← België

Arrest 245767 - Overheidsopdrachten - 15/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.767 Rolnummer: A. 229207/XII-8803 Zaak: Arrest 245767 - Overheidsopdrachten - 15/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:13 Fiche Arrest nr 245.767 van 15 oktober 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 245.767 van 15 oktober 2019 in de zaak A. 229.207/XII-8803 In zake: de NV FRANKI CONSTRUCT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups en Kris Lemmens kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: GO! ONDERWIJS VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Ruben Dewulf kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c b113 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV VANDENBUSSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 25 september 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap van 9 september XII-8803-1/13 2019 waarbij de overheidsopdracht voor werken met als voorwerp „De Pinte Go! Atheneum Erasmus – Nieuwbouw klassenvleugel‟ niet aan NV Franki Construct maar aan NV Vandenbussche gegund werd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 4 oktober 2019 heeft de nv Vandenbussche gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019, om 11.00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Kris Lemmens en Cédric Vandekeybus, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Jens Debièvre, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Carlos De Wolf en Charlotte De Wolf, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.l. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “De Pinte Go! atheneum Erasmus – Nieuwbouw klassenvleugel”. XII-8803-2/13 De opdracht wordt geraamd op 3.797.536,00 euro (btw niet inbegrepen). De plaatsing van de opdracht gebeurt via een openbare procedure met alleen de prijs als gunningscriterium. 3.
  4. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 6 februari
  5. 3.
  6. In het op de opdracht toepasselijk bestek worden een aantal “pro memorie” posten opgenomen, waaronder een “post 04.
  7. brandveiligheid – algemeen”, waarin wordt bepaald dat strikt dient te worden voldaan aan de bepalingen van het brandpreventieverslag dat werd opgemaakt in het kader van de omgevingsvergunning. Bij de initiële opdrachtdocumenten wordt dit “brandpreventieverslag” evenwel niet gevoegd. 3.
  8. Op 4 maart 2019 wordt een terechtwijzend bericht bekend- gemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen, waarin de volgende inlichtingen worden vermeld: “De brandweeradviezen werden toegevoegd bij de aanbestedings- documenten, als ZIP-bestand met de naam 2770_7_EXTRA_Brandweeradviezen.ZIP Deze worden aanzien als onderdeel van het aanbestedingsdossier. Deze brandweeradviezen worden geacht strikt te worden toegepast.” De brandweeradviezen van 5 november 2018 en van 19 december 2018 bevatten de voorschriften bij het bouwen van de tijdelijke containerklassen. Het brandweeradvies van 21 december 2018 bevat de voorschriften bij het uitbreiden van het (bestaande) schoolgebouw. Het advies van de ASTRID-veiligheidscommissie van 11 februari 2019 met als voorwerp de tijdelijke gebouwen is gunstig en motiveert dat “[g]ezien het tijdelijke karakter van de moduleklassen [...] er geen indoordekking [dient] voorzien te worden”. Het advies van de ASTRID-veiligheidscommissie van 13 februari 2019 met als voorwerp het XII-8803-3/13 bestaande hoofdgebouw is voorwaardelijk gunstig en motiveert dat “[g]ezien het aantal leerlingen het criterium van 150 overschrijdt, [...] de commissie [heeft] beslist dat er indoordekking dient aanwezig te zijn in de school”. In de “Toelichtingsnota m.b.t. de respectievelijke brandweer- adviezen” van de ontwerper van 4 maart 2019, gevoegd bij het voornoemde terechtwijzend bericht, wordt op algemene wijze het volgende opgemerkt: “De bepalingen van de brandweeradviezen worden geacht strikt te worden toegepast. De brandweeradviezen worden aanzien als onderdeel van het aanbestedingsdossier. Waar nodig dienen noodzakelijke aanpassingen als leemte te worden opgenomen in de offerte.” Betreffende het “groot modulegebouw” wordt vastgesteld dat er in het brandweeradvies een verwijzing is naar een eventueel ASTRID-netwerk, doch dat het advies van de ASTRID-veiligheidscommissie geen specifieke maatregelen vraagt gezien het tijdelijk karakter van het gebouw. Betreffende het “hoofdgebouw” wordt opgemerkt: “Het brandweerverslag vermeld[t]: „De brandwerende deur op niveau +1 ter hoogte van de toiletten B.1.11 en B.1.13 draait bij voorkeur in beide richtingen open.‟ Gelieve dit als leemte op te nemen in uw offerte.” 3.
  9. Vervolgens dienen vijf inschrijvers een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de nv Vandenbussche. Drie van de vijf inschrijvers maken in een nota inzake leemtes en hoeveelheden melding van een leemte voor de verplichte ASTRID-indoordekking in het hoofdgebouw met opgave van een kostenpost. 3.
  10. Uit het verslag van nazicht van 2 september 2019 en het “rekenkundig nazicht in detail” blijkt dat de door een aantal inschrijvers opgeworpen leemte inzake het ASTRID-netwerk wordt aanvaard en de offerteprijzen van de overige inschrijvers bijgevolg worden verrekend met toepassing van de leemteformule. XII-8803-4/13 Op grond van een vergelijking van de verbeterde offertebedragen, wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de nv Vandenbussche. 3.
  11. Op 9 september 2019 beslist de verwerende partij om de opdracht overeenkomstig het verslag van nazicht te gunnen aan de nv Vandenbussche. Met een aangetekende brief en e-mailbericht van 10 september 2019 wordt de verzoekende partij hiervan in kennis gesteld. IV. Tussenkomst
  12. De nv Vandenbussche blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  13. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  14. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. XII-8803-5/13 Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  15. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4, 66, § 3, en 81, § 1, van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van de artikelen 79, 81 en 86, § 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, van het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers en non-discriminatie, “dat voortvloeit uit artikel 4 van de [voormelde] wet van 17 juni 2016” en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, evenals van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële en formele motiveringsplicht”. De verzoekende partij acht deze bepalingen en beginselen geschonden doordat: “Go! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap ten onrechte oordeelde dat de opdrachtdocumenten een leemte bevatten omdat niet voorzien zou zijn in een specifieke afzonderlijke post met betrekking tot het Astrid-systeem, terwijl uit de opdrachtdocumenten duidelijk blijkt dat deze werken XII-8803-6/13 onderdeel uitmaakten van de voorziene Pro Memorie-post “04.
  16. Brandveiligheid – algemeen”. doordat Go! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap de toepassing van de leemte formule vervat in artikel 86 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren, zonder meer toepast ten aanzien van de offerte van NV Franki Construct en vervolgens de opdracht toewees aan NV Vandenbussche, - terwijl de opdracht conform artikel 81, § 1 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten dient gegund de worden aan de inschrijver met de economisch meest voordelige offerte; - en terwijl, de aanvulling van een leemte en de toepassing van de daartoe voorgeschreven formule dient te steunen op deugdelijke motieven en evident enkel mogelijk is voor zover er effectief sprake is van een leemte (quod non); - en terwijl, zelfs indien er sprake is van een leemte in de opdrachtdocumenten (quod non), enkel een aanvulling dient te gebeuren van de offertes van die inschrijvers die geen prijs gaven voor de desbetreffende werken; - en terwijl, het gelijkheidsbeginsel zoals o.a. vervat in artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten met zich meebrengt dat inschrijvers die zich in een verschillende situatie bevinden, niet op eenzelfde wijze behandeld mogen worden; - en terwijl, artikel 86, § 3 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren alsook de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, vereisen dat het bestuur de noodzaak en gegrondheid van eventuele aanvullingen nauwkeurig onderzoekt vooraleer daartoe over te gaan.” Uit de toelichting bij het middel blijkt dat de verzoekende partij in essentie betoogt dat het ASTRID-netwerk geen leemte in de opdracht- documenten betrof en dat de verwerende partij ten onrechte de leemteformule heeft toegepast. Ondergeschikt betoogt zij dat, zelfs indien het ASTRID-netwerk een leemte zou zijn geweest, dan nog haar offerte niet mocht worden aangevuld aangezien de betrokken prestaties wel degelijk reeds vervat waren in haar offerte. Minstens handelde de verwerende partij volgens haar onzorgvuldig door haar offerte eenvoudigweg aan te vullen zonder haar hierover eerst te bevragen. In de mate dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat de argumentatie van de verzoekende partij om aan te tonen dat haar offerte zonder XII-8803-7/13 onrechtmatige toevoeging de economisch meest voordelige offerte zou zijn geweest niet volstaat, verzoekt zij de Raad bovendien om de verwerende partij “de overlegging te bevelen van de stukken uit het administratief dossier waaruit het specifiek door haar gehanteerde bedrag m.b.t. de beweerdelijke „leemte‟ blijkt”. Beoordeling
  17. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet overheids- opdrachten 2016 dienen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen en dienen zij op een transparante en proportionele wijze te handelen. Artikel 66, § 3, eerste lid,van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “Onverminderd artikel 39, § 6, tweede lid, kan de aanbestedende overheid, wanneer de door de kandidaat of inschrijver in te dienen informatie of documentatie onvolledig of onjuist is of lijkt te zijn of wanneer specifieke documenten ontbreken, de betrokken kandidaat of inschrijver verzoeken die informatie of documentatie binnen een passende termijn in te dienen, aan te vullen, te verduidelijken of te vervolledigen, mits dergelijke verzoeken worden gedaan met volledige inachtneming van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie en, indien gebruik wordt gemaakt van de openbare of de niet-openbare procedure, zonder dat dit aanleiding mag geven tot een wijziging van de essentiële elementen van de offerte.” Artikel 81, § 1, van de voormelde wet, bepaalt dat de aanbestedende overheid de gunning van overheidsopdrachten steunt op de economisch meest voordelige offerte. Artikel 79 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “§
  18. Indien bij de opdrachtdocumenten een samenvattende opmeting of inventaris is gevoegd, vult de inschrijver deze in en maakt hij de nodige berekeningen. §
  19. De inschrijver voert, rekening houdende met de opdrachtdocumenten, zijn beroepskennis of persoonlijke vaststellingen, verbeteringen door voor : [...] 3° de leemten in de samenvattende opmeting of inventaris. XII-8803-8/13 Hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van deze verbeteringen.” Artikel 81 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 luidt: “Als een ondernemer in de opdrachtdocumenten fouten of leemten ontdekt die van die aard zijn dat ze de prijsberekening of de vergelijking van de offertes onmogelijk maken, meldt hij dit onmiddellijk en schriftelijk aan de aanbestedende overheid. Alleszins verwittigt hij haar ten laatste tien dagen vóór de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes, tenzij zulks onmogelijk is door de inkorting van de termijn voor ontvangst van de offertes. De aanbestedende overheid oordeelt of de fouten of leemten voldoende belangrijk zijn om tot een rechtszettingsbericht over te gaan of tot een andere vorm van aangepaste bekendmaking en om, indien nodig en met inachtneming van artikel 9, tweede en derde lid, de termijn voor de indiening van de offertes te verlengen.” Voorts beschrijft artikel 86, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 de door de aanbestedende overheid te volgen werkwijze “[t]elkens er met toepassing van artikel 79, § 2, een leemte in de samenvattende opmeting of in de inventaris is aangevuld”, en bepaalt dat “[i]ndien de andere inschrijvers geen prijzen voor deze leemten hebben voorgesteld, [...] deze prijzen, voor elke post, met het oog op de rangschikking van de offertes, volgens de onderstaande formule [worden] berekend en [...] behouden [blijven] bij de definitieve verbetering van de offertes”.
  20. In het enig middel betoogt de verzoekende partij in de eerste plaats dat het zogenaamde ASTRID-netwerk geen leemte in de opdracht- documenten betrof, “gelet op de duidelijke bewoordingen van het bestek en het feit dat de ASTRID-adviezen intrinsiek deel uitmaakten van de brandpreventie- verslagen”, en dat de verwerende partij aldus ten onrechte de “leemte formule” heeft toegepast. Een leemte in de zin van artikel 86, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 betreft een onderdeel van de opdracht dat nodig is voor de uitvoering, maar in geen enkele post van de samenvattende opmeting vervat zit, XII-8803-9/13 zodat dient te worden aangenomen dat de inschrijvers die de leemte niet hebben aangevuld geen prijs opgaven voor die prestatie. In het verslag van nazicht wordt de betrokken leemte aanvaard, verwijzend naar “het nagestuurde verslag van de betrokken dienst dat een Astrid netwerk vereist is” en de omstandigheid dat dit advies pas na opmaak van het aanbestedingsdossier werd overgemaakt en bijgevolg niet is opgenomen in het aanbestedingsdossier. Er wordt vastgesteld dat de samenvattende opmetingsstaat geen afzonderlijke post bevat inzake het vereiste ASTRID-netwerk. Bovendien blijkt dat drie van de vijf inschrijvers, anders dan de verzoekende partij, de kosten voor het vereiste ASTRID-netwerk als leemte in de samenvattende opmeting hebben opgegeven in hun offerte en hiervoor aldus een afzonderlijke prijs hebben opgegeven. De verzoekende partij maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de kostprijs voor dit vereiste ASTRID-netwerk onderdeel uitmaakte van de in het bestek reeds voorziene pro memorie-post “04.
  21. brandveiligheid – algemeen”. Uit de stukken van het dossier blijkt integendeel dat de brandweeradviezen, evenals de adviezen van de ASTRID-veiligheidscommissie waaruit de noodzaak van de aanleg van een ASTRID-netwerk voor het hoofdgebouw bleek, pas werden gevoegd bij het bestek via het voornoemde terechtwijzend bericht bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 4 maart
  22. In de bijgevoegde toelichtingsnota van de ontwerper van 4 maart 2019 werd uitdrukkelijk aangegeven dat “[w]aar nodig […] noodzakelijke aanpassingen als leemte [dienen] te worden opgenomen in de offerte”. In die zin blijkt op het eerste gezicht ook niet dat de aanbestedende overheid bij het aanvaarden van de leemte terug zou komen op duidelijke bepalingen uit het bestek en de toelichtingsnota. De omstandigheid dat artikel 28 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 toestaat dat alle algemene en financiële kosten alsmede de winst verdeeld worden over de onderscheiden posten, en naar het standpunt van de verzoekende partij een vergelijkbare handelwijze ten aanzien van de pro-memoriepost “04.
  23. brandveiligheid – algemeen” mogelijk is, doet geen afbreuk aan het voorgaande. XII-8803-10/13 Uit de omstandigheid dat de ontwerper zelf in zijn toelichtingsnota van 4 maart 2019 betreffende het “hoofdgebouw” enkel melding maakt van een leemte inzake de brandwerende deur op niveau +1, lijkt op het eerste gezicht niet te mogen worden afgeleid dat de inschrijvers andere aanpassingen die hieruit zouden voortvloeien niet als leemten zouden mogen opgeven. Inschrijvers lijken, overeenkomstig het voormelde artikel 79, § 2, 3°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, immers vrij, en zelfs verplicht te zijn, om elke leemte die zij ontdekken, aan te vullen, zoals overigens in de voornoemde nota uitdrukkelijk met betrekking tot de brandweeradviezen wordt gesteld.
  24. De verzoekende partij betoogt in het enig middel voorts dat, zelfs indien de kosten voor het ASTRID-netwerk een leemte zouden zijn geweest, dan nog haar offerte niet mocht worden aangevuld aangezien de betrokken prestaties wel degelijk reeds vervat waren in haar offerte. Uit de bij haar offerte gevoegde nota inzake leemten, blijkt niet dat de verzoekende partij een prijs voor deze leemte heeft voorgesteld. Evenmin toont de verzoekende partij aan dat elders uit haar offerte duidelijk blijkt dat de kosten voor het ASTRID-netwerk in haar offerte zijn inbegrepen, laat staan dat zij hiervoor een afzonderlijke kostprijs zou hebben opgegeven. Dit blijkt op het eerste gezicht ook niet uit het begeleidend schrijven bij de offerte waarin slechts op algemene wijze wordt verklaard dat de inschrijver heeft rekening gehouden met de terechtwijzende berichten. Evenmin kan dit worden afgeleid uit haar brief van 11 juni 2019 met bijkomende inlichtingen over de posten betreffende de tijdelijke gebouwen, waarop de litigieuze leemte geen betrekking had. Ook het e-mailbericht van 6 maart 2019, gericht aan een kandidaat-onderaannemer en de offerte van kandidaat-onderaannemer bvba Elektriciteit Rik Vandemoortele, met daarin ook opgave van de kosten voor het ASTRID-netwerk, blijken op het eerste gezicht niet gevoegd te zijn bij de offerte zodat de verwerende partij hiervan geen kennis kon nemen. In die omstandigheden gaat het de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten dat de verwerende partij de verzoekende partij heeft beschouwd als een inschrijver die geen prijs voor deze leemte had voorgesteld en aldus de leemteformule heeft toegepast. XII-8803-11/13
  25. In de mate dat de verzoekende partij nog aanvoert dat de verwerende partij minstens onzorgvuldig heeft gehandeld door haar offerte eenvoudigweg aan te vullen zonder haar hierover eerst te bevragen, dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat geen enkele bepaling aan de aanbestedende overheid lijkt op te leggen om bij het nazicht van leemtes in de meetstaat de overige inschrijvers te bevragen. Artikel 66, § 3, van de wet overheidsopdrachten 2016, daargelaten of deze bepaling van toepassing is in geval van een leemte in de opdrachtdocumenten, noch artikel 86, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 voorzien in een dergelijke verplichting voor de aanbestedende overheid. Een dergelijke handelwijze lijkt overigens in beginsel in te druisen tegen het gelijkheids- en transparantiebeginsel.
  26. Gelet op hetgeen voorafgaat, lijkt er op het eerste gezicht geen sprake te zijn van een onrechtmatige toevoeging van de kosten voor het ASTRID-netwerk bij het offertebedrag van de verzoekende partij, zodat er ten slotte geen noodzaak bestaat om “de overlegging te bevelen van de stukken uit het administratief dossier waaruit het specifiek door [de verwerende partij] gehanteerde bedrag m.b.t. de beweerdelijke „leemte‟ blijkt”. Voor zover de verzoekende partij daarbij nog betoogt dat het gebrek aan een gedetailleerde weergave van het gehanteerde bedrag op zich reeds in strijd is met het zorgvuldigheids- en transparantiebeginsel en de formelemotiveringsplicht, wordt vastgesteld dat de bevindingen in het verslag van nazicht tevens worden ondersteund door het “rekenkundig nazicht in detail” waarvoor de vertrouwelijke behandeling werd gevraagd maar waarop de Raad van State acht mag slaan, en waaruit de gehanteerde bedragen voor het ASTRID-netwerk bij elk van de offertes blijken.
  27. Het enig middel is niet ernstig. De vordering tot schorsing wordt bijgevolg afgewezen. XII-8803-12/13 BESLISSING
  28. Het verzoek van de nv Vandenbussche tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, kamervoorzitter, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Patricia De Somere XII-8803-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.