← België

Arrest 245697 - Niet begeleide minderjarigen - 08/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.697 Rolnummer: A. 229267/XIV-38164 Zaak: Arrest 245697 - Niet begeleide minderjarigen - 08/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 21:43 Fiche Arrest nr 245.697 van 8 oktober 2019 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.697 van 8 oktober 2019 in de zaak A. 229.267/XIV-38.164 In zake: Nasratullah HABIBI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 oktober 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 1 oktober 2019 tot beëindiging van de voogdij van verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.164-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die loco advocaat Katrin Verhaegen verschijnt voor verzoeker en advocaten Rutger Robijns en Stefaan Verbouwe, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 23 september 2019 wordt aan verzoeker een voogd toegewezen. 3.
  5. Op 25 september 2019 laat de dienst Voogdij een medisch onderzoek uitvoeren door het Universitair Ziekenhuis St.-Rafaël (KU Leuven), teneinde na te gaan of verzoeker al dan niet jonger is dan achttien jaar. De eindconclusie van het medisch onderzoek luidt: “Op basis van het voorgaande kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat [verzoeker] op datum van 25-09-2019 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimumleeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze hoger. Immers eens de wijsheidstanden volgroeid zijn zal ook met toenemende leeftijd deze methode de werkelijke leeftijd onderschatten aangezien XIV-38.164-2/8 geen verdere veranderingen radiologisch optreden. Vandaar het belang van de radiografie van het sleutelbeen.” 3.
  6. Op 1 oktober 2019 neemt de minister van Justitie de beslissing dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is en dus niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) en dat bijgevolg de voogdij over verzoeker van rechtswege vervalt op de datum van kennisgeving van deze beslissing. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Verzoeker zet vooreerst onder het kopje “uiterst dringende noodzakelijkheid” uiteen dat hij thans wordt vastgehouden in het transitcentrum Caricole te Steenokkerzeel en dit met het oog op terugdrijving. Het is door de twijfel geuit door de luchthavenpolitie over zijn leeftijd, dat werd besloten dat hij zijn paspoort en visum frauduleus heeft bekomen en dat hij gescheiden werd van zijn ouders. Hij riskeert nu om gedwongen te worden gerepatrieerd naar een oorlogszone. De gewone annulatieprocedure zal niet volstaan qua termijn om op XIV-38.164-3/8 een nuttige manier de leeftijdsbeslissing aan te vechten en eens hij is teruggedreven, vervalt ook zijn belang bij de procedure. Onder het kopje “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” doet verzoeker voorts gelden dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Hij bevindt zich thans in detentie met het oog op terugdrijving naar Afghanistan. Als minderjarige dreigt hij onherstelbare schade op te lopen door zijn detentie. De repatriëring naar een regio die heeft geleid tot het subsidiairebeschermingsstatuut van zijn vader, houdt een ernstig risico in op schade voor hem. Ten gevolge van de bestreden beslissing is verzoeker van zijn moeder gescheiden en is de gezinshereniging met zijn vader verijdeld. Beoordeling
  9. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. XIV-38.164-4/8 Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzake- lijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  10. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing dient ook een nuttig effect te hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade. Het betoog van verzoeker komt in wezen hierop neer dat verzoeker detentieschade dreigt op te lopen en dat de repatriëring naar een oorlogsgebied voor hem een ernstig risico inhoudt op schade. Bovendien scheidt de bestreden beslissing verzoeker van zijn moeder en verijdelt ze de gezinshereniging met zijn vader. Tot slot zal de gewone annulatieprocedure niet XIV-38.164-5/8 volstaan qua termijn voor een nuttig beroep omdat eens hij is teruggedreven, ook zijn belang bij het beroep vervalt.
  11. Verzoeker maakt te dezen evenwel niet aannemelijk dat die onherroepelijke schadelijke gevolgen waarop hij zich beroept, door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kunnen worden wegge- nomen. De voogdijwet stelt een beschermingsstatuut in voor de niet-begeleide minderjarige. De bestreden beslissing is genomen met toepassing van artikel 7, § 2 van die wet. Uit die bepaling volgt dat, wanneer uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene meer dan 18 jaar oud is, zulks van rechtswege het verval inhoudt van de hoede over verzoeker door de dienst Voogdij. Hieruit volgt dat verzoeker niet langer het beschermingsstatuut geniet van “niet-begeleide minderjarige” bepaald in de voogdijwet. Anders dan hoe verzoeker het ziet, heeft de bestreden beslissing evenwel niet tot gevolg dat verzoeker wordt vastgehouden, c.q. vastgehouden blijft, noch dat hij het risico loopt op verwijdering van het grondgebied, noch dat hij door de bestreden beslissing wordt gescheiden van zijn moeder en dat de gezinshereniging met zijn vader niet plaatsvindt. Op het eerste gezicht lijken de door verzoeker opgeworpen nadelen immers voort te vloeien uit de tenuitvoer- legging van het door verzoeker overgelegde bevel tot terugdrijving (bijlage 11) bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. De door verzoeker aangevoerde nadelen zijn te dezen het enkele gevolg van een zelfstandige eenzijdige administratieve rechtshandeling die niet kan worden beschouwd als een voorbe- reidende rechtshandeling ten aanzien van de thans bestreden beslissing, die werd genomen door een andere administratieve overheid die bevoegd is inzake de toegang tot het Rijk van vreemdelingen en waarvan de beoordeling van de wettigheid ervan niet toekomt aan de Raad van State. XIV-38.164-6/8 Hieruit volgt dat, zelfs al mochten de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn, dan nog zou de schorsing van de bestreden beslissing niet tot gevolg hebben dat hij wordt vrijgelaten en het grondgebied mag betreden. Althans maakt verzoeker dit in zijn verzoekschrift op geen enkele wijze aannemelijk. In het licht hiervan zal aldus een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het nadeel waarop verzoeker zich beroept niet kunnen wegnemen. In een dergelijk geval heeft een schorsing van de bestreden beslissing geen nuttig effect. Waar verzoeker voorhoudt dat de gewone annulatieprocedure niet zou volstaan omdat eens hij is teruggedreven, hij zijn belang bij het beroep verliest, is supra reeds aangegeven dat de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak ten gronde zou tussenkomen nadat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.
  12. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XIV-38.164-7/8
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.164-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.697 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.