id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.843 Rolnummer: A. 224299/IX-9223 Zaak: Arrest 245843 - Varia (onderwijs en cultuur) - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-31 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 22:32 Fiche Arrest nr 245.843 van 22 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.843 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 224.299/IX-9223 In zake: de VZW MOTIEF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 januari 2018, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing dd. 22 november 2017 […] dat het project voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-de-trainer „identiteit gezocht‟ wordt stopgezet en de voor het project toegekende subsidie verminderd wordt pro rata de termijn tot en met de indiening van het handboek, namelijk 16 oktober 2017”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9223-1/18 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Bestuurder Elke Vandeperre en advocaat Raf Jespers, die ver- schijnen voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Bij besluit van 22 januari 2016 „houdende de toekenning van een projectsubsidie aan vzw Motief voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-the-trainer „Identiteit gezocht‟ in het kader van de preventie van radicalise- ring‟ (hierna: MB van 22 januari 2016) beslist de Vlaamse minister van Binnen- lands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding om een projectsubsidie toe te kennen aan verzoekster – een erkende vormingsinstel- ling. IX-9223-2/18 Op 15 december 2016 wijzigt de betrokken minister het MB van 22 januari 2016 waardoor verzoekster ook een website kan uitbouwen. Aldus gewijzigd, luidt het MB van 22 januari 2016: “Artikel
- §
- Aan Motief vzw, Boomsesteenweg 269, 2020 Antwerpen, wordt een projectsubsidie van 104.050 (honderdenvierduizend vijftig) eu- ro toegekend. De projectsubsidie wordt verleend als financiële tegemoetkoming in de personeels- en werkingskosten in het kader van het project „Identiteit ge- zocht‟. De projectsubsidie wordt gestort op rekeningnummer […] op naam van Motief vzw. §
- De projectsubsidie, vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend op het begrotingsartikel PJ0-1POC2AA-WT van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar
- Art.
- §
- De projectsubsidie, vermeld in artikel 1, §1, moet aangewend worden voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-the-trainer programma zoals omschreven in de projectaanvraag. Volgende concrete resultaten moeten behaald worden: - minimaal 2 train-the-trainersessies; - een pool van opgeleide begeleiders; - een draaiboek en handboek; - een website; - advies en opvolging van begeleiders. Art.
- De periode waarop de projectsubsidie, vermeld in artikel 1 betrek- king heeft, gaat in op 1 januari 2016 en eindigt op 31 december
- Art.
- De projectsubsidie, vermeld in artikel 1 wordt uitbetaald in drie schijven: 1° een eerste schijf van 79.640 (negenenzeventigduizend zeshonderdveer- tig) euro werd uitbetaald na ondertekening van het oorspronkelijke besluit en na vastlegging van de bijhorende projectsubsidie; 2° een tweede schijf van 9.955 (negenduizend negenhonderdvijfenvijftig) euro wordt uitbetaald nadat het Agentschap Binnenlands Bestuur, hierna genoemd het agentschap, de volgende stukken, uiterlijk op 31 januari 2017, digitaal heeft ontvangen: - een tussentijds inhoudelijk verslag zoals beschreven in de projectaan- vraag; - het ontwikkelde draaiboek en materiaal; 3° het saldo van 14.455 euro (veertienduizend vierhonderdvijfenvijftig) euro wordt uitbetaald nadat het agentschap, het financiële en inhoudelijk eindrapport, vermeld in artikel 7 en 8, heeft gecontroleerd en goedge- keurd. Deze eindrapporten worden digitaal aan het agentschap bezorgd ten laatste op 31 januari
- Art.
- Wijzigingen in de loop van het project worden schriftelijk onmid- dellijk gesignaleerd aan het agentschap. IX-9223-3/18 Art.
- Door de realisatie van het project vermeld in artikel 1 wordt bijge- dragen aan de doelstelling van de Vlaamse overheid: preventie van radica- liseringsprocessen die kunnen leiden tot extremisme en terrorisme. Art.
- §
- De functionele verantwoording van de projectsubsidie, vermeld in artikel 1, waarbij de mate van realisatie van de bovenstaande activitei- ten wordt aangetoond, bestaat uit: - een inhoudelijk eindverslag; - een samenvatting van het project bevattende: de inhoud van het project, het doel, het verloop en de leerlessen mét knelpunten. Het agentschap is belast met de controle van het inhoudelijk eindverslag. §
- Volgende criteria zullen gehanteerd worden om de mate van realisatie van de activiteiten, vermeld in artikel 2 en hun bijdrage tot de doelstellin- gen van de Vlaamse overheid, vermeld in artikel 6 te beoordelen: - project werd inhoudelijk uitgevoerd conform de doelstellingen opgeno- men in het aanvraagformulier; Of al dan niet voldaan is aan de criteria vermeld in het eerste lid, heeft de volgende effecten op het maximaal toegekende projectsubsidiebedrag: - geheel of gedeeltelijke niet uitbetaling van het saldo; - geheel of gedeeltelijke terugvordering van het voorschot. Art.
- De financiële verantwoording bestaat uit een overzicht van de uit- gaven opgesplitst in loonkosten en in werkingskosten. Dit overzicht wordt digitaal aan het agentschap bezorgd uiterlijk op 31 januari
- Indien de afrekening het volledig toegekende bedrag niet verantwoordt, dan zal het agentschap het bedrag volledig of gedeeltelijk terugvorderen. Het agent- schap, afdeling Lokale Financiën is belast met de financiële controle. Art.
- Het ontwikkelde materiaal wordt ter beschikking gesteld van de subsidiërende overheid en mag door de Vlaamse overheid verder ver- spreid en gebruikt worden. Art.
- Het logo van de Vlaamse overheid moet duidelijk vermeld wor- den bij de communicatie over het project. Art.
- Het Rekenhof en het agentschap kunnen alle bewijsstukken over de aanwending van de subsidie opvragen of ter plaatse controleren. Art.
- De Vlaams minister, bevoegd voor Binnenlands Bestuur, Inbur- gering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, is belast met de uitvoering van dit besluit.” 3.
- In een tussentijds verslag van 2016 stelt verzoekster dat een manuscript van het handboek eind maart
(2017)zou worden aangeleverd bij de uitgeverij en dat het boek half april op de markt komt. Zij vraagt in mei 2017 om uitstel naar eind 2017 waarbij zij wijst op het personeelsverloop en de verhuizing van het secretariaat. De administratie vraagt om tussentijds bepaalde delen voor te leggen zodat er bij fundamentele bedenkingen nog bijsturing mogelijk is. IX-9223-4/18 Bij e-mail van 16 oktober 2017 deelt verzoekster het handboek mee aan de stuurgroep. Bij e-mail van 26 oktober 2017 deelt de Vlaamse administratie de volgende bedenkingen mee: “We wensen aan te geven dat een grondige lezing binnen het gegeven tijdsbestek niet haalbaar is. We hebben het handboek slechts diagonaal kunnen doornemen en zullen bijgevolg onze integrale feedback niet tegen morgen kunnen doorgeven. Op basis van de diagonale lezing hebben we wel fundamentele en principiële bedenkingen. Zo stellen we bv. vast dat een aantal hoofdstukken buiten de scope van de opdracht vallen en bv. hoofdstuk 7 (m.b.t. de casussen) dat tot de essentie van de opdracht be- hoort dan weer niet is uitgewerkt. We verwijzen verder ook naar de vertraging die jullie binnen dit project hebben opgelopen. Het draaiboek was aanvankelijk voorzien voor oktober
- In onderlinge overeenstemming is deze termijn verlengd naar janua- ri 2017, dewelke echter evenmin werd gehaald. Ondanks onze afwijzende reactie op jullie nieuwe voorgestelde timing met afwerking van het draai- boek tegen oktober, die tijdsgewijs geen grondige inhoudelijke controle meer toeliet, hebben jullie deze timing alsnog aangehouden. Nochtans stelt art. 7 van het ministerieel besluit van 22 januari 2016 (gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 december 2016) zeer duidelijk dat het pro- ject dient uitgevoerd te worden conform de doelstellingen opgenomen in het aanvraagformulier. Voor wat betreft het handboek/draaiboek en de website (die als te behalen resultaten in het ministerieel besluit zijn ver- meld) is dit dus alleszins niet gebeurd. Daarom stellen we voor om zo snel mogelijk samen [te] zitten om dit te bespreken en na te gaan wat de eventuele mogelijkheden zijn voor de ver- dere uitvoering van het project.” Uit het e-mailverkeer blijkt dat er op 7 november 2017 een sa- menkomst is geweest. 3.
- Op 22 november 2017 deelt administrateur-generaal J.W. van het agentschap Binnenlands Bestuur aan verzoekster de stopzetting mee van het project voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-de-trainer „Identiteit gezocht‟: IX-9223-5/18 “Op 22 januari 2016 kreeg u een subsidie toegekend voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-de-trainer „Identiteit gezocht‟, dat loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december
- […] In het aanvankelijke aanvraagformulier was opgenomen dat hierbij een handboek zou worden aangemaakt tegen oktober
- Dit liep echter steeds vertraging op. De aanvankelijke vertragingen waren nog binnen de perken, maar in mei 2017 werd aangegeven dat de afwerking van het handboek zou worden voorzien tegen oktober
- Mijn medewerker gaf hierbij aan dat dit te laat was, maar kreeg het handboek uiteindelijk toch pas ter inzage doorgestuurd op 16 oktober
- Het handboek had de bedoeling een tool te zijn voor zowel de trainers als eerstelijnswerkers om in de praktijk mee aan de slag te gaan. Het resultaat beantwoordt hier voor een groot deel niet aan. Van de zes opgeleverde hoofdstukken zijn er slechts twee praktijkgericht. Een hoofdstuk met ca- sussen uit de praktijk werd dan weer niet uitgewerkt. Daarnaast komen verschillende passages voor als weinig wetenschappelijk onderbouwd. Bovendien zijn er inhoudelijk heel wat elementen die onvoldoende afge- stemd zijn met andere initiatieven en acties die in het kader van de pre- ventie van radicalisering zijn genomen of die afwijken van de globale vi- sie van de Vlaamse overheid zoals uitgedragen in het regeerakkoord en andere beleidsdocumenten. We sluiten ons in dat verband aan bij de op- merkingen die het GO! hieromtrent formuleerde (mail d d 20 november 2017). De Vlaamse overheid neemt daarom afstand van het handboek en de bij- horende website. Als vzw Motief toch beslist tot openbaarmaking, dan is dat onder eigen naam en met afwijking van het artikel 10 van het subsi- diebesluit dat stelt dat hieraan het logo van de Vlaamse overheid moet worden gekoppeld. Financieel zal de subsidie herleid worden pro rata de termijn tot en met de indiening van het handboek, namelijk 16 oktober
- Dit komt neer op een vermindering van 10.838 euro […]. Het saldo wordt hiermee vermin- derd tot 3 617 euro in plaats van 14 455 euro. Tegen deze beslissing kan een beroep tot nietigverklaring of een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden ingediend bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzoekschrift wordt in- gediend, hetzij elektronisch via een beveiligde website van de Raad van State (http//eproadmin.raadvst-consetat.be/), of met een ter post aangete- kende brief die wordt toegezonden aan de Raad van State (Wetenschaps- straat 33 te 1040 Brussel). Het verzoekschrift wordt ingediend binnen een termijn van zestig dagen nadat de beslissing werd betekend. Het gedeelte van de toegekende subsidie dat reeds werd uitbetaald en het saldo dat eventueel nog moet worden uitbetaald, moet worden verant- woord volgens de bepalingen die op het moment van toekenning van toe- passing waren, terug te vinden in het subsidiebesluit. Voor het financieel verslag kunt u een sjabloon terugvinden op onze web- site […]. Opdat de procedure van controle en verwerking van de afrekening tijdig kan worden beëindigd, is het belangrijk dat u de volgende richtlijnen strikt IX-9223-6/18 opvolgt. Als de gevraagde documenten niet of te laat worden ingediend, zal het reeds betaalde voorschot ook geheel of gedeeltelijk worden terug- gevorderd. Het financiële verslag moet de volledige afrekening weergeven van het project waarvoor de subsidie werd toegekend. Er mogen geen papieren documenten worden ingestuurd. Het overzicht van de kosten en de opbrengsten van het project en de genummerde lijst van de bewijsstukken worden in een rekenbladformaat (bv. Excel) ingediend. Van dit overzicht van de kosten en de opbrengsten van het project en de genummerde lijst van de bewijsstukken wordt eveneens een ondertekende en gedateerde pdf-versie op elektronische wijze ingestuurd. Als de afrekeningsformulieren en de werkingsverslagen onvoldoende in- gevuld of toegelicht zijn, dan wordt dit gemeld aan de subsidieverkrijger, die de rapportering ten spoedigste dient aan te vullen of te verbeteren. Bij een niet afdoende rapportering loopt de subsidieverkrijger het risico dat de reeds betaalde voorschotten zullen worden teruggevorderd.” Hierin leest verzoekster het bestreden besluit. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft. Zij doet op de terechtzitting afstand van deze exceptie. V. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt eveneens op dat het beroep onont- vankelijk is wegens gebrek aan belang. Ook van deze exceptie doet zij afstand. IX-9223-7/18 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste onderdeel van het derde middel Uiteenzetting van het middelonderdeel
- In het eerste middelonderdeel van het derde middel voert ver- zoekster aan dat de bestreden beslissing een sanctie is die hoe dan ook niet mag worden getroffen. Aangezien die vernietigingsgrond een strekking heeft die de overige wettigheidskritieken overbodig maakt, wordt hij éérst onderzocht.
- Het middelonderdeel is geput uit de schending van het MB van 22 januari
- Het luidt – niet méér maar ook niet minder: “Het MB van 22.1.2016 houdt geen enkele bepaling in die de stopzetting van het project mogelijk maakt. Dergelijke „sanctie‟ is niet opgenomen in het MB. Reeds om die reden dient de beslissing tot stopzetting van het project lo- pende de duurtijd ervan, vernietigd te worden.”
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat artikel 7 van het MB van 22 januari 2016 de eindbeoordeling van het project betreft en niet de stopzetting ervan. Voor die stopzetting ontbreekt een rechtsgrond in het MB van 22 januari
- Beoordeling
- Artikel 7, § 2, van het MB van 22 januari 2016 laat de verwe- rende partij toe om het handboek en draaiboek inhoudelijk te beoordelen in het licht van de doelstelling van de Vlaamse overheid waartoe de projectsubsidie is verleend, namelijk de preventie van radicaliseringsprocessen die kunnen leiden tot extremisme en terrorisme. De verwerende partij mag dan beslissen om het saldo van het toegekende subsidiebedrag geheel of gedeeltelijk niet uit te betalen of het voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. IX-9223-8/18 Blijkens het bestreden besluit maakt de verwerende partij die inhoudelijke beoordeling van het handboek in het licht van “de globale visie van de Vlaamse overheid zoals uitgedragen in het regeerakkoord en andere beleids- documenten” en beslist zij onder meer om die reden om haar medewerking en betrokkenheid stop te zetten en het subsidiebedrag niet volledig uit te betalen. Een dergelijke inhoudelijke beoordeling en appreciatie van de kwaliteit van het handboek in functie van de eigen beleidsdoelstellingen veron- derstelt een discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur. Zoals de verwerende partij opmerkt in de memorie van ant- woord, staat de “stopzetting van het project” niet letterlijk in artikel 7 van het MB van 22 januari 2016 vermeld. Dat het bestuur evenwel enkel als eindbeoordeling – dus na afloop van het project – beteugelend zou mogen optreden, kan de Raad niet bij- vallen. Wanneer reeds in de loop van een project waarvoor subsidies zijn toege- kend zou blijken dat de begunstigde verzuimt de afgesproken of opgelegde voor- waarden na te leven of de projectsubsidie kennelijk niet aanwendt voor de doel- einden waarvoor ze is verleend, dan mag van een zorgvuldig handelend bestuur worden verwacht dat het hiertegen tijdig optreedt om bij te sturen of, desnoods, het project stop te zetten. Aldus sluit dit bestuur ook aan bij wat hem inzake con- trole op het verlenen en het gebruik van de Vlaamse subsidies wordt opgelegd bij de artikelen 11 tot 14 van de wet van 16 mei 2003 „tot vaststelling van de alge- mene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof‟. Dat dit bij verzoekster overkomt als een “sanctie” is slechts haar subjectieve aanvoelen, omdat zij zich niet kan vinden in de motieven die tot die stopzetting hebben geleid. Overigens is het haar niet verboden om zelf het IX-9223-9/18 project voort te zetten, hetgeen zij ook heeft gedaan blijkens de in het dossier neergelegde publicatie van het handboek.
- De stelling dat het MB van 22 januari 2016 absoluut eraan in de weg staat dat het project vóór het einde ervan wordt stopgezet, omdat het in die maatregel niet uitdrukkelijk voorziet, kan in haar algemeenheid niet overtuigen. Het eerste onderdeel van het derde middel is ongegrond. B. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoekster put een eerste middel uit de schending van arti- kel 17 van het besluit van 30 oktober 2015 van de Vlaamse regering „tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departe- menten en van de intern verzelfstandigde agentschappen‟ (hierna: delegatiebe- sluit). Eveneens roept zij bevoegdheidsoverschrijding in alsook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel: “Voor zover [J.W.] als administrateur-generaal kan aan[ge]zien worden als hoofd van het agentschap, quod non daar hij niet ondertekent in die hoedanigheid, is verzoekster van mening dat hij zich niet kan beroepen op enige delegatie op grond van vermeld artikel
- Het delegatiebesluit laat niet toe dat de administrateur-generaal beslist over de stopzetting van het project. Dergelijke beslissing is voorbehouden aan de bevoegde minister, die overigens het MB 22.1.2016 heeft geno- men. Wat de subsidies betreft beperkt de delegatie zich tot het „verlenen‟ ervan, maar geeft het geen delegatiebevoegdheid voor wat betreft het herleiden ervan. Ook in die zin is er geen bevoegdheid in hoofde van de administra- teur-generaal. De vermelde administrateur-generaal heeft zijn bevoegdheid overschre- den.”
- De verwerende partij antwoordt dat J.W. de beslissing rechts- geldig heeft genomen als administrateur-generaal van het agentschap Binnen- IX-9223-10/18 lands Bestuur. Uit artikel 7 van het MB van 22 januari 2016 blijkt dat eens de subsidie verleend werd door de minister, de verdere afhandeling en opvolging van het subsidiedossier wordt toevertrouwd aan het agentschap Binnenlands Be- stuur. In die hoedanigheid valt het aan het hoofd van het agentschap toe om te oordelen over de stopzetting van het project en het inhouden van een gedeelte van de subsidie. Bovendien is die bevoegdheid eveneens inbegrepen bij de gedele- geerde bevoegdheid van “het verlenen van gereglementeerde subsidies” uit arti- kel 17 van het delegatiebesluit. Wie bevoegd is om een subsidie te verlenen, is ook bevoegd om deze in te trekken of te herleiden. Beoordeling
- Uit de toelichting bij het middel valt niet te begrijpen waarom het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. In zoverre is het middel onontvanke- lijk.
- Aan de aangevoerde “bevoegdheidsoverschrijding” geeft ver- zoekster geen specifieke invulling, zodat de Raad aanneemt dat verzoekster de “bevoegdheidsoverschrijding” niet anders ziet dan zoals zij het uiteenzet met be- trekking tot het delegatiebesluit.
- Artikel 7 van het MB van 22 januari 2016 is hiervóór aange- haald. Artikel 17, eerste lid, van het delegatiebesluit luidt: “Het hoofd van het departement of agentschap heeft delegatie om beslis- singen te nemen over: 1° de verwerving, de bouw, het beheer, de exploitatie, het onderhoud en de vervreemding van onroerende goederen en infrastructuren; 2° het verlenen van gereglementeerde subsidies en andere vormen van financiële tegemoetkomingen met een gereglementeerd karakter; 3° de invordering en inning van belastingen, heffingen, retributies en niet-fiscale schuldvorderingen; 4° het verlenen en intrekken van vergunningen; 5° het verlenen en intrekken van erkenningen; IX-9223-11/18 6° toezichts-, controle- en inspectietaken; 7° het verwerven, vervreemden en beheren van roerende domeingoede- ren.”
- Artikel 7 van het MB van 22 januari 2016 belast het betrokken agentschap met de controle van het inhoudelijk eindverslag. Zelfs als de controletaken van het agentschap in tijd en omvang ruimer mogen worden opgevat, wat volgt uit hetgeen hiervóór is overwogen met betrekking tot het eerste onderdeel van het derde middel, dan is één zaak te con- troleren – en eventueel te rapporteren over de resultaten van die controle – maar een andere zaak om uit die controle dwingende conclusies te trekken. Een beslis- sing om een project stop te zetten gaat naar het oordeel van de Raad van State de bevoegdheid om de aanwending van de subsidies te controleren te buiten. Om dezelfde reden wordt artikel 17, eerste lid, 6°, van het de- legatiebesluit niet dienstig aangevoerd.
- De bedoelde subsidie is geen „gereglementeerde subsidie‟ maar, zo blijkt uit de verwijzing naar enkel de algemene uitgavenbegroting en naar het advies van de inspectie van financiën in de aanhef van het MB van 22 januari 2016, een facultatieve subsidie. Artikel 17, eerste lid, 2°, van het delegatiebesluit wordt bijge- volg evenmin dienstig aangevoerd.
- De verwerende partij legt voor een delegatie aan de administra- teur-generaal van de bevoegdheid om een projectsubsidie stop te zetten geen deugdelijke rechtsgrondslag voor.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. IX-9223-12/18 C. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Het tweede middel is geput uit de schending van de hoorplicht, van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet). De bestreden beslissing maakt geen enkele melding van enig hoorrecht; dit is er niet geweest. Verzoekster is niet gehoord over de stopzetting op zich van het project, noch over de redenen waarom het project wordt stopgezet, noch over de concrete beslissing tot herleiding van de subsidie. De getroffen beslissing heeft geen behoorlijk onderzoek gedaan naar alle relevante feiten en steunt op eenzijdige beweringen, onder meer wat betreft de beweerde vertraging bij het realiseren en wat betreft de beoordeling van de inhoud van het handboek en de website. Ondergeschikt, ook wat betreft de financiële sanctie zelf en de omvang ervan, gaat de beslissing uit van louter een- zijdige en onjuiste criteria.
- De verwerende partij antwoordt dat aan de hoorplicht is vol- daan. Verzoekster werd met een e-mail van 26 oktober 2017 uitgenodigd om haar standpunt te laten kennen inzake de bezwaren die de verwerende partij had. De afspraak werd uiteindelijk vastgelegd op dinsdag 7 november
- Die dag heeft verzoekster de kans gekregen om haar standpunt uiteen te zetten over (a) de op- gelopen vertraging van het handboek en (b) de inhoudelijke kritieken op het handboek. Tijdens dit gesprek zocht verzoekster alleen maar – onaanvaardbare – excuses voor de vertraging en betwistte zij de inhoudelijke kritieken, zelfs in die IX-9223-13/18 mate dat zij weigerde in te gaan op de expliciete vraag van de verwerende partij om bepaalde passages uit het handboek te verwijderen. De verwerende partij kon dan ook niet anders dan overgaan tot het nemen van de bestreden beslissing. Zij heeft hierbij de hoorplicht in acht genomen en heeft de beslissing slechts geno- men na een zorgvuldig onderzoek van de feiten en met kennis van alle relevante gegevens. Bovendien wordt ook het uitgebreide e-mailverkeer tussen ver- zoekster en de betrokken medewerker bij het agentschap voorgelegd waaruit blijkt dat verzoekster ook diverse malen de kans heeft gekregen haar standpunt schriftelijk uiteen te zetten. Van een schending van de hoorplicht kan dan ook hoegenaamd geen sprake zijn. Ondergeschikt stelt verzoekster dat wat betreft de financiële sanctie zelf en de omvang ervan, de beslissing uitgaat van eenzijdige en onjuiste criteria. Verzoekster verduidelijkt deze stelling echter op geen enkele manier zo- dat het voor de verwerende partij onmogelijk is hierop een antwoord te bieden. Beoordeling
- De gegrondheid van het eerste middel impliceert dat, indien de verwerende partij na de hierna uit te spreken nietigverklaring meent dat er rede- nen zijn om de procedure te hernemen, de bevoegde overheid – de minister – het dossier kan behandelen vanaf het punt waarop het is misgelopen.
- De partijen betwisten niet dat de hoorplicht als algemeen be- ginsel van behoorlijk bestuur van toepassing is. De naleving van die hoorplicht houdt niet in dat verzoekster door de minister zelf moet worden gehoord en sluit een schriftelijk horen evenmin uit. Met het oog op de finale geschillenbeslechting die door de Raad van IX-9223-14/18 State moet worden nagestreefd, past het daarom het tweede middel te beoordelen en na te gaan in hoeverre verzoekster al dan niet reeds gehoord is.
- Zoals de verwerende partij erop wijst heeft verzoekster meer- maals haar standpunt kunnen meedelen over de kritiek van de verwerende partij met betrekking tot het handboek en met betrekking tot het gebruik van het logo van de Vlaamse overheid. Uit de volgende passus van de memorie van weder- antwoord blijkt daarenboven dat verzoekster niet wilde tegemoet komen aan de opmerkingen van de verwerende partij: “De conclusie van dit gesprek [van 7 november 2017] was dat Motief aangaf dat de gevraagde schrapping en correcties niet zouden doorge- voerd worden, gezien de stuurgroepleden (als experts) geen inhoudelijke wijzigingen gevraagd hadden. De projectverantwoordelijke en kabinets- medewerkers verzocht Motief om het logo van de Vlaamse overheid niet te gebruiken indien het handboek in ongewijzigde vorm gepubliceerd zou worden. Motief heeft gevraagd om dit verzoek in een formeel schrijven te mogen ontvangen aangezien het gebruik van het logo op de publicaties van dit project een verplichting was (K.B. art. 10).” Hieruit blijkt dat de verwerende partij haar bezwaren kenbaar heeft gemaakt en besproken heeft met verzoekster, die in staat was om haar standpunt over die kritiek mee te delen. Verzoekster vroeg daarenboven aan de verwerende partij in een e-mail van 14 november 2017 om zo vlug mogelijk uitsluitsel te krijgen: “[…] - Ivm het logo/ verwijzing naar Vlaamse overheid in het handboek: ik je op het overleg om ons ten laatste tegen 1 december een schriftelijke be- vestiging te sturen dat jullie het logo en de verwijzing niet in het hand- boek wensen. […] - Verder krijg ik van een aantal stuurgroepleden (en trainers) vragen over wanneer ze het handboek in hun bezit kunnen hebben. Vooral naar de stuurgroepleden vind ik het erg moeilijk om nu duidelijkheid te bieden over hoe de zaken staan. Het lijkt mij belangrijk dat zij snel op de hoogte kunnen gebracht worden van de beslissing van het kabinet. Of correcter nog zou eigenlijk zijn dat we hen hiervoor bijeenroepen op een vergade- ring. We kunnen de communicatie alleszins niet lang meer uitstellen.” IX-9223-15/18 Uit deze e-mail na het gesprek van 7 november 2017 blijkt dat verzoekster zo snel mogelijk een beslissing wil, en zelf niet meer aandringt om over handboek en logo nog nader te mogen argumenteren. Die vaststellingen nopen tot de conclusie dat in zoverre aan de hoorplicht is voldaan, minstens dat verzoekster in zoverre geen belang aantoont bij een andere invulling van de hoorplicht.
- Waarin verzoekster wel kan worden bijgevallen, is de vaststel- ling dat in dit overleg enkel handboek en logo werden besproken. Welke precieze consequenties dit zou hebben voor de voortzetting van het project en de nadere uitbetaling van het saldo van de subsidie is haar niet vooraf met zoveel woorden meegedeeld, noch heeft zij zich daarover in enig overleg nuttig kunnen verdedi- gen. In die mate is het middel gegrond.
- Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Euro- pese Unie is niet gericht tot de lidstaten maar uitsluitend tot de instellingen, orga- nen en instanties van de Unie. Verzoekster toont nergens aan dat dit artikel 41 zich vooralsnog zou richten tot organen van de Vlaamse Gemeenschap. Zij zet daarenboven nergens uiteen hoe dit artikel is geschonden door het bestreden be- sluit. In zoverre de schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt ingeroepen, is het middel onontvanke- lijk.
- De formelemotiveringswet vereist niet dat de naleving van de hoorplicht uitdrukkelijk wordt vermeld in de bestreden beslissing. IX-9223-16/18 Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoek- ster zonder meer poneert dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste criteria en dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op geen enkele manier wordt toegelicht. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Het middel is gegrond, doch enkel in de sub 25 aangegeven mate. D. Derde middel, tweede tot vierde onderdeel
- In tegenstelling tot het tweede middel, waarin verzoekster de schending van een vormvereiste aanvoert dat van belang kan zijn bij een eventu- eel hernemen van de procedure, levert zij in de nog niet besproken onderdelen van het derde middel voornamelijk inhoudelijke kritiek op de thans bestreden beslissing. De Raad van State mag niet vooruitlopen op de eventueel na de nietigverklaring te nemen beslissing door de minister en hij mag zich niet in de plaats van het bestuur stellen. Deze middelonderdelen zijn dan ook in zoverre voorbarig en om die reden niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Binnenlands Bestuur van 22 november 2017 houdende IX-9223-17/18 stopzetting van het project voor de ontwikkeling en begeleiding van een train-de-trainer ‘Identiteit gezocht’.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 oktober 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9223-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.843 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div