← België

Arrest 245746 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 14/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.746 Rolnummer: A. 229228/IX-9624 Zaak: Arrest 245746 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 14/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:40 Fiche Arrest nr 245.746 van 14 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.746 van 14 oktober 2019 in de zaak A. 229.228/IX-9624 In zake: Sigrid SMISDOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de INTERNE BEROEPSCOMMISSIE VAN DE PROVINCIALE SECUNDAIRE SCHOOL HASSELT, VERPLEEGKUNDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de Provinciale Secundaire School Hasselt – Verpleegkunde van 5 september 2019 om het evaluatieresultaat „niet-geslaagd‟ van Sigrid Smisdom te bevestigen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9624- 1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Greet Louwet, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Wouter Moonen en Jarien Bloemen, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster volgt de opleiding „toegepaste verpleegkunde‟ in de Provinciale Secundaire School Hasselt, met als optie „thuiszorg‟. Het betreft een driejarige opleiding in een modulair systeem. In september 2018 start verzoekster de vijfde (en laatste) module van haar opleiding. De delibererende klassenraad verklaart verzoekster op 27 juni 2019 niet geslaagd voor deze module. Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenroeping van de klassenraad, waarna verzoekster op 12 juli 2019 een beroep instelt bij het schoolbestuur. IX-9624- 2/15 Op 5 september 2019 beslist de beroepscommissie, verzoekster gehoord, het oorspronkelijk evaluatieresultaat te bevestigen. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. Verzoekster beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat de bestreden beslissing voor haar het verlies van een schooljaar betekent en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld, wat de verwerende partij op de terechtzitting verklaart niet (meer) te betwisten. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  7. Het eerste middel is genomen uit de schending van arti- kel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs in samenhang IX-9624- 3/15 met artikel 18, § 2, van het huishoudelijk reglement van de beroepscommissie en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing werd genomen door een beroepscommissie die formeel bestaat uit drie interne en drie externe leden maar in realiteit bestaat uit vier interne leden en twee externe leden, omdat één van de zogenaamde externe leden – K.C. – de algemeen directeur van de provinciale scholen is. Hij is door het schoolbestuur belast met taken voor de to- taliteit van alle voormelde scholen en het provinciaal Centrum voor Leerlingen- begeleiding. Hij kan niet worden beschouwd als zijnde “extern aan het schoolbe- stuur”. De beroepscommissie is aldus niet reglementair samengesteld en kon niet op een reglementaire wijze haar opdracht vervullen en de bestreden evaluatiebe- slissing nemen. Voorts merkt verzoekster op dat uit de bestreden beslissing niet blijkt op welke wijze ze tot stand is gekomen, inzonderheid wie de betrokken beslissing heeft genomen en hoe ze genomen werd. Zij kan niet nagaan of er sprake is van een beslissing bij consensus dan wel of er bij meerderheid werd gestemd en dat bij de stemming de wettelijk voorgeschreven pariteit werd gerespecteerd. Bespreking
  8. Om de onregelmatigheid van de samenstelling van de beroeps- commissie aan te tonen, voert verzoekster enkel aan dat K.C. niet kan worden beschouwd als “extern aan het schoolbestuur”. Het middel wordt dan ook enkel vanuit die invalshoek onderzocht. Het schoolbestuur is luidens artikel 123/13, § 2, eerste lid, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs “het orgaan dat de verantwoordelijkheid voor het georganiseerde onderwijs draagt”. IX-9624- 4/15 In de huidige stand van de rechtspleging kan verzoekster op grond van het enkele argument dat K.C. algemeen directeur van de provinciale onderwijsinstellingen is – volgens de verwerende partij: ambtenaar van de pro- vincie, directie Onderwijs – niet ervan overtuigen dat deze persoon behoort tot het schoolbestuur zoals het in de aangehaalde bepaling wordt opgevat. Een andere reden waarom het lidmaatschap van K.C. in de be- roepscommissie de samenstelling hiervan onregelmatig zou maken, wordt niet uiteengezet of toegelicht. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat, voor zover ver- zoekster lijkt te beweren dat K.C. een intern lid is in de zin van artikel 123/17, § 2, VCSO en de commissie dan niet reglementair is samengesteld omdat zij bestaat uit vier interne en twee externe leden, verzoekster – impliciet – in het door haar aan- gehaalde artikel van de Codex lijkt te lezen dat de commissie paritair moet zijn samengesteld, wat de “interne” en de “externe” leden ervan betreft. Pariteit lijkt deze bepaling echter enkel voor te schrijven als het tot een stemming komt.
  9. Artikel 18 van het huishoudelijk reglement is op dat laatste punt nog duidelijker, waar het een loting voorschrijft om bij stemming de eventueel doorbroken pariteit te herstellen. Voor het overige lijkt dit artikel niets toe te voegen aan de codexbepaling.
  10. Geen van de door verzoekster in het middel aangevoerde bepa- lingen of beginselen vereist dat de wijze waarop de besluitvorming is verlopen – inzonderheid bij stemming of bij consensus – in de evaluatiebeslissing zelf vermeld moet worden. Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting faalt het op het eerste gezicht naar recht. Uit stuk 54 van het administratief dossier blijkt voorts dat de commissie bij consensus heeft beslist. Het middel mist in zo- verre op het eerste gezicht feitelijke grondslag.
  11. Het eerste middel is niet ernstig. IX-9624- 5/15 B. Tweede middel
  12. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 6°, VCSO “in samenhang met een schending van artikel 9.1.
  13. van het schoolreglement PIVH-PXL HB05-Verpleegkunde, van artikel 2.3 van het reglement klinisch onderwijs, van het grondwettelijk gelijk- heids- en non discriminatiebeginsel en van het motiveringsbeginsel”. Uit de toelichting van het middel blijkt dat verzoekster “op een willekeurige wijze ontzegd [is]” om een bepaalde stage te lopen die aansluit bij de door haar gekozen optie.
  14. Dit middel lijkt de gevraagde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet te kunnen verantwoorden. Hiervóór is aangenomen dat de vordering voldoet aan de voor- waarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid, omdat verzoekster wil ver- mijden haar schooljaar te verliezen en een gewone schorsing daarvoor te laat dreigt te komen. Een schorsing van de tenuitvoerlegging kan dan ook enkel worden bevolen op grond van een ernstig middel, voor zover het rechtsherstel op grond van dit middel het aangevoerde en aangenomen risico of nadeel ook nuttig vermag te verhelpen. Verzoekster zet in het verzoekschrift niet uiteen en kan ook, daarover ondervraagd, op de terechtzitting niet toelichten hoe zij geslaagd ver- klaard kan worden, indien op grond van dit middel zou blijken dat zij nog een stage thuiszorg had moeten lopen, wat niet is gebeurd. Het rechtsherstel op grond van zo een middel lijkt immers niet te zijn dat verzoekster dan op grond van de overige stages geslaagd wordt verklaard, maar wel dat haar de mogelijkheid wordt gegeven om alsnog die stage te lopen. IX-9624- 6/15
  15. Dit middel wordt bijgevolg in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet nuttig aangevoerd en is reeds om die reden niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  16. Het derde middel is genomen “uit een schending van artikel 17 § 4 van het huishoudelijk reglement van de interne beroepscommissie […], van het zorgvuldigheidsbeginsel, alsmede van artikel 2 en 3 van de wet van 26 juni 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen”: “doordat verwerende partij in de bestreden evaluatiebeslissing […] ver- wijst naar en steunt op een zogenaamd verslag van de hoorzitting dd. 27.08.2019 en dd. 5.09.2019, terwijl dit er niet is en zij voorafgaand aan het nemen van deze beslissing door verzoekende partij reeds op deze on- regelmatigheid werd gewezen terwijl van een zorgvuldig handelende interne beroepscommissie kan verwacht worden dat zij de regels van haar huishoudelijk reglement toepast en zij aldus alvorens een definitieve beslissing te nemen een verslag van de hoorzitting opstelt en ter kennis brengt van alle betrokken partijen, die hierop hun opmerkingen kunnen formuleren, minstens bij gebreke aan een verslag van de hoorzitting dit zo vermeldt in de bestreden evaluatiebeslis- sing dd. 5.09.2019.” Beoordeling
  17. Luidens artikel 17, § 4, derde lid, van haar huishoudelijk regle- ment “moet [de beroepscommissie] de ondertekening van het verslag van verhoor (met eventueel toevoegde opmerkingen) niet afwachten om te beslissen, aangezien ze de betrokkenen (de ouders, . . .) zelf heeft gehoord”. Met het nemen van haar beslissing vooraleer zekerheid bestaat over de juistheid van het verslag van het verhoor schept de beroepscommissie enkel voor zichzelf het risico dat verzoekster zich in het kader van haar beroep tegen de evaluatiebeslissing kan beroepen op de onjuistheid van de vermeldingen IX-9624- 7/15 van het proces-verbaal waarop de beroepscommissie steunt, maar dit lijkt op zich de bestreden beslissing niet te vitiëren.
  18. Ten overvloede zij vastgesteld dat de raadsvrouw van verzoek- ster per e-mail op 23 september 2019 in het bezit is gesteld van het verslag van het verhoor – dus vooraleer zij huidige vordering heeft ingeleid. Het verbaast dat in het verzoekschrift, tegen de aan verzoeksters raadsvrouw gekende stukken van het dossier in, dan het tegendeel wordt beweerd. De bewering dat er geen verslag is, mist feitelijke grond.
  19. Het middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het vierde middel is genomen uit de schending “van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 6° van de Codex Secundair Onderwijs, in samenhang met artikel 9.3.
  21. van het schoolreglement PIVH-PXL HB05-Verpleegkunde, een schending van de rechten van verdediging, alsmede een schending van de formele en motiveringsplicht, zoals vervat in de artikel[en] 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991”: “Doordat verwerende partij in de bestreden evaluatiebeslissing voorbijgaat aan het feit dat verzoekende partij ondanks haar herhaalde schriftelijke vraagstellingen geen mogelijkheid heeft gehad tot tijdige inzage van haar examens of dossier zodat kon worden nagegaan op welke stukken de eva- luatiebeslissing dd. 27.06.2019 werd gesteund, alvorens een beroep in te stellen, dat trouwens aan een strikte vervaltermijn is gekoppeld Terwijl op basis van artikel 9.3.
  22. van het schoolreglement elke student recht heeft op inzage van alle documenten die tot het besluit van de deli- bererende klassenraad hebben geleid, dat het aan de school is om de uit- oefening van dit recht ook effectief mogelijk te maken op een tijdstip dat dit nuttig is En doordat verwerende partij enerzijds geen gevolgen verbindt aan het feit dat aan verzoekende partij op 20 augustus 2019 een onvolledig dossier en examendocumenten ter beschikking werden gesteld, vermits na de eerste IX-9624- 8/15 hoorzitting die plaatsvond op 27 augustus 2019 er benevens de 895 pagi- na‟s nog 190 pagina‟s aan het dossier werden toegevoegd, die deels vol- komen nieuwe stukken betreffen, en anderzijds haar eigen evaluatiebe- slissing steunt en motiveert vanuit deze nieuwe stukken Terwijl het op grond van 123/17, § 2, tweede lid, 6° van de Codex Se- cundair Onderwijs aan de interne beroepscommissie is om na te gaan of de evaluatiebeslissing dd. 27.06.2019, die zij zelf herneemt op 5.09.2019, genomen is conform […] het schoolreglement, d.w.z. ondersteund en ge- motiveerd kan worden vanuit stukken die er op dat ogenblik waren, dat een zorgvuldig handelende beroepscommissie met latere post factum op[ge]stelde stukken geen rekening kan houden, nu deze de initiële evalu- atiebeslissing niet konden schragen, a fortiori evenmin de bestreden eva- luatiebeslissing.” Beoordeling
  23. De “rechten van verdediging” lijken, bij een in deze zaak niet bestaand andersluidend voorschrift, niet van toepassing op de evaluatie van een leerling. Het middel, dat uitgaat van de tegenovergestelde opvatting, faalt in die mate naar recht. Ten overvloede zij opgemerkt dat de wijze waarop de leerling die een evaluatiebeslissing betwist zijn standpunt nuttig kan doen gelden, geregeld is in de artikelen 123/15 en 123/17 van de Codex Secundair Onderwijs en dat verzoekster niet aanvoert, laat staan aantoont dat de wijze waarop dit horen is verlopen, strijdig zou zijn met de bedoelde decreetsbepaling.
  24. De beslissing van de beroepscommissie komt in de plaats van de beroepen klassenraadbeslissing. De beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, om over het al dan niet slagen van verzoekster te oordelen. Zij beschikt daarbij ook over eigen onderzoeksbevoegdheden. Stukken die de beroepscommissie toevoegt aan het dossier – stukken die zij heeft opgevraagd bij de leden van de klassenraad of die zij zelf IX-9624- 9/15 heeft uitgewerkt – zijn bijgevolg op het eerste gezicht geen stukken die vanuit het oogpunt van haar beslissing post factum zijn opgesteld. Dat die nieuwe stukken de initiële klassenraadbeslissing niet kunnen schragen, lijkt niet ter zake. Die klassenraadbeslissing is uit het rechts- verkeer verdwenen en geen voorwerp van de huidige vordering. Verzoekster beweert niet dat zij van deze stukken geen kennis had vooraleer zij huidige vordering heeft ingeleid.
  25. Het moet worden betreurd dat verzoekster veel moeite heeft moeten doen om inzage te krijgen in haar examens. Uiteindelijk lijkt dit echter wel te zijn gebeurd – op 20 augustus 2019 met een dossier van 895 pagina‟s, aldus verzoekster zelf in haar inleidend verzoekschrift. De hoorzitting van de beroeps- commissie is ook uitgesteld om verzoekster toe te laten haar argumenten aan te vullen. Zij heeft dit gedaan met een aanvullende verweernota op 4 september
  26. Uit het vijfde middel blijkt ook dat zij in staat is geweest om dan voor de be- roepscommissie grieven te formuleren die afgeleid zijn uit haar examenresultaten. Het loutere feit dat de inzage niet in de beste omstandigheden is gebeurd, volstaat dan niet om de vordering in te willigen.
  27. Het middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 23.
  28. Het vijfde middel is genomen uit een schending “van de mate- riële en formele motiveringsplicht, zoals vervat in de artikel[en] 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, alsmede van artikel 115/6 §4 van de Codex secundair onderwijs, in samenhang met het zorgvuldigheidsbeginsel”: IX-9624- 10/15 “doordat verwerende partij in de bestreden evaluatiebeslissing dd. 5.09.2019 de door de delibererende klassenraad motivering herneemt m.b.t. de puntenscores van de examens stellende dat verzoekende partij in de module 5 volgende tekorten heeft, 1 theoretisch tekort op psychiatrie, 2 tekorten op praktijk m.n. cardiovasulaire pathologie en pneumologie, 2 tekorten op rekenen voor verpleegkundigen en 1 tekort op communicatie en relatie, zonder onderzoek te doen naar de juistheid of verantwoording van deze punten, die naar het oordeel van verzoekster onjuist zijn en be- twist worden terwijl van een zorgvuldig handelende interne beroepscommissie mag verwacht worden dat zij bij het nemen van haar beslissing alle voor de be- slissing relevante feiten met zorgvuldigheid moet vaststellen, en hiermee rekening dient te houden, waarbij deze toetsing ook formeel dient te wor- den veruitwendigd in de betrokken beslissing, zodat deze voor de verzoe- kende partij duidelijk en begrijpelijk is en de bestreden evaluatiebeslissing kunnen schragen en doordat verwerende partij in de bestreden evaluatiebeslissing stelt dat tijdens het klinisch onderwijs ernstige schadelijke fouten en beroepsfouten worden gemaakt, zonder dat het voor verzoekende partij duidelijk is op basis waarvan zij tot deze vaststelling komt, en dat deze tegengesproken worden door de stukken die verzoekende partij heeft bijgebracht, dan wel dat het aan haar toekomt te oordelen of verzoekende partij een diploma van verpleegkundige waardig is, nu het gaat over mensenlevens, terwijl dit geen criterium kan zijn om een studente al dan niet geslaagd te verklaren, vermits dit een waardeoordeel en subjectieve invulling betreft en terwijl van een zorgvuldig handelende interne beroepscommissie mag verwacht worden dat zij bij het nemen van haar evaluatiebeslissing zich steunt op objectieve criteria en enkel op die stukken en examenuitslagen, waarop de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad kan ge- steund zijn, zodat zij in de bestreden evaluatiebeslissing geen rekening kan en mag houden met stukken met eenzijdige motiveringen van docenten die nadien zijn opgesteld dan wel die een subjectief waardeoordeel inhouden.” Verzoekster citeert de bezwaren die zij in haar bezwaarschrift en haar aanvullende verweernota‟s aan de beroepscommissie heeft voorgelegd in verband met de examenquoteringen. In de bestreden evaluatiebeslissing wordt enkel gesteld dat “de bijkomende stukken met betrekking tot de examens wel degelijk de scores beantwoorden”. Met haar grieven wordt geen rekening gehou- den. IX-9624- 11/15 23.
  29. Verzoekster merkt ook op dat de beroepscommissie na de hoor- zitting van 27 augustus 2019 de betrokken leerkrachten heeft gecontacteerd, die een nieuw document hebben opgesteld: “Bij vergelijking van de betrokken stukken [blijkt] de motivering op het initiële examendocument verschillend te zijn van de uitgetypte versie. Wat het praktijkexamen van cardiovasculaire pathologie betreft, zijn er bijko- mende toevoegingen gedaan, die niet vermeld zijn op het initiële exa- mendocument.” Het gaat volgens verzoekster niet op dat bij gebreke aan een verantwoordingstuk dat de betrokken examen- of stagecijfers onderbouwt, een beroepscommissie lopende de beroepsprocedure aan de betrokken docenten of stagebegeleiders vraagt om alsnog post factum een verantwoording te geven om- trent het toegekende cijfer en hiertoe een éénzijdig verslag op te stellen, waarbij zij dan de motivering hiervan overneemt. Hiermee overschrijdt de interne beroeps- commissie haar wettelijke bevoegdheid.
  30. In haar nota met opmerkingen geeft de verwerende partij over- heen vier bladzijden toelichting waarom verzoekster een verkeerde lezing heeft van haar resultaten en de beslissing steunt op correcte quoteringen. Beoordeling
  31. Zoals hiervóór reeds is vastgesteld, gaat verzoekster uit van een verkeerde opvatting over de wettelijke hervormingsbevoegdheid van de beroeps- commissie. Die bevoegdheid omvat blijkens artikel 123/17, § 2, tweede lid, 4°, a), VCSO zelfs uitdrukkelijk de mogelijkheid om leden van de klassenraad te onder- vragen, wat blijkbaar is gebeurd als zij toelichting en nadere verantwoording op- vraagt van de aan verzoekster gegeven quoteringen. In zoverre faalt het middel naar recht. IX-9624- 12/15
  32. Verzoekster heeft voor de beroepscommissie een aantal zeer concrete grieven omtrent de quoteringen van de examens opgeworpen. Zij betwist aldus de haar gegeven cijfers. Zo voert zij onder meer aan, over het examen psy- chiatrie, dat de oorspronkelijke quotering van 58% werd verminderd en dat hier- voor geen verantwoording werd gegeven; over het praktijkexamen cardiovascu- laire pathologie, dat de beoordeling interne tegenstrijdigheden bevat; over het praktijkexamen pneumologie, dat niet achterhaald kan worden wat de concrete scores zijn voor de twee onderscheiden technieken en over het examen medicatie berekende zij een gemiddelde score van 60%. Wat het examen orthope- die-reumatologie betreft beweert verzoekster een cijfer van 82% in plaats van 52 % te hebben behaald en wat het examen communicatie en relatie betreft, stelt zij dat zij over de nodige vaardigheden beschikte en het niet te begrijpen is waarom zij slechts een quotering van 21/60 krijgt.
  33. Van een regelmatige evaluatiebeslissing wordt verwacht – en mag verzoekster verwachten – dat ze minstens steunt op correcte cijfers. Alleen al om die reden mocht verzoekster een antwoord kunnen lezen op die grieven. De beroepscommissie antwoordt in de bestreden beslissing op het eerste gezicht enkel dat het niet opgaat telkens een eenvoudige mathematische berekening te maken omdat er een cesuur is waarin bepaalde vragen of onderdelen zwaarder doorwegen dan andere, wat “kan” verklaren waarom er bijvoorbeeld met zeven van de acht vaardigheden op het examen communicatie en relatie toch maar een score van 21/60 werd toegekend en dat de bijkomende stukken met betrekking tot de examens voor het overige de scores verantwoorden. Verzoekster kan op het eerste gezicht worden bijgevallen wan- neer zij stelt dat zo een antwoord van de beroepscommissie haar niet toelaat te begrijpen om welke concrete redenen de door haar opgeworpen grieven niet worden aangenomen. Zelfs het voor één examen iets concretere argument dat sommige vaardigheden zwaarder doorwegen dan andere, zonder te preciseren om welke vaardigheden het dan wel gaat, kan niet worden beschouwd als een afdoende IX-9624- 13/15 motivering. Het argument dat de bijkomende stukken de scores verantwoorden, zonder hierbij aan te geven over welke stukken het gaat en op welke wijze ze de scores verantwoorden, is op het eerste gezicht nietszeggend.
  34. Verwerende partij stelt in de nota dat het middel steunt op een onjuiste lezing van de resultaten en zij zet bij ieder examen uiteen op welke wijze de resultaten dan wel dienen te worden gelezen. Deze motieven worden evenwel niet veruitwendigd in de bestreden beslissing zodat ze de miskenning van de for- melemotiveringsplicht niet goedmaken.
  35. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is bijgevolg vervuld. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de Provinciale Secundaire School Hasselt – Verpleegkunde van 5 september 2019 om het evaluatieresultaat ‘niet-geslaagd’ van Sigrid Smisdom te beves- tigen. IX-9624- 14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9624- 15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.746 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.872 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.