id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.829 Rolnummer: A. 225080/XIV-37701 Zaak: Arrest 245829 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 21:30 Fiche Arrest nr 245.829 van 21 oktober 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.829 van 21 oktober 2019 in de zaak A. 225.080/XIV-37.701 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Falke Van der Schueren kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 april 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.515 van 22 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.864 van 29 mei
- De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-37.701-1/8 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Falke Van der Schueren verschijnt voor verweerster, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verweerster, van Nigeriaanse nationaliteit, dient op 16 juni 2006 een aanvraag tot vestiging in als echtgenote van een Belg. Op basis van die aanvraag krijgt zij op 16 oktober 2006 een identiteitskaart voor vreemdelingen. Verweerster dient op 26 augustus 2009 een nationaliteitsverklaring in en zij krijgt op 30 oktober 2009 de Belgische nationaliteit. 3.
- Met een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 24 juni 2014 wordt verweersters huwelijk nietig verklaard als XIV-37.701-2/8 zijnde een schijnhuwelijk. Verweerster wordt tevens vervallen verklaard van de Belgische nationaliteit. Het beschikkend gedeelte van dit vonnis is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
- De staatssecretaris voor Asiel en Migratie beslist op 5 maart 2015 tot intrekking van het recht op vestiging en tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verweerster. Op 16 april 2015 stelt verweerster tegen de voornoemde beslissingen van 5 maart 2015 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 2 december 2015 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de meergenoemde beslissingen van 5 maart
- Op haar beurt stelt de verzoekende partij cassatieberoep in en de Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 238.710 van 29 juni 2017 het voornoemde arrest van de Raad van Vreemdelingenbetwistingen van 2 december
- 3.
- Met een arrest van 22 maart 2018 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opnieuw tot de vernietiging van de twee hoger genoemde beslissingen van 5 maart
- Dit is het thans bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 7 van de wet van XIV-37.701-3/8 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 238.710 van 29 juni 2017 en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”. De verzoekende partij voert aan dat volgens het bestreden arrest het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten moet worden vernietigd omdat de beslissing tot “beëindiging” van het verblijfsrecht wordt vernietigd. Nochtans wordt het verblijfsrecht geacht niet te hebben bestaan zodat de verzoekende partij vermocht een bevel om het grondgebied te verlaten te geven aan verweerster. De verzoekende partij zet uiteen dat verweerster, ingevolge de nietigverklaring van haar huwelijk met M.R., geen familielid is of ooit geweest is van een burger van de Unie, hetgeen ook uitdrukkelijk is bevestigd in ’s Raads arrest nr. 238.710 van 29 juni
- In dat arrest wordt ook bevestigd dat verweerster ingevolge de nietigverklaring van het voormelde huwelijk wordt geacht niet te beschikken over een verblijfsrecht en dat de afgifte van een verblijfstitel slechts een declaratoir en geen constitutief karakter heeft. De verzoekende partij merkt op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het thans bestreden arrest evenwel overweegt dat “het bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag vindt in de beslissing waarbij verzoeksters recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht worden ingetrokken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat een bevel om het grondgebied te verlaten op grond van artikel 7 van de vreemdelingenwet slechts kan worden betekend aan een vreemdeling die niet gemachtigd noch toegelaten is tot verblijf en besluit tot vernietiging van het aanvankelijk bestreden bevel. Nochtans wordt verweerster ingevolge de nietigverklaring van het huwelijk geacht niet over een verblijfsrecht te beschikken. De verzoekende partij vervolgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, XIV-37.701-4/8 door het tegendeel aan te nemen en voor te houden dat verweerster over een verblijfsrecht beschikte op het ogenblik dat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen, het gezag van gewijsde van ’s Raads arrest nr. 238.710 van 29 juni 2017 miskent. Minstens is daarmee de bewijskracht van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 24 juni 2014 miskend, waarmee het huwelijk van verweerster nietig werd verklaard. De verzoekende partij acht artikel 7 van de vreemdelingenwet geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorhoudt dat deze bepaling niet kon worden toegepast, terwijl verweerster wordt geacht niet over een verblijfsrecht te beschikken. Beoordeling
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met verwijzing naar ’s Raads arrest nr. 238.710 van 29 juni 2017 onder meer dat “uit de gegevens van de zaak, zoals ook vastgesteld door het cassatie-arrest van de Raad van State, [blijkt] dat de afgifte van de identiteitskaart voor vreemdelingen op 16 oktober 2006 een declaratoir karakter heeft en er enkel toe strekte een constitutief recht vast te stellen dat reeds voortvloeit uit de familieband met de EU-burger zelf” en dat “uit de duidelijke bewoordingen van de eerste bestreden beslissing […] voorts [blijkt] dat niet deze louter declaratoire vaststelling, en dus de loutere afgifte van de verblijfskaart, wordt ingetrokken maar wel het aan deze kaart ten grondslag liggende recht op vestiging van verzoekster”. Wat het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat “de tweede bestreden beslissing […] toepassing [maakt] van artikel 7, eerste lid van de wet van 15 december 1980”, dat “uit de motieven van de tweede bestreden beslissing en uit het gegeven dat slechts toepassing kan worden gemaakt van artikel 7, eerste lid van de wet van 15 december 1980 in de situatie van een vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, blijkt dat het bevel om het grondgebied te XIV-37.701-5/8 verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag vindt in de beslissing waarbij verzoeksters recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht wordt ingetrokken”, dat “nu reeds is vastgesteld dat er grond is tot nietigverklaring van de beslissing waarbij verzoeksters verblijfsrecht van onbepaalde duur wordt beëindigd, […] het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke grondslag [verliest]” en dat “de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing […] in casu met zich mee[brengt] dat ook de tweede bestreden beslissing moet worden vernietigd”.
- Uit ’s Raads arrest nr. 238.710 van 29 juni 2017 volgt dat verweersters huwelijk moet worden geacht nooit te hebben bestaan ingevolge de nietigverklaring ervan, dat verweerster daarom moet worden geacht nooit de hoedanigheid te hebben gehad van een familielid van een burger van de Unie en om die reden niet onder de toepassing valt van artikel 42septies van de vreemdelingenwet nu deze bepaling enkel van toepassing is op familieleden van een burger van de Unie. In dat arrest is ook vastgesteld dat de afgifte van een verblijfstitel aan verweerster een declaratoir en geen constitutief karakter had en slechts de vaststelling vormt van het aan die titel verbonden verblijfsrecht. Hieruit volgt echter niet dat, louter omwille van de nietigverklaring van het huwelijk waarop het verblijfsrecht van verweerster was gesteund, ook de erkenning of vaststelling van het verblijfsrecht van verweerster als echtgenote van een Unieburger van rechtswege zou moeten worden geacht nooit te hebben bestaan, zonder te zijn ingetrokken.
- Na de beslissing tot intrekking van het recht op vestiging van verweerster te hebben vernietigd, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook niet in strijd met het gewijsde van ’s Raads arrest nr. 238.710 van 29 juni 2017 noch met artikel 7, eerste lid, van de vreemdelingenwet aangenomen dat deze laatste bepaling slechts van toepassing is op “de vreemdeling, die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen” en derhalve niet op verweerster, wier erkenning van het XIV-37.701-6/8 verblijfsrecht bij gebrek aan regelmatige intrekking moet worden geacht nog te bestaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve ook op wettige wijze beslissen dat “het bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke materiële grondslag vindt in de beslissing waarbij verzoeksters recht op vestiging c.q. duurzaam verblijfsrecht wordt ingetrokken” en dat “het kwestieuze bevel om het grondgebied te verlaten zijn noodzakelijke grondslag [verliest]” en dat “de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing […] in casu met zich mee[brengt] dat ook de tweede bestreden beslissing moet worden vernietigd”.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.701-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.701-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div