← België

Arrest 245684 - Reglementen (overheidsopdrachten en openbare werken) - 08/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.684 Rolnummer: A. 229066/XII-8796 Zaak: Arrest 245684 - Reglementen (overheidsopdrachten en openbare werken) - 08/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-24 00:50 Fiche Arrest nr 245.684 van 8 oktober 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Reglementen (overheidsopdrachten en openbare werken) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 245.684 van 8 oktober 2019 in de zaak A. 229.066/XII-8796 In zake: de NV MPRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 tegen: het AUTONOOM GEMEENTEBEDRIJF STAD DEINZE (AGB DEINZE) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9420 Erpe-Mere Schoolstraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “de beslissing van 20 augustus 2019 van [AGB Deinze], die luidt als volgt: Besluit Artikel 1 Het directiecomité beslist om aangaande het deelperceel 8 (Leveren, monteren en gebruiksklaar opleveren van theaterstoelen tbv cultuurcentrum Leietheater) van perceel 5 (Theatertechnieken) conform artikel 37 van het KB van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies van openbare werken (versie XII-8796-1/13 als gevolg van de publicatie op 14 februari 2013)) en de voorwaarden opgenomen in het bestek voor de opdracht „Bouwen van een cultuurcentrum „Leietheater‟ te Deinze‟ – Deel 1 administratieve bepalingen voor lot architectuur & stabiliteit‟ een verrekeningsvoorstel aan hoofdaannemer NV Strabag Belgium te vragen en het desbetreffende deelperceel 8 op basis van het goed te keuren verrekeningsvoorstel als meerwerk te gunnen aan hoofdaannemer NV Strabag Belgium.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaten Carlos De Wolf en Charlotte De Wolf, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Flora Wauters, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij beslist op 12 december 2016 tot een open aanbesteding voor het bouwen van een cultuurcentrum “Leietheater”. De waarde van het totale project wordt geraamd op 9.141.183,80 euro, btw niet inbegrepen. Het bouwproject wordt opgedeeld in vijf percelen. Perceel 1 (architectuur en stabiliteit) betreft – samengevat – de algemene ruwbouwwerken XII-8796-2/13 en werforganisatie en wordt geraamd op 6.037.156,32 euro, btw niet inbegrepen. Dit perceel wordt op 30 mei 2017 gegund aan de nv Strabag Belgium. Perceel 5 betreft theatertechnieken en wordt geraamd op 1.586.250,00 euro, btw niet inbegrepen. Dit perceel wordt “omwille van technische aspect” opgesplitst in deelpercelen. Eén van deze deelpercelen (deelperceel 8) betreft het leveren, monteren en gebruiksklaar opleveren van theaterstoelen (geraamde waarde: 114.025,00 euro, btw inbegrepen). Het is dit deelperceel 8 dat het voorwerp vormt van de bestreden beslissing. 3.
  5. De verwerende partij schrijft voor dit deelperceel 8 een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking uit. De verzoekende partij en twee andere ondernemingen – onder wie de nv Jezet Seating – worden uitgenodigd om een offerte in te dienen. Het blijkt echter dat geen van de drie offertes minder dan het drempelbedrag van 144.000,00 euro voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking bedraagt. Met als motief dat boven dat bedrag niet mag worden gegund met de gevolgde procedure, beslist de verwerende partij op 2 april 2019 om de plaatsingsprocedure stop te zetten. De verwerende partij beslist vervolgens “mondeling” om deelperceel 8 “als meerwerk” te gunnen aan de nv Strabag Belgium. Deze beslissing werd door de huidige verzoekende partij aangevochten met een vordering in kortgeding bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State (procedure met rolnummer A. 228.769/XII-8774). De verwerende partij beslist vervolgens op 20 augustus 2019 om de mondelinge beslissing in te trekken. Bij arrest nr. 245.334 van 30 augustus 2019 verwerpt de Raad van State de vordering, gelet op de intrekking. 3.
  6. Op 20 augustus 2019 beslist de verwerende partij uitdrukkelijk en ditmaal schriftelijk om deelperceel 8 “als meerwerk” te gunnen aan de nv Strabag Belgium voor een bedrag van 219.359,80 euro, btw niet inbegrepen. XII-8796-3/13 Dit is de thans bestreden beslissing, waarvan na randnummer 1 het dispositief is weergegeven. IV. Ontvankelijkheid van de vordering De aangevoerde exceptie
  7. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij bij de vordering. Zij wijst erop dat de theaterstoelen die het voorwerp vormen van de opdracht reeds volledig werden gefabriceerd, opgeleverd en in gebruik genomen, zodat een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor de verzoekende partij geen nuttig voordeel meer kan opleveren. Beoordeling
  8. De verwerende partij gaat, in zoverre zij met haar exceptie bedoelt dat de sluiting van het contract het belang van de verzoekende partij bij de vordering zou doen verdwijnen, eraan voorbij dat een verzoekende partij in de materie van de overheidsopdrachten bij de nietigverklaring van een gunningbeslissing, die een afsplitsbare bestuurshandeling uitmaakt, een gekwalificeerd moreel belang heeft dat zij ontleent aan het feit dat zij is voorbijgegaan door die beslissing. Dat belang wordt door de nietigverklaring van de gunningbeslissing gediend, spijts de sluiting en zelfs de uitvoering van de daaropvolgende overeenkomst. Ook bij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die gunningsbeslissing lijkt dat belang voldoende zeker, gelet op de ruime omschrijving van het belang bij de nietigverklaring in artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ toegekend aan “elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht of concessie te krijgen en die door de beweerde schending is of dreigt te worden benadeeld”. Krachtens artikel 15, eerste lid, kan de schorsing worden uitgesproken “[o]nder dezelfde voorwaarden” als die bedoeld in artikel 14, dus ook wat het belang betreft. XII-8796-4/13 Bijgevolg lijkt het belang van de verzoekende partij niet nuttig te kunnen worden betwist op grond van het feit dat de opdracht is gesloten en wordt uitgevoerd. De exceptie wordt verworpen. V. Schorsingsvoorwaarden 6.
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 6.
  10. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke XII-8796-5/13 onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  11. De verzoekende partij voert in het enig middel de schending aan van “artikel 4, eerste lid, juncto artikel 9 juncto artikel 35” van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016) juncto artikel 8, § 1, derde lid, en artikel 19 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟, van de artikelen 37 en 80 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 „tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten‟ (hierna: koninklijk besluit uitvoering 2013) en “van artikel 80 van het bestek zoals van toepassing op perceel 1”, van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel, het mededingingsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti en “ondergeschikt, schending van artikel 38/4 van het Koninklijk Besluit van 14 januari 2013 zoals actueel van toepassing”. Zij brengt dit middel aan in twee middelonderdelen. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat de opdracht voor deelperceel 8 werd gesloten voor een bedrag van 219.359,80 euro, btw niet inbegrepen en bijgevolg het voorwerp had moeten uitmaken van een inmededingingstelling via een Belgische bekendmaking en een daarbij aansluitende plaatsingsprocedure. Bijgevolg vormt de bestreden beslissing een onwettige onderhandse gunning van een overheidsopdracht van leveringen. In het tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij twee grieven aan. In een eerste grief doet de verzoekende partij gelden dat er niet is voldaan aan de voorwaarden van het wijzigingsrecht, vervat in artikel 37 van het XII-8796-6/13 koninklijk besluit uitvoering
  12. De verzoekende partij wijst erop dat dit artikel wijzigingen betreft die het gevolg zijn van omstandigheden die op het tijdstip van de gunning van de opdracht niet bekend waren. Zulks is hier niet het geval. Het was van meet af aan duidelijk dat ook deelperceel 8 zou moeten worden uitgevoerd. De vaststelling na de ontvangst van de initiële offertes dat de inschrijvingsprijzen hoger waren dan de raming en dat het volgen van een plaatsingsprocedure met bekendmaking noodzakelijk was, is vanzelfsprekend geen deugdelijk motief om de opdracht op grond van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering 2013 aan de nv Strabag Belgium te gunnen en aldus elke mededinging uit te sluiten. In een tweede grief voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing een ongeoorloofde wezenlijke wijziging vormt van de aannemingsovereenkomst betreffende perceel 1 die door de verwerende partij werd gesloten met de nv Strabag Belgium. Het betreft immers een opdracht van een andere aard, namelijk een opdracht voor leveringen, terwijl de aan de nv Strabag Belgium gegunde opdracht een opdracht voor werken betreft. Bovendien mag de wijziging de algemene aard van de opdracht zoals deze is gegund niet veranderen. De verzoekende partij wijst er voorts op dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de nv Jezet Seating deelperceel 8 zal uitvoeren; de nv Strabag Belgium is immers een aannemingsbedrijf en geen fabrikant van theaterstoelen. Er is bijgevolg sprake van een belangrijke uitbreiding van het voorwerp van perceel
  13. In haar nota voert de verwerende partij in essentie een verweer op beide middelonderdelen samen. Daarin doet zij gelden dat er wel voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering 2013: het voorwerp van de opdracht blijft onveranderd, de waarde van de wijziging is minder dan 15 % van het oorspronkelijk opdrachtbedrag en er wordt voorzien in passende compensatie voor de opdrachtnemer. De verwerende partij is van mening dat “aanvullende wijzigingen of leveringen die wel in de oorspronkelijke opdracht voorzien zijn, zoals in casu het geval is, wel kunnen gegund worden bij toepassing van artikel 37 [van het koninklijk besluit uitvoering 2013]” indien aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. XII-8796-7/13 De bestreden beslissing vormt geen onwettige wezenlijke uitbreiding van het voorwerp van de opdracht zoals omvat door perceel 1, zo doet de verwerende partij gelden. Zij wijst erop dat de nv Strabag Belgium werd aangesteld als “pilootaannemer”, belast met de werforganisatie. Daarmee rekening houdend is het volgens de verwerende partij “zelfs te verwachten dat er lopende [de] werken wijzigingen aan de opdracht van de pilootaannemer worden aangebracht”. De verwerende partij wijst daarnaast op de geringe waarde van het meerwerk van 219.359,80 euro, btw niet inbegrepen, op de totale waarde van perceel 1 van 6.037.156,32 euro, btw niet inbegrepen, dit is ongeveer 3,64 % en dus aanzienlijk onder de 15 %-drempel van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering
  14. Beoordeling
  15. Een perceel van een overheidsopdracht is overeenkomstig artikel 2, 52º, van de wet overheidsopdrachten 2016 een onderverdeling van die opdracht, die apart kan worden gegund, in principe met het oog op een gescheiden uitvoering. Artikel 58 van de wet overheidsopdrachten 2016 regelt nader de verdeling van opdrachten in percelen. Reeds op het eerste gezicht dient er te worden vastgesteld dat artikel 58 zelf alvast niet voorziet in de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om niet-gegunde percelen van een opdracht zonder mededinging te gunnen aan een opdrachtnemer aan wie een ander perceel van de opdracht werd gegund. Wel bepaalt artikel 58, § 1, derde lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 dat, in het geval dat de aanbestedende overheid ervoor kiest de opdracht te plaatsen in de vorm van afzonderlijke percelen, zij het recht heeft er slechts enkele te gunnen en eventueel te besluiten de andere percelen op te nemen in één of meer nieuwe opdrachten, desnoods volgens een andere plaatsingsprocedure. Aldus blijkt de wet overheidsopdrachten 2016 zelf prima facie uitdrukkelijk aan de aanbestedende overheid op te leggen dat, indien zij een bepaald perceel eerst niet gunt en vervolgens beslist om dat perceel toch te laten uitvoeren, zij daartoe in beginsel een nieuwe plaatsingsprocedure dient te volgen. XII-8796-8/13
  16. In de bestreden beslissing en in de procedure voor de Raad van State beroept de verwerende partij zich op artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering 2013 als rechtsgrond om deelperceel 8 van perceel 5 van de opdracht als meerwerk direct te gunnen aan de nv Strabag Belgium zonder een nieuwe plaatsingsprocedure te volgen.
  17. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er voldaan is aan de voorwaarden om die bepaling toe te passen: “In casu staat het vast dat het voorwerp van de opdracht onveranderd blijft. Er wordt niet afgeweken van essentiële bepalingen en voorwaarden van de opdracht. De opdracht tot het leveren, monteren en gebruiksklaar opleveren van theaterstoelen maakt immers inherent deel uit van de oprichting van het cultuurcentrum Leietheater. De opdracht wordt reeds uitdrukkelijk voorzien in het bestek van de opdracht „Bouwen van een cultuurcentrum Leietheater‟ als deelperceel 8 van perceel 5 theatertechnieken. De waarde van de wijziging wordt geraamd op 219.359,80 euro excl. btw. De totale waarde van de oorspronkelijke aanneming bedraagt 6.037.156,32 euro excl. btw. De waarde van de wijziging bedraagt dan ook ruim minder dan vijftien procent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag. Ook de totale waarde van alle eenzijdige wijzigingen in opdracht van het Autonoom Gemeentebedrijf Deinze bedraagt minder dan vijftien procent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag.”
  18. Artikel 37, eerste lid, van het koninklijk besluit uitvoering 2013, luidt in zijn op deze zaak nog toepasselijke versie: “Ongeacht de wijze waarop de prijzen worden bepaald, is de aanbestedende overheid gerechtigd de oorspronkelijke opdracht eenzijdig te wijzigen, voor zover cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° het voorwerp van de opdracht blijft onveranderd; 2° buiten de toepassing van de artikelen 26, § 1, 2°, a) en b), en 3°, b) en c), en 53, § 2, 2° en 4°, a) en b), van de wet en artikel 25, 3°, a), en 4°, b), van de wet defensie en veiligheid, blijft de wijziging in waarde beperkt tot vijftien percent van het oorspronkelijke opdrachtbedrag; 3° zo nodig wordt voorzien in een passende compensatie voor de opdrachtnemer.” In de eerste plaats dient er te worden gewezen op de ratio legis van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering
  19. Uit het Verslag aan de XII-8796-9/13 Koning bij dit koninklijk besluit blijkt immers dat deze bepaling nuttig is bijvoorbeeld in geval van “„onvoorziene technische hinder‟ waarop men botst bij de uitvoering van de opdracht”. Deze bepaling doet prima facie afbreuk aan de mededinging als grondbeginsel van het overheidsopdrachtenrecht, zoals onder meer gewaarborgd door artikel 5 van de wet overheidsopdrachten 2016, zodat ze bijgevolg principieel strikt dient te worden uitgelegd. Het lijkt een aanbestedende overheid in elk geval niet vrij te staan om naar eigen goeddunken gebruik te maken van dit artikel, bijvoorbeeld wanneer zij, zoals hier het geval lijkt, initieel niet voor de correcte plaatsingsprocedure heeft gekozen. Het lijkt alleszins niet de bedoeling van de regelgever te zijn geweest om vooraf uitgedachte en in afzonderlijke opdrachtdocumenten omschreven aparte percelen van een opdracht buiten de rechtens vereiste plaatsingsprocedure om te laten gunnen aan een opdrachtnemer voor een ander perceel. Die betekenis wel toeschrijven aan artikel 37, zoals de verwerende partij in deze zaak doet, gaat reeds op het eerste gezicht de draagwijdte en de strekking van die bepaling te buiten. De bestreden gunningsbeslissing lijkt aldus prima facie geen steun te kunnen vinden in artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering
  20. Het verweer van de verwerende partij in haar nota doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De verwerende partij blijkt reeds op het eerste gezicht zowel in de bestreden beslissing als in haar verweer in de procedure voor de Raad van State ten onrechte geen voldoende onderscheid te maken tussen, enerzijds, het totaalproject voor het bouwen van het cultuurcentrum “Leietheater” en, anderzijds, de vijf onderscheiden percelen en de 8 deelpercelen van perceel 5, waarin zij dat project zelf heeft opgedeeld. Anders dan de verwerende partij lijkt te willen doen uitschijnen, werd immers niet het gehele bouwproject gegund aan de nv Strabag Belgium. Deze XII-8796-10/13 opdrachtnemer werd, zo blijkt uit het administratief dossier, enkel gekozen voor perceel 1 van de opdracht “architectuur en stabiliteit”. Dat deze opdrachtnemer in die hoedanigheid ook een bepaalde organiserende rol zou vervullen ten aanzien van de werfsite, feit waar de verwerende partij haar hele betoog lijkt op te steunen, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  21. Het verweer gesteund op de toepassingsvoorwaarden van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering 2013 heeft in het licht van de voorgaande vaststellingen inzake het niet van toepassing zijn van deze bepaling op de voorliggende situatie, nog weinig relevantie. Ten overvloede kan er nog het volgende worden opgemerkt. Bij het verweer betreffende de vereiste dat het voorwerp van de opdracht onveranderd dient te blijven, maakt de verwerende partij opnieuw dezelfde verwarring tussen, enerzijds, het totaalproject voor het bouwen van het cultuurcentrum “Leietheater” en, anderzijds, de onderscheiden (deel)percelen van de opdracht. Indien een opdracht in percelen werd opgedeeld, zoals hier, dient dat vereiste van het voormelde artikel 37 immers te worden toegepast op het aan de betrokken opdrachtnemer gegunde perceel van de opdracht en niet op de opdracht in zijn geheel, zoals de verwerende partij dat blijkt te doen. De visie van de verwerende partij miskent met andere woorden de opdeling van de opdracht in percelen. In dat licht lijkt het wel degelijk zo dat het gunnen van een opdracht inzake het leveren, monteren en gebruiksklaar opleveren van theaterstoelen (deelperceel 8) het voorwerp van de initieel aan de nv Strabag Belgium gegunde opdracht “architectuur en stabiliteit” gevoelig wijzigt (perceel 1). Die vaststelling wordt bevestigd in de bestreden beslissing zelf, waarin expliciet wordt gesteld dat het luik “theatertechnieken” van het bouwproject in een afzonderlijk perceel met deelpercelen werd ondergebracht juist omwille van technische redenen, dit is de bijzondere specialiteit van de betrokken werken. Het is alvast niet duidelijk welke overlapping er is tussen het uitvoeren van ruwbouwwerken en werforganisatie en het fabriceren, plaatsen en onderhouden van theaterstoelen. Op inhoudelijk vlak gaat het aldus prima facie wel degelijk om een wezenlijke uitbreiding van het voorwerp van perceel 1 van de opdracht. XII-8796-11/13 Aldus dient er te worden besloten dat er prima facie niet is voldaan aan de eerste van de drie cumulatieve voorwaarden van artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering
  22. Die vaststelling kan in de huidige stand van het geding volstaan om het verweer op het punt van die toepassingsvoorwaarden in zijn geheel te verwerpen.
  23. Het lijkt dat bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte werd gesteund op artikel 37 van het koninklijk besluit uitvoering 2013, minstens werd er te dezen niet voldaan aan de drie cumulatieve vereisten die door die bepaling worden gesteld. Het enig middel is in zijn beide onderdelen ernstig in de besproken mate. VII. Besluit
  24. Het enig middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 20 augustus 2019 van het Autonoom Gemeentebedrijf Stad Deinze om het deelperceel 8 (Leveren, monteren en gebruiksklaar opleveren van theaterstoelen tbv cultuurcentrum Leietheater) van perceel 5 (Theatertechnieken) als meerwerk te gunnen aan de nv Strabag Belgium. XII-8796-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 8 oktober 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8796-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.684 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.