← België

Arrest 245785 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.785 Rolnummer: A. 228431/XIV-38085 Zaak: Arrest 245785 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-25 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-21 21:58 Fiche Arrest nr 245.785 van 15 oktober 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.785 van 15 oktober 2019 in de zaak A. 228.431 /XIV-38.085 In zake: Björn COOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 21 juni 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de burgemeester van de stad Brugge van 26 april 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.085-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaten Bart Staelens en Veerle Huysman, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de lokale politiezone Brugge (PZ 5444). 3.
  6. Met het inleidend verslag van 20 augustus 2018 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen ervan, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.
  7. Op 21 september 2018 dient verzoeker een verweerschrift in. Hierin verzoekt hij twee getuigen te horen en vraagt hij om gehoord te worden. XIV-38.085-2/21 Op 28 september 2018 wordt verzoeker gehoord. 3.
  8. Met een nota van 1 oktober 2018 stelt de hogere tuchtoverheid verzoeker op 3 oktober 2018 in kennis van haar beslissing van 1 oktober 2018 om overeenkomstig artikel 38sexies, vierde lid van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet) de termijn van vijftien dagen bedoeld in datzelfde artikel te verlengen tot de termijn die noodzakelijk is om de door verzoeker in zijn verweerschrift gevraagde getuigen te horen. 3.
  9. Op 1 oktober 2018 worden beide getuigen gehoord. Hiervan wordt op 17 oktober 2018 verslag gemaakt. Met een nota van 19 oktober 2018 wordt dat verslag bezorgd aan verzoeker en wordt hem meegedeeld dat de hogere tuchtoverheid besliste hem een termijn van acht werkdagen toe te kennen om zijn aanvullend verweer op te stellen, te rekenen vanaf de dag van ontvangst van die betekening. Verzoeker neemt op 24 oktober 2018 kennis van die betekeningsnota. 3.
  10. Op 24 oktober 2018 dient verzoeker een aanvullend verweer in. 3.
  11. Op 7 november 2018 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoeker tekent voor ontvangst ervan op 8 november
  12. 3.
  13. Verzoeker dient een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad, die in zijn definitief advies van 26 maart 2019, in hoofdorde, adviseert dat de hogere tuchtoverheid zou afzien van verdere vervolging gelet op de dwingende bepaling van artikel 38sexies van de tuchtwet. In ondergeschikte orde adviseert hij dat de (uiteindelijk aan verzoeker) tenlastegelegde feiten zoals XIV-38.085-3/21 heromschreven, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat ze een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware straf van ontslag van ambtswege voor de bewezen feiten een passende straf is. 3.
  14. Op 12 april 2019 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en om het initiële voorstel tot zware tuchtstraf te behouden. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. 3.
  15. De hogere tuchtoverheid beslist op 26 april 2019 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-38.085-4/21 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  17. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 38sexies van de tuchtwet en de onbevoegdheid van de steller van de handeling. Volgens hem is determinerend dat de beslissingstermijn van de verwerende partij bedoeld in artikel 38sexies van de tuchtwet wordt verlengd met “de termijn nodig voor deze confrontatie en de repliek van de verzoeker daarop”, waarbij de bewoordingen “de termijn nodig”, betrekking hebben op de concrete termijn voor het horen van de getuigen en het door verzoeker in aansluiting daarop ingediende aanvullend verweer. Hij leidt uit het arrest nr. 203.263 van 26 april 2010 af dat daartoe determinerend is, “de dag waarop het bestuur kennis krijgt van het verweer van de betrokkene tegen dat getuigenverhoor”. Toegepast op zijn geval oordeelt verzoeker dat de termijn van vijftien dagen bepaald in artikel 38sexies van de tuchtwet aanving op 28 september
  18. Op 1 oktober 2018 besloot de hogere tuchtoverheid tot het horen van getuigen en op 24 oktober 2018 heeft de hogere overheid de resultaten ervan ter beschikking gesteld van verzoeker die op 24 oktober 2018 een aanvullend verweerschrift indiende waarvan de tuchtoverheid op 24 oktober 2018 kennis kreeg. Aldus was de termijn van vijftien dagen geschorst van 1 tot en met 24 oktober
  19. Er restte nog twaalf dagen zodat de laatste nuttige dag waarop de beslissing diende te zijn genomen en ter kennis gebracht, 5 november 2018 was. De betekening op 8 november 2018 was derhalve laattijdig en dus is de tuchtbeslissing onwettig. Volgens verzoeker gaat de tekstuele lezing die de verwerende partij geeft in tegen de duidelijke tekst van artikel 38quinquies van de tuchtwet en geeft zij een verkeerde strekking aan het arrest nr. 227.067 van de Raad van State. Volgens verzoeker stelt artikel 38quinquies van de tuchtwet geen verplichting in om minstens de vijfdagentermijn af te wachten: die bepaling stelt enkel de termijn vast die het personeelslid gegund moet zijn en het is aan het personeelslid om dan uit te maken XIV-38.085-5/21 hoeveel tijd hij in concreto nodig heeft. Voorts wijst verzoeker erop dat de tuchtoverheid de plicht heeft om de tuchtprocedure zo spoedig mogelijk af te werken. Volgens hem verwijst artikel 38sexies van de tuchtwet expliciet naar het begrip van de “noodzakelijke termijn” in relatie tot een verlenging met betrekking tot de toepassing van artikel 38quinquies van de tuchtwet, waarbij het verschil tussen “de termijn” in toepassing van artikel 24, derde lid, van die wet, en de “noodzakelijke termijn” volgens verzoeker er in zit dat de tuchtoverheid verplicht is de procedure zo vlug mogelijk af te handelen en dat de termijnen bij toepassing van artikel 38quinquies van de tuchtwet verder lopen bij ontvangst van het verweerschrift van het personeelslid. Voorts wijst hij erop dat de voorliggende situatie totaal verschilt van de situatie bedoeld in artikel 38quater van de tuchtwet. In het geval van die laatste bepaling is er een bescherming van het personeelslid zodat de tuchtoverheid het geen verhoor kan opdringen vooraleer die termijn van dertig dagen is verstreken. De vervaltermijn bedoeld in artikel 38sexies is gesteld in het voordeel van verzoeker. Beoordeling
  20. De artikelen 38quinquies en 38sexies van de tuchtwet luiden: “Art. 38quinquies. De hogere tuchtoverheid hoort steeds, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. De getuigenverklaringen die verzameld worden nadat het betrokken personeelslid het tuchtdossier heeft geraadpleegd, worden hem medegedeeld. Hij beschikt over een termijn bepaald door de tuchtoverheid en die niet korter mag zijn dan vijf werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die verklaringen om, zonodig, een aanvullend verweer in te dienen. Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door XIV-38.085-6/21 kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen, of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.
  21. Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet moet de hogere tuchtoverheid haar beslissing over de tuchtvordering, binnen een termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer, ter kennis brengen van de betrokken politieambtenaar. Artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet voorziet in twee mogelijkheden om de termijn van vijftien dagen te verlengen. Eén daarvan is de te dezen toepasselijke mogelijkheid de termijn te verlengen “met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen.” De voornoemde bepaling heeft betrekking op “de nuttige getuigenverklaringen die [de hogere tuchtoverheid] nodig acht, gelet op hun band met het dossier.” Inzake deze mogelijkheid tot termijnverlenging, stelt de memorie van toelichting bij het ontwerp van programmawet (Parl. St., Kamer 2001-2002, nr. 50 1823/001, 74): “Art.
  22. Het gaat om een analoge bepaling aan die vervat in het wetsontwerp betreffende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, die betrekking heeft op de gewone tuchtoverheid. (Parl. Doc., GZ, 2001-2002, nr 1683/001, p. 122). Ook hier moet immers worden vastgesteld dat beide partijen niet over dezelfde wapens beschikken. Het is onredelijk en dus ook niet in het belang van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid dat de hogere XIV-38.085-7/21 tuchtoverheid slechts over 15 kalenderdagen beschikt om alles te onderzoeken en te beslissen, waarbij dan nog rekening moet worden gehouden met het voorschrift van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Vandaar ook hier het voorstel, zoals artikel 118 van het voormelde ontwerp dit beoogt voor de gewone tuchtoverheid, om die termijn te verlengen met de tijd noodzakelijk voor het verhoren van de getuigen en voor de navolgende onderzoeken waartoe die verhoren eventueel nopen.” Inzake de analoge bepaling geldende voor de gewone tuchtoverheid waarnaar in de wetsgeschiedenis wordt verwezen, stelt de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet “betreffende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 50 1683/001, 27): “Art.
  23. Artikel 118 van dit ontwerp past de termijn waarna de tuchtoverheid wordt geacht af te zien van vervolging, aan aan de concrete uitoefening van de procedure van de nuttige getuigenverklaringen die de tuchtoverheid nodig acht, gelet op hun band met het dossier. Om elk verwijt van subjectiviteit in hoofde van de tuchtoverheid te vermijden en vermits de tuchtoverheid in dit raam moeilijk het nuttige of nodige karakter van een getuigenverklaring waarom de verdediging heeft verzocht, kan beoordelen alvorens deze af te nemen, is het onmisbaar om elke verklaring die niet manifest dilatoir of ongegrond is, af te nemen. Deze bekommernis impliceert een noodzakelijke aanpassing van de termijn waarover de overheid beschikt om haar beslissing aan de betrokkenen mede te delen. Derhalve moet deze termijn verlengd worden in de mate die nodig is voor de toepassing van artikel 36 van de tuchtwet.” Het niet-naleven van die termijn van vijftien dagen die desgevallend is verlengd “met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”, wordt gesanctioneerd door artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet: de hogere tuchtoverheid wordt geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De termijn om de uitspraak over de tuchtvordering mee te delen is aldus een vervaltermijn. Artikel 38sexies van de tuchtwet legt bijgevolg aan de hogere tuchtoverheid strikte termijnen op die bij niet-naleving leiden tot het verval van de tuchtvordering. De hogere tuchtoverheid organiseert op een discretionaire wijze het verloop van de op grond van artikel 38quinquies van de tuchtwet in te winnen XIV-38.085-8/21 aanvullende getuigenverhoren en de mededeling ervan, met dien verstande dat dit op grond van artikel 38sexies van de tuchtwet moet gebeuren binnen de daartoe “noodzakelijke termijn”, dit wil zeggen binnen de termijn die volstrekt nodig is om de hogere tuchtoverheid toe te laten deze getuigenverklaringen in te winnen en om ze aan de betrokken politieambtenaar ter kennis te brengen met de uitnodiging om binnen een bepaalde termijn - die minstens vijf werkdagen moet bedragen - een aanvullend verweerschrift in te dienen. Tot die noodzakelijke termijn behoort aldus prima facie ook de termijn die de hogere tuchtoverheid aan de tuchtrechtelijk vervolgde politieambtenaar voor aanvullend verweer toekent en die de wettelijke termijn van vijf werkdagen overschrijdt, rekening houdend met de eerbiediging van het recht van verdediging.
  24. De op grond van artikel 38quinquies, tweede lid, van de tuchtwet door de hogere tuchtoverheid toegekende termijn om een aanvullend verweer in te dienen, heeft op het eerste gezicht tot doel het personeelslid de mogelijkheid te bieden om zich te verweren met volledige kennis van het tuchtdossier aan dewelke immers de getuigenverhoren zijn toegevoegd die, op grond van wat hiervoor is gesteld, “nuttige getuigenverklaringen [zijn] die [de hogere tuchtoverheid] nodig acht, gelet op hun band met het dossier.” Op het eerste gezicht is die aanvullende verweertermijn aldus ingesteld ter vrijwaring van het recht van verdediging van de tuchtrechtelijk vervolgde politieambtenaar, waarbij het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging te dezen inhoudt dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht heeft om vrij zijn verdediging te organiseren zoals hij dat verkiest. Dit beginsel lijkt te impliceren dat, wanneer de tuchtoverheid aan de tuchtrechtelijk vervolgde persoon een verweertermijn toekent, het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid over de volle termijn moet kunnen beschikken die door de tuchtoverheid wordt voorzien - met een wettelijke minimale ondergrens van vijf werkdagen - om zich te verdedigen en om al dan niet een verweerschrift in te dienen, tenzij blijkt dat hij heeft verzaakt aan zijn recht op verweer. XIV-38.085-9/21
  25. Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht de termijnverlenging bepaald in artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet, met de “noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”, eindigt op de dag waarop de door de tuchtoverheid toegekende termijn van verweer verstrijkt, tenzij verzoeker uitdrukkelijk heeft verzaakt aan zijn verweer of aan de hem nog resterende termijn.
  26. Het argument van verzoeker dat het zaak is van het betrokken personeelslid om zelf te bepalen hoeveel hij van de hem gegunde tijd meent nodig te hebben, zodat de opschorting van de termijn van vijftien dagen maar kan worden verlengd tot de dag van de kennisneming door de tuchtoverheid van zijn verweerschrift tegen de betrokken getuigenverhoren, leidt niet tot een andere conclusie. Tenzij uit die voortijdige indiening van het verweer zou blijken dat verzoeker afstand doet van het hem nog resterende deel van de verweertermijn, komt het immers niet aan de hogere tuchtoverheid toe te beoordelen of verzoeker in dat geval al dan niet meer van zijn recht op verdediging zal gebruik maken gedurende de hem resterende termijn. Aldus moet ook in die hypothese de hogere tuchtoverheid ten volle de door haar verleende verweertermijn naleven. Evenmin overtuigt het argument van verzoeker dat het feit dat de verlenging van de vervaltermijn enkel de “noodzakelijke termijn” mag betreffen, erop wijst dat de tuchtoverheid de plicht heeft om de tuchtprocedure zo spoedig als mogelijk af te werken en waarbij hij ter adstructie van dat standpunt verwijst naar de verlenging op grond van artikel 24, derde lid, van de tuchtwet. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of op de tuchtoverheid een dergelijke plicht tot zo vlug mogelijk af te werken rust - en of die plicht niet veeleer inhoudt te handelen binnen korte termijnen - zou in elk geval die plicht op zich niet kunnen inhouden dat de tuchtoverheid daartoe zou mogen voorbijgaan aan haar verplichting om de noodzakelijke termijn voor getuigenverhoren te respecteren, waartoe ook de door de tuchtoverheid op grond van artikel 38quinquies van de tuchtwet bepaalde termijn behoort om een aanvullend verweer in te dienen. XIV-38.085-10/21 De omstandigheid dat de vervaltermijn bedoeld in artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet is ingesteld in het voordeel van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid, leidt evenmin tot een andere conclusie. Deze kwalificatie van die vervaltermijn belet immers niet dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht moet hebben op de volle termijn om zijn verweer in te brengen, en dat hij, desgewenst, aan dat recht kan verzaken. De rechtspraak waarop verzoeker zich beroept ter adstructie van zijn standpunt, leidt niet tot een andere conclusie nu prima facie niet blijkt dat in die arresten het voorliggende rechtspunt expliciet aan de orde was.
  27. Uit het dossier blijkt dat de termijn van vijftien dagen, bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet, aanving op 28 september
  28. Op 1 oktober 2018 besliste de hogere tuchtoverheid tot het horen van de bijkomende getuigen en op 24 oktober 2018 stelt zij de resultaten ervan ter beschikking aan verzoeker. Aan verzoeker werd een verweertermijn van acht werkdagen toegekend. Verzoeker betwist in het op 24 oktober 2018 ingediende verweerschrift, noch in het voorliggende middel niet de noodzakelijkheid van de duur van die verweertermijn in het licht van artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet, noch dat de in concreto gehanteerde termijn om de bijkomende getuigenverhoren af te wikkelen, in redelijkheid niet de daartoe “noodzakelijke termijn” betreft die volstrekt nodig was in de zin als hiervoor werd bepaald (supra, punt 7). Evenmin voert hij aan, noch blijkt uit het op 24 oktober 2018 ingediende verweerschrift dat hij expliciet, minstens impliciet doch zeker, afstand deed van de hem nog resterende verweertermijn. De volle schorsingstermijn moest derhalve worden uitgeput alvorens de procedure door de hogere tuchtoverheid mocht worden voortgezet. De aan verzoeker toegekende termijn van acht werkdagen voor het indienen van dat verweer verliep aldus op 6 november
  29. Aangezien er nog twaalf dagen resteerden van de oorspronkelijke beslissingstermijn, is de betekening op 8 november 2018 aan verzoeker van het voorstel tot tuchtstraf tijdig en miskent de bestreden beslissing niet de vervaltermijn bepaald in XIV-38.085-11/21 artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet noch de bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid.
  30. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  31. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiëlemotiveringsplicht en van het evenredigheidsbeginsel. Hij preciseert dat het middel enkel de afhandeling en de waardering betreft van het tuchtfeit aangaande de cocaïne en dat, indien een tuchtstraf wordt opgelegd wegens diverse feiten en een ervan wordt als niet bewezen beoordeeld, dan moet de Raad van State de tuchtstraf vernietigen. Verzoeker acht deze beginselen geschonden, vooreerst, omdat zijn ziektetoestand, die duidelijk blijkt uit de voorliggende medische attesten, een relevante omstandigheid betreft die de tuchtoverheid bij haar afweging omtrent de strafmaat in overweging moet nemen. Dat heeft de tuchtoverheid niet gedaan en zij heeft dat zelfs niet willen doen. Verzoeker staaft dat standpunt door middel van het aanwijzen van onderdelen uit de motivering van de bestreden beslissing waaruit zulks blijkt. Vooreerst bekritiseert hij het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat hij geen deugdelijk stavingsstuk naar voor brengt van zijn argument dat de door hem ervaren stress en werkdruk de oorzaak waren van zijn cocaïnegebruik en dat ondanks zijn uitvoerige argumentatie omtrent zijn burn-out die mede werd beïnvloed door werkomstandigheden en die in extenso werd geduid in zijn verweerschriften en zijn diverse medische stukken en attesten. Dat er volgens de hogere tuchtoverheid geen causaal verband zou zijn aangetoond tussen de burn-out en het gebruik van cocaïne wordt door verzoeker ook betwist, daar uit de overgelegde en besproken medische stukken onmiskenbaar blijkt dat hij onderhevig was aan een ernstige vorm van burn-out en dat alwaar er een vastgestelde associatie is tussen een burn-out en middelenmisbruik, het causaal XIV-38.085-12/21 verband wel degelijk aanwezig is. Hij verwijst ter zake naar het deskundigenverslag dat het causaal verband aantoont tussen zijn medische problematiek en het gebruik van cocaïne. Voorts heeft hij nooit gesteld dat zijn vrije wil volledig was uitgeschakeld, wel dat de problematiek aanleiding gaf tot een verantwoordelijkheidsverminderende contextuele en medische situatie, doch de hogere tuchtoverheid heeft deze medische toestand op geen enkel moment meegenomen in enige beschouwing omtrent de noodzakelijke strafmaat. Ten tweede heeft de tuchtoverheid evenmin oog gehad voor de ernst van de doorgemaakte burn-out die mede werd gedetermineerd door de werkomstandigheden. Hij verwijst naar en herneemt ter zake zijn uitvoerige motivering zoals uiteengezet in zijn syntheseverweerschrift voor de Tuchtraad. Volgens hem heeft de tuchtoverheid deze pertinente bemerkingen niet te harte genomen en zich beperkt tot het hernemen van haar bevindingen uit het tuchtrechtelijk dossier. Verzoeker heeft evenwel nooit aan schuldverschuiving willen doen, doch heeft enkel zijn medische toestand aangetoond waarin de werkomstandigheden een determinerende rol hebben gespeeld. Reden waarom hij opwierp dat de tuchtoverheid een gedegen onderzoek behoorde te voeren naar de juiste werkomstandigheden en de tuchtoverheid heeft daaromtrent niets gedaan. Zij focuste zich enkel op de materiële daad (aankoop en gebruik van drugs) zonder in ogenschouw te willen nemen dat dit een gebeuren was in een medische toestand, mede gedetermineerd door moeilijke werkomstandigheden. Aldus is de tuchtoverheid onzorgvuldig te werk gegaan bij de voorbereiding van de bestreden beslissing en heeft zij niet de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht. Beoordeling
  32. Aan verzoeker wordt de tuchtstraf opgelegd voor de volgende feiten: enerzijds de aankoop en verbruik van verdovende middelen, namelijk cocaïne en anderzijds voor het onrechtmatig raadplegen van politionele databanken en het schenden van het beroepsgeheim. XIV-38.085-13/21 Verzoeker focust in het middel enkel op de behandeling van waardering van het eerstgenoemde tuchtfeit. Het wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
  33. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing is omtrent dat eerste tuchtfeit onder de punten 3.
  34. en 5.
  35. het volgende gesteld: “
  36. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. […] 3.1 Aankoop en gebruik van verdovende middelen, nl. cocaïne Meen ik dat deze feiten vaststaan doordat u bekend heeft dat u meermaals cocaïne heeft aangekocht en meermaals heeft gebruikt. Meen ik dat deze feiten u kunnen worden toegerekend, daar er in het tuchtdossier geen elementen voorhanden zijn waaruit, in voorkomend geval, uw gezondheidstoestand of andere elementen als verschoningsgrond of als verzachtende omstandigheid zouden kunnen blijken. U haalt aan dat u gebukt ging onder de werkdruk en stress en afstevende op een burn-out. U poneert dat uw werkomstandigheden ervoor zorgen dat u zich niet meer kon ontspannen. Dit dient evenwel te worden genuanceerd. Uit het verhoor van uw directeur [ ..] bleek onder meer: U voerde aan dat dat u vroeg om uw werkinfrastructuur te veranderen. Uit het verhoor met uw directeur blijkt dat u een persoonlijke aparte ruimte wou, doch de infrastructuur liet dit niet toe. U kreeg wel de mogelijkheid om in een aparte ruimte in het politiehuis te werken (zgn. cockpit) maar u was daartoe niet bereid. U geeft aan dat u de grote werken heeft opgevolgd, doch uw directeur voegt daar aan toe dat dit ook uw enige taakinvulling was. U kreeg geen bijkomende functies meer zoals andere middenkaders binnen het korps. Andere middenkaders hebben ook hun reguliere takenpakket maar dienen daarenboven nog CT nacht te zijn; HYCAP te leveren, openbare ordediensten te verzekeren,... U hoefde naar aanleiding van de gesprekken waarin u aangaf dat de werkdruk te hoog was geen CT nacht meer te vervullen, u werd niet meer voor HYCAP ingezet noch voor openbare orde. Telkenmale dat u vroeg om een bijkomende taak niet meer in te vullen werd dit ingewilligd. U gaf aan dat de A11 een fulltime job was van 2014-2017 die u alleen moest dragen en combineren met de werken aan „t Zand en de bevrijdingslaan. Uw directeur merkt in dit kader echter op dat de werken aan de A11 een zwaar dossier was maar geen fulltime dagtaak. Uw diensthoofd […] stond u hierin bij. Ook wat betreft de werken aan de Bevrijdingslaan en „t Zand was er een enorme samenwerking met uw diensthoofd waardoor u er niet alleen voor stond. Uw directeur voegt tevens toe dat u erin slaagde om alles naar u toe te trekken. U hield alle dossiers liever zelf bij om in de picture te staan bij de politiek en de bestuurlijke overheid. U gaf aan dat u omwille van uw nakende burn-out in min-uren eindigde. Uit het verhoor met uw directeur blijkt evenwel dat u geen tijd had om overuren te presteren want het voetbalgebeuren nam al uw tijd in beslag. Reeds in het kader van uw vorige tuchtstraf (blaam uitgesproken op datum van 27 juli 2017) werd u tijdens de hoorzitting […] gewezen op het feit dat de XIV-38.085-14/21 combinatie van uw trainerschap bij uw voetbalclub en uw loopbaan u de das omdeed. U sloeg deze goede raad evenwel rigoureus in de wind. Pas in april 2018 geeft u uw trainerschap op […]. Overigens moest u noodgedwongen stoppen met trainen gezien uw voetbalploeg werd ontbonden. U laat echter uitschijnen dat dit een eigen keuze was als tegemoetkoming en maatregel tegen de dreigende burn-out. Uit het verhoor van uw directeur blijkt tevens dat de conflicten waarnaar u verwees hun oorsprong hadden in het feit dat u zich niet hield aan tal van voorschriften op de werkvloer. Zo blijkt dat u zich dikwijls verplaatste met uw persoonlijk voertuig (ondanks dat u hiervoor mondeling op de vingers werd getikt). U maakte het tevens onmogelijk voor uw directeur om uw werk te controleren (uw agenda klopte vaak niet). U droeg zelden uw uniform. Deze zaken werden echter telkenmale met de mantel der liefde bedekt omdat uw werk kwalitatief van hoog niveau was. Zelfs indien de werkdruk in uw beleving hoog was, dan is dit nog geen objectieve afdoende reden om illegale drugs aan te kopen en meermaals te gebruiken. De door u gepercipieerde werkdruk is geen vrijgeleide om cocaïne te gebruiken. Er is een breed scala aan andere positieve en constructieve, legale coping mechanismen om om te gaan met stress en werkdruk. De lokale politie Brugge heeft een intern zorgnetwerk van IPOS (Interne Politionele Slachtofferbejege- ning)-collega‟s en er is een korpspsychologe. Uit uw verhoor is niet gebleken dat u een beroep heeft gedaan noch op een IPOS-collega noch op de korpspsychologe. Het is duidelijk dat u de oorzaak van uw gebruik van cocaïne buiten uzelf legt en niet wil stilstaan bij uw eigen functioneren. U externaliseert uw middelengebruik. Het feit dat u werkdruk ervaarde kan nooit rechtvaardigen dat een politieambtenaar zijn heil zoekt in illegale substanties. Heel wat personeelsleden van de Lokale Politie Brugge kampen met (extra) werk en krijgen extra taken toebedeeld. U voert aan dat de door u ervaren stress en werkdruk de oorzaak waren van uw cocaïnegebruik, doch u slaagt er niet in om dit te objectiveren. U brengt geen enkel deugdelijk stavingsstuk naar voor. Uw reden kan dan ook niet anders dan als een drogreden worden bestempeld. Meen ik dat u als teamcoach van de dienst Verkeerszaken van de Lokale Politie Brugge, door uw ongeoorloofde daden, het aankopen en meermaals gebruiken van cocaïne, geen blijk heeft gegeven van een volstrekte integriteit die van een politiefunctionaris mag verwacht worden.” […]
  37. Beslissing […] 5.
  38. Ernst van de feiten a) het meermaals aankopen en meermaals gebruiken van cocaïne Wat betreft de aankoop en het gebruik van cocaïne dien ik vast te stellen dat dit geen eenmalig/geïsoleerd feit was. U heeft meerdere malen cocaïne aangekocht en gebruikt. U kocht in de periode oktober 2017 tot maart 2018 regelmatig cocaïne aan bij een lokale dealer, actief op het grondgebied van de Politiezone Brugge. De hoeveelheid van de afnames van cocaïne ging trouwens in stijgende lijn. Het aankopen en gebruiken van cocaïne door een hoofdinspecteur van politie zijn zeer ernstige tuchtvergrijpen en zijn zeer verontrustend te noemen. De politie wordt immers geacht de bevolking te beschermen tegen drugs, niet om er zelf actief naar op zoek te gaan, laat staan om zich dan nog actief te begeven in criminele milieus om zich te kunnen bevoorraden van drugs. Iemand die geacht XIV-38.085-15/21 wordt de drugsproblematiek aan te pakken koopt het zelf aan. Dat kan echt niet worden goedgepraat. Door het aankopen en gebruiken van cocaïne heeft u fundamentele eigenschappen die een wezenlijk onderdeel uitmaken van het profiel van een politiefunctionaris zonder enige scrupules met de voeten getreden. Uw integriteit is totaal niet compatibel met de integriteit die men van een hoofdinspecteur van politie in een leidinggevende functie mag verwachten. De graad van de ernst van de feiten zijn bijzonder zwaar en vormen in feite een flagrante schending van de abstracte grondslagen en waarden van de politie. Door het aankopen van cocaïne heeft u zich eveneens kwetsbaar opgesteld ten aanzien van individuen die deel uitmaken van het drugsmilieu. Het feit dat u zich in criminele milieus begaf kon eveneens ook aanleiding hebben gegeven tot het plegen van andere tuchtvergrijpen, het is immers niet denkbeeldig dat leden van het crimineel milieu u benaderen met de vraag om daden te stellen die niet door de beugel kunnen. Door rechtstreeks contact te onderhouden met uw dealer, heeft u zichzelf in een precaire positie geplaatst. Tot op heden is niet aangetoond dat de dealer op de hoogte was van uw hoedanigheid als politieambtenaar, toekomst- gericht kan echter niet uitgesloten worden dat u tijdens de uitoefening van uw functie alsnog met uw ex-dealer in aanraking kan komen. De risico‟s op beïnvloedbaarheid en aantastbaarheid zijn bijgevolg niet van de baan. De feiten zijn niet alleen verwerpelijk en laakbaar ten aanzien van het hele politiekorps maar ook ten aanzien van de ganse maatschappij. Het is niet onredelijk dat de Lokale Politie Brugge hier geen tolerantie voor kan tonen. Het feit dat u cocaïne heeft aangekocht en meermaals heeft gebruikt is des te schrijnend gezien de strijd tegen drugs opgenomen is, zowel in het Nationaal Veiligheidsplan als in het Zonaal Veiligheidsplan. Op nationaal vlak is de strijd tegen drugs, met name de import en export van cocaïne, één van de tien veiligheidsfenomenen waaraan de politiediensten en alle andere betrokken instanties tijdens de komende vier jaar bijzondere aandacht zullen aan besteden. Ook in haar zonaal veiligheidsplan bindt de Lokale politie Brugge de strijd aan met het drugsgebruik/-handel. Daarenboven heeft de lokale politie Brugge in samenwerking met de preventiedienst van de Stad Brugge de actie ZAD op touw gezet. De ZAD-acties (Zonder Alcohol en Drugs) benadrukken nogmaals het belang dat de lokale politie Brugge hecht aan het terugdringen van alcohol en drugs in het verkeer. Op het ogenblik dat u cocaïne aankocht en gebruikte bekleedde u de functie van teamcoach verkeerszaken. In deze functie werd van u verwacht dat u het beleid omtrent drugs in het verkeer mee gestalte gaf. Als expert verkeer werd terecht verwacht dat u het beleid omtrent drugs in het verkeer belichaamde. Het aankopen en gebruiken van cocaïne is ongehoord en getuigt van een zeer verregaande normvervaging, uw gedrag kan enkel in die zin worden geïnterpreteerd dat u zich ongenaakbaar voelt. Als verzwarende omstandigheden dienen ook nog volgende zaken te worden benadrukt: Uit het onderzoek bleek dat uw vriend [X], tevens uw collega en ondergeschikte, zich eveneens bevoorraadde bij dezelfde dealer. Jullie wisten van elkaars gebruik. Wanneer u in de onmogelijkheid verkeerde om zelf de dealer te contacteren, deed u hiervoor beroep op [X], u bekommerende zich toen helemaal niet over het feit dat uw ondergeschikte aan het werk was. In plaats van toe te zien op het goede functioneren van uw medewerker, betrok u hem bij niet -werkgerelateerde zaken die tevens een strafrechtelijk karakter hebben. XIV-38.085-16/21 U maakte gebruik van uw vrijheid op dienst om tijdens uw diensturen telefonische contacten te onderhouden met uw dealer. Het werken in burgerkledij en het gebruik van uw persoonlijk voertuig stelden u in de mogelijkheid om langs de zaak van de dealer te passeren, om hem onmiddellijk daarop telefonisch te contacteren met de vraag wanneer het beter paste. U was tijdens de diensturen duidelijk bezig met de bekommernis om u te kunnen bevoorraden van cocaïne. In uw verweerschrift haalt uw raadsman aan dat uw gebruik enkel privé was. Het feit dat het gebruik van cocaïne louter privé was doet geen afbreuk aan de ernst van de feiten. Men verwacht nu eenmaal hoge morele standaarden van politieambte- naren en dit zeker in hoofde van politieambtenaren met een leidinggevende functie. Het ambt van politieambtenaar en de daaraan gekoppelde integriteitsvereisten stoppen nu eenmaal niet op het ogenblik dat men niet met dienst is bevolen. Personeelsleden van de politiediensten hebben steeds en overal een voorbeeld- functie. In uw verweerschrift verwijst uw raadsman naar stuk 6 (globaal verslag van geneesheer-deskundige inzake medicolegaal advies dr. [GL.): „Het blijkt een wetenschappelijk gekend gegeven dat er een associatie is tussen burnout en middelengebruik.‟ Ook tijdens de hoorzitting heeft uw advocaat verwezen naar een medisch onderzoek van de Hoge Gezondheidsraad. Hij meldde dat het gebruik van cocaïne blijkbaar een veel gekend gevolg is in het kader van een burn-out. Er wordt geenszins een causaal verband aangetoond tussen de burn-out en het gebruik van cocaïne. De omstandigheid dat burn-out en gebruik van cocaïne samen voorkomen, dat ze geassocieerd worden, houdt met andere woorden nog geen onomstotelijk causaal verband in. De stukken die worden voorgelegd benoemen weliswaar uw ziektebeeld maar leggen geen oorzakelijk verband tussen het ziektebeeld en de feiten die het tuchtvergrijp uitmaken, namelijk uw cocaïne- gebruik. Het staat echter wel onomstotelijk vast dat u meermaals cocaïne heeft aange- kocht en gebruikt. Verder in het verweerschrift verwijst uw raadsman naar overtuigingsstuk nummer 2 dat 2 recente urineonderzoeken omvat, daterende van 7 augustus 2018 en 28 augustus 2018: Beide zijn negatief. Er dient te worden opgemerkt dat de urineonderzoeken dateren na de feiten. De urineonderzoeken doen bijgevolg geen afbreuk aan uw gebruik van cocaïne gedurende de periode 1 november 2017 tot 3 maart
  39. In uw verweerschrift maakt uw raadsman het proces van de lokale politie Brugge, uw werksituatie wordt op de korrel genomen. Dit gaat totaal voorbij aan de essentie, het voorwerp van de ganse tuchtprocedure, namelijk uw gedrag dat ter discussie staat en op een oordeelkundige en gepaste wijze te worden gecorrigeerd door middel van een tuchtstraf. Voor de volledigheid dient toch te worden opgemerkt dat u de oorzaak van uw cocaïnegebruik bij uw werk legt, in het inleidend verslag werden bepaalde aantijgingen omtrent uw werkzaamheden weerlegd omwille van het feit dat deze niet kloppen, niet dat uw werksituatie uw cocaïnegebruik in de hand zou hebben gewerkt. U maakt hier een speerpunt van, doch dit is in deze irrelevant gezien de burn-out geen uitstaans heeft met [de] het gebruik van de cocaïne, er is hoogstens enkel sprake van comorbiditeit. In uw verweerschrift haalt uw raadsman aan dat u inderdaad cocaïne heeft aangeschaft en gebruikt, dit evenwel in een bijzondere context met medische XIV-38.085-17/21 gevolgen die niet zomaar kunnen van tafel geveegd worden middels een verwijzing naar legale coping mechanismen. Ik dien dit echter geheel tegen te spreken. Als persoon beschikt men nog altijd over een eigen wil. Het stond u vrij om andere paden te kiezen of voor alternatieven te opteren. Er zijn opties/kanalen genoeg om (te leren) omgaan met werkdruk. Er zijn voldoende therapieën voorhanden zodat men zijn heil niet moet gaan zoeken in illegale substanties. In uw verweerschrift alsook tijdens de hoorzitting tracht uw raadsman de feiten te kaderen door te stellen dat u geen jetset leven leidde, ik neem dit aan voor waar, maar dit doet echter geen enkele afbreuk aan de ernst van de feiten. Ik heb tijdens de hoorzitting gevraagd naar de stand van zaken op gerechtelijk gebied. U antwoordde mij dat het parket heeft beslist tot het uitspreken van een verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom. U heeft na de hoorzitting de beslissing van het parket alsook het bewijs van de betaling van de geldsom bezorgd voor voeging aan het tuchtdossier. Deze beslissing van het parket bevat uiteraard geen enkele waardeoordeel inzake de ernst van de feiten. Voor dit onderdeel kan tevens verwezen worden naar het advies van de tuchtraad, die dit onderdeel ten volle onderschrijft.” Wat het argument betreft dat de hogere tuchtoverheid geenszins zijn ziektetoestand heeft betrokken bij de beoordeling van de strafmaat, zoals zulks zou blijken uit een zinsnede uit de bestreden beslissing waarin is gesteld dat verzoeker ter zake geen deugdelijk stavingsstuk naar voor brengt, alsook uit de zinsnede waarin is gesteld dat er geen causaal verband is aangetoond tussen de burn-out en het gebruik van cocaïne, blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid op het eerste gezicht wel degelijk verzoekers werkdruk, zijn ziektetoestand en het causaal verband tussen het ziektebeeld en het gebruik van verboden verdovende middelen in haar beoordeling heeft betrokken, zonder dat zulks zou moeten inhouden dat de tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker dat zijn gezondheidstoestand een “verantwoordelijkheidsverminderende contextuele en medische situatie” is, dient bij te vallen. Ook blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de verwerende partij de door verzoeker aangehaalde opinie van de arts-deskundige G.L. en het medisch onderzoek van de Hoge Gezondheidsraad mee heeft betrokken in haar beoordeling van de strafmaat, hetgeen evenmin moet inhouden dat zij die moet bijvallen. Door tot het oordeel te komen dat verzoeker geen enkel deugdelijk stavingsstuk naar voorbrengt dat volgens de hogere tuchtoverheid objectiveert dat de door verzoeker ervaren stress en werkdruk de oorzaak waren van zijn cocaïnegebruik en door te oordelen dat er geen causaal verband wordt XIV-38.085-18/21 aangetoond tussen de burn-out en het gebruik van cocaïne en dat aldus zijn gezondheidstoestand niet moet worden afgewogen bij de strafmaat, is de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelings- vrijheid niet te buiten gegaan. Ook met het niet bijvallen van het persoonlijk standpunt ter zake uiteengezet tijdens zijn verweer voor de Tuchtraad en in het middel, lijkt de hogere tuchtoverheid op het eerste gezicht binnen haar beoorde- lingsbevoegdheid te zijn gebleven. Verzoeker verdedigt weliswaar een ander feitelijk standpunt ter zake, maar hij maakt hiermee op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met haar beoordeling van dat verband tussen ziekte, werkdruk en stress en het gebruik van cocaïne, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending zou moeten blijken van de aangevoerde beginselen. Wat het argument betreft dat volgens verzoeker de hogere tuchtoverheid geen oog had voor het feit dat zijn burn-out mede werd gedetermineerd door de werkomstandigheden en dat de verwerende partij ondanks zijn verzoek die niet mede betrok in haar besluit, blijkt uit het hiervoor aangehaalde citaat uit de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid de werkomstandigheden van verzoeker in haar beoordeling heeft betrokken doch heeft genuanceerd en geoordeeld dat “zelfs indien de werkdruk in uw beleving hoog was, dan is dit nog geen objectieve afdoende reden om illegale drugs aan te kopen en meermaals te gebruiken”, dat “de door [verzoeker] gepercipieerde werkdruk […] geen vrijgeleide [is] om cocaïne te gebruiken” en dat er “een breed scala aan andere positieve en constructieve, legale coping mechanismen [is] om om te gaan met stress en werkdruk”, hetgeen ze nader toelicht. Met dit oordeel dat in wezen inhoudt dat het al dan niet werk-gerelateerd zijn van de burn-out voor de tuchtoverheid niet relevant is voor de beoordeling van de bestraffing van de tuchtfeiten, lijkt de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid niet te buiten te gaan. Verzoeker is een ander feitelijk standpunt toegedaan maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid, door zich naar verzoeker stelt, “enkel en alleen [te focussen] op de materiële daad (aankoop en gebruik van drugs) zonder in ogenschouw te willen nemen dat dit geen gebeuren was in een medische context, mede XIV-38.085-19/21 gedetermineerd door moeilijke omstandigheden”, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending zou moeten blijken van één van de door verzoeker aangevoerde beginselen.
  40. Het tweede middel is niet ernstig. VI. Conclusie
  41. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  42. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechts- plegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.085-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.085-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.785 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.955 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.