id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.779 Rolnummer: A. 227475/X-17447 Zaak: Arrest 245779 - Wegenwezen - 15/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-22 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:13 Fiche Arrest nr 245.779 van 15 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 245.779 van 15 oktober 2019 in de zaak A. 227.475/X-17.447 In zake: Guy COLSON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD MAASEIK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA NOVA EYCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Mathieu Cilissen kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 17 december 2018 van de gemeenteraad van de stad Maaseik inzake zaak van de wegen: Verkaveling 874.2/2018/014 Bleumerveld fase 1 (Algemeen) tot goedkeuring van het tracé van de weg, zoals weergegeven op het ingediende wegenis- en verkavelingsplan dd. 16 mei 2018 door Nova Eycke en Olivier Buyckx voor de projectzone Bleumerveld fase 1, zoals meegedeeld aan verzoeker per e-mail dd. 19 februari 2019”. X-17.447- 1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 8 mei
- De bvba Nova Eycke heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 maart
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Op respectievelijk 18 juli en 22 juli 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker, de tussenkomende partij en aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Buket Karaca, die loco advocaat Koenraad Maenhout verschijnt voor verzoeker en advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.447- 2/5 III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
- Verzoeker betwist terecht niet dat bij de kennisgeving aan hem van de memorie van antwoord, de griffie, zoals vereist door artikel 14bis, § 2, van voormeld besluit van de Regent, melding heeft gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State. Er is hem, in het kader van de toepasselijke elektronische procedure, een e-mailbericht toegestuurd waarin hij erop geattendeerd werd dat “de verzoekende partij over een termijn van zestig dagen [beschikt] om aan de griffie van de Raad van State een memorie van wederantwoord te laten geworden”. Tevens werd zijn “bijzondere aandacht” gevestigd op het meer genoemde artikel 21, tweede lid, en werd hij in de gelegenheid gesteld de tekst ervan te raadplegen, via een link naar “[d]e toepasselijke wetgeving”.
- Naar verzoeker ter terechtzitting toelicht, heeft hij de verplichting tot het indienen van een memorie van wederantwoord over het hoofd gezien omdat het e-mailbericht niet het uitzicht had van de klassieke brief die de griffie pleegt toe te sturen wanneer niet de elektronische procesvoering wordt gebruikt. In die brief worden de woorden “een termijn van zestig dagen” in het vet gedrukt en onderlijnd, en wordt op de ommezijde onder meer de tekst van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State gereproduceerd. X-17.447- 3/5
- Anders dan verzoeker meent is de omstandigheid dat een mededeling die de griffie aan een partij doet een enigszins verschillende vorm en voorkomen vertoont naargelang ze wel of niet gebeurt in het kader van de elektronische procesvoering, op zichzelf onvoldoende om tot een verboden discriminatie te doen besluiten. Voorts was het e-mailbericht dat verzoeker van de griffie ontving kort en niet mis te verstaan: gemeld werd dat een memorie van antwoord was neergelegd, dat een verzoekende partij over zestig dagen beschikt voor het toezenden van een memorie van wederantwoord, en dat artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State “voor wat betreft de gevolgen van het niet (tijdig) indienen van memories” verzoekers “bijzondere aandacht” verdient. In de gegeven omstandigheden kan geen overmacht of onoverwinnelijke dwaling warden aangenomen ter vergoelijking dat verzoeker naliet een memorie van wederantwoord in te dienen.
- Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.447- 4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter , bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.447- 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div