te geven en bevestigd door de delibererende klassenraad op 30 augustus 2019”. In fine van het verzoekschrift wordt het gevorderde herhaald en wordt daaraan toegevoegd: “en door de Interne Beroepscommissie op 11 sep- tember 2019.” IX-9623-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Deborah Johnson, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is voor het schooljaar 2018-2019 ingeschreven als leerling in het tweede leerjaar van de derde graad „humane wetenschappen‟ (ASO) in het Gemeentelijk Instituut Brasschaat. Op het einde van het schooljaar dienen de resultaten van ver- zoekster zich als volgt aan: IX-9623-2/14 DW1 GE/EX1 DW2/GE2 DW3 GE3/EX2 Nederlands […] 65 70 53 Frans […] 51 48 53 Engels […] 56 60 57 Duits […] 63 56 58 Wiskunde […] 59 25 67 75 37 Natuurwetenschappen […] 65 81 90 70 67 Aardrijkskunde […] 56 39 59 52 44 Geschiedenis […] 50 42 60 76 35 Cultuurwetenschappen […] 65 49 50 65 67 Gedragswetenschappen […] 81 52 68 68 Lichamelijke Opvoeding […] 64 80 68 Labo wetenschappen […] 90 71 Niet-confessionele zedenleer […] 76 74 79 De delibererende klassenraad stelt zijn beslissing uit tot na het afleggen door verzoekster van uitgestelde proeven voor wiskunde en geschiedenis. Op die proeven scoort verzoekster 35% voor wiskunde en 40% voor geschiedenis. De delibererende klassenraad beslist daarop om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Die beslissing motiveert hij als volgt: “Je examens voor aardrijkskunde, geschiedenis en wiskunde vertoonden het voorbije schooljaar twee maal zware tekorten. Je had voor die vakken de doelstellingen niet gehaald. De klassenraad wilde je de kans geven met bijkomende proeven aan te tonen dat je hier toch vooruitgang kon boeken. De bijkomende proeven voor wiskunde (35%) en geschiedenis (40%) ver- sterken de klassenraad echter in zijn eerder oordeel. Zowel voor aard- rijkskunde, geschiedenis als wiskunde reken je te veel op reproductie en toon je een gebrek aan inzicht. Voor wiskunde gaat dit niet enkel over het gedeelte uitbreiding (zoals integralen), maar ook over de basisleerstof in Humane Wetenschappen: kansrekenen (5,5/13) en kansverdeling (12,5/32).” IX-9623-3/14 3.2. Uit het overleg met de vader van verzoekster begrijpt de direc- teur dat er “medisch-psychologische gegevens” zouden zijn die onbekend zijn aan de klassenraad. Er wordt afgesproken “dat de directeur de klassenraad zal sa- menroepen als de nieuwe elementen door de vader voor vrijdag 30 augustus worden binnengebracht”. Op 30 augustus 2019 komt de klassenraad opnieuw samen, maar hij handhaaft zijn beslissing. Daartoe overweegt hij wat volgt: “Het oordeel van de klassenraad werd niet gewijzigd door de elementen die je aanbracht en die hieronder worden behandeld: – De klassenraad maakt geen gebruik van de opdeling tussen A- en B-vakken, zoals jij voorstelt. De drie vakken waarvoor de basisdoelstel- lingen niet gehaald werden zijn algemene vakken die in een aso-richting van belang zijn. Aardrijkskunde en geschiedenis zijn binnen de studie- richting Humane Wetenschappen bovendien ondersteunend voor de vak- ken cultuur- en gedragswetenschappen. Wiskunde is een basisvak in alle richtingen. Voor humane wetenschappen ligt de nadruk daar op statistiek (met o.a. kansverdeling). – De leerkracht wiskunde heeft geen extra vragen van jou gekregen ter voorbereiding van de bijkomende proef, hoewel je dit in je brief wel be- weert. – De klassenraad heeft geen zicht op de invloed van je psychologische problemen op je schoolse resultaten. De school werd daarvan niet op de hoogte gebracht. Naar aanleiding van de uitgestelde beslissing had dit ze- ker kunnen gebeuren. – Je hebt je in het verleden zeker ingezet. Daarom was de klassenraad van oordeel dat je een kans moest krijgen om de tekorten recht te zetten en dat je daar ook de mogelijkheden voor bezat. Je hebt deze kans echter niet kunnen verzilveren. Er is geen enkele vooruitgang geboekt ten opzichte van de eerdere examenresultaten. – De klassenraad bekijkt elke leerling individueel. Vergelijkingen met andere leerlingen zoals je in je brief voorstelt, vindt de klassenraad dan ook niet aan de orde.” Verzoekster stelt daarop een beroep in bij het schoolbestuur. 3.3. Op 11 september 2019 bevestigt de beroepscommissie “het C-attest dat is uitgesproken door de klassenraad”. Die beslissing is als volgt ge- motiveerd: IX-9623-4/14 “De beroepscommissie is van oordeel dat de klassenraad zich gebaseerd heeft op het totaalbeeld van de leerling. De klassenraad heeft zorgvuldig geoordeeld op basis van een grondige analyse van alle resultaten van [verzoekster] gedurende het hele schooljaar. De beroepscommissie volgt de redenering dat de examenresultaten voor geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde – met inbegrip van de bijkomende proeven – een groot tekort laten zien voor de basisdoelstellingen. De problemen liggen op het niveau van het verwerven van inzichtelijke kennis. De punten voor dagelijks werk waren weliswaar beter maar worden beschouwd als een bewijs dat [ver- zoekster] kleine onderdelen kan verwerken. De school heeft volgens de beroepscommissie voldoende signalen gegeven aan [verzoekster] om aan de tekorten te werken. Ook op het vlak van remediëring zijn er door de school voldoende initiatieven genomen. Aan de klassenraad of de school kan niet verweten worden dat zij geen rekening heeft gehouden met me- dische of psychologische achtergronden van [verzoekster], aangezien zij daarvan niet op de hoogte werd gebracht, zelfs niet op het moment dat de bijkomende proeven aangekondigd werden.” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep – exceptie – ontvanke- lijkheid van de vordering en van de middelen 4. Volgens de verwerende partij is de vordering gericht tegen de verkeerde beslissing en daarom onontvankelijk. Zij argumenteert in haar nota met opmerkingen aldus (voetnoten weggelaten): “Over de aanduiding van het voorwerp van het beroep kan geen twijfel bestaan: verzoekster richt haar schorsingsverzoek tegen de beslissing van de delibererende klassenraad. Ook de drie middelen zijn immers uitdrukkelijk tegen de beslissing van de delibererende klassenraad gericht, en verzoekster duidt ook op de inventa- ris van haar stukken de klassenraadbeslissing aan als „de bestreden beslis- sing‟. Ten slotte herbevestigt verzoekster het voorwerp van haar beroep in het beschikkend gedeelte van haar verzoekschrift. De Raad van State zou ultra petita oordelen door een andere administra- tieve akte als voorwerp van het schorsingsverzoek aan te duiden. Enkel een eindbeslissing is vatbaar voor een beroep bij de Raad van State. Sinds de inwerkingtreding op 1 september 2014 van het decreet van 4 april 2014 „houdende diverse maatregelen betreffende de rechtspositie van leerlingen in het basis- en secundair onderwijs en betreffende de partici- patie op school‟, is de beroepscommissie in het secundair onderwijs [be- kleed] met volheid van bevoegdheid, zodat haar beslissing in de plaats komt van deze van de delibererende klassenraad, die het voorwerp van de interne beroepsprocedure heeft uitgemaakt. IX-9623-5/14 Het is bijgevolg enkel de beslissing van de beroepscommissie die het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring – en een vordering tot schorsing – bij de Raad van State kan uitmaken. Het beroep van verzoekster is evenwel niet gericht tegen de beslissing van de beroepscommissie van 11 september 2019, maar tegen de onderliggende beslissing van de delibererende klassenraad, die zich niet langer in het rechtsverkeer bevindt. Van een materiële vergissing is kennelijk geen sprake. Het schorsingsverzoek is dan ook onontvankelijk. Dat verzoekende partij achteraan het eerste middel „voor zover als nodig‟ opmerkt dat ook de beslissing van de beroepscommissie niet afdoende werd gemotiveerd, doet daaraan geen afbreuk. Een verzoekende partij mag het – bijvoorbeeld door het hanteren van de voorwaardelijke wijs – immers niet aan de Raad van State zelf overlaten om in zijn plaats het onderwerp van haar vordering te bepalen. Het vor- deren van de vernietiging „voor zover als nodig‟ is volgens de rechtsleer en de vaste rechtspraak van de Raad van State uit den boze en kan leiden tot de – gebeurlijk ambtshalve door de Raad uitgesproken – niet-ontvankelijkheid van die vordering.” 5. Alleen een in laatste aanleg genomen beslissing kan bij de Raad van State worden bestreden. In de voorliggende zaak is dat de beslissing van de beroeps- commissie van 11 september 2019. Voor zover de vordering is gericht tegen de beslissingen van de delibererende klassenraad, is ze niet ontvankelijk. 6. Het inquisitoriaal karakter van de rechtspleging voor de Raad van State houdt onder meer in dat het aan de Raad toevalt om uit te maken wat het precieze voorwerp is van een beroep of vordering, waarbij hij rekening dient te houden met de bewoordingen van het verzoekschrift, maar ook onder meer met het resultaat dat de verzoekende partij wil bereiken en de middelen die zij daartoe aanvoert. De Raad van State moet ook ervoor waken dat hij in een te strikt formalisme zou vervallen, als dat een ontoelaatbare belemmering zou zijn voor het recht van een verzoekende partij op toegang tot de rechter. IX-9623-6/14 Daar staat dan weer tegenover, dat zeker in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid van die rechter ook weer niet te véél mag worden verwacht; het ligt in de eerste plaats op de weg van de verzoekende partij om haar zaak klaar en helder uiteen te zetten. Van de Raad van State mag alleszins in de huidige rechtspleging niet worden verwacht dat hij diepgaande studies doet naar de intenties van de verzoekende partij. 7. Wat voorafgaat brengt de Raad ertoe om vast te stellen, zoals verzoekster in de uiteenzetting van de eerste schorsingsvoorwaarde en op de te- rechtzitting ook aangeeft, dat met het verzoekschrift wordt beoogd verzoekster ervoor te behoeden dat zij een schooljaar zou verliezen, wat noodzakelijk impli- ceert dat zij de beslissing van de beroepscommissie aanvecht. Zij vermeldt, zij het bijzonder gebrekkig, die beslissing ook in het zogenaamde beschikkend gedeelte van haar vordering en “[v]oor zoveel als nodig” voert zij er wettigheidskritiek tegen aan. In de huidige stand van de rechtspleging neemt de Raad aan dat de beslissing van de beroepscommissie mede tot het voorwerp van de vordering gerekend mag worden en hij bijgevolg niet ultra petita oordeelt door die beslissing te beoordelen. In zoverre mist de exceptie ernst. 8. De welwillende lezing van het verzoekschrift heeft evenwel grenzen. De aangevoerde middelen zijn slechts ontvankelijk in de mate dat ze in het inleidend verzoekschrift zijn betrokken op de eindbeslissing van de beroepscommissie. Is het theoretisch mogelijk dat een aangevoerde onwettigheid die betrekking heeft op een eerdere klassenraadbeslissing toch geacht kan worden af te kleuren op de eindbeslissing, dan heeft verzoekster door de aanpak van haar verzoekschrift die eventuele band hoegenaamd niet gelegd of verduidelijkt. Zeker in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en mede gelet op de IX-9623-7/14 rechten van verdediging, kan van de rechter niet worden verwacht dat hij die middelen zou “hertalen” en de invulling en draagwijdte ervan zou aanpassen. Dit betekent dat het eerste middel enkel ontvankelijk is voor hetgeen erin is aangevoerd tegen de beslissing van de beroepscommissie onder

  1. b)op de bladzijden 8-9 van het verzoekschrift en dat voor het overige het eerste middel evenals het tweede en het derde middel, alle gericht tegen een klassen- raadbeslissing, niet ontvankelijk zijn. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat, gelet op het schriftelijk karakter van de procedure en het respect voor de rechten van verdediging, geen rekening wordt gehouden met de mondelinge uiteenzetting van verzoeksters raadsvrouw ter terechtzitting in de mate dat zij hierin méér doet dan het verzoek- schrift toelichten maar aan de middelen een nieuwe invulling geeft die niet te lezen is in het inleidend verzoekschrift. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9623-8/14 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid 10. Verzoekster beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het bestreden attest voor haar het verlies van een schooljaar betekent en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld, wat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen overigens uitdrukkelijk niet betwist. VII. Ernst van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 11. Het eerste middel is geput uit de schending van “de motive- ringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”. Wat de beslissing van de beroepscommissie betreft, geeft ver- zoekster de volgende toelichting: “Het is hier overduidelijk dat de beslissing niet gedragen is door in rechte en in feite ingeroepen motieven. De gegeven motivering bestaat enkel uit een verwijzing naar de eerder genomen beslissing van de delibererende klassenraad en is niet gebaseerd op de elementen uit het dossier. De Interne Beroepscommissie verschuilt zich opnieuw achter het feit dat er geen melding werd gemaakt van de psychologische aandoening. De Interne Beroepscommissie stelt, in strijd met de stukken van het dossier, dat er door de school voldoende initiatieven werden genomen op het vlak van remediëring. Deze bewering wordt echter niet ondersteund met con- crete voorbeelden. De Interne Beroepscommissie geeft geen antwoord op de argumenten en overwegingen die door de raadsman van verzoekster werden opgeworpen in het verzoekschrift beroep. Het is nochtans vaste rechtspraak van Uw Raad dat dit noodzakelijk is. De beroepsprocedure houdt in dat verzoekster ergens in de loop van die be- roepsprocedure een antwoord op haar klachten dient te vinden. IX-9623-9/14 [Verzoekster verwijst naar en citeert uit arrest nr. 162.923 van 28 sep- tember 2006.] In het verzoekschrift hoger beroep wordt o.m. uitdrukkelijk de vraag ge- steld waarom de redenering die bij verzoekster werd toegepast (nl. dat men van mening is dat aardrijkskunde, geschiedenis en wiskunde algemene vakken zijn die in een aso-richting van belang zijn en dat aardrijkskunde en geschiedenis ondersteunend zijn voor de hoofdvakken cultuur- en ge- dragswetenschappen) niet werd toegepast op de leerling die voor exact dezelfde 3 vakken eveneens tekorten had. Deze leerling die wel een A-attest kreeg, had ook tekorten voor wiskunde, aardrijkskunde én geschiedenis. In het verzoekschrift hoger beroep wordt uitdrukkelijk gevraagd naar een verklaring hieromtrent doch de Interne Beroeps[…]commissie heeft op deze vraag zelfs niet geantwoord.” Beoordeling 12. Hoewel in het middel de schending wordt aangevoerd van de (materiële)motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, blijkt uit de aangehaalde toelichting – waarin de beroepscommissie vooral wordt ver- weten niet te hebben geantwoord op de door verzoekster in haar bezwaarschrift aangevoerde grieven – dat de formelemotiveringsplicht wordt bedoeld. 13.1. Verzoekster klaagt in de eerste plaats aan dat de beroepscom- missie een motivering geeft die “enkel [bestaat] uit een verwijzing naar de eerder genomen beslissing van de delibererende klassenraad” en “niet gebaseerd [is] op de elementen uit het dossier”. 13.2. Op het eerste gezicht gaat de beroepscommissie verder dan een “loutere” verwijzing naar die eerdere klassenraadbeslissing, waar op zich overi- gens niets mis mee hoeft te zijn. De beroepscommissie is immers van oordeel – en wordt dus geacht na te hebben geverifieerd ook bij te vallen – dat die klassenraad steunt op “het totaalbeeld” van de leerling en geoordeeld heeft “op basis van een grondige analyse van alle resultaten”. Zij geeft uitdrukkelijk aan ook oog te hebben gehad voor de cijfers van dagelijks werk, waaraan verzoekster zoveel belang hechtte in haar beroepschrift. Maar de beroepscommissie legt ook uit waarom zij het anders ziet, namelijk omdat dit alleen over kleinere gehelen gaat. In die optiek IX-9623-10/14 lijkt aan de beslissing van de beroepscommissie ten grondslag te liggen dat ver- zoekster niet heeft aangetoond – voor de drie vakken met jaartekorten dan toch – inzichtelijke kennis te kunnen verwerven en grotere gehelen leerstof te kunnen verwerken. In zoverre mist deze kritiek feitelijke grond. Dit motief van de beroepscommissie, bekritiseert verzoekster in het inleidend verzoekschrift op het eerste gezicht dan weer niet. Hierna wordt ingegaan op wat verzoekster schrijft over haar aandoening, over remediëring en over het lot van een andere leerling. Op welke andere “elementen uit het dossier” de beslissing ten onrechte nalaat te steunen werkt verzoekster niet uit. 14.1. Verzoekster klaagt vervolgens aan dat de beroepscommissie “zich opnieuw [verschuilt] achter het feit dat er geen melding werd gemaakt van de psychologische aandoening”. 14.2. Dat zij de klassenraad van haar “aandoening” maar op de hoogte heeft gebracht nádat de uitgestelde proeven waren afgelegd en nádat de klassen- raad zich al een eerste maal had uitgesproken over haar al dan niet slagen, ontkent verzoekster op het eerste gezicht niet. Waarom de beroepscommissie zich er dan niet mag achter “verschuilen” “dat er geen melding werd gemaakt van de psychologische aan- doening”, lijkt verzoekster niet te verduidelijken. Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat verzoekster in de loop van de beroepsprocedure in de school al tegengeworpen kreeg dat de klas- senraad “geen zicht [heeft] op de invloed van je psychologische problemen op je schoolse resultaten”. Daartegen lijkt verzoekster niets in te brengen. Zij beperkt er zich toe in dat verband een niet-gedagtekend document van een psychotherapeut van „Therapeuten voor Jongeren‟ bij te brengen, waarin die therapeut verklaart dat IX-9623-11/14 verzoekster “hier 3x op gesprek [is] geweest in de periode van eind 2018”. Die verklaring lijkt allerminst aan te geven met welke problemen verzoekster zich geconfronteerd weet en hoe deze een invloed (kunnen) hebben of gehad (kunnen) hebben op haar schoolse prestaties. Er wordt immers ook enkel gerefereerd aan drie gesprekken “in de periode van eind 2018”, zodat verzoekster op het eerste gezicht ook nalaat haar problematiek in verband te brengen met de examenperiode in juni 2019. Alles bij elkaar, moet vooralsnog worden aangenomen dat aan het antwoord van de beroepscommissie op deze grief alvast geen motiveringsge- brek kan worden verweten. 14.3. In verband met het verwijt omtrent de onvoldoende remedië- ringsinitiatieven, dient eraan te worden herinnerd dat een vermeend gebrekkige begeleiding mogelijk de verantwoordelijkheid voor een slechte prestatie (deels) verschuift naar de onderwijsinstelling, maar in de regel die prestatie zelf en de erop gesteunde evaluatiebeslissing niet zonder meer tot een voldoende vermag te keren. Daargelaten of het verwijt in feite juist is, mist het doel in rechte. Verzoekster heeft dan ook in die mate geen belang bij haar grief dat de beroepscommissie in gebreke bleef haar antwoord met concrete voorbeelden te ondersteunen of dat dit antwoord strijdt met het dossier. 15. Verzoekster vindt ook dat de beroepscommissie “geen antwoord [geeft] op de argumenten en overwegingen die door [haar] werden opgeworpen in het verzoekschrift beroep”. Dat verwijt brengt zij op het eerste gezicht echter alleen in ver- band met haar grief dat een andere leerling, “die voor exact dezelfde 3 vakken eveneens tekorten had”, een “A-attest” – verzoekster bedoelt wellicht: het diploma IX-9623-12/14 secundair onderwijs – toegekend kreeg. Er behoeft dan ook in de huidige stand van de rechtspleging alleen in die mate een antwoord op te komen, wat hierna gebeurt. 16. Verzoekster lijkt er in de huidige stand van de rechtspleging niet in te slagen om – éérst aan de beroepscommissie en vervolgens aan de Raad van State – aanwijzingen te verschaffen dat zij aan een andere beoordelingsmaatstaf is onderworpen dan de andere leerling én zonder dat daarvoor een deugdelijke ver- antwoording bestaat. Zij brengt een geanonimiseerd rapport bij, waarop het me- rendeel van de cijfers onleesbaar werd gemaakt. Aldus lijkt verzoekster zelf iedere nuttige vergelijking – dit wil zeggen op basis van het volledige rapport – onmo- gelijk te maken. Bovendien laten de resultaten van verzoekster zich prima facie niet zonder meer met die van deze andere leerling vergelijken: verzoekster scoort voor de examens wiskunde 25% en 37%, terwijl de andere leerling 68% en 41% behaalt; voor aardrijkskunde legt verzoekster examencijfers voor van 39% en 44% en de andere leerling 55% en 48%; voor geschiedenis is dat voor verzoekster 42% en 35%, terwijl de andere leerling 51% en 45% scoort. Verzoekster verliest ook uit het oog dat aan haar de kans werd geboden om door middel van het afleggen van twee bijkomende proeven de klassenraad ervan te overtuigen dat zij wel degelijk in staat is grotere gehelen te verwerken. Dat maakt verzoeksters geval op het eerste gezicht eveneens sterk verschillend met dat van de andere leerling. Waar verzoekster bijgevolg vooralsnog niet aannemelijk maakt dat gelijke situaties op een onverantwoorde manier verschillend zijn behandeld, heeft zij prima facie ook geen belang om aan te kaarten dat de beroepscommissie op die kritiek niet heeft geantwoord. 17. Wat voorafgaat leidt tot het besluit dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, niet ernstig is. 18. De tweede schorsingsvoorwaarde is niet vervuld. IX-9623-13/14 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9623-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.657 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.