← België

Arrest 245690 - Plannen van aanleg - 08/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.690 Rolnummer: A. 221734/X-16886 Zaak: Arrest 245690 - Plannen van aanleg - 08/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:01 Fiche Arrest nr 245.690 van 8 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 245.690 van 8 oktober 2019 in de zaak A. 221.734/X-16.

  1. In zake :
  2. André VERBEKE
  3. de BVBA INTRATOP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : De STAD SINT-NIKLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 15 maart 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Oostelijke tangent Sint-Niklaas’. X-16.886-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 238.841 van 17 juli 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
  6. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Alisa Konevina, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. X-16.886-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar ’s Raads arrest nr. 238.841 van 17 juli
  9. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.
  10. In het verzoekschrift stelt eerste verzoeker, wat zijn belang betreft, eigenaar te zijn van “twee percelen die worden herbestemd als ‘zone voor waterbeheer’”. De tweede verzoekende partij stelt eigenaar te zijn van twee percelen – nrs. C467e en C467f – die door het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Oostelijke tangent Sint-Niklaas” (hierna: het gewestelijk RUP) worden beheerst. Op grond van hun hoedanigheid van eigenaar alleen al, menen zij van het rechtens vereiste belang bij hun beroep te doen blijken. Daarenboven stellen de beide verzoekende partijen hinder te zullen ondervinden van de door het gewestelijk RUP voorziene hoofdontsluitingsweg. De tweede verzoekende partij betoogt door het gewestelijk RUP ook “een kruis [te kunnen] maken over de verdere exploitatie van haar bedrijf”. 4.
  11. De tussenkomende partij betwist in haar memorie tot tussenkomst het belang van de verzoekende partijen. Zij wijst er in dit verband op dat het perceel C473, waarop het gewestelijk RUP een driehoekige waterbuffer voorziet, “niet in eigendom noch exploitatie is van de verzoekende partijen”, en dat het voor de tweede verzoekende partij ook onder de voorheen geldende X-16.886-3/15 gewestplanbestemming, een in industriegebied te voorziene bufferzone, onmogelijk was om haar bedrijf te exploiteren of uit te breiden. Voorts meent de tussenkomende partij dat de verzoekende partijen niet over een wettig belang bij hun beroep beschikken. Zij betoogt dat het bedrijf van de tweede verzoekende partij oorspronkelijk als “paardenfokkerij/manège” werd vergund, maar thans een schrijnwerkerij betreft. Wat eerste verzoeker aangaat, is minstens één constructie als “legbatterijhok” vergund en is er een “bouwvergunning” voor “de oprichting van een magazijn en stallen” verleend, maar worden de bestaande loodsen thans voor de uitbating van industriële activiteiten verhuurd. Beoordeling 5.
  12. Vastgesteld wordt dat de percelen nrs. C441d en C440a van eerste verzoeker deels door artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP worden beheerst, en dat artikel 4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP deels toepassing vindt op de percelen waar de tweede verzoekende partij haar bedrijfsactiviteiten uitoefent. 5.
  13. De verzoekende partijen stellen terecht dat hun voormelde hoedanigheid van eigenaar in beginsel volstaat om het vereiste belang bij hun beroep aan te nemen. Het betoog van de tussenkomende partij doet niet aannemen dat te dezen van dit beginsel moet worden afgeweken. 5.
  14. De excepties zijn ongegrond. X-16.886-4/15 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
  15. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 2.2.7, §§ 7 en 9, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: de VCRO) en van “de formele en materiële motiveringsplicht van bestuurshandelingen als beginselen van behoorlijk bestuur en machtsoverschrijding”. 6.1.
  16. In een eerste middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de definitieve vaststelling van een gewestelijk RUP buiten de door de VCRO vooropgestelde vervaltermijn is gebeurd. 6.1.
  17. In een tweede middelonderdeel menen de verzoekende partijen dat niet blijkt dat het departement een gemotiveerd verzoek tot termijnverlenging heeft geformuleerd. 6.
  18. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat uit “het administratief dossier […] niet [kan] worden afgeleid dat de dienst [Mer] tijdig heeft beslist omtrent het al dan niet goedkeuren van het plan-MER”, dat deze dienst haar beslissing niet kan uitstellen “zo lang het haar belieft”, en dat “wanneer de dienst [Mer] niet binnen de gegeven termijn beslist, de vervaltermijn begint te lopen vanaf het einde van het openbaar onderzoek, en ten laatste vanaf de ontvangst van de bezwaren en opmerkingen van de dienst [Mer]”. Beoordeling 7.1.
  19. Artikel 2.2.7, § 7, VCRO, in zijn toepasselijke versie, bepaalt: X-16.886-5/15 “§
  20. De Vlaamse Regering stelt binnen honderdtachtig dagen na het einde van het openbaar onderzoek, het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast. […] Op gemotiveerd verzoek van het departement beslist de Vlaamse Regering over de verlenging met zestig dagen van de termijn waarbinnen het plan moet worden vastgesteld.” Artikel 2.2.7, § 9, VCRO, in zijn toepasselijke versie, luidt: “§
  21. Indien het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet definitief wordt vastgesteld binnen de termijn, vermeld in § 7, vervalt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Als een advies van de Raad van State nodig is, wordt deze termijn geschorst gedurende de volledige duur van de behandeling van de adviesaanvraag door de afdeling Wetgeving van de Raad van State, met een maximum van dertig dagen.” Artikel 6, § 2, 4°, van het decreet van 25 april 2014 ‘houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieueffectrapportage werd opgesteld met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan’ (hierna: het decreet van 25 april 2014) bepaalt: “De dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, beschikt over een termijn van vijfendertig dagen na het ontvangen van de opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 1, om een beslissing te nemen over, in voorkomend geval: […] 4° de goedkeuring van het ongewijzigde plan-MER.” Artikel 7, § 1, van het decreet van 25 april 2014 luidt: “§
  22. De termijn van negentig dagen, vermeld in artikel 2.2.10, § 5, of 2.2.14, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de termijn van honderdtachtig dagen, vermeld in artikel 2.2.7, § 7, 2.2.10, § 6, of 2.2.14, § 6, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening beginnen pas te lopen de dag na de goedkeuring van het ongewijzigde plan-MER overeenkomstig artikel 6, § 2, 4°.” 7.1.
  23. Uit artikel 7, § 1, van het decreet van 25 april 2014 volgt dat de in artikel 2.2.7, § 7, VCRO voorziene vervaltermijn van 180 dagen pas begint te lopen de dag na de goedkeuring door de dienst Mer van het ongewijzigde X-16.886-6/15 planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER). Artikel 6, § 2, 4°, van het decreet van 25 april 2014 verbindt aan de goedkeuringstermijn van vijfendertig dagen geen sanctie; het betreft een termijn van orde. 7.1.
  24. Op 26 mei 2016 heeft de dienst Mer het ongewijzigde plan- MER goedgekeurd. De door artikel 2.2.7, § 7, VCRO, voorziene vervaltermijn van honderdtachtig dagen is derhalve, overeenkomstig artikel 7, § 1, van het decreet van 25 april 2014, op 27 mei 2016 beginnen lopen, om te eindigen op 22 november
  25. De beslissing tot verlenging van de termijn met zestig dagen vanwege de Vlaamse regering van 30 september 2016 is binnen deze initiële termijn genomen. Het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State werd gevraagd op 13 december 2016 en verstrekt op 10 januari
  26. Gedurende deze termijn was de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP geschorst. De definitieve vaststelling middels het bestreden besluit op 13 januari 2017 is tijdig genomen. 7.1.
  27. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. 7.2.
  28. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het departement op 19 september 2016 een gemotiveerd verzoek tot verlenging van de in artikel 2.2.7, § 7, eerste lid, VCRO bedoelde termijn heeft geformuleerd. Bijgevolg mist het tweede middelonderdeel feitelijke grondslag. 7.2.
  29. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 7.
  30. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. X-16.886-7/15 B. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 8.
  31. De verzoekende partijen roepen in een vierde middel de schending in van artikel 4.2.3, §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: het DABM). 8.1.
  32. In het eerste middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het gegeven dat de ontsluiting van het Europark-Zuid aanvankelijk ter hoogte van het bedrijf Puylaert was voorzien, maar dat deze ontsluiting later, bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk RUP, achter de huizen langsheen de Damstraat werd voorzien, zonder dat die nieuwe ontsluiting het voorwerp van het plan-MER heeft uitgemaakt. 8.1.
  33. In het tweede middelonderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat er op de percelen van eerste verzoeker “op een onoordeelkundige wijze” twee gebieden als “zone voor waterberging” worden aangeduid. In dit verband duiden zij in het middelonderdeel ook het perceel nr. C473 aan. De verzoekende partijen menen dat deze gebieden nooit het voorwerp van het plan- MER hebben uitgemaakt en wijzen op artikel 8, § 4, van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’ (hierna: het DIWB), dat bepaalt dat de watertoets in het plan-MER moet gebeuren. 8.2.
  34. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partijen bij het eerste middelonderdeel. Zij werpt in dit verband tegen dat ook de gewestplanbestemming industriegebied de geviseerde wegenis mogelijk maakt, en dat het gewestelijk RUP ten aanzien van de gewestplanbestemming zelfs in een brede buffer voorziet. Ten gronde stelt zij dat het plan-MER “enkel de ontsluiting van Europark-Zuid op de Oostelijke Tangent als dusdanig heeft onderzocht en niet de ontsluitingswegen op het bedrijventerrein zelf”, en dat de goedkeuring van het ongewijzigde plan-MER uitdrukkelijk vermeldt dat een alternatieve locatie niet werd onderzocht op X-16.886-8/15 milieueffecten om reden “dat de grootte van de milieueffecten van elk van de alternatieven niet onderscheidend zou zijn om dit op planniveau te onderzoeken”. De verdere concrete ontsluiting van het industrieterrein “zal verder op projectniveau moeten worden onderzocht”. 8.2.
  35. Wat het tweede middelonderdeel betreft, doet de verwerende partij in haar memorie van antwoord gelden dat de verzoekende partijen geen eigenaars zijn van het perceel nr. C473, zodat niet duidelijk is welk nadeel zij precies ondervinden door het voorzien van de “zone voor waterbeheer” op dit perceel. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat de waterbekkens “net een omzetting van de milderende maatregelen uit het plan-Mer” betreffen. 8.
  36. De tussenkomende partij voert in haar memorie tot tussenkomst, wat het eerste en tweede middelonderdeel betreft, een gelijkaardig verweer. 8.4.
  37. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de bestemming “zone voor openbare wegenis” geenszins gelijk te stellen is met de gewestplanbestemming industriegebied, en dat de verwerende en tussenkomende partijen niet ontkennen dat de nieuwe ontsluiting niet in het plan-MER werd onderzocht. 8.4.
  38. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stellen de verzoekende partijen dat het plan-MER “noch de goedkeuringsbeslissing enige duiding of verantwoording geven met betrekking tot de concrete inplanting van de zones voor waterbeheer”. Beoordeling 9.1.
  39. De omstandigheid dat in geval van vernietiging de gewestplanbestemming industriegebied herleeft, die de aanleg van een ontsluitingsweg evenzeer zou toelaten, en dat het bestreden gewestelijk RUP X-16.886-9/15 bovendien in een ruime buffer voorziet, doet niets af aan het feit dat een vernietiging aan de verzoekende partijen de kans biedt op een voor hen meer gunstige plansituatie. Zij hebben dan ook het vereiste belang bij het middelonderdeel. De desbetreffende excepties van de verwerende en de tussenkomende partij zijn ongegrond. 9.1.
  40. Er bestaat geen betwisting over dat het bestreden gewestelijk RUP een plan-MER vereist. Het definitief vastgestelde plan mag niet op essentiële wijze verschillen van het plan dat aan een plan-MER werd onderworpen. 9.1.
  41. Ten tijde van de goedkeuring van het plan-MER lag een ontsluiting van het bedrijventerrein Europark-Zuid “ter hoogte van het bedrijf Puylaert” voor. Op het definitief vastgestelde grafisch plan nr. 1 bij het gewestelijk RUP daarentegen is die mogelijkheid tot ontsluiting ingetekend achter de woningen gelegen aan de Damstraat, middels een “gebied voor wegeninfrastructuur” (art. 2). Het definitief vastgestelde plan verschilt aldus op essentiële wijze van het plan dat aan een plan-MER werd onderworpen. 9.1.
  42. De verzoekende partijen stellen terecht dat de motivering van de dienst Mer, zoals hernomen in het bestreden besluit, op hun gelijkluidend bezwaar, niet deugdelijk is. Het argument van de dienst Mer dat de “[w]ijze waarop het bedrijventerrein Europark-zuid wordt ontsloten op de Oostelijke tangent (rotonde, lichten, …) en de locatie ervan […] niet het voorwerp van het milieueffectenonderzoek in de plan-MER [was]”, mist feitelijke grondslag. Reeds in de MER-richtlijnen van de dienst Mer van 1 juli 2010 wordt bij de omschrijving van de doelstelling van het MER duidelijk aangegeven dat ook de ontsluiting van de bedrijventerreinen, waaronder het bedrijventerrein Europark- Zuid, mee het voorwerp van het plan-MER uitmaakt: X-16.886-10/15 “Het doel van het plan-MER is het bestuderen en het rapporteren van de mogelijke milieueffecten die het gevolg kunnen zijn van de aanleg van de Oostelijke Tangent en de ontsluiting van de bedrijvenzones TTS en Europark-Zuid. Er zal tevens nagegaan worden welke randvoorwaarden en milderende maatregelen vereist zijn om mogelijke negatieve effecten te voorkomen of te beperken.” Uit het goedgekeurde plan-MER blijkt dat de ontsluiting van het bedrijventerrein “ter hoogte van het bedrijf Puylaert” wel degelijk het voorwerp van het plan-MER heeft uitgemaakt. Het argument van de dienst Mer “dat de grootte van de milieueffecten van elk van [de] alternatieven niet onderscheidend zou zijn om dit te onderzoeken op planniveau”, kan evenmin bijval vinden. Het is in redelijkheid aan te nemen dat het intekenen van een strook als “gebied voor wegeninfrastructuur”, parallel met de Damstraat, van aard kan zijn een impact te hebben op de beoordelingscriteria die in het plan-MER in aanmerking worden genomen. 9.1.
  43. Het eerste middelonderdeel is gegrond. 9.2.
  44. De percelen C440a en C441d van eerste verzoeker worden getroffen door de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 5 “zone voor waterbeheer”. Het perceel C473, waarop dit voorschrift evenzeer gedeeltelijk toepassing vindt, grenst aan eerste verzoekers perceel. Eerste verzoeker heeft dan ook een belang bij het tweede middelonderdeel dat de bestemming als “zone voor waterbeheer” van deze percelen bekritiseert. Hetzelfde dient aangenomen voor de tweede verzoekende partij, die in de omgeving van de voormelde “zone voor waterbeheer” percelen bezit. De desbetreffende excepties van de verwerende en de tussenkomende partij zijn ongegrond. 9.2.
  45. De dienst Mer stelt weliswaar dat in het plan-MER berekend is “welke volume/oppervlakte aan buffercapaciteit nodig was om het hemelwater t.g.v. […] de extra oppervlakte verharding door de realisatie van de Oostelijke tangent te bufferen”, maar heeft daarbij – zoals gezien bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel – het “gebied voor wegeninfrastructuur”, parallel met de X-16.886-11/15 Damstraat, niet betrokken. Gelet op dit laatste, kan de kritiek van de verzoekende partijen dat de verwerende partij niet naar behoren tot haar aandeel over de inplanting van de geviseerde zones voor waterbeheer is gekomen, bijval vinden. Zij wijzen er voorts terecht op dat op grond van het toentertijd geldende artikel 8, § 4, DIWB de watertoets in het plan-MER diende te geschieden. 9.2.
  46. Het tweede middelonderdeel is evenzeer gegrond. 9.
  47. Het middel is in zijn beide onderdelen gegrond. VI. Omvang van de vernietiging Standpunt van de partijen 10.
  48. De verwerende partij vraagt in haar memorie van antwoord om “[m]instens de vernietiging te beperken tot de smalle zone ‘overdruk voor landschappelijke en functionele inpassing van infrastructuur’ gelegen op het perceel met kadastraal nummer 476e [lees: C467e] en [C471v]” en nog meer ondergeschikt “de vernietiging te beperken tot de ontsluiting van het Europark- Zuid”. Indien “de zone met aanduiding van “gebied voor wegeninfrastructuur” (achter de woningen aan de Damstraat en dus haaks op de Tangent) wordt vernietigd, dan geeft dit volledige genoegdoening aan de verzoekende partijen”. Dit gedeelte is volgens haar “bovendien afsplitsbaar”. 10.
  49. De tussenkomende partij formuleert in haar memorie tot tussenkomst een gelijkaardig verzoek. 10.
  50. De verzoekende partijen verzetten zich in hun memorie van wederantwoord tegen een partiële vernietiging van het gewestelijk RUP. Zij doen gelden dat hun belang bij de vernietiging niet kan beperkt worden “tot de percelen waaromtrent zij over een persoonlijk of zakelijk recht beschikt”, dat zij in hun verzoekschrift niet enkel kritiek hebben geuit op de “zones voor waterbeheer” en de “zone voor openbare wegenis”, maar ook op de “overdruk X-16.886-12/15 voor landschappelijke en functionele inpassing van infrastructuur”, en dat een partiële vernietiging de algemene economie van het plan aantast. 10.
  51. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie dat een partiële vernietiging de algemene economie van het plan aantast en dat “men de vernietiging evenmin [kan] beperken tot het gedeelte van de overdruk voor landschappelijke en functionele inpassing voor infrastructuur voor zover deze betrekking heeft op de percelen [C467e] en [C471v] aangezien deze onlosmakelijk verband houd[en] met de strook parallel aan de Damstraat, bestemd als gebied voor wegeninfrastructuur”. Beoordeling 10.
  52. Het komt de Raad van State voor dat aan het belang van de verzoekende partijen wordt tegemoet gekomen met een partiële vernietiging van het gewestelijke RUP, namelijk in zoverre dit betrekking heeft op 1) de op het grafisch plan nr. 1 ingetekende strook parallel met de Damstraat en achter de woningen in de Damstraat, die is aangeduid als “gebied voor wegeninfrastructuur” (artikel 2), 2) de op voormelde strook onmiddellijk aansluitende “overdruk voor landschappelijke en functionele inpassing van infrastructuur”, die er volgens de Raad van State een onlosmakelijk geheel mee vormt (artikel 4), en 3) de “zone voor waterbeheer” (artikel 5) in zoverre van toepassing op de percelen C441d, C440a en C
  53. 10.
  54. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat de voormelde partiële vernietiging aan de algemene economie van het gewestelijk RUP zou raken. VII. Kosten
  55. Gelet op het bepaalde in artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de door de tussenkomende partij gevraagde rechtsplegingsvergoeding niet worden toegekend. X-16.886-13/15 BESLISSING
  56. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Oostelijke tangent Sint-Niklaas”, in zoverre dit betrekking heeft op 1) de op het grafisch plan nr. 1 ingetekende strook parallel met de Damstraat en achter de woningen in de Damstraat, die is aangeduid als “gebied voor wegeninfrastructuur” (artikel 2), 2) de op voormelde strook onmiddellijk aansluitende “overdruk voor landschappelijke en functionele inpassing van infrastructuur” (artikel 4), en 3) de “zone voor waterbeheer” (artikel 5) in zoverre van toepassing op de percelen C441d, C440a en C
  57. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  58. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  59. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-16.886-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust. X-16.886-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.690 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.841 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.