← België

Arrest 245761 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.761 Rolnummer: A. 221521/IX-9016 Zaak: Arrest 245761 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-24 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-06-28 18:36 Fiche Arrest nr 245.761 van 15 oktober 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.761 van 15 oktober 2019 in de zaak A. 221.521/IX-9016 In zake : XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Salomez kantoor houdend te 9000 Gent Blekersdijk 33 B bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 90 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 18 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 29 november 2016 van de directeur-generaal van de algemene directie Toezicht op de Sociale Wetten van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg dat XXXX vanaf 1 januari 2017 niet langer aanspraak kan maken op de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9016-1/13 Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2019. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Philip Vanstapel, die loco advocaat Kristof Salomez verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sociaal inspecteur bij de algemene directie Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (hierna: de FOD WASO). 3.2. Op 31 maart 2016 vraagt verzoeker de vertrouwenspersoon Integriteit van de FOD WASO om een voorafgaand advies in het kader van de wet van 15 september 2013 ‘betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar personeelsleden’ (hierna: de wet van 15 september 2013) inzake een veronderstelde integriteitsschending bij de FOD WASO. Deze vraag heeft IX-9016-2/13 betrekking op, eensdeels, het voor sommige personeelsleden onterecht afwijken van de reguliere arbeidsvoorwaarden van toepassing op de personeelsleden van de algemene directie TSW onder andere met betrekking tot vergoedingen en arbeidsduurregeling en, anderdeels, het intimideren door een leidinggevende van het personeelslid dat deze veronderstelde integriteitsschending intern heeft gemeld. 3.3. Na onderzoek van verzoekers melding komt de vertrouwenspersoon Integriteit op 13 april 2016 tot het besluit “dat er een redelijk vermoeden is dat de veronderstelde integriteitsschending heeft plaatsgevonden” en hij verleent een gunstig voorafgaand advies, met de vraag of verzoeker de melding van de veronderstelde integriteitsschending al dan niet formeel wil bevestigen. 3.4. Op 14 april 2016 bevestigt verzoeker zijn melding van een veronderstelde integriteitsschending formeel bij de vertrouwenspersoon Integriteit, waarna het dossier wordt bezorgd aan de federale ombudsman. 3.5. Na onderzoek van verzoekers melding stelt de federale ombudsman op 27 oktober 2016 een rapport op, waarin het volgende ‘Algemeen besluit’ wordt geformuleerd: “Het onderzoek beoogde een antwoord te formuleren op volgende onderzoeksvragen: 1) Wordt in het dossier van [sociaal inspecteur L.D.] afgeweken van de reguliere arbeidsvoorwaarden van toepassing op de personeelsleden van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale wetten, onder andere met betrekking tot vergoedingen en arbeidsduurregeling? 2) Wordt ook in andere dossiers afgeweken van deze reguliere arbeidsvoorwaarden? 3) Zijn deze afwijkingen van de reguliere arbeidsvoorwaarden gerechtvaardigd? 4) Heeft een leidinggevende het personeelslid dat deze veronderstelde integriteitsschending intern heeft gemeld, geïntimideerd? Op basis van de beoordeling van de vaststellingen uit het onderzoek, kunnen we de onderzoeksvragen als volgt beantwoorden: 1) Nee, in het dossier van [sociaal inspecteur L.D.] wordt niet afgeweken van de reguliere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de personeelsleden van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale IX-9016-3/13 wetten. Ze bleef geaffecteerd aan een buitendienst en voerde haar taken van rondreizend personeelslid verder uit. Het feit dat ze gebruik maakte van de tijdelijke uitwijkregeling, veranderde niets aan haar functie. Bijgevolg is er geen sprake van een integriteitsschending wat betreft het dossier van [sociaal inspecteur L.D.]. 2) Ja, in een aantal andere dossiers, met name van personeelsleden die geaffecteerd zijn aan het hoofdbestuur en geen rondreizende functie meer uitoefenen, wordt afgeweken van de reguliere arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de personeelsleden van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale wetten. 3) Nee, deze afwijkingen van de reguliere arbeidsvoorwaarden zijn niet gerechtvaardigd aangezien een niet-reguliere toepassing van de wetgeving al jaren in stand gehouden wordt met medeweten van het management zonder dat daar een redelijke verantwoording aan kan worden gegeven. Bijgevolg is er sprake van een integriteitsschending zoals bepaald in art. 2, 3°,

  1. a)van de wet van 15 september 2013 (‘een handeling (...) die een inbreuk is op de wetten, de besluiten, de omzendbrieven, de interne regels en de interne procedures die van toepassing zijn op de federale administratieve overheden en hun personeelsleden’) voor wat betreft het toekennen van vergoedingen aan personeelsleden die geaffecteerd zijn aan het hoofdbestuur en geen rondreizende functie uitoefenen en bijgevolg geen recht hebben op de bureau- en telefoonvergoeding en op de vergoeding voor verblijfkosten. Aangezien vastgesteld werd dat het de verantwoordelijkheid is van de DG TSW om een signaal te geven aan de dienst P&O in het geval een personeelslid door een gewijzigde personeelssituatie geen recht meer heeft op de vergoeding, komen we tot het besluit dat hij betrokken is bij bovenvermelde vastgestelde integriteitsschending. 4) Nee, het personeelslid dat de veronderstelde integriteitsschending intern heeft gemeld, werd niet geïntimideerd door een leidinggevende. Vanuit zijn functie als DG TSW beschouwde de betrokken leidinggevende het als zijn taak om zijn onderzoek niet te beperken tot het dossier van [sociaal inspecteur L.D.] maar alle gelijkaardige dossiers te bestuderen. Aangezien hij er zich van bewust was dat een aantal personen, waaronder de melder, de forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten ontvangen waarvan het niet meteen duidelijk was of die terecht was, geeft hij aan dat hij ook zijn dossier zal moeten onderzoeken. Op basis van het onderzoek, hebben we geen intimidatie kunnen vaststellen. Bijgevolg is er geen sprake van een integriteitsschending.” Voorts worden de volgende aanbevelingen gedaan: “1) De wettelijke bepalingen inzake vergoedingen respecteren Uit het onderzoek is gebleken dat de Algemene Directie TSW bij het toekennen van vergoedingen geval per geval bekijkt en het wettelijk kader voor het toekennen van vergoedingen uit het oog verliest. De federale Ombudsman beveelt aan om de vergoedingen toe te kennen in lijn IX-9016-4/13 met de wettelijke bepalingen, rekening houdend met de doelmatigheid van de maatregel. 2) Formaliseren van de beslissingsprocedures inzake personeelsdossiers Uit het onderzoek is gebleken dat heel wat beslissingen inzake personeelsdossiers niet geformaliseerd zijn, zoals de beslissing tot tijdelijke uitwijkregeling voor een personeelslid, de aangekondigde driemaandelijkse evaluatie in een traject van tijdelijke uitwijkregeling, het toekennen en stopzetten van vergoedingen, de beslissing over wie wel en wie niet rondreizend personeel is, ... . Aangezien enkel de betrokken partijen weten wat beslist werd, is het onmogelijk voor een dienst als P&O om als proceseigenaar haar controlefunctie ten gronde uit te oefenen. De federale Ombudsman beveelt aan om de beslissingsprocessen te formaliseren en transparant te zijn over deze beslissingsprocessen. Dat zou toelaten aan de dienst P&O om haar controlefunctie ten gronde te kunnen uitoefenen.” Zowel verzoeker als de FOD WASO wordt van deze conclusies in kennis gesteld. 3.6. Op 29 november 2016 stelt de directeur-generaal van de algemene directie TSW een nota op betreffende ‘De forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten toegekend aan sommige personeelsleden geaffecteerd bij of gedetacheerd naar het hoofdbestuur van TSW’. In die nota wijst de directeur-generaal op het oordeel van de federale ombudsman dat het toekennen van forfaitaire verblijfsvergoedingen aan sommige personeelsleden werkzaam bij het hoofdbestuur niet conform de reglementering is, wat een integriteitsschending uitmaakt in de zin van artikel 2, eerste lid, 3°, a), van de wet van 15 september 2013. Hij stelt dat de voorzitter van het directiecomité van de FOD WASO hem heeft opgedragen om een einde te stellen aan deze integriteitsschending en dat, aangezien verzoeker deel uitmaakt van de personeelsleden aan wie ten onrechte een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten werd toegekend, verzoeker vanaf 1 januari 2017 niet langer aanspraak kan maken op de toekenning van een forfaitaire verblijfsvergoeding. Dat is de bestreden beslissing. IX-9016-5/13 IV. Rechtsmacht van de Raad van State 4. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve opgeworpen dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring, omdat het in casu een geschil over een subjectief recht betreft waarbij de bevoegdheid van de verwerende partij inzake de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten met toepassing van de artikelen 1 en 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 ‘tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid’ (hierna: het ministerieel besluit van 17 juni 1991) volledig gebonden is. 5. In zijn laatste memorie betwist verzoeker de door het auditoraat ambtshalve opgeworpen exceptie. Volgens verzoeker is artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 en de daaraan verbonden conclusie inzake de aard van de bevoegdheid in hoofde van de verwerende partij niet relevant voor het onderzoek van de rechtsmacht van de Raad van State, nu de bestreden beslissing niet op basis van deze bepaling werd genomen. In de bestreden beslissing wordt immers nergens vermeld dat het bestuur, na een eigen onderzoek van de reglementaire voorwaarden voor de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten, tot de vaststelling is gekomen dat verzoeker niet aan die voorwaarden voldoet. Nergens wordt verwezen naar het ministerieel besluit van 17 juni 1991 en zeker niet naar artikel 3 van dit besluit. In de motivering van de bestreden beslissing wordt enkel verwezen naar het oordeel van de (onderzoekers van
  2. de)federale ombudsman en ook uit een schrijven van de voorzitter van het directiecomité van de FOD WASO van 9 december 2016 blijkt dat de bestreden beslissing enkel het gevolg is van de conclusies van het integriteitsonderzoek. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing een administratieve bestuurshandeling is, die genomen is op basis van een niet-bindend advies van de federale ombudsman, en dat de overheid bij het nemen van die beslissing wel over een discretionaire bevoegdheid beschikte die erin bestaat dat zij het advies ook had IX-9016-6/13 kunnen negeren, bijvoorbeeld omdat het onvolledig of betwistbaar is, of het advies slechts gedeeltelijk had kunnen uitvoeren. Zelfs indien de bestreden beslissing wel gesteund zou zijn op artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991, kan volgens verzoeker niet tot een afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State worden besloten, aangezien de verwerende partij bij het nemen van een beslissing met toepassing van het voornoemde artikel 3 over een discretionaire bevoegdheid beschikt, nu de tekst van artikel 3 – zeker inzake wat begrepen moet worden onder het begrip ‘rondreizend personeel’ – niet volledig duidelijk is en ruimte laat voor meerdere interpretaties. Verzoeker merkt op dat verschillende directeurs-generaal van de algemene directie TSW artikel 3 reeds op een andere wijze hebben toegepast. Zo was directeur-generaal R.G. van oordeel dat alle sociaal inspecteurs recht hebben op de forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten en dat het begrip ‘rondreizend personeel’ enkel bedoeld is om het technisch personeel te onderscheiden van de administratieve personeelsleden. Verzoeker wijst erop dat het Rekenhof deze interpretatie nooit in vraag heeft gesteld en dat ook directeur-generaal M.A. artikel 3 jarenlang op die manier heeft toegepast. Pas na het onderzoek van de veronderstelde integriteitsschending heeft directeur-generaal M.A. artikel 3 anders geïnterpreteerd, in die zin dat enkel de sociaal inspecteurs die controleactiviteiten op het terrein uitvoeren in aanmerking komen voor de toekenning van de forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten. Thans oordeelt de federale ombudsman, overigens zonder bevoegd te zijn om een dergelijk standpunt in te nemen en zonder dat verzoeker de mogelijkheid kreeg om hierover tegenspraak te voeren, dat de huidige interpretatie van artikel 3 door directeur-generaal M.A. de juiste is en dat de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten aan verzoeker en bepaalde andere sociaal inspecteurs werkzaam bij het centraal bestuur een integriteitsschending vormt en niet conform de reglementering is. Verzoeker meent dat er evenwel voldoende juridische argumenten voorhanden zijn die nopen tot het besluit dat hij wel recht heeft op de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten. Hij wijst erop dat adviseurs – die geen controles op het terrein uitvoeren – niet in aanmerking zouden komen voor de forfaitaire IX-9016-7/13 vergoeding indien deze enkel zou zijn bedoeld voor sociaal inspecteurs die op het terrein controlewerkzaamheden doen, maar dat adviseurs niettemin toch in artikel 3 als rechthebbenden worden vermeld. Volgens verzoeker kan op basis van die vermelding worden afgeleid dat de toepassing van artikel 3 zoals dit gebeurde door directeur-generaal R.G. juridisch correcter is, en toont het verschil in interpretaties van artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 in ieder geval aan dat er in hoofde van de verwerende partij wel een discretionaire beoordelingsbevoegdheid bestaat. Hij merkt ook nog op dat directeur-generaal M.A. zijn nieuwe interpretatie van artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 nooit heeft toegepast voor de sociaal inspecteurs die niet bij het centraal bestuur werkzaam zijn en geen controles op het terrein uitvoeren. Een wijziging waarbij de sociaal inspecteurs werkzaam bij het contactcentrum niet langer recht zouden hebben op de forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten werd wel aangekondigd, maar nooit uitgevoerd. Dat verschillende beslissingen worden genomen naargelang waar het personeelslid tewerkgesteld is, bewijst volgens verzoeker eens te meer dat bij het nemen van een beslissing met toepassing van artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 een discretionaire beoordelingsruimte bestaat. Ten slotte laat verzoeker nog gelden dat de verwerende partij thans geheel ten onrechte beweert dat de bestreden beslissing beschouwd moet worden als een dienstnota die voor de toekomst de correcte toepassing van artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 verzekert. Hij argumenteert dat nergens in de bestreden beslissing wordt verwezen naar het ministerieel besluit van 17 juni 1991, laat staan naar artikel 3 ervan, en dat de bestreden beslissing bovendien enkel aan hem blijkt te zijn gericht en niet aan alle betrokken ambtenaren. Volgens verzoeker heeft de bestreden beslissing dan ook niet de draagwijdte van een algemene nota maar betreft het een beslissing met een individuele draagwijdte en kan dit standpunt van de verwerende partij dan ook niet worden gehanteerd om de stelling te schragen dat haar bevoegdheid volledig gebonden is. IX-9016-8/13 6.1. Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en C.11.0457.F). 6.2. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een – in dit geval niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen, als de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden is (Cass. 9 december 2016, C.16.0057.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2). 7.1. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de beslissing waarbij verzoeker vanaf 1 januari 2017 niet langer aanspraak kan maken op de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten. IX-9016-9/13 7.2. Op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing gebeurde de toekenning van deze vergoeding met toepassing van het ministerieel besluit van 17 juni 1991. Artikel 1 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991, in de versie van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, luidt: “Er wordt maandelijks een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten toegekend aan de personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid vermeld in de artikelen 2 en 3 van dit besluit. Deze mag niet worden gecumuleerd met de vergoeding wegens verblijfkosten bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, met uitzondering van de toeslag wegens nachtverblijf, noch met de rondreisvergoeding bedoeld bij het ministerieel besluit van 24 maart 1965 tot toekenning van een rondreisvergoeding aan ambtenaren en beambten van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid die uitsluitend reizende functies uitoefenen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 27 november 1970 en 16 oktober 1974. De personeelsleden die voormelde vergoeding genieten en die naar hun woonplaats of administratieve standplaats terugkeren om er het middagmaal te gebruiken, mogen geen reiskosten in rekening brengen voor deze verplaatsing.” Artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991, in de versie van toepassing ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, bepaalt: “Voor het rondreizend personeel van de ‘Algemene Directie van het Toezicht op de Sociale Wetten’, is de in artikel 1 bedoelde vergoeding als volgt vastgesteld: - voor de technisch deskundigen: 16 maal het bedrag dat in toepassing van de artikelen 2 en 3 van het voormelde koninklijk besluit van 24 december 1964 aan de titularissen van de overeenkomstige rangen wordt toegekend voor verplaatsingen van 8 uur en meer; - voor de adviseurs en attachés: 10 maal het bedrag dat in toepassing van de artikelen 2 en 3 van het voormelde koninklijk besluit van 24 december 1964 aan de titularissen van de overeenkomstige rangen wordt toegekend voor verplaatsingen van 8 uur en meer.” 7.3. Uit de voormelde bepalingen blijkt dat de voorwaarden voor de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten objectief door IX-9016-10/13 reglementaire bepalingen zijn vastgelegd. Het ministerieel besluit van 17 juni 1991 bepaalt al de voorwaarden op grond waarvan, voor diegenen die de voorwaarden vervullen, een subjectief recht op een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten ontstaat. Anders dan verzoeker het ziet, komt aan de toepassing van die bepalingen geen uitoefening van enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid te pas. Dat de verwerende partij artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 – en in het bijzonder het begrip ‘rondreizend personeel’ – moet interpreteren en in het verleden een andere interpretatie heeft toegepast, doet daaraan geen afbreuk, aangezien er hoe dan ook slechts één interpretatie de juiste vermag te zijn, namelijk de wettige, imperatieve interpretatie. Al wat de verwerende partij kan doen is vaststellen, verklaren, erkennen dat verzoeker de voorwaarden voor de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten vervult of niet vervult. Een dergelijke beslissing is louter declaratief. 8. Dat is ook het geval voor de thans bestreden beslissing. De verwerende partij heeft naar aanleiding van de door de federale ombudsman verstrekte aanbeveling vastgesteld dat de toekenning van forfaitaire vergoedingen wegens verblijfskosten aan sommige personeelsleden van het hoofdbestuur – waaronder verzoeker – die tot dan toe was gebeurd, niet conform de toepasselijke reglementering was. Vervolgens heeft zij met de thans bestreden beslissing vastgesteld dat verzoeker niet beantwoordt aan de in artikel 1 juncto artikel 3 van het ministerieel besluit van 17 juni 1991 bepaalde voorwaarden voor de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten. Dat in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar (artikel 3 van) het ministerieel besluit van 17 juni 1991 doet aan die conclusie geen afbreuk. Ten aanzien van verzoeker werd met andere woorden enkel vastgesteld dat hij geen recht heeft op een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten en daarom werd deze vergoeding hem vanaf 1 januari 2017 niet langer toegekend. IX-9016-11/13 9. Uit wat voorafgaat blijkt dat het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing in wezen de vraag aan de orde stelt naar het bestaan en de omvang van verzoekers subjectief recht op een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten, zoals dit volledig en dwingend door het ministerieel besluit van 17 juni 1991 wordt geregeld. De kennisneming van dat geschil valt niet toe aan de Raad van State, maar aan de gewone hoven en rechtbanken. Het komt aan verzoeker toe, indien hij meent recht te hebben op deze forfaitaire vergoeding, de betwisting hierover voor te leggen aan de gewone rechter. 10. De Raad van State is zonder rechtsmacht om van het voorliggende beroep tot nietigverklaring kennis te nemen. V. Anonimisering 11. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoeker dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9016-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9016-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.761 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.