id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.828 Rolnummer: A. 225077/XIV-37700 Zaak: Arrest 245828 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-25 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 06:50 Fiche Arrest nr 245.828 van 21 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.828 van 21 oktober 2019 in de zaak A. 225.077/XIV-37.700 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- XXX
- XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Wolsey kantoor houdend te 1060 Brussel Verbindingslaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 april 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.514 van 22 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.865 van 29 mei
- De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.700-1/9 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Julien Wolsey verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Eerste verweerder en zijn zoon uit een eerdere relatie, tweede verweerder, beiden van Kameroense nationaliteit, hebben een verblijfsrecht gekregen in het kader van gezinshereniging, met name op grond van het huwelijk van eerste verweerder met zijn in België verblijvende echtgenote van Franse nationaliteit. Eerste en tweede verweerder zijn respectievelijk op 30 juli 2008 en op 30 oktober 2009 in het bezit gesteld van een F-kaart. Eerste verweerder heeft op 17 juni 2013 een duurzaam verblijfsrecht verworven en hij is in het bezit gesteld van een F+-kaart. XIV-37.700-2/9 3.
- Met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 maart 2013, bevestigd door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014, wordt het huwelijk van eerste verweerder nietig verklaard als zijnde een schijnhuwelijk. 3.
- De staatssecretaris voor Asiel en Migratie beslist op 16 september 2015 tot intrekking van het verblijfsrecht van de verweerders. Hij beslist dezelfde dag tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten. Ingevolge een door de huidige verweerders ingesteld beroep tot nietigverklaring vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 26 februari 2016 de beide voornoemde beslissingen van 16 september
- Op haar beurt stelt de verzoekende partij cassatieberoep in en de Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 het voornoemde arrest van de Raad van Vreemdelingenbetwistingen van 26 februari
- 3.
- Met een arrest van 22 maart 2018 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw tot de vernietiging van de twee hoger genoemde beslissingen van 16 september
- Dit is het thans bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ XIV-37.700-3/9 (hierna: de vreemdelingenwet), van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 238.718 van 29 juni 2017 en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”. De verzoekende partij voert aan dat volgens het bestreden arrest het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten moet worden vernietigd omdat de beslissing tot “beëindiging” van het verblijfsrecht wordt vernietigd. Nochtans wordt het verblijfsrecht geacht niet te hebben bestaan zodat de verzoekende partij vermocht een bevel om het grondgebied te verlaten te geven aan de verweerders. De verzoekende partij zet uiteen dat de verweerders, ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk van eerste verweerder, geen familielid zijn of ooit geweest zijn van een burger van de Unie, hetgeen ook uitdrukkelijk is bevestigd in ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni
- In dat arrest wordt ook bevestigd dat de verweerders ingevolge de nietigverklaring van het voormelde huwelijk worden geacht niet te beschikken over een verblijfsrecht en dat de afgifte van een verblijfstitel slechts een declaratoir en geen constitutief karakter heeft. De verzoekende partij merkt op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het thans bestreden arrest evenwel overweegt dat “het bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag” vindt in de beslissing waarbij verzoekers recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht worden ingetrokken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat een bevel om het grondgebied te verlaten op grond van artikel 7 van de vreemdelingenwet slechts kan worden betekend aan een vreemdeling die niet gemachtigd noch toegelaten is tot verblijf en besluit tot vernietiging van het aanvankelijk bestreden bevel. Nochtans worden de verweerders ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk geacht niet over een verblijfsrecht te beschikken. De verzoekende partij vervolgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door het tegendeel aan te nemen en voor te houden dat de verweerders over een XIV-37.700-4/9 verblijfsrecht beschikten op het ogenblik dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen, het gezag van gewijsde van ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 miskent. Minstens is daarmee de bewijskracht van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 maart 2013 miskend, waarmee het huwelijk van eerste verweerder nietig werd verklaard. De verzoekende partij acht artikel 7 van de vreemdelingenwet geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorhoudt dat deze bepaling niet kon worden toegepast, terwijl de verweerders worden geacht niet over een verblijfsrecht te beschikken.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij laat in antwoord op het verweer dat het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014 niet is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, gelden dat dit arrest desalniettemin rechtsgevolgen heeft en dat zij rekening mocht houden met alle gegevens uit het administratief dossier, los van de vraag of die gegevens ook tegenstelbaar (en dus verordenend en bindend) zijn ten aanzien van derden. De verzoekende partij vervolgt dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen in het bestreden arrest niet louter verwijst naar de motieven van het aanvankelijk bestreden bevel, maar in hoofdzaak benadrukt dat dat bevel zijn “noodzakelijke materiële grondslag” vindt in de intrekkingsbeslissing, terwijl hij ervan uitgaat dat de verweerders zonder die intrekkingsbeslissing nog beschikken over een verblijfsrecht. Het determinerend motief van het bestreden arrest ligt in het oordeel dat de verweerders nog over een verblijfsrecht beschikken en dat daarom geen verwijderingsmaatregel kon worden genomen. De stelling van de verweerders dat het aanvankelijk bestreden bevel zijn materiële grondslag vindt in de intrekkingsbeslissing, mist volgens de verzoekende partij elke grondslag. Het aanvankelijk bestreden bevel is immers gesteund op twee determinerende motieven, namelijk het feit dat de verweerders in het Rijk verblijven zonder nog te beschikken over een verblijfsrecht (artikel 7, XIV-37.700-5/9 eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet) en het feit dat de verweerders door hun gedrag worden geacht de openbare orde te kunnen schaden (artikel 7, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet). Naast deze determinerende motieven wordt slechts ten overvloede verwezen naar de intrekkingsbeslissing, als toelichting bij het eerste determinerend motief. Er werd immers in hoofdzaak benadrukt dat “als een gevolg van de vernietiging van het huwelijk […] alle uit het huwelijk voortvloeiende rechten [vervallen], zo ook het recht op gezinshereniging”. De verzoekende partij herhaalt nog dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door voor te houden dat de verweerders over een recht op verblijf beschikten op het ogenblik dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen, het gezag van gewijsde miskent van ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 en van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 26 maart 2013, waarmee het huwelijk van eerste verweerder nietig werd verklaard. Beoordeling
- De verweerders achten het middel niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang omdat het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 november 2014 nog niet zou zijn overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand en daarom niet tegenstelbaar zou zijn aan derden zoals de verzoekende partij. Het wordt niet betwist dat het voornoemde arrest definitief is geworden. Door het feit dat het meergenoemde arrest van 20 november 2014 niet is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand, wordt geen afbreuk gedaan aan het bestaan van dat arrest. De verzoekende partij mocht bij het nemen van het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten acht slaan op alle gegevens die blijken uit het administratief dossier, waaronder het feit dat bij dat arrest het schijnhuwelijk van eerste verweerder werd vastgesteld. Het enige middel is ontvankelijk. XIV-37.700-6/9
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 onder meer dat “uit de gegevens van de zaak, zoals ook vastgesteld door het cassatie-arrest van de Raad van State, [blijkt] dat de afgifte van de F-kaart aan verzoekers op 30 juli 2008 resp. 30 oktober 2009 een declaratoir karakter heeft en er enkel toe strekt een constitutief recht vast te stellen dat reeds voortvloeit uit de familieband met de EU-burger zelf” en dat “uit de duidelijke bewoordingen van de eerste bestreden beslissing […] voorts [blijkt] dat niet deze louter declaratoire vaststelling, en dus de loutere afgifte van de verblijfskaarten, word[t] ingetrokken maar wel het aan deze kaarten ten grondslag liggende recht op vestiging van de eerste verzoeker en het verblijfsrecht van de tweede verzoeker”. Wat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat “de tweede bestreden beslissing […] toepassing [maakt] van artikel 7, eerste lid van de wet van 15 december 1980”, dat “uit de motieven van de tweede bestreden beslissing en uit het gegeven dat slechts toepassing kan worden gemaakt van artikel 7, eerste lid van de wet van 15 december 1980 in de situatie van een vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, blijkt dat het bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag vindt in de beslissing waarbij verzoekers recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht wordt ingetrokken”, dat “nu reeds is vastgesteld dat er grond is tot nietigverklaring van de beslissing waarbij verzoekers duurzaam verblijfsrecht wordt beëindigd, […] het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke grondslag [verliest]” en dat “de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing […] in casu met zich mee[brengt] dat ook de tweede bestreden beslissing moet worden vernietigd”.
- Uit ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 volgt dat eerste verweerders huwelijk moet worden geacht nooit te hebben bestaan ingevolge de nietigverklaring ervan, dat eerste verweerder daarom moet worden geacht nooit de hoedanigheid te hebben gehad van een familielid van een burger van de Unie en XIV-37.700-7/9 om die reden niet onder de toepassing valt van artikel 42septies van de vreemdelingenwet nu deze bepaling enkel van toepassing is op familieleden van een burger van de Unie. In dat arrest is ook vastgesteld dat de afgifte van een verblijfstitel aan de verweerder een declaratoir en geen constitutief karakter had en slechts de vaststelling vormt van het aan die titel verbonden verblijfsrecht. Hieruit volgt echter niet dat, louter omwille van de nietigverklaring van het huwelijk waarop het verblijfsrecht van eerste verweerder was gesteund, ook de erkenning of vaststelling van het verblijfsrecht van eerste verweerder als echtgenoot van een Unieburger van rechtswege zou moeten worden geacht nooit te hebben bestaan, zonder te zijn ingetrokken.
- Na de beslissing tot intrekking van het recht op vestiging respectievelijk het verblijfsrecht van de verweerders te hebben vernietigd, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook niet in strijd met het gewijsde van ’s Raads arrest nr. 238.718 van 29 juni 2017 noch met artikel 7, eerste lid, van de vreemdelingenwet aangenomen dat deze laatste bepaling slechts van toepassing is op “de vreemdeling, die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen” en derhalve niet op de verweerders, wier erkenning van het verblijfsrecht bij gebrek aan regelmatige intrekking moet worden geacht nog te bestaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve ook op wettige wijze beslissen dat “het bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag vindt in de beslissing waarbij verzoekers recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht wordt ingetrokken” en dat “het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke grondslag [verliest]” en dat “de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing […] in casu met zich mee[brengt] dat ook de tweede bestreden beslissing moet worden vernietigd”. Waar de verzoekende partij laat gelden dat het aanvankelijk bestreden bevel berust op meerdere determinerende motieven en er slechts ten overvloede wordt verwezen naar de beslissing tot intrekking van het verblijfsrecht, dient te XIV-37.700-8/9 worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de plaats van de eerste rechter het determinerende motief van dat bevel te bepalen.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.700-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div