id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.658 Rolnummer: A. 220052/IX-8903 Zaak: Arrest 245658 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 07/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 21:39 Fiche Arrest nr 245.658 van 7 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.658 van 7 oktober 2019 in de zaak A. 220.052/IX-8903 In zake: Mezher Mohamed HASSAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michael Kinyentama kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 127 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 2972 van 13 juli 2016 van de Raad voor betwistin- gen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 12.131 van 6 september 2016 is het cassa- tieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-8903-1/18 Eerste auditeur Jürgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Michael Kinyentama, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jürgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft in het bestreden arrest de volgende samenvatting van de feiten gegeven: ―Verzoekende partij behaalde in Irak in 1994 het diploma van ‗Master of Science in instructional technology‘ en in 2004 het diploma van ‗Doctor of Philosophy in Engineering Educational Technology, Electrical Engi- neering and Technical Education Department‘. Het beroep betreft de volledige gelijkwaardigheid van het diploma van ‗Doctor of Philosophy in Engineering Educational Technology, Electrical Engineering and Technical Education Department‘ met de Vlaamse graad van ‗Doctor in de ingenieurswetenschappen‘ en/of het Vlaamse niveau van ‗Doctor‘. Bij beslissing van Naric-Vlaanderen op datum van 10 augustus 2015 werd beslist dat het Iraaks diploma ‗Master of Science in instructional techno- logy‘ gelijkwaardig wordt verklaard met de Vlaamse graad van ‗Master of Science in de ingenieurswetenschappen: elektrotechniek‘. Het Iraaks di- IX-8903-2/18 ploma ‗Doctor of Philosophy in Engineering Educational Technology, Electrical Engineering and Technical Education Department‘ wordt echter niet volledig gelijkwaardig verklaard met de Vlaamse graad van ‗Doctor in de ingenieurswetenschappen‘. De beslissing stelde dat er een substantieel verschil in de toepassing van de elementen bestaat, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 2013 betreffende de voorwaarden en de procedure tot de erken- ning van buitenlandse studiebewijzen uitgereikt in het hoger onderwijs. Dat substantiële verschil is als volgt gemotiveerd, met toepassing van de elementen die zijn opgenomen in artikel 4 en 5 van het voormelde besluit: §
- De leerresultaten: in Vlaanderen heeft een doctoraat een eigen onder- zoekscomponent waarbij niet alleen bestaande kennis wordt geëvalueerd, maar ook nieuwe kennis wordt opgebouwd. In het Iraakse doctoraat is van beide aspecten weinig terug te vinden. De thesis is kort en past vooral ge- kende kennis toe, in plaats van nieuwe kennis te ontwikkelen. Op 4 september 2015 diende verzoekende partij een aanvraag tot herzie- ning en heroverweging in. Bij beslissing van Naric-Vlaanderen op datum van 10 december 2015 werd beslist dat het Iraaks diploma niet volledig gelijkwaardig werd ver- klaard met de Vlaamse graad van ‗Doctor in de ingenieurswetenschap- pen‘, noch met het Vlaamse niveau van ‗Doctor‘. De beslissing stelde dat er een substantieel verschil bestaat in de toepas- sing van de elementen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 2013 betreffende de voorwaarden en de procedure tot de er- kenning van buitenlandse studiebewijzen uitgereikt in het hoger onder- wijs. Dat substantiële verschil is als volgt gemotiveerd, met toepassing van de elementen die zijn opgenomen in artikel 4 en 5 van het voormelde besluit: §
- De leerresultaten: Een eerste voorwaarde in de Vlaamse ingenieursop- leidingen is dat een doctoraatswaardig proefschrift een wezenlijke bijdra- ge moet leveren tot nieuw onderzoek in het domein. Uit de bijkomende voorgelegde documenten blijkt dat het voorgelegde proefschrift afgelegd werd in de domeinen van de communicatietechnologie en het onderwijs hierover. Uit grondige analyse van het proefschrift (op basis van de mon- delinge toelichting van verzoeker en de doorgestuurde samenvatting in- clusief de tabellen en figuren) blijkt dat het proefschrift geen vernieuwend onderzoek bevat in het domein van de communicatietechnologie. Deze praktische invulling van het werk komt sterk overeen met de verwachtin- gen van een Vlaams masterproefschrift, maar niet met de verwachtingen van een Vlaams doctoraatsproefschrift, aangezien enkel bestaande kennis werd toegepast en bruikbaar gemaakt, maar geen nieuwe kennis werd ontwikkeld. De noodzakelijke onderzoekscomponent in het domein is dus niet aanwezig in het buitenlandse proefschrift. Ook wat de onderwijscom- ponent betreft is er een grote waarde in het aanleren van de technieken aan ingenieurs in Irak, maar er werden in het proefschrift geen onderwijs- kundige vernieuwingen ontwikkeld of voorgesteld. Ook hier ontbreekt dus de onderzoekscomponent. IX-8903-3/18 Een essentiële voorwaarde voor het verkrijgen van een doctoraatstitel in Vlaanderen is dat het onderzoekswerk gepubliceerd werd in internationale journals en/of voorgesteld werd op internationale conferenties. In de Vlaamse ingenieursfaculteit worden minimaal één journalbijdrage en drie conferentiebijdragen ofwel twee journalbijdragen geëist. Hierdoor kan de kwaliteit van het werk gewaarborgd worden, aangezien dergelijk publica- ties gepaard gaan met peer review en dus door de wetenschappelijke on- derzoeksgemeenschap als relevant aanvaard werden. Verzoeker heeft geen enkele internationale publicatie over zijn doctoraatswerk gepubli- ceerd. Hij heeft achteraf (9 jaar na zijn doctoraatswerk) wel nog een jour- nalpublicatie behaald in een journal van de universiteit waar hij toen werkzaam was (dat zou in Vlaanderen een a2-publicatie zijn en niet de vereiste a1-publicatie). Bovendien was deze publicatie het gevolg van het onderzoekswerk met zijn studenten toen en heeft verzoeker mondeling bevestigd dat deze publicatie niet ging over zijn doctoraatsonderwerp. Verzoeker heeft ook mondeling bevestigd dat er geen andere publicaties waren in journals of op conferenties en dat de enige neerslag van zijn on- derzoekswerk te vinden was in zijn doctoraatsproefschrift. De nodige voorwaarde voor een doctoraatsdiploma in Vlaanderen (voldoende publi- caties in internationale tijdschriften of conferenties) is hierbij dus niet voldaan. De beslissing werd meegedeeld via een schrijven op datum van 10 de- cember
- Op 5 januari 2016 diende verzoeker een verzoek tot heroverweging in. Bij beslissing van Naric-Vlaanderen op datum van 20 januari 2016 werd beslist dat de beslissing van 10 december 2015 om het Iraaks diploma niet gelijkwaardig te verklaren met de graad van ‗Doctor in de ingenieurswe- tenschappen‘, noch met het Vlaamse niveau van ‗Doctor‘ behouden blijft. De beslissing stelde dat er bij een heroverweging geen nieuwe elementen of documenten aan het dossier kunnen toegevoegd worden. Het moet dus gaan om een materiële vergissing van de erkenningsautoriteit. Verzoeker stelt dat er een materiële vergissing zou gemaakt zijn bij de aanstelling van de expert die Naric-Vlaanderen een advies bezorgde in het dossier. De beslissing stelt dat Naric-Vlaanderen krachtens artikel 14 van het be- sluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 2013 betreffende de voorwaar- den en de procedure tot de erkenning van buitenlandse studiebewijzen uitgereikt in het hoger onderwijs een advies vroeg aan de faculteit ingeni- eurswetenschappen van [UGent]. Gelet op het Iraaks doctoraat kan moei- lijk betwist worden dat de vraag tot advies gericht moest worden op de gelijkwaardigheid met hetzij de Vlaamse graad van ‗Doctor in de inge- nieurswetenschappen‘, hetzij het Vlaamse niveau van ‗Doctor‘. Het lijkt dan ook behoorlijk vreemd te beweren dat een professor in de inge- nieurswetenschappen, die overigens lid is van de vakgroep elektronica en informatiesystemen, niet in staat zou zijn om te beoordelen of het Iraaks doctoraat gelijkwaardig kan zijn aan een (huidig) Vlaamse doctoraat in de ingenieurswetenschappen, hetzij een Vlaams doctoraat in het algemeen. Verzoeker stelt dat Naric-Vlaanderen om redenen die hem vreemd blijven op pertinente wijze verzuimt om het studiebewijs correct te kwalificeren. IX-8903-4/18 De erkenningsautoriteit verwijst hiervoor naar de beslissing van 10 de- cember 2015 waarin uitvoerig gemotiveerd wordt waarom het diploma niet volledig gelijkwaardig erkend kan worden met hetzij de Vlaamse graad van ‗Doctor in de ingenieurswetenschappen‘, hetzij het Vlaamse ni- veau van ‗Doctor‘. De erkenningsautoriteit verwijst ook naar het feit dat verzoeker de moge- lijkheid kreeg het doctoraat mondeling verder toe te lichten. Dit is overi- gens ook duidelijk op te maken uit de beslissing van 10 december
- De erkenningsautoriteit geeft nog mee dat zij instaat voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlands studiebewijs met een over- eenstemmend Vlaams studiebewijs. Zij spreekt zich dus niet uit over het Iraaks doctoraat as such, maar over de vraag of dit doctoraat gelijkwaar- dig is aan een (huidig) Vlaams doctoraat (in de ingenieurswetenschap- pen). Verzoeker stelt overigens dat Naric-Vlaanderen verkeerdelijk ver- wijst naar de naam van het diploma. Een eventuele ‗verkeerde‘ verwijzing naar ‗Doctor of Philosophy — elektriciteit‘ berust volgens de erkennings- autoriteit op de door verzoeker aangeleverde beëdigde vertaling in het dossier. De beslissing werd meegedeeld via een schrijven op datum van 20 januari
- Bij aangetekend schrijven van 15 februari 2016 diende verzoeker een ver- zoekschrift in bij de Raad.‖ 3.
- Met zijn arrest nr. 2972 van 13 juli 2016 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van verzoeker. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen II.285 en II.291 van de Codex Hoger Onderwijs en van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 2013 ‗betreffende de voorwaar- den en de procedure tot de erkenning van de buitenlandse studiebewijzen uitge- reikt in het hoger onderwijs‘ (hierna: het besluit erkenning buitenlandse studie- bewijzen). IX-8903-5/18 Verzoeker zet uiteen dat de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen, door aan te geven dat hij het proefschrift van verzoe- ker niet ―overwegend ‗onderwijskundig‘‖ acht, een eigen appreciatie over de waarde van de kandidaat en zijn doctoraal proefschrift in de plaats van deze van de erkenningsautoriteit heeft gesteld. Dat komt die Raad niet toe; hij mag alleen beoordelen of een deskundige werd aangesteld die over de nodige expertise be- schikt om het onderwijskundig karakter van het proefschrift te toetsen. Die beoordeling heeft volgens verzoeker dan weer een onmid- dellijke weerslag op het oordeel over de vakinhoudelijke expertise van de aange- zochte deskundige: ―De vaststelling dat het doctoraatsproefschrift niet ‗overwegend onder- wijskundig‘ zou zijn, leidt de Raad er immers toe te oordelen dat een per- soon, ‗die professor aan de faculteit ingenieurswetenschappen en architec- tuur is en bijgevolg vertrouwd met wetenschappelijk onderwijs op univer- sitair niveau‘ in [zijn] ogen verwordt tot een deskundige in het vakgebied van onderwijswetenschappen voor ingenieurswetenschappen.‖ De eerste rechter had zich volgens verzoeker moeten beperken tot de vraag of er in het proefschrift wel of niet een onderwijskundig element aanwezig was. Hij overschrijdt zijn bevoegdheid door zich aldus uit te spreken over het proefschrift, zonder zich door de juiste expert te laten bijstaan. Dat de Raad dit element niet relevant acht, neemt niet weg dat hij het bij zijn beoorde- ling heeft betrokken, dat hij de eis van verzoeker zonder meer naast zich heeft neergelegd en dat de deskundige geen blijk meer moest geven van enige expertise in het vakgebied van de onderwijswetenschappen voor ingenieurswetenschappen. Beoordeling 5.
- Artikel II.285, tweede lid, VCHO, luidt: ―De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. De Raad doet als admi- IX-8903-6/18 nistratief rechtscollege uitspraak over de verzoeken die studenten in uit- voering van artikel II.204 rechtstreeks bij hem indienen om hun leerkre- diet aan te passen omdat ze zich in een overmachtsituatie bevonden en de instelling voor hen geen aangepaste examenregeling heeft geboden.‖ 5.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen doet in het bestreden arrest als administratief rechtscollege uitspraak over het beroep van verzoeker. Verzoeker geeft in de toelichting bij het middel niet aan op welke wijze artikel II.285 VCHO – hetzij het hiervóór en ook door verzoeker in zijn verzoekschrift aangehaalde tweede lid, hetzij het helemaal niet door verzoe- ker ter sprake gebrachte eerste, derde of vierde lid van artikel II.285 VCHO – geschonden zou zijn. In zoverre is het middel onontvankelijk. 6.
- Artikel II.291 VCHO luidt: ―De Raad beoordeelt of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met: 1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en exa- menreglement; 2° de algemene administratieve beginselen. De Raad stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.‖ 6.
- Artikel 14 van het besluit erkenning buitenlandse studiebewij- zen luidt: ―§
- De erkenningsautoriteit kan aan Vlaamse Centra voor Volwassenon- derwijs, Vlaamse hogescholen, Vlaamse universiteiten, een commissie van experts of aan individuele experts advies vragen over het buitenlands studiebewijs. Het advies kan gebaseerd zijn op een gesprek met de houder van het buitenlands studiebewijs. §
- De erkenningsautoriteit selecteert de experts op basis van hun vakin- houdelijke expertise van hun kennis van de onderwijssystemen van een land of regio en stelt die aan. De erkenningsautoriteit legt in een regle- ment de procedure en de criteria vast voor het aanstellen van experts en IX-8903-7/18 voor de vergoeding ervan. Dit reglement wordt ter goedkeuring voorge- legd aan de Vlaamse Regering. Dit reglement wordt bekend gemaakt min- stens via de website van de erkenningsautoriteit. §
- De erkenningsautoriteit kan, met instemming van de houder van het buitenlands studiebewijs, de volledige gelijkwaardigheid afhankelijk ma- ken van een bekwaamheidsonderzoek, zoals bedoeld in artikel 39 en 40 van het decreet betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen van 30 april
- De kosten van dit bekwaamheidsonderzoek zijn ten laste van de houder van het buitenlands studiebewijs.‖
- Het middel gaat terug op de volgende overwegingen waarbij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het enige middel verwerpt dat verzoeker aan die rechter had voorgelegd: ―De Raad merkt op dat uit de stukken van het dossier, zoals bevestigd tij- dens de hoorzitting, blijkt dat verwerende partij het diploma waarvan ver- zoekende partij de erkenning wenst te bekomen, niet reduceert tot een di- ploma ‗elektriciteit‘. Uit het dossier blijkt dat het studiegebied is bepaald aan de hand van de beëdigde vertaling van de naam van het diploma, zoals aangeleverd door de verzoekende partij. Het ter erkenning aangeboden diploma betreft Ph.D degree in Engineering Educational Technology, Electrical Engineering and Technical Education Department. In het verzoekschrift duidt verzoekende partij het aan als ‗graad van doc- tor in de onderwijswetenschappen voor ingenieurswetenschappen, in in- genieurswetenschappen (elektriciteit), evenals in het departement voor technische opleiding‘. De verwerende partij heeft het in de antwoordnota over ‗doctor of philosophy in de technologie van het engineering onder- wijs/specialisatie elektriciteit‘. Voor de Raad wijst niets erop dat het studiebewijs in het kader van de be- handeling door de erkenningsinstantie zou zijn gereduceerd tot ‗Doctor of Philosophy – elektriciteit‘. Wat de door de verzoekende partij beweerde materiële vergissing bij de aanduiding van een expert – prof. dr. (S.) (vakgebied elektrotechniek) – betreft, treedt de Raad het argument dat een verkeerdelijke kwalificatie van het diploma aan de grondslag ligt van de aanstelling van een expert die onvoldoende affiniteit zou hebben met het domein dat het ter erken- ning aangeboden doctoraat betreft, niet bij. De verzoekende partij betoogt dat het doctoraat handelt over ‗onderwijs- wetenschappen‘ enerzijds en ‗communicatiewetenschappen‘ anderzijds en dat geen van de materies tot het vakgebied van de aangestelde expert be- hoort. De hoorzitting en de bijgevoegde stukken laten de Raad niet toe te con- cluderen dat de aangezochte expert onvoldoende inhoudelijk vertrouwd IX-8903-8/18 zou zijn met het doctoraatsonderzoek van verzoekende partij om advies te kunnen verlenen met betrekking tot de gelijkwaardigheid. De hoorzitting en de bijgevoegde stukken maken de Raad duidelijk dat de keuze van de adviesverlener met het oog op gelijkwaardigverklaring met de Vlaamse graad van doctor c.q. doctor in de ingenieurswetenschappen, het advies niet aantast. Het diploma voor advies met het oog op gelijkwaardigverklaring met de Vlaamse graad van doctor in de pedagogische wetenschappen voorleggen aan een overeenkomstig expert, sluit volgens de Raad niet beter aan bij het betrokken werk en in het geheel niet met het eerder met de Vlaamse graad van ‗Master of Science in de ingenieurswetenschappen‘ gelijkwaar- dig verklaarde diploma van verzoekende partij. Zelfs zo de Raad uit de door verzoekende partij in het verzoekschrift ge- stelde vraag waarom geen experten zijn aangezocht uit een departement ‗ICT – Educational Technology‘ - waarover, aldus verzoekende partij, bijna alle Vlaamse universiteiten beschikken - zou kunnen afleiden dat de er tewerk gestelde experten over de nodige expertise beschikken om het doctoraat in het licht van het gelijkwaardigheidsonderzoek te beoordelen, impliceert dit volgens de Raad niet, zoals uit het dossier blijkt, dat de aan- gezochte expert niet in staat zou zijn het doctoraat te beoordelen. De Raad treedt de keuze van de verwerende partij bij om, gelet op het voorgelegde diploma, het dossier met het oog op adviesverlening voor te leggen aan de faculteit ingenieurswetenschappen en architectuur. Ook de doorverwijzing binnen de faculteit aan de vakgroep Elektronica en Infor- matiesystemen is verdedigbaar, zo oordeelt de Raad. De Raad stelt ook vast dat de adviesverlener zelf doctoraatsstudenten be- geleidt en kan niet aannemen dat de keuze de waarde van het advies met het oog op de gelijkwaardigheid met de graad van doctor in de ingeni- eurswetenschappen en a fortiori met het niveau van doctor zou aantasten. De Raad ziet onvoldoende zwaarwichtige argumenten om er in ernst aan te twijfelen dat de aangezochte expert, die professor aan de faculteit inge- nieurswetenschappen en architectuur is en bijgevolg vertrouwd met we- tenschappelijk onderwijs op universitair niveau, kan beoordelen of het voorgelegde proefschrift tot gelijkwaardigheid met de Vlaamse graad van ‗doctor‘ kan leiden, zelfs indien het deels een onderwijsmethode - zoals omschreven in het verzoek tot heroverweging - zou creëren. Wat dit betreft brengt de Raad ook de titel van het doctoraat in herinne- ring. Deze luidt: ‗Design and Simulation of Environmented Cellular Communication System‘. De Raad moet ook opmerken dat de motivering, die er trouwens ook toe leidde dat de expert a priori adviseerde het voorgelegde doctoraat niet ge- lijkwaardig te verklaren met het Vlaamse niveau van doctor – ongeacht het studiegebied, verschillen aanduidt die losgekoppeld kunnen worden van het onderwerp van hun proefschrift. Zij betreffen generieke kwaliteitskenmerken. Hoewel zij misschien eerder summier zijn, beoordeelt de Raad de motie- ven als voldoende dragend, nu zij de klemtoon leggen op de primordiale vraag of er sprake is van voldoende niveaugelijkwaardigheid. IX-8903-9/18 Daarenboven blijkt niet uit het verzoekschrift dat het advies zelf wordt bekritiseerd. De ernst waarmee het tot stand is gekomen blijkt ook uit het voorafgaand gesprek waarvoor de adviesverlener de verzoekende partij heeft uitgenodigd om zich, tegen de achtergrond van zijn expertise, een zo goed mogelijk beeld te vormen van het werk. De verzoekende partij beperkt zich ertoe erop te wijzen dat het advies door een naar haar oordeel onvoldoende deskundige adviesverlener is ge- geven. De Raad kan, al het voorgaande in acht genomen, niet oordelen dat het werk door een onvoldoende geschikte adviesverlener niet correct zou zijn afgetoetst. De Raad is trouwens niet van oordeel dat, voor zover dit reeds relevant zou zijn voor de beoordeling van de algemene niveauge- lijkwaardigheid, het proefschrift overwegend ‗onderwijskundig‘ is en dus door een niet geschikt adviesverlener zou zijn onderzocht. Deze vaststel- ling hoeft niet uit te sluiten dat het door nog andere – misschien zelfs meer geschikte - adviesverleners had kunnen worden onderzocht. Dit tast het gegeven advies in casu evenwel niet aan. De Raad merkt verder op dat het aan verzoekende partij niet toekomt om zelf de adviesverleners aan te duiden die de gelijkwaardigheid zouden moeten beoordelen. Uit het argument van verzoekende partij dat het proefschrift zowel ingenieurswetenschappelijke, onderwijskundige als communicatietechnologische aspecten bevat, volgt in casu niet dat de aangezochte expert niet geschikt zou zijn, nu deze zowel technisch- wetenschappelijk als onderwijskundig onderlegd blijkt te zijn. De Raad herinnert eraan dat verzoekende partij ten volle de bewijslast draagt inzake de niet-deskundigheid van de aangezochte expert. In zoverre de verzoekende partij in haar wederantwoordnota argumenten ontwikkelt met betrekking tot de motivering van het advies, die niet als dusdanig verbonden zijn met de keuze van de adviesverlener, oordeelt de Raad dat het om nieuwe argumenten gaat die hij niet in de beoordeling mag betrekken. Ook het voor het eerst in de wederantwoordnota ontwik- kelde argument met betrekking tot de publicatieverplichting dient in zo- verre uit het debat te worden gelaten. In zoverre het echter verband houdt met de volgens verzoekende partij uit artikel 14 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de voor- waarden en de procedure tot de erkenning van buitenlandse studiebewij- zen uitgereikt in het hoger onderwijs (‗BVR‘) voortvloeiende verplichting dat de experten mede moeten worden gekozen op basis van hun kennis van de onderwijssystemen van het land of de regio van haar cliënt, wijst de Raad er op dat deze vereiste kennis niet tot gevolg heeft dat de beoor- deling van de gelijkwaardigheid niet langer moet gebeuren in het licht van de Vlaamse vereisten inzake een doctoraat. Ook de betreurenswaardige historische gebeurtenissen in de regio van verzoekende partij staan los van de beoordeling van de gelijkwaardigheid in het licht van de Vlaamse doctoraatsvereisten en kunnen deze, naar het oordeel van de Raad, niet inhoudelijk beïnvloeden. Dat in het land waar het proefschrift tot stand is gekomen en verdedigd andere regels de invulling van een peer review beheersen, zoals verzoe- kende partij aangeeft, betekent niet dat deze peer review noodzakelijker- IX-8903-10/18 wijze, omwille van de eigenheid van het land waarin het doctoraat is ge- schreven en de in de vorige alinea aangehaalde bijzondere omstandighe- den die de regio kenmerken (en waarvoor de Raad weliswaar alle begrip heeft), in voldoende mate overeenstemt met de Vlaamse eisen. Het middel is niet gegrond.‖
- Om te argumenteren dat de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen zijn appreciatie betreffende de waarde van de kandi- daat en zijn proefschrift in de plaats heeft gesteld van de appreciatie van de er- kenningsautoriteit, zoekt verzoeker steun in één welbepaalde zin uit de hiervóór aangehaalde overwegingen, namelijk de volgende: ―De Raad is trouwens niet van oordeel dat, voor zover dit reeds relevant zou zijn voor de beoordeling van de algemene niveaugelijkwaardigheid, het proefschrift overwegend ‗onderwijskundig‘ is en dus door een niet ge- schikt adviesverlener zou zijn onderzocht.‖
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen heeft geoordeeld ―dat verwerende partij het diploma waarvan verzoekende partij de erkenning wenst te bekomen, niet reduceert tot een diploma ‗elektrici- teit‘‖, dat hij ―het argument dat een verkeerdelijke kwalificatie van het diploma aan de grondslag ligt van de aanstelling van een expert die onvoldoende affiniteit zou hebben met het domein dat het ter erkenning aangeboden doctoraat betreft, niet bij[valt]‖, dat nergens uit blijkt ―dat de aangezochte expert onvoldoende in- houdelijk vertrouwd zou zijn met het doctoraatsonderzoek van [verzoeker] om advies te kunnen verlenen met betrekking tot de gelijkwaardigheid‖, dat ―de keu- ze van de adviesverlener […] het advies niet aantast‖, dat hij ―onvoldoende zwaarwichtige argumenten [ziet] om er in ernst aan te twijfelen dat de aangezoch- te expert […] kan beoordelen of het voorgelegde proefschrift tot gelijkwaardig- heid met de Vlaamse graad van ‗doctor‘ kan leiden, zelfs indien het deels een onderwijsmethode […] zou creëren‖ en – nog relevanter – dat ―de motivering, die er trouwens ook toe leidde dat de expert a priori adviseerde het voorgelegde doc- toraat niet gelijkwaardig te verklaren met het Vlaamse niveau van doctor – onge- acht het studiegebied, verschillen aanduidt die losgekoppeld kunnen worden van het onderwerp van [het] proefschrift‖ – ―[ze] betreffen generieke kwaliteitsken- merken‖ – en dat laatstgenoemde motieven ―misschien eerder summier‖ zijn IX-8903-11/18 maar wel ―voldoende dragend, nu zij de klemtoon leggen op de primordiale vraag of er sprake is van voldoende niveaugelijkwaardigheid‖. De Raad voegt eraan toe dat ―uit het verzoekschrift [niet blijkt] dat het advies zelf wordt bekritiseerd‖ en dat het gegeven dat het proefschrift nog door andere adviesverleners ―had kunnen worden onderzocht‖, zulks ―het gegeven advies in casu evenwel niet aan[tast]‖. Deze overwegingen schragen afdoende de verwerping van het aan die rechter voorgelegde middel.
- De kritiek van verzoeker ziet op een ander, niet-decisief motief van het arrest en moet om die reden alleen reeds als onontvankelijk worden af- gewezen. In zoverre is het middel eveneens onontvankelijk.
- Het eerste middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel put verzoeker uit de schending van de arti- kelen 3, 4, 5 en 14 van het besluit erkenning buitenlandse studiebewijzen en van artikel II.58, § 7, van de Codex Hoger Onderwijs. Verzoeker betoogt dat de erkenningsautoriteit het recht heeft een advies te vragen aan een individuele expert, maar dat die expert dan wel over de noodzakelijke vakinhoudelijke kennis moet beschikken. Die kennis moet ―dermate zijn dat deze hem in staat stelt ‗de creatie van nieuwe wetenschappelij- ke kennis in een bepaald vakgebied of over vakgebieden heen op grond van zelf- standig wetenschappelijk onderzoek‘ [als bedoeld in artikel II.58, § 7, VCHO] na te gaan en te beoordelen‖. Daaruit volgt, volgens verzoeker, dat de vakinhoude- IX-8903-12/18 lijke kennis van de expert betrekking moet hebben op hetzelfde vakgebied als dit waarin het buitenlands studiebewijs te situeren valt. Verzoeker erkent dat de vraag of de expert over de nodige vak- inhoudelijke kennis beschikt een beoordeling van de feiten betreft. Hij stelt echter dat een toetsing door de expert slechts rechtmatig is als erkend wordt en objectief vaststaat dat de expert gespecialiseerd is in hetzelfde vakgebied als het onderwerp van het buitenlands studiebewijs. Nergens geeft de Raad voor betwistingen inza- ke studievoortgangsbeslissingen aan dat dit het geval zou zijn. Dat de keuze voor een bepaalde vakgroep ―verdedigbaar‖ is en dat de expert ―vertrouwd is met we- tenschappelijk onderwijs‖, zoals de Raad aangeeft, wijst erop dat hij geen des- kundige is in het betrokken vakgebied en dat zijn expertise in de betrokken do- meinen – onderwijswetenschappen in ingenieurswetenschappen en communica- tietechnologie – niet erkend is. De bodemrechter vermocht derhalve niet de aan- stelling van de betrokken expert te aanvaarden. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar nog aan toe dat een professor die doctoraatsstudenten begeleidt, daardoor nog geen expert in de onderwijswetenschappen wordt en dat een deskundige in de elektro- nica en informatiesystemen niet hetzelfde is als een expert in de communicatie- technologie. De aangestelde expert ontbeert volgens hem de vereiste expertise. Dat klemt des te meer aangezien de deskundige ook de taal waarin het proef- schrift werd geredigeerd, niet machtig is. Tijdens het mondelinge verhoor was de expert niet in de mogelijkheid om inhoudelijk op het proefschrift in te gaan. Verzoeker merkt tot slot op dat hij ―uiteraard niet akkoord kan gaan met het advies van de expert‖. Dat is volgens verzoeker echter een debat over de grond van de zaak. Hij benadrukt dat ―men nu eenmaal geen beslissing kan aanvaarden, gebaseerd op een advies van een persoon die niet over de nodige expertise beschikt om zich uit te spreken over de voorliggende kwestie‖. IX-8903-13/18 Beoordeling
- Verzoeker betwist blijkens de toelichting van het cassatiemid- del de aanstelling van de expert, op grond van diens beweerde gebrek aan de no- dige vakinhoudelijke kennis. Aldus refereert verzoeker aan artikel 14, § 2, eerste volzin, van het besluit erkenning buitenlandse studiebewijzen: ―De erkenningsautoriteit selecteert de experts op basis van hun vakinhou- delijke expertise en stelt die aan.‖ Voor zover in het middel de schending van andere bepalingen wordt aangevoerd, is het niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop de Raad acht mag slaan, blijkt dat ver- zoeker voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de aanstelling van de expert in de eerste plaats heeft aangevochten met als argument dat zijn diploma ―op foute wijze wordt gekwalificeerd‖ als een doctoraatsdiploma ‗elektriciteit‘ en dat op grond van deze verkeerde kwalificatie een professor in de ingenieurswetenschappen als expert is aangesteld. Voorts heeft verzoeker ook kritiek geleverd op de inhoud van het advies van de aangezochte expert. 15.
- Het eerste argument, namelijk dat het diploma verkeerd is ge- kwalificeerd, wordt door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen weersproken en op dat vlak betwist verzoeker het bestreden arrest al- vast niet. 15.
- Voorts zijn de argumenten van verzoeker die zien op de inhoud van het advies van de expert, door de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen uit het debat gelaten omdat ze naar zijn oordeel laattijdig en niet ontvankelijk waren aangebracht. Ook dat oordeel wordt door verzoeker met het voorliggende cassatieberoep niet betwist. IX-8903-14/18
- Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat verzoeker voor de eerste rechter niet aannemelijk heeft gemaakt of zelfs niet op regelmatige wijze heeft aangevoerd dat het beweerde gebrek aan vakinhoudelijke kennis het door de aangestelde expert verleende advies – en dus evenmin de beslissing over zijn aanvraag – in zijn nadeel heeft beïnvloed.
- Wanneer verzoeker voor de bodemrechter de schending aan- voert van het in artikel 14, § 2, eerste zin, van het besluit erkenning buitenlandse diploma‘s bedoelde vormvereiste, dan moet hij van enige belangenschade doen blijken. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker voor de eerste rechter niet, min- stens niet ontvankelijk van enige belangenschade heeft doen blijken, zodat een eventuele schending van het betrokken vormvereiste hoe dan ook niet tot de ge- vorderde vernietiging aanleiding kon geven. Verzoeker kan in die omstandighe- den evenmin in graad van cassatie het middel van de schending van het vormver- eiste recupereren.
- Het middel is onontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Een derde middel is geput uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, artikel 14 van het EVRM, het gelijkheidsbeginsel, de artikelen 3, 4, 5 en 14 van het besluit erkenning buitenlandse studiebewijzen en artikel II.58, § 7, van de Codex Hoger Onderwijs. In een eerste middelonderdeel acht verzoeker het onaanvaard- baar dat het vereiste dat een expert over vakinhoudelijke kennis beschikt zonder belang wordt geacht, wanneer slechts ―generieke kwaliteitskenmerken‖ worden getoetst. Dat standpunt druist in tegen artikel II.58, § 7, VCHO, omdat dan niet IX-8903-15/18 onderzocht kan worden of de wetenschappelijke kennis ―nieuw is in het licht van de bestaande stand van de techniek in het betreffende vakgebied‖. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (impliciet) heeft aange- nomen dat er een ―absolute publicatievereiste‖ geldt. Die vereiste ziet verzoeker niet en daardoor schendt de eerste rechter de door verzoeker aangehaalde bepa- lingen. Voorts wijst verzoeker op omstandigheden, door de verwerende partij nooit in vraag gesteld, waardoor hij ―zich in de feitelijke onmogelijkheid bevond om zijn doctoraatsproefschrift te publiceren of te verdedigen op conferen- ties‖. Door geen oog te hebben voor die ―externe factoren‖, schendt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ook nog eens het gelijkheids- beginsel.
- Verzoeker doet in zijn memorie van wederantwoord nog gelden dat de eerste rechter wel degelijk is ingegaan op de discussie over het publicatie- vereiste. Beoordeling
- Wat het eerste middelonderdeel betreft, mag worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van het tweede middel. Om dezelfde re- den is dit middelonderdeel onontvankelijk.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft, dient erop gewezen dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ―het voor het eerst in de wederantwoordnota ontwikkelde argument met betrekking tot de pu- blicatieverplichting‖ uit het debat heeft gelaten. Dat oordeel betwist verzoeker niet met zijn cassatieberoep. IX-8903-16/18 Dat moet een reden zijn om het voorliggende middelonderdeel eveneens af te wijzen. Verzoeker meent echter dat de eerste rechter toch is ingegaan op de discussie inzake het publiciteitsvereiste. Hij citeert daartoe de volgende overweging uit het arrest: ―In zoverre het echter verband houdt met de volgens verzoekende partij uit artikel 14 van het [besluit erkenning buitenlandse studiebewijzen] voortvloeiende verplichting dat de experten mede moeten worden geko- zen op basis van hun kennis van de onderwijssystemen van het land of de regio van haar cliënt, wijst de Raad er op dat deze vereiste kennis niet tot gevolg heeft dat de beoordeling van de gelijkwaardigheid niet langer moet gebeuren in het licht van de Vlaamse vereisten inzake een doctoraat.‖ In die passus, die betrekking heeft op artikel 14 van het besluit erkenning buitenlandse studiebewijzen en de keuze van de expert, leest de Raad van State geen uitspraak door de eerste rechter over het zogenaamde publicatie- vereiste.
- Het middel kan in zijn geheel niet worden aangenomen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-8903-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8903-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.