← België

Arrest 245846 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.846 Rolnummer: A. 223461/XII-8443 Zaak: Arrest 245846 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-06-28 03:46 Fiche Arrest nr 245.846 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.846 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 223.461/XII-8443 In zake:

  1. de NV MULLER
  2. André WERGIFOSSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 4 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 10 augustus 2017 waarbij aan André Wergifosse een administratieve geldboete van 3.000 euro wordt opgelegd en de nv Muller burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8443-1/48 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
  5. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd An Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Wat de feiten betreft wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het Auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Ontvankelijkheid
  8. Ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing “een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken” niet binnen de rechtsmacht van de Raad van State valt. Overigens dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen dat “de Raad van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen”. XII-8443-2/48 Het beroep is in die mate niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen
  9. In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de memorie van wederantwoord, voeren de verzoekende partijen twaalf middelen aan: “
  10. verjaring van de strafvordering
  11. overschrijding van de redelijke termijn
  12. niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
  13. foute toepassing van artikel 33 §1 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken - afwending van macht
  14. een onvolledige overmaking van het strafdossier
  15. schending van het onpartijdigheidsbeginsel
  16. schending van het proportionaliteitsbeginsel
  17. schending van de regels betreffende de bewijslast
  18. gebrek aan bewijs
  19. ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
  20. schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet
  21. geen gevolg te hebben gegeven aan de vraag tot uitstel die geformuleerd werd in de conclusies”. Deze twaalf middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het voormelde auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die deze middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden deze middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek door het Auditoraat en de Raad op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten. XII-8443-3/48
  22. De laatste memorie van de verzoekende partijen komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die het auditoraats- verslag betreffen, doch geen ernstige repliek daarop vormen. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. 6.
  23. In de eerste plaats herhaalt de Raad van State dat de recht- zoekende wel degelijk bij de Raad van State over een volwaardig jurisdictioneel beroep beschikt tegen de administratieve geldboete – opgelegd te dezen in het kader van het betrokken decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport) – zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B. 40.1 en B.40.2) en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass., 2009, 584). Dat de Raad “krachtens de marginale toetsing” de boete niet kan verlagen op grond van verzachtende omstandigheden, belet niet dat hij, indien hij vaststelt dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan vernietigen, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn. 6.
  24. De strafrechtelijke aard van de betrokken administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM wordt voorts door de Raad van State geenszins over het hoofd gezien. Daartoe al meermaals uitgenodigd, heeft de Raad reeds talrijke malen de met toepassing van het decreet bijzonder wegtransport opgelegde administratieve geldboetes aan de in het voormelde artikel vervatte waarborgen getoetst. De enkele vaststelling dat de gevolgde bestuurlijke procedure niet identiek is aan diegene die is vervat in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering of nog te onderscheiden valt van diegene die in het Waalse Gewest geldt, maakt op zich nog niet dat aan de rechtzoekende de in het voormelde artikel 6 EVRM vervatte waarborgen zouden worden ontnomen of dat de “andere behandeling” “naargelang de beslissing van het parket om het dossier XII-8443-4/48 al dan niet te seponeren”, een “onaanvaardbare discriminatie” met zich zou meebrengen, zoals de verzoekende partijen steeds opnieuw doen gelden in hun laatste memorie. Met de auditeur kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het voorgaande in het in het kader van een beroep tot nietigverklaring van Titel IV ‘Schade aan het wegdek door gewichts- overschrijving’ van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’, uitdrukkelijk heeft bevestigd (GwH, 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11.). De verzoekende partijen blijven in gebreke minstens minimaal aannemelijk te maken dat er een ongelijke behandeling zou bestaan. Zij slagen er ook niet in aan te tonen op het vlak van de proportionaliteit van de in het decreet bijzonder wegtransport voorziene sancties. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan welk belang zij hebben bij hun herhaalde kritiek op “het feit dat er verschillende sancties worden uitgesproken”, naargelang de zaak voor de strafrechter komt dan wel de bestuurlijke procedure wordt gevolgd. Voor de strafrechter, zoals de auditeur reeds vaststelde in zijn verslag, kunnen de sancties trouwens veel hoger oplopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hieromtrent de door de verzoekende partijen gesuggereerde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die berusten op dergelijke onterechte en reeds herhaalde malen verworpen veronderstellingen. Die vragen zijn louter dilatoir. Er kan niet worden aangeno- men dat artikel 26, § 2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof, die enkel de rol van dat Hof en de Raad nodeloos zou belasten. 6.
  25. Evenzeer, ontbeert de herhaalde argumentatie van de verzoekende partijen dat de duur van de rechtspleging “voor een [dergelijke] eenvoudige overtreding” een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft, alle grond. In een straf- of tuchtprocedure neemt de periode voor de berekening van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het XII-8443-5/48 EVRM een aanvang op het ogenblik dat de betrokkene op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk strafbare feiten ten laste worden gelegd en eindigt deze met het nemen en ter kennis brengen van de straf, te dezen de administratieve geldboete, en bij een beroep daartegen, door de betekening van de bestreden eindbeslissing. Herhaald wordt en overigens niet betwist door de verzoekende partijen, dat de termijnen van het decreet bijzonder wegtransport voor het opleggen van de administratieve geldboete en de behandeling van het bestuurlijk beroep daartegen, kort zijn en te dezen werden nageleefd. Voorts dient te worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen door de Raad van State uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring de wettigheid van de bestreden beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete niet kan aantasten, en derhalve geen grond kan zijn tot nietigverklaring van deze beslissing. Overigens dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 4 oktober 2017 zodat, rekening houdende met het door het algemeen procedurereglement opgelegde procedureverloop, de grief van de verzoekende partijen dat de redelijke termijn om uitspraak te doen overschreden zou zijn, van iedere ernst ontbloot is. 6.
  26. Wat de beweerde noodzakelijke bijstand van een advocaat betreft, worden de verzoekende partijen nogmaals herinnerd aan de vaste rechtspraak van de Raad van State ter zake en de uitspraak van het EHRM van 19 december 2017 in een zaak dan nog wel ingeleid door hun eigen raadsman, waarbij het EHRM de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigde, erin bestaande dat de voormelde bijstand niet is vereist bij het vaststellen van de kwestieuze overladingsinbreuk, hetgeen gebeurt bij een eenvoudige wegcontrole. (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Ivan Wertz). 6.
  27. Nogmaals dient te worden benadrukt dat de voorliggende inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport een relatief eenvoudige inbreuk is waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – via het gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De vrachtwagenbestuurder wordt daarbij niet onderworpen aan een verhoor in XII-8443-6/48 strafrechtelijke zin of in de zin van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verbalisanten noteerden enkel een aantal identiteitsinlichtingen, of “verklaringen” aangaande de identiteit van de vrachtwagenbestuurder en de onderneming waarvoor hij werkte, die werden opgenomen in het proces-verbaal. Het zijn niet die beperkte gevraagde/opgenomen inlichtingen maar de materiële vaststellingen van de overlading die de grondslag vormen van de beslissing tot het opleggen van een boete. Deze vaststellingen gebeuren op objectieve wijze met een weging van het voertuig op een asweger. De bestreden beslissing steunt aldus niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partijen worden er voorts aan herinnerd dat er “verklaringen” van verschillende aard zijn. Verklaringen ingewonnen in het kader van een politiecontrole ter vaststelling van eenvoudige verkeersinbreuken en van beperkte aard, zoals te dezen over de identiteit van de betrokken vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever, zijn niet te beschouwen als een verhoor, wat de bestreden beslissing terecht vaststelt en wat bevestiging vindt in het arrest van Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  28. B.5.5). Die mondelinge “verklaringen” hebben hun neerslag gevonden in het proces-verbaal, waarvan kennis werd gegeven aan de verzoekende partijen. De verzoekende partijen brengen geen tegenbewijs aan en zijn in de bestuurlijke procedure en in de procedure voor de Raad van State steeds in die hoedanigheid opgetreden. De begeleidende brief van 29 april 2016 bij het aanvankelijke proces-verbaal verwijst enkel naar “verklaringen” in die beperkte zin. In het dossier zijn er geen andere verklaringen en die kunnen dan ook niet worden overgemaakt. 6.
  29. Wat de kritiek betreft die de verzoekende partijen in de laatste memorie nog aanvoeren “met betrekking tot de manier waarop de wegingshandelingen werden uitgevoerd”, dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat zij beweren, het laadvermogen van de weegschaal niet werd overschreden tijdens de wegingshandelingen. Het maximale gewicht van twintig ton waarnaar wordt verwezen in het verslag van metrologische controle, kan immers niet anders dan betrekking hebben op een maximum gewicht per wielas en niet op het totale gewicht van het voertuig. XII-8443-7/48 Hetzelfde euvel treft de kritiek in de laatste memorie, dat de controle van de asweger niet wordt uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde is de omstandigheid dat de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. De verzoekende partijen voeren geen objectieve redenen aan om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces- verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt noch om te betwisten dat de weegbon betrekking zou hebben op het betrokken voertuig, waarvan de gegevens worden vermeld in bijlage 2 van het proces-verbaal.
  30. De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de twaalf door de verzoekende partijen aangevoerde middelen bij, en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven en van wat hiervoor nog werd opgemerkt. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor helft. XII-8443-8/48 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8443-9/48 Brussel, 28 februari 2019 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 223.461/XII-8443 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake:
  33. NV TRANSPORTS INTERNATIONAUX MULLER
  34. WERGIFOSSE André bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
  35. Het beroep, ingesteld op 4 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 10 augustus 2017 om aan André Wergifosse een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de nv Transports Internationaux Muller burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. II. RECHTSPLEGING
  36. Het door de verzoekende partijen verschuldigde rolrecht werd betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
  37. Op 11 april 2016 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door André Wergifosse, de tweede verzoekende partij en vrachtwagenbestuurder van de eerste verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 2.540 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de XII-8443-10/48 bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘het decreet bijzonder wegtransport’).1 3.
  38. Op 17 mei 2016 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.2 Op 10 juni 2016 beslist het Openbaar Ministerie om geen vervolging in te stellen.3 3.
  39. Op 11 augustus 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.4 3.
  40. Op 19 augustus 2016 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.5 Op 23 maart 2017 heeft een hoorzitting plaats.6 Op 19 april 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.7 3.
  41. Op 26 april 2017 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering.8 Op 22 juni 2017 heeft een hoorzitting in beroep plaats.9 Op 10 augustus 2017 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die 1 Administratief dossier, stuk nr.
  42. 2 Administratief dossier, stuk nr.
  43. 3 Administratief dossier, stuk nr.
  44. 4 Administratief dossier, stuk nr.
  45. 5 Administratief dossier, stuk nr.
  46. 6 Administratief dossier, stuk nr. 6-
  47. 7 Administratief dossier, stuk nr.
  48. 8 Administratief dossier, stuk nr.
  49. 9 Administratief dossier, stuk nr. 11-
  50. XII-8443-11/48 beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.10 IV. ONTVANKELIJKHEID 4.
  51. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. 4.
  52. Ambtshalve kan worden opgemerkt dat het –overigens pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord– in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing “een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken” niet binnen de rechtsmacht van de Raad van State valt.11 In die mate dient het beroep als niet ontvankelijk te worden verworpen. Er kan overigens worden opgemerkt dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen in hun memorie van wederantwoord dat “de Raad van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen”. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
  53. De verzoekende partijen voeren twaalf middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
  54. EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
  55. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijzen erop dat de inbreuk die de verzoekende partijen wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 11 april
  56. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verwerende partij verliest uit het oog dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor verkeersovertredingen vastgesteld door de wegpolitie een jaar bedraagt, hetgeen ook geldt voor een overladingsovertreding. De seponering door het parket zorgt er niet voor dat de oorspronkelijke inbreuk op het verkeersreglement omgezet wordt in een misdrijf en in geen geval dat de verwerende partij voordeel kan halen uit een langere 10 Administratief dossier, stuk nr.
  57. 11 In die zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a.; RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie; RvS 17 november 2017, nr. 239.901, nv Transport Jost & Cie e.a.; RvS 17 november 2017, nr. 239.903, nv Jost & Cie en RvS 17 november 2017, nr. 239.904, SA Jost e.a. XII-8443-12/48 verjaringstermijn dan de termijn waarin voorzien wordt in artikel 68 van de wet van 16 maart
  58. Dat de verbalisanten hun vaststellingen baseren op artikel 3 van het “Aslastendecreet" betekent niet dat de wet van 16 mei 1968 niet van toepassing zou zijn, daar de kwalificatie uiteindelijk een bevoegdheid is van de magistraat die ermee belast is het dossier te berechten. Het "Aslastendecreet" is een van het gemeen recht afwijkende bepaling en dient derhalve op een restrictieve manier te worden geïnterpreteerd, inzonderheid wat de verjaring betreft, zodanig dat ervan uit dient te worden gegaan dat eerder een verjaringstermijn van een jaar dient te worden toegepast in plaats van een verjaringstermijn van vijf jaar. Een andere redenering zou erop neerkomen dat het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet wordt geschonden aangezien in dat geval de verjaringstermijn verschillend zou zijn al naargelang de zaak voor een strafrechter of voor de verwerende partij zou worden gebracht. 5.1.1.
  59. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de verjaringstermijn wel degelijk vijf jaar is en niet werd overschreden. 5.1.1.
  60. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de verwerende partij hun argumentatie niet betwist. In ondergeschikte orde vragen zijn om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en in die zin geïnterpreteerd dat een verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is op de geldboetes (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) die het bestuurslichaam kan opleggen aan een overtreder jegens wie het Parket beslist heeft om geen vervolgingen in te stellen, terwijl, voor een zelfde overtreding, een overtreder jegens wie het Parket beslist heeft om vervolgingen in te stellen zich kan beroepen op de verjaring van 1 jaar bedoeld in artikel 68 van de wet van 16 maart 1968, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?” V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
  61. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg XII-8443-13/48 dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.”12 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.1.2.
  62. Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte het middel steunen op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport.13 In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.1.2.
  63. Wat betreft de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partijen veronderstellen blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.1.2.
  64. Het middel dient te worden verworpen. 12 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. 13 Administratief dossier, stuk nr.
  65. XII-8443-14/48 V.
  66. TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
  67. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tweede middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. De overtreding werd op 11 april 2016 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 10 augustus 2017, meer dan een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. De verzoekende partijen wijzen erop dat de termijn tussen het instellen van hun bezwaar op 19 augustus 2016 tegen de initiële beslissing en de hoorzitting op 23 maart 2017 veel te lang is. Volgens de verzoekende partijen moet, om de redelijke termijn te bepalen, “de hele duur van de rechtspleging” in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. 5.2.1.
  68. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. Wat de termijn voor de hoorzitting betreft wijst zij erop dat deze grief niet werd opgeworpen in het administratief beroep. Bovendien werd de reglementaire termijn nageleefd. 5.2.1.
  69. In hun memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stellen zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?” XII-8443-15/48 V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
  70. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “5.8.
  71. Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. 5.8.
  72. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.”14 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.2.2.
  73. De verwerende partij werpt terecht op dat de grief inzake de termijn tussen het indienen van het bezwaar tegen de initiële beslissing en de hoorzitting in bezwaar niet werd opgeworpen door de verzoekende partijen in het kader van de administratieve beroepsprocedure. Voorts gaat het om een kritiek die enkel de totstandkoming betreft van de beslissing in graad van bezwaar van 19 april
  74. Aldus gaat het om een kritiek die hoogstens deze beslissing in eerste aanleg zou kunnen aantasten. Evenwel werd deze beslissing vervangen door de daaropvolgende beslissing in graad van administratief beroep van 10 augustus
  75. 5.2.2.
  76. Waar de verzoekende partijen het middel in de memorie van wederantwoord uitbreiden naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering dient te worden vastgesteld dat het middel niet ontvankelijk is. Die 14 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8443-16/48 basis hadden de verzoekende partijen immers reeds aan het middel kunnen geven in het inleidend verzoekschrift. Er is dan ook geen grond om de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Minstens dient er te worden vastgesteld dat deze prejudiciële vraag feitelijke grondslag blijkt te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partijen wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring. 5.2.2.
  77. Het middel dient te worden verworpen. V.
  78. DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
  79. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het derde middel de schending aan van “artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging”. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.3.1.1.
  80. In een eerste onderdeel wijzen zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpen op de hoogte werden gesteld van de feiten die hen ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. De tweede verzoekende partij was aanwezig op de hoorzitting en heeft nooit het recht gehad om het woord te nemen ten aanzien van de ambtenaren die zijn zaak dienden te berechten. Dat de verzoekende partijen werden bijgestaan door een advocaat die het Frans heeft kunnen gebruiken is volgens de verzoekende partijen irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partijen niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de XII-8443-17/48 zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partijen. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijzen zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. 5.3.1.1.
  81. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partijen wijzen op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. 5.3.1.
  82. In haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij er wat het eerste middelonderdeel betreft onder meer op dat de vrachtwagenbestuurder op de hoorzitting geen uitspraken deed. Het stond hem vrij zich in het Frans uit te drukken, er werd hem niet het recht ontzegd zich te verdedigen. Bovendien blijkt de raadsman van de verzoekende partijen het Nederlands machtig te zijn, zodat hij zijn cliënt kon bijstaan bij onduidelijkheden. Wat het tweede middelonderdeel betreft wijst de verwerende partij erop dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord, noch een vragenlijst heeft ingevuld. Zij wijst op de specifieke juridische betekenis van het begrip ‘verhoor’. 5.3.1.3.
  83. In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog het volgende gelden: “Overwegende dat er in casu benadrukt dient te worden dat de eiser Wergifosse aanwezig is geweest op beide zittingen van het Vlaams Gewest; XII-8443-18/48 Dat er bij het proces-verbaal dat bezorgd werd door het Vlaams Gewest een vragenlijst was bijgevoegd die enkel opgesteld was in het Nederlands, zodanig dat het niet vaststaat dat een begrijpelijk document aan de eisende partijen werd bezorgd; Dat Mijnheer Wergifosse of zijn werkgever nooit geantwoord hebben op welke vragenlijst dan ook; Dat de eisers een Raadsman hebben moeten kiezen, een beroep hebben moeten instellen en conclusies hebben moeten opstellen om zich in het Frans uit te kunnen drukken voor het Vlaams Gewest; Dat het derhalve overduidelijk is dat de concluanten niet op gelijke voet staan met het Vlaams Gewest en dat ze bovenmatige kosten en honoraria hebben moeten voorschieten om de overtredingen die hen verweten werden, te begrijpen; Overwegende dat hoewel het klopt dat de overtreding die de concluanten verweten wordt een relatief eenvoudige overtreding is, er desalniettemin vastgesteld dient te worden dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen onderscheid heeft gemaakt tussen een eenvoudige en een ingewikkelde overtreding; Overwegende dat uw Hoog Rechtscollege in de voornoemde arresten eveneens gesteld heeft dat het niet bevoegd was om de tekst van het "Aslastdecreet" te vergelijken met de wet van 15 juni 1935;”.15 Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?” 5.3.1.3.
  84. Wat het tweede middelonderdeel betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat uit de begeleidende brief van 29 april 2016 bij het proces-verbaal van 11 april 2016 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij de stukkenbundel worden gevoegd. Indien dit verhoor niet zou bestaan, dient er vastgesteld te worden dat de brief van 29 april 2016 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften en dan hebben de verzoekende partijen het recht om een klacht met burgerlijke partijstelling tegen de opsteller van deze brief in te dienen bij de onderzoeksrechter. 15 Memorie van wederantwoord, p. 11-
  85. XII-8443-19/48 V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.1.
  86. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: “Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italie , nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige XII-8443-20/48 aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.”16 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.3.2.1.
  87. Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partijen maken in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de hen ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunt over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunt kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partijen in concreto zouden zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. 5.3.2.1.
  88. Waar de verzoekende partijen in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroepen, kan het volgende worden opgemerkt. 16 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8443-21/48 Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partijen te dezen door dat Hof berecht zijn geworden. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partijen laten immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zetten zij uiteen waarom er volgens hen te dezen zou zijn voldaan aan de voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partijen uitentreuren doen gelden doorheen hun verzoekschrift en memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december 1998.17 Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho18). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient 17 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  89. 18 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: “[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‘civil rights and obligations’ does not comply with Article 6 § 1 in some XII-8443-22/48 te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Dat een inbreuk op de overladingsreglementering van het Vlaams Gewest door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt behandeld, zoals de verzoekende partijen opwerpen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 5.3.2.1.
  90. Dat de verzoekende partijen niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpen in de memorie van wederantwoord, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.3.2.1.
  91. Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte veronderstellen dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als degenen die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter.19 De door hen voorgestelde prejudiciële vraag berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. 5.3.2.1.
  92. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.3.2.2.
  93. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: “Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‘subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1’ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction”. 19 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  94. XII-8443-23/48 situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  95. B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.”20 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen als vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.3.2.2.
  96. Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het proces- verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. Het standpunt van de verzoekende partijen bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partijen zich op beroepen. 20 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8443-24/48 Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat “de vervolgingen” zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op grond van een verhoor. Waar de verzoekende partijen verwijzen naar de begeleidende brief van 29 april 2016 bij het proces-verbaal van 11 april 2016 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. Er wordt voorts uitdrukkelijk in het proces-verbaal vermeld dat de vrachtwagenbestuurder zich beroept op zijn zwijgrecht. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de eerste verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever reeds op zich de bijstand van een advocaat zou vereisen. 5.3.2.2.
  97. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.3.2.
  98. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  99. VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
  100. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vierde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van XII-8443-25/48 verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen, alsook de aanwezigheid van een tolk op de zitting. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. 5.4.1.
  101. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat er sprake zou zijn van machtsmisbruik. 5.4.1.
  102. In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen nog het volgende gelden: “Dat hoewel dit rechtsmiddel bestaat uit een herhaling van grieven die reeds ingeroepen werden tegen de bestreden beslissing, er desalniettemin vastgesteld dient te worden dat de aangehaalde bezwaren tot doel hebben om de taak van de tegenpartij te vergemakkelijken om zo de eisers te verhinderen om op een rechtsgeldige manier de boetes te betwisten die door haar diensten op een eenzijdige manier werden opgelegd en om achteraf te proberen het bedrag van de boetes te innen door gebruik te maken van de taal van de overtreder, hetgeen duidelijk het rechts- en machtsmisbruik aantoont in hoofde van de verweerster”.21 V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.
  103. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‘diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt’, als volgt: ‘§
  104. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
  105. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
  106. [...].’ 21 Memorie van wederantwoord, p.
  107. XII-8443-26/48 Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben –zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel– zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‘Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.’ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: ‘De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.’ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.”22 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.4.2.
  108. Er kan voor de volledigheid worden opgemerkt dat de verzoekende partijen wonen dan wel gevestigd zijn in Waimes, wat een gemeente in het Duits 22 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8443-27/48 taalgebied is. Dit heeft ten aanzien van het Vlaams Gewest evenwel geen enkele relevantie naar taalgebruik toe in de voorliggende zaak. 5.4.2.
  109. Het middel dient te worden verworpen. V.
  110. VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
  111. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vijfde middel aan dat het strafdossier hun niet volledig werd bezorgd. De verklaring van de vrachtwagenbestuurder werd niet aan de verzoekende partijen bezorgd. Volgens de bestreden beslissing zou de vrachtwagenbestuurder ervoor gekozen hebben om gebruik te maken van het recht om te zwijgen, wat noodzakelijkerwijs met zich brengt dat hij de vragenlijst niet wilde invullen. Dit is een petitio principii aangezien er schriftelijk en niet mondeling op een vragenlijst geantwoord wordt en dit derhalve niets te maken heeft met het recht om te zwijgen. 5.5.1.
  112. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat aangezien er geen vragenlijst werd ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, deze niet kan worden bezorgd. 5.5.1.
  113. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen: “Dat het in de brief van 29 april 2016 nochtans vaststaat dat de verklaringen werden gedaan door Mijnheer Wergifosse aangezien het Vlaams Gewest in een brief die getekend werd door Mevrouw Vanempten en die het tegendeel beweert in haar procedurestukken, stelt dat er uit de uitleg van Mijnheer Wergifosse voortvloeit dat hij op het ogenblik van de feiten reed voor rekening van de vennootschap Transports Muller; Dat Mevrouw Vanempten derhalve duidelijk het bestaan van verklaringen van Mijnheer Wergifosse erkent terwijl deze helemaal niet worden overgelegd; Dat indien deze verklaringen niet zouden bestaan, ervan uit zou dienen te worden gegaan dat de brief van 29 april 2016 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften in hoofde van Mevrouw Vanempten en dat de vervolgingen derhalve gestoeld zijn op deze overtreding, zodanig dat deze vervolgingen onontvankelijk zouden zijn.”23 V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
  114. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: 23 Memorie van wederantwoord, p.
  115. XII-8443-28/48 “De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materie le vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materie le feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‘grond van rechtvaardiging’ of ‘schulduitsluitingsgrond’ aannemelijk maakt. Nu er dient te worden aangenomen dat er u berhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd. [...] Het vierde middel wordt verworpen.”24 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.5.2.
  116. Voor het overige kan er worden opgemerkt, wat betreft de begeleidende brief van 29 april 2016 bij het proces-verbaal van 11 april 2016, dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. Er wordt voorts uitdrukkelijk in het proces-verbaal vermeld dat de vrachtwagenbestuurder zich beroept op zijn zwijgrecht. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de eerste verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces-verbaal werd aan de verzoekende partijen bezorgd. In die mate mist het middel feitelijke grond. Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat “de vervolgingen” zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.5.2.
  117. Het middel dient te worden verworpen. 24 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8443-29/48 V.
  118. ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
  119. De verzoekende partijen voeren in een zesde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.6.1.1.
  120. Eerste middelonderdeel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd, beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen. In sommige gevallen legt deze persoon de initie le geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet deze persoon uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert deze persoon het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure.Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De verwerende partij ontneemt een aanleg aan de verzoekende partijen door de zaak in eerste aanleg door een partijdige ambtenaar te laten onderzoeken. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij. Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM volgens de verzoekende partijen ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. 5.6.1.1.
  121. Tweede middelonderdeel. Het verslag van metrologische controle dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd, werd ondertekend door de administrateur- generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook door hem ondertekend. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de asweger bezorgt. Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partijen het recht hebben om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheids–waarborgen worden uitgevoerd. 5.6.1.
  122. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat het onpartijdigheids–beginsel geschonden zou zijn. 5.6.1.3.
  123. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft nog het volgende: XII-8443-30/48 “Overwegende ten slotte dat de onpartijdigheid van Mevrouw Vanempten des te minder is aangetoond daar deze laatste haar verklaringen in eerste aanleg gestoeld heeft op documenten die niet aan de eisers of aan hun Raadsman bezorgd werden, in casu het verslag van de metrologische controle; Dat zij nooit bij de debatten de verklaring van Mijnheer Wergifosse overgelegd heeft waaruit blijkt dat hij op de dag van de feiten reed voor rekening van zijn werkgever”.25 Vervolgens formuleren zij volgend verzoek: “Dat het bovendien interessant zou zijn dat de tegenpartij bij de debatten de lijst van haar wegeninspecteurs-controleurs overlegt aangezien dit document zou kunnen aantonen dat andere ambtenaren beschikken over dezelfde bevoegdheden als Mevrouw Vanempten, zodanig dat aan de rechtspleging in eerste aanleg een schijn van onpartijdigheid zou kunnen worden gegeven door het eerste beroep te laten berechten door een andere ambtenaar dan diegene die de oorspronkelijke boete heeft opgesteld; Dat dit al het geval is geweest in andere dossiers en dat de concluant inzonderheid de beslissingen van Mijnheer Knippenberg […] overlegt; Dat de eisers voor zover nodig Mijnheer de Auditeur verzoeken om de tegenpartij te gelasten deze lijst met haar wegeninspecteurs-controleurs te overleggen”.26 5.6.1.3.
  124. De verzoekende partijen komen in hun memorie van wederantwoord niet terug op het tweede middelonderdeel. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.1.
  125. De Raad van State heeft in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige eerste middelonderdeel als volgt verworpen: “In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van [het] bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld. De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten. Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-inspecteur-controleurs, eigen 25 Memorie van wederantwoord, p.
  126. 26 Memorie van wederantwoord, p. 17-
  127. XII-8443-31/48 bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming. Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn clie nte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden gee erbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‘talrijke schendingen van de rechten van verdediging’ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. [...] Het blijkt niet hoe de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden aangetast door het feit dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar [...] heeft genomen ook in andere hoedanigheden optreedt in andere dossiers inzake inbreuken op de aslastenregelgeving. [...] Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoo rdineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten. [...] Ook het vijfde middel wordt verworpen.”27 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 27 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8443-32/48 5.6.2.1.
  128. Voorts blijkt uit het administratief dossier niet dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar (“in eerste aanleg”) heeft genomen, betrokken was bij het nemen van de bestreden beslissing na beroep. In zoverre het eerste middelonderdeel steunt op de premisse dat deze ambtenaar wel degelijk betrokken was in alle fasen van de procedure –dus ook bij het nemen van de bestreden beslissing– mist het dan ook feitelijke grondslag. 5.6.2.1.
  129. Het laten overleggen door de verwerende partij van een lijst met wegeninspecteurs-controleurs is irrelevant om de gegrondheid van het middel en de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. Het Auditoraat ziet dan ook geen grond om in te gaan op dat verzoek. 5.6.2.1.
  130. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.6.2.2.
  131. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: “De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten.”28 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.6.2.2.
  132. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.6.
  133. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  134. ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
  135. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het zevende middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. 28 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8443-33/48 Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 1.500 euro (sic) wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete tussen “10 BEF en 10.000 BEF” worden bestraft. Zij verwijzen naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. 5.7.1.
  136. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat het proportionaliteitsbeginsel niet geschonden is. 5.7.1.
  137. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verzoekende partijen stellen voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?” V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
  138. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8443-34/48 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.7.2.
  139. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 2.540 kg. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 2.500 kg tot minder dan 3.000 kg vast op 500 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk nog van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 3.000 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.7.2.
  140. Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: “Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. XII-8443-35/48 Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‘aannemelijke element[en]’ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‘tegendeel te bewijzen’. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‘automatisch’ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‘de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.’ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‘het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.’ Het gaat dus niet louter om het ‘laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur’ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.” Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.7.2.
  141. Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, worden de verzoekende partijen erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kunnen de verzoekende partijen erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) geldboetes XII-8443-36/48 voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid.29 In zoverre de verzoekende partijen het voorstel van prejudiciële vraag betrekken op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijven de verzoekende partijen in gebreke om bij de adstructie van hun vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperken zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen.30 Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.7.2.
  142. Het middel dient te worden verworpen. V.
  143. ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
  144. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het achtste middel de schending aan van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken. De bewijslast ligt bij de verwerende partij. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagenbestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 5657 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en 29 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. 30 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
  145. XII-8443-37/48 een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de eerste verzoekende partij. Voorts verwijzen zij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De verwerende partij heeft pas na de beslissing in administratief beroep een document van de metrologische dienst aan de verzoekende partijen bezorgd. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is bovendien anderhalf jaar oud. Dit document werd opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer zelf en niet door een onafhankelijk orgaan met de nodige onpartijdigheidswaarborgen, zodat de verwerende partij opnieuw rechter en partij is. 5.8.1.
  146. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.
  147. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen het verschil met de handelwijze van de agenten van het Waals Gewest. Een overtreder wordt anders behandeld in Vlaanderen dan in Wallonië. Zij benadrukken dat het metrologisch attest niet door een onafhankelijk orgaan werd opgesteld. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
  148. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “4.
  149. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over XII-8443-38/48 bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
  150. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‘betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein’ en niet onder het te dezen van toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.”31 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.8.2.
  151. Er zijn in de voorliggende zaak evenmin elementen om te besluiten dat de gebruikte asweger niet naar behoren functioneert en om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Ook te dezen blijkt het proces-verbaal alle vereiste gegevens te bevatten opdat zou vaststaan dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Er blijkt niet dat de in dit middel ingeroepen en niet nader gespecificeerde “regels betreffende de bewijslast in strafzaken” zouden zijn miskend bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.8.2.
  152. Het middel dient te worden verworpen. 31 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a.; RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. XII-8443-39/48 V.
  153. NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
  154. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het negende middel een gebrek aan bewijs aan. Zij betogen dat indien de beklaagde een omstandigheid aanvoert die zijn verantwoordelijkheid uitsluit en indien deze aanvoering niet ontdaan is van elementen die van aard zijn haar geloofwaardigheid toe te dichten, de vervolgende partij ertoe gehouden is om er de onjuistheid van te bewijzen. Het voertuig werd door een derde geladen zonder dat de vrachtwagenbestuurder aanwezig kon zijn bij de lading en zonder dat hij over welk middel dan ook beschikte om de lading na te gaan, zodanig dat noch de werkgever noch de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid hadden om het precieze gewicht na te gaan dat vervoerd werd door het voertuig. Deze beweringen zijn perfect aannemelijk en stroken met een vaak voorkomende handelwijze op het vlak van transport. Het komt aan de verwerende partij toe om te bewijzen dat deze beweringen niet zouden stroken met de werkelijkheid. 5.9.1.
  155. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
  156. In hun memorie van wederantwoord komen de verzoekende partijen niet terug op het middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
  157. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3º, van het algemeen procedurereglement moet de verzoekende partij in het verzoekschrift de rechtsmiddelen uiteenzetten die zij tegen de bestreden beslissing wil doen gelden. Onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of -beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of -beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. 5.9.2.
  158. Het voorliggende ‘middel’ is beperkt tot een blote bewering. Als dusdanig is het niet-ontvankelijk. 5.9.2.
  159. In zoverre het middel zou moeten worden opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht, kan er worden opgemerkt dat uit het administratief dossier, de bestreden beslissing en het onderzoek van de overige middelen die de verzoekende partijen aanvoeren, blijkt dat de bestreden beslissing berust op draagkrachtige motieven, bestaande en voldoende bewezen feiten. Het louter poneren van het tegendeel volstaat niet als wettigheidskritiek. XII-8443-40/48 5.9.2.
  160. Voorts kan worden opgemerkt dat de tweede verzoekende partij te dezen wordt gesanctioneerd voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, decreet bijzonder wegtransport. Die bepaling luidt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt.” Het materieel element van de inbreuk betreft aldus het zich op de openbare weg bevinden met een voertuig waarvan de assen met meer dan 5% overladen zijn. Die vaststelling volstaat in beginsel op zich reeds opdat een administratieve geldboete zou kunnen worden opgelegd in toepassing van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport. Te dezen werd het bestaan van dat materieel element vastgesteld door middel van een eenvoudige weging van het voertuig op een asweger. Het feit dat het voertuig door een derde werd geladen is daarbij in beginsel geheel irrelevant. De bewering dat het voertuig door een derde werd geladen doet er immers geen afbreuk aan dat er werd vastgesteld dat de tweede verzoekende partij zich met een overladen voertuig op de openbare weg bevond. De verzoekende partijen kunnen zich niet verschuilen achter het niet voorhanden zijn van een middel om het precieze gewicht onder de assen na te gaan. De eerste verzoekende partij dient daarentegen als professionele transportondernemer haar voertuigen met de nodige apparatuur uit te rusten opdat haar vrachtwagenbestuurders zich wettig met haar voertuigen op de openbare weg kunnen begeven. Aanvoeren dat de verzoekende partijen het gewicht onder de assen van het voertuig niet kunnen weten, is niet dienstig. Het komt aan hen toe dat gewicht juist wel te weten. 5.9.2.
  161. Het middel dient te worden verworpen. V.
  162. TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
  163. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tiende middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is en “het beginsel van het gezag van de handelingen” schendt. Volgens de verzoekende partijen is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; XII-8443-41/48 b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument dat voortvloeit uit het gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van de ambtenaren van de verwerende partij; d) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagenbestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was; e) de bestreden beslissing rechtvaardigt niet waarom het uitstel dat gevraagd werd, geweigerd werd. 5.10.1.
  164. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
  165. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen in wezen niets toe aan het middel. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.
  166. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een “afdoende” wijze. 5.10.2.
  167. Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen tien bladzijden en de verwerende partij blijkt daarin bovendien uitdrukkelijk te antwoorden op elk van de middelen die de verzoekende partijen hadden aangevoerd in hun conclusies in graad van beroep. De bestreden beslissing bevat wel degelijk motieven inzake het gebruik van talen door het bestuur en tijdens de hoorzittingen, de vermeldingen op de weegbon, de onpartijdigheid van de ambtenaren van de verwerende partij, de verzachtende omstandigheden die de verzoekende partijen hadden ingeroepen en het uitstel dat zij hadden gevraagd. Deze motieven volstaan. Er is geen grond om tot miskenning van de formele motiveringsplicht te besluiten. 5.10.2.
  168. Het middel dient te worden verworpen. XII-8443-42/48 V.
  169. ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
  170. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het elfde middel de schending aan van “het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet”. Volgens de verzoekende partijen is het gelijkheidsbeginsel te dezen om de volgende redenen geschonden: a) in tegenstelling tot een beklaagde die voor een gewone strafrechtbank gedagvaard wordt en die kan vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar de dichtstbij gelegen Franstalige rechtbank of gebruik kan maken van de diensten van een tolk, een beklaagde die voor een bestuursrechtscollege berecht wordt zowel in eerste aanleg als in graad van beroep niet over deze mogelijkheid beschikt; terwijl de beklaagde het recht heeft om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier, er vastgesteld dient te worden dat dit niet het geval is voor een uitzonderingsrechtbank zoals de verwerende partij; b) de verjaringstermijn is verschillend al naargelang de zaak geseponeerd wordt en men uitleg dient te verschaffen voor een bestuursrechtscollege of men doorverwezen wordt naar een gewone strafrechtbank; c) overtreders worden anders behandeld al naargelang ze gecontroleerd worden door de diensten van de verwerende partij of door de diensten van het Waals Gewest, de verzoekende partijen verwijzen naar hun betoog over de weegbon; d) de rechtbanken van de rechterlijke macht niet aarzelen om het element van twijfel toe te passen wanneer ze geconfronteerd worden met wegingsbonnen die even onnauwkeurig zijn als de documenten die overgelegd worden door de verwerende partij, terwijl een bestuursrechtscollege waarbij hetzelfde probleem en dezelfde stukken aanhangig worden gemaakt de mening is toegedaan dat er helemaal geen reden is om de vaststellingen van zijn eigen diensten in twijfel te trekken. 5.11.1.
  171. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
  172. In hun memorie van wederantwoord vragen de verzoekende partijen om twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien voor een zelfde overtreding en al naargelang het Parket beslist om te vervolgen of om het dossier te seponeren, dit decreet aan sommige rechtsonderhorigen de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van de procedurele waarborgen betreffende de gerechtelijke vervolgingen en het verloop van het proces voor de rechtbanken van de rechterlijke macht terwijl andere rechtsonderhorigen die onderworpen zijn aan de administratieve sanctieprocedure niet over deze mogelijkheid beschikken, terwijl de XII-8443-43/48 administratieve sancties die opgelegd kunnen worden nochtans van dezelfde orde zijn als de sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht?” en “Schendt het Vlaams decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met het Waals decreet van 19 maart 2009 niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om vervolgingen in te stellen aan een zelfde regeling van vervolgingen en sancties onderworpen worden en zich kunnen beroepen op identieke procedurele waarborgen voor de rechtbanken van de rechterlijke macht, zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de delen van het Belgisch grondgebied waarop de overtreding werd begaan, terwijl de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om geen vervolgingen in te stellen onderworpen worden aan andere regelingen van vervolgingen en sancties, waardoor niet dezelfde procedurele waarborgen geboden kunnen worden al naargelang de overtreding begaan werd op het grondgebied van het Waals Gewest of van het Vlaams Gewest”. V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
  173. Het middel zoals aangebracht in het verzoekschrift betreft een loutere herneming van diverse grieven die reeds in andere middelen zijn aangevoerd. In die mate kan naar de beoordeling en de voorgestelde verwerping van die grieven worden verwezen. Er zijn geen redenen voorhanden om die grieven, ingekleed als een schending van het gelijkheidsbeginsel, wel te aanvaarden. 5.11.2.
  174. Wat betreft de eerste voorgestelde prejudiciële vraag dient erop te worden gewezen dat deze berust op de premisse dat de administratieve geldboete die opgelegd kan worden wegens een overladingsinbreuk van dezelfde orde is als de strafrechtelijke sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht. Die veronderstelling faalt. Overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport is het tarief van de administratieve geldboete immers gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. Uit artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport blijkt dat de strafrechter voor elke in die bepaling opgenomen overladingscategorie een strafrechtelijke geldboete kan opleggen tussen het minimumbedrag en een maximumbedrag dat honderd

(100)maal hoger ligt. Op dat bedrag dienen dan nog, net zoals de bij de administratieve geldboete, de opdeciemen te worden toegepast. Voor een overlading zoals degene in de huidige zaak aan de orde is kan een strafrechter aldus een geldboete opleggen tot een maximumbedrag van 50.000 euro, met XII-8443-44/48 opdeciemen (in de huidige zaak nog een factor 6) wordt dat aldus 300.000 euro. Het bestuur is er daarentegen toe gehouden een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen. Bovendien kan de strafrechter overeenkomstig artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport daarnaast ook een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar opleggen. Voorts dient de strafrechter, wanneer hij een veroordeling uitspreekt voor een inbreuk die gepleegd is op gewestwegen en bestraft wordt overeenkomstig artikel 14, § 2, krachtens artikel 15 van het decreet bijzonder wegtransport ook nog eens de overtreder te veroordelen tot een forfaitair bedrag als bijdrage tot financiering van het Vlaams Infrastructuurfonds. Dat bedrag varieert tussen 25 en 375 euro, afhankelijk van de overladingscategorie, maar dient eveneens nog te worden verhoogd met de strafrechtelijke opdeciemen. Te dezen zou die bijdrage aldus 1.500 euro bedragen. In een extreem maar niet onmogelijk scenario voor de strafrechter gaan de verzoekende partijen aldus te dezen naar huis met een geldboete van 300.000 euro, een te betalen bijdrage van 1.500 euro en een veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar. Dit alles wordt bovendien in het strafregister opgenomen. In de administratieve sanctieprocedure kan hen te dezen hoogstens een administratieve geldboete van 3.000 euro worden opgelegd. De verzoekende partijen dwalen aldus volledig waar zij hun eerste prejudiciële vraag steunen op de premisse dat de sancties die het bestuur kan opleggen van dezelfde orde zouden zijn als degene die de strafrechter kan uitspreken. Er is dan ook geen grond om de eerste prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
  1. In de tweede prejudiciële vraag willen de verzoekende partijen in essentie het Grondwettelijk Hof bevraagd zien over de wettigheid van het bestaan van onderscheiden regelingen inzake de administratieve sanctionering van overladingsinbreuken in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest. Dat punt is reeds uitentreuren beslecht in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelt daarbij -sinds decennia- steevast dat een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers van de federale deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en als zodanig niet kan worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.32 32 Zie, als slechts enkele voorbeelden: GwH 23 oktober 2014, nr. 157/2014, B.6.2.; GwH 5 oktober 2011, nr. 149/2011, B.6.2.; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.4.; GwH 18 februari 1993, nr. 14/93, B.2.6.; GwH 18 november 1992, nr. 74/92, B.3.
  2. XII-8443-45/48 Er zijn geen redenen voorhanden om het Grondwettelijk Hof opnieuw te bevragen over een dergelijke al sinds tientallen jaren uitgeklaarde kwestie. Er is aldus evenmin grond om de tweede prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
  3. Het middel dient te worden verworpen. V.
  4. TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
  5. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het twaalfde middel aan dat de verwerende partij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag tot uitstel die geformuleerd werd. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij om uitstel gevraagd hebben of om de boete te herleiden tot 1 euro. Daartoe beroepen zij zich op het feit dat de lading niet werd uitgevoerd door de vrachtwagenbestuurder die ook niet de mogelijkheid had om de goederen te wegen. Bovendien wordt er geen enkele vroegere strafrechtelijke veroordeling aangetoond in hoofde van de verzoekende partijen. Dit lijkt voldoende opdat de verzoekende partijen uitstel kunnen vragen voor de volledige straf. Zij benadrukken dat de vrachtwagenbestuurder geen enkel middel tot zijn beschikking had om het gewicht van zijn lading en de verdeling aan de wielassen na te gaan. De overlading was zo gering dat een normaal zorgvuldig vrachtwagenbestu

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.