id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.796 Rolnummer: A. 229290/VII-40659 Zaak: Arrest 245796 - Dierenwelzijn - 17/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-21 22:35 Fiche Arrest nr 245.796 van 17 oktober 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 245.796 van 17 oktober 2019 in de zaak A. 229.290/VII-40.659 In zake : Süfyan GÖZÜKÜCÜK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Najat Joundi kantoor houdend te 2140 Borgerhout Turnhoutsebaan 158 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 oktober 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 1 oktober 2019 waarbij het besluit wordt genomen tot euthanasie van 1 hond 992001000364919 die op een niet-conforme manier in België is binnengebracht. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.659-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Najat Joundi, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker heeft in juli 2019, tijdens een vakantie in Turkije, aldaar een hondje aangekocht. Dit hondje is afkomstig uit Oekraïne. Na zijn aankomst in België kreeg hij op 19 september het bezoek van twee controleurs van de verwerende partij. Daarover werd een missierapport opgemaakt. 3.2. Op 1 oktober werd de bestreden beslissing genomen. Deze luidt als volgt: “Betreft: Besluit tot euthanasie van 1 hond 99200l000364919 die op een niet-conforme manier in België is binnengebracht. Overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 13 december 2014 en de EU-Verordening (576/2013) Mr/Mevr Süfyan Gözüküçük VII-40.659-2/8 Na de vaststelling van een niet-conforme introductie in België van uw geïdentificeerd dier 992001000364919 zonder rabiësvaccinatie, zonder titratie en zonder certificaat, zijn de volgende veterinaire regels voor het verkeer van honden/katten/fretten van toepassing, als bedoeld in Verordening (EU) nr. 576/2013 inzake het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren, meer bepaald artikel 10 werd niet nageleefd. Immers werd dit dier vóór zijn binnenkomst in België • Niet correct gevaccineerd tegen rabiës overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 576/2013 (bijlage III), • Niet onderworpen aan een geldige titratietest op antilichamen tegen rabiës overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 576/2013 (art. 10.c), • Niet vergezeld van een certificaat voor import van het dier voor niet-commerciële doeleinden; het certificaat moet door een officiële dierenarts worden opgesteld overeenkomstig het bij Verordening (EU) 577/2013 (bijlage 4) vastgestelde en bij Verordening (EU) 576/2013 (art. 10.e.) voorgeschreven model Het Koninklijk Besluit van 18 september 2016 betreffende de preventie en bestrijding van rabiës bepaalt in artikel 1: „13° een van besmetting verdacht dier:
- b)elke hond, kat of fret die illegaal op het Belgisch grondgebied wordt binnengebracht;‟ Hondsdolheid vormt een risico voor de gezondheid van mens en dier en er is momenteel geen behandeling. Uit de waarnemingen van de onregelmatigheden blijkt dat uw dier verdacht wordt besmet te zijn met rabiës, omwille van het risico verbonden aan de regio van oorsprong van dat dier, dat u bezit de ongekende oorsprong namelijk Turkije en/ of Oekraïne van het dier dat u bezit dat verbonden is aan risico‟s ten aanzien van rabiës. Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) 576/2013, heeft het FAVV een risicoanalyse uitgevoerd en heeft besloten dat dit dier geëuthanaseerd dient te worden omwille van het hoge risico voor de gezondheid van mens en dier. U bent verplicht om zo snel mogelijk contact op te nemen met uw dierenarts zodat dit besluit uitgevoerd kan worden. Het dier dient in strikte isolatie gehouden te worden tot de euthanasie wordt voltrokken. Strikte isolatie wil zeggen dat het dier niet in contact mag komen met een dier of een persoon die niet tot uw huishouden behoort. U dient de contactgegevens van uw dierenarts aan het FAVV te laten weten. Uw dierenarts moet het geëuthanaseerde dier aan Sciensano bezorgen en een onderzoek naar rabiës aanvragen. De resultaten van dit onderzoek moeten zo snel mogelijk per e-mail naar pri.ant@favv.be overgemaakt worden. Aangezien u verantwoordelijk bent voor het illegaal binnenbrengen van dit dier in België, zijn alle kosten verbonden aan de uitvoering van dit besluit te uwen laste. Indien u blootstelling aan rabiës vermoedt, gelieve contact op te nemen met uw arts om de maatregelen die hij als nuttig beschouwt ten uitvoeren te brengen. VII-40.659-3/8 In geval van niet-naleving van de richtlijnen van het FAVV wordt u aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de mogelijke besmetting van derden door het rabiësvirus en de financiële gevolgen die daaruit voortvloeien”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 5. Verzoeker zet omtrent deze voorwaarde uiteen “dat het in casu gaat om een levend wezen, een hondje waar inmiddels zowel [hij], zijn echtgenote als de twee kinderen […] heel gehecht aan zijn. Verzoeker en zijn gezin hebben er al geruime tijd mee doorgebracht en houden van het hondje. De bestreden beslissing, genomen op 1 oktober 2019, houdt in dat het hondje dient geëuthanaseerd te worden. […] De aard van de maatregel en de opgelegde spoed om de bestreden beslissing uit te voeren wettigen het beroep op de uitzonderlijke kortgedingprocedure”. Hij merkt nog op “dat hij zeer diligent heeft gehandeld bij het instellen van huidig beroep. Het verzoekschrift tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingediend op 7 oktober 2019, minder dan een week na kennisname van de bestreden beslissing”. 6. De verwerende partij stelt daar tegenover dat verzoeker niet diligent zou hebben gehandeld, vermits hij reeds op 19 september wist welke maatregel zou kunnen worden genomen. VII-40.659-4/8 Beoordeling 7. De bestreden beslissing dateert van 1 oktober 2019. De vordering werd ingesteld op 7 oktober 2019. Er kan verzoeker niet het minste gebrek aan diligentie worden verweten. De verwerende partij betwist niet de andere gegevens die worden aangevoerd tot staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De bestreden beslissing houdt in dat de hond zo snel mogelijk dient te worden geëuthanaseerd en dat de dierenarts het geëuthanaseerde dier moet overmaken voor een onderzoek naar rabiës. De gevolgen van de bestreden beslissing zijn onomkeerbaar. De aard van de maatregel en de opgelegde termijn wettigen het beroep op de uitzonderlijke procedure. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen 8. Verzoeker voert de schending van de hoorplicht aan. Hij werd niet voorafgaandelijk op deugdelijke wijze op de hoogte gebracht van de aard van de diepgaande maatregel die door de verwerende partij zou worden genomen. Verzoeker werd ook niet op de hoogte gebracht van het risico dat een dergelijke verregaande maatregel zou wettigen. 9. De verwerende partij beweert dat verzoeker deugdelijk werd gehoord tijdens het controlebezoek van 19 september 2019 en dat hij op de hoogte werd gebracht van de mogelijke maatregel. VII-40.659-5/8 Beoordeling 10. De hoorplicht houdt in dat in beginsel tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. In dergelijk geval moet de betrokkene de gelegenheid krijgen zich uit te spreken niet alleen over het bestaan en de ernst van de feiten die aan de basis liggen van de voorgenomen maatregel, maar ook over de noodzaak om die maatregel te nemen. Dit impliceert dat betrokkene vooraf kan weten welke maatregel tegen hem overwogen wordt en welke feiten en grieven tegen hem worden ingebracht. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, blijkt op het eerste gezicht dat verzoeker voorafgaandelijk op deugdelijke wijze op de hoogte werd gebracht van de aard van de diepgaande maatregel die door de verwerende partij zou worden genomen, noch van de concrete aard van het risico dat een dergelijke verregaande maatregel zou wettigen. Er blijkt evenmin dat verzoeker op voorhand op de hoogte werd gebracht van welke verregaande maatregel tegen hem werd overwogen. Het eerste middel is ernstig. B. Tweede middel Standpunten van de partijen 11. In het tweede middel wordt onder meer de schending ingeroepen van artikel 19 van het koninklijk besluit van 13 december 2014 houdende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van honden, katten en fretten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het proportionaliteits- en redelijkheidsbeginsel. VII-40.659-6/8 Verzoeker wijst erop dat het dier slechts in laatste instantie dient te worden geëuthanaseerd volgens artikel 19 van het voornoemde koninklijk besluit. 12. De verwerende partij stelt dat er wel degelijk een voldoende risicoanalyse is geweest op basis waarvan werd beslist om euthanasie op te leggen, dat de bestreden beslissing vermeldt dat de hond verdacht wordt besmet te zijn met rabiës, geen titreringstest heeft ondergaan en niet vergezeld was van een gezondheidscertificaat, en dat die beslissing bijgevolg afdoende gemotiveerd is. Voorts is de bestreden beslissing niet disproportioneel, gelet op de bijzonder gevaarlijke aard van rabiës. Beoordeling 13. Artikel 35 van de verordening waarnaar de bestreden beslissing verwijst stelt: “Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk II of III, de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon besluit welke maatregel dient te worden genomen”. Uit punt
- c)blijkt dat pas in laatste instantie kan worden besloten het dier af te maken wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is. Uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht niet wat het concrete risico is dat de genomen maatregel wettigt. Zo wordt het dier er van verdacht besmet met rabiës, gelet op het risico verbonden aan de regio van oorsprong van het dier die volgens de verwerende partij ongekend is, namelijk Turkije en/of Oekraïne. Hieruit blijkt niet waarom dit in dit concrete geval een dusdanig risico vormt dat de maatregel om de hond te euthanaseren moet worden opgelegd. Er wordt enkel verwezen naar een risicoanalyse uitgevoerd door het FAVV maar wat deze risicoanalyse inhoudt, blijkt niet uit de bestreden beslissing. Uit de motieven blijkt evenmin dat er rekening werd gehouden met de documenten VII-40.659-7/8 waarover verzoeker beschikt of met de waarneming van de controleur dat de hond in goede gezondheid is en dat er goede tracering is. De motivering die wordt gegeven lijkt te vaag en te algemeen om, gelet op de ingrijpende aard van de opgelegde maatregel, te kunnen worden beschouwd als afdoende. Het middel is ernstig. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 1 oktober 2019 waarbij het besluit wordt genomen tot euthanasie van 1 hond 992001000364919 die op een niet-conforme manier in België is binnengebracht. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorste beslissing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.659-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.796 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div