id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.846 Rolnummer: A. 223461/XII-8443 Zaak: Arrest 245846 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-06-28 03:46 Fiche Arrest nr 245.846 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.846 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 223.461/XII-8443 In zake:
(100)maal hoger ligt. Op dat bedrag dienen dan nog, net zoals de bij de administratieve geldboete, de opdeciemen te worden toegepast. Voor een overlading zoals degene in de huidige zaak aan de orde is kan een strafrechter aldus een geldboete opleggen tot een maximumbedrag van 50.000 euro, met XII-8443-44/48 opdeciemen (in de huidige zaak nog een factor 6) wordt dat aldus 300.000 euro. Het bestuur is er daarentegen toe gehouden een administratieve geldboete van 3.000 euro op te leggen. Bovendien kan de strafrechter overeenkomstig artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport daarnaast ook een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar opleggen. Voorts dient de strafrechter, wanneer hij een veroordeling uitspreekt voor een inbreuk die gepleegd is op gewestwegen en bestraft wordt overeenkomstig artikel 14, § 2, krachtens artikel 15 van het decreet bijzonder wegtransport ook nog eens de overtreder te veroordelen tot een forfaitair bedrag als bijdrage tot financiering van het Vlaams Infrastructuurfonds. Dat bedrag varieert tussen 25 en 375 euro, afhankelijk van de overladingscategorie, maar dient eveneens nog te worden verhoogd met de strafrechtelijke opdeciemen. Te dezen zou die bijdrage aldus 1.500 euro bedragen. In een extreem maar niet onmogelijk scenario voor de strafrechter gaan de verzoekende partijen aldus te dezen naar huis met een geldboete van 300.000 euro, een te betalen bijdrage van 1.500 euro en een veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar. Dit alles wordt bovendien in het strafregister opgenomen. In de administratieve sanctieprocedure kan hen te dezen hoogstens een administratieve geldboete van 3.000 euro worden opgelegd. De verzoekende partijen dwalen aldus volledig waar zij hun eerste prejudiciële vraag steunen op de premisse dat de sancties die het bestuur kan opleggen van dezelfde orde zouden zijn als degene die de strafrechter kan uitspreken. Er is dan ook geen grond om de eerste prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
- In de tweede prejudiciële vraag willen de verzoekende partijen in essentie het Grondwettelijk Hof bevraagd zien over de wettigheid van het bestaan van onderscheiden regelingen inzake de administratieve sanctionering van overladingsinbreuken in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest. Dat punt is reeds uitentreuren beslecht in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelt daarbij -sinds decennia- steevast dat een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers van de federale deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en als zodanig niet kan worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.32 32 Zie, als slechts enkele voorbeelden: GwH 23 oktober 2014, nr. 157/2014, B.6.2.; GwH 5 oktober 2011, nr. 149/2011, B.6.2.; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.4.; GwH 18 februari 1993, nr. 14/93, B.2.6.; GwH 18 november 1992, nr. 74/92, B.3.
- XII-8443-45/48 Er zijn geen redenen voorhanden om het Grondwettelijk Hof opnieuw te bevragen over een dergelijke al sinds tientallen jaren uitgeklaarde kwestie. Er is aldus evenmin grond om de tweede prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het twaalfde middel aan dat de verwerende partij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag tot uitstel die geformuleerd werd. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij om uitstel gevraagd hebben of om de boete te herleiden tot 1 euro. Daartoe beroepen zij zich op het feit dat de lading niet werd uitgevoerd door de vrachtwagenbestuurder die ook niet de mogelijkheid had om de goederen te wegen. Bovendien wordt er geen enkele vroegere strafrechtelijke veroordeling aangetoond in hoofde van de verzoekende partijen. Dit lijkt voldoende opdat de verzoekende partijen uitstel kunnen vragen voor de volledige straf. Zij benadrukken dat de vrachtwagenbestuurder geen enkel middel tot zijn beschikking had om het gewicht van zijn lading en de verdeling aan de wielassen na te gaan. De overlading was zo gering dat een normaal zorgvuldig vrachtwagenbestu