id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.847 Rolnummer: A. 224883/XII-8527 Zaak: Arrest 245847 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 21:38 Fiche Arrest nr 245.847 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.847 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 224.883/XII-8527 In zake:
- Yannick LANDRAIN
- de BVBA MATERIAUX ET TRANSPORTS PIETTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer van 30 januari 2018 waarbij aan Yannick Landrain een administratieve geldboete van 2.800 euro wordt opgelegd en de bvba Matériaux et Transports Piette burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8527-1/51 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
- Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Wat de feiten betreft wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het Auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Ontvankelijkheid
- Ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing “een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken” niet binnen de rechtsmacht van de Raad van State valt. Overigens dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen dat “de Raad XII-8527-2/51 van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen”. Het beroep is in die mate niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen
- In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de me- morie van wederantwoord, voeren de verzoekende partijen twaalf middelen aan: “
- verjaring van de strafvordering
- overschrijding van de redelijke termijn
- niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
- verkeerde toepassing van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken en een machtsafwending
- onvolledige kennisgeving van het strafdossier en gebruik van vervalsingen in hoofde van Mevrouw [V.]
- schending van het onpartijdigheidsbeginsel
- schending van het proportionaliteitsbeginsel
- schending van de regels betreffende de bewijslast
- gebrek aan bewijs
- ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
- schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet
- rechtsmisbruik in hoofde van het Vlaams Gewest – Weigering om gevolg te geven aan het verzoek tot uitstel”. Deze twaalf middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het voormelde auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die deze middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden de middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek door het Auditoraat en de Raad op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten. XII-8527-3/51
- De laatste memorie van de verzoekende partijen komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die het auditoraats- verslag betreffen, doch geen ernstige repliek daarop vormen. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. 6.
- In de eerste plaats herhaalt de Raad van State dat de rechtzoekende wel degelijk bij de Raad van State over een volwaardig jurisdictioneel beroep beschikt tegen de administratieve geldboete – opgelegd te dezen in het kader van het betrokken decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport) – zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B. 40.1 en B.40.2) en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass., 2009, 584). Dat de Raad “krachtens de marginale toetsing” de boete niet kan verlagen op grond van verzachtende omstandigheden, belet niet dat hij, indien hij vaststelt dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan vernietigen, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn. 6.
- De strafrechtelijke aard van de betrokken administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM wordt voorts door de Raad van State de Raad reeds talrijke malen de met toepassing van het decreet bijzonder wegtransport opgelegde administratieve geldboetes aan de in het voormelde artikel vervatte waarborgen getoetst. De enkele vaststelling dat de gevolgde bestuurlijke procedure niet identiek is aan diegene die is vervat in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering of nog te onderscheiden valt van diegene die in het Waalse Gewest geldt, maakt op zich nog niet dat aan de rechtzoekende de in het voormelde artikel 6 EVRM vervatte waarborgen zouden worden ontnomen of dat de “andere behandeling” “naargelang de beslissing van het parket om het dossier XII-8527-4/51 al dan niet te seponeren”, een “onaanvaardbare discriminatie” met zich zou meebrengen, zoals de verzoekende partijen steeds opnieuw doen gelden in hun laatste memorie. Met de auditeur kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het voorgaande in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de voorheen geldende Titel IV ‘Schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding’ van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’, uitdrukkelijk heeft bevestigd (GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11.). De verzoekende partijen blijven in gebreke minstens minimaal aannemelijk te maken dat er een ongelijke behandeling zou bestaan. Zij slagen er ook niet in zulks aan te tonen op het vlak van de proportionaliteit van de in het decreet bijzonder wegtransport voorziene sancties. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan welk belang zij hebben bij hun herhaalde kritiek op “het feit dat er verschillende sancties worden uitgesproken”, naargelang de zaak voor de strafrechter komt dan wel de bestuurlijke procedure wordt gevolgd. Voor de strafrechter, zoals de auditeur reeds vaststelde in zijn verslag, kunnen de sancties trouwens veel hoger oplopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hieromtrent de door de verzoekende partijen gesuggereerde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die berusten op dergelijke onterechte en reeds herhaalde malen verworpen veronderstellingen. Die vragen zijn louter dilatoir. Er kan niet worden aangenomen dat artikel 26, § 2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof, die enkel de rol van dat Hof en de Raad nodeloos zou belasten. 6.
- Evenzeer, ontbeert de herhaalde argumentatie van de verzoekende partijen dat de duur van de rechtspleging “voor een [dergelijke] eenvoudige overtreding” een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft, alle grond. In een straf- of tuchtprocedure neemt de periode voor de XII-8527-5/51 berekening van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang op het ogenblik dat de betrokkene op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk strafbare feiten ten laste worden gelegd en eindigt deze met het nemen en ter kennis brengen van de straf, te dezen de admini- stratieve geldboete, en bij een beroep daartegen, door de betekening van de bestreden eindbeslissing. Herhaald wordt en overigens niet betwist door de verzoekende partijen, dat de termijnen van het decreet bijzonder wegtransport voor het opleggen van de administratieve geldboete en de behandeling van het bestuurlijk beroep daartegen, kort zijn en te dezen werden nageleefd. Voorts dient te worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen door de Raad van State uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring de wettigheid van de bestreden beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete niet kan aantasten, en derhalve geen grond kan zijn tot nietigverklaring van deze beslissing. Overigens dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 27 maart 2018 zodat, rekening houdende met het door het algemeen procedureglement opgelegde procedureverloop, de grief van de verzoekende partijen dat de redelijke termijn om uitspraak te doen overschreden zou zijn, van iedere ernst ontbloot is. 6.
- Wat de beweerde noodzakelijke bijstand van een advocaat betreft, worden de verzoekende partijen nogmaals herinnerd aan de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake en de uitspraak van het EHRM van 19 december 2017 in een zaak dan nog wel ingeleid door hun eigen raadsman, waarbij het EHRM de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigde, erin bestaande dat de voormelde bijstand niet is vereist bij het vaststellen van de kwestieuze overladingsinbreuk, hetgeen gebeurt bij een eenvoudige wegcontrole. (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Ivan Wertz). 6.
- Nogmaals dient te worden benadrukt dat de voorliggende inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport een relatief eenvoudige inbreuk is waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – via het gebruik van een asweger – XII-8527-6/51 en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De vrachtwagenbestuurder wordt daarbij niet onderworpen aan een verhoor in strafrechtelijke zin of in de zin van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verbalisanten noteerden enkel een aantal identiteitsinlichtingen, of “verklaringen” aangaande de identiteit van de vrachtwagenbestuurder en de onderneming waarvoor hij werkte, die werden opgenomen in het proces-verbaal. Het zijn niet die beperkte gevraagde/opgenomen inlichtingen maar de materiële vaststellingen van de overlading die de grondslag vormen van de beslissing tot het opleggen van een boete. Deze vaststellingen gebeuren op objectieve wijze met een weging van het voertuig op een asweger. De bestreden beslissing steunt aldus niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partijen worden er voorts aan herinnerd dat er “verklaringen” van verschillende aard zijn. Verklaringen ingewonnen in het kader van een politiecontrole ter vaststelling van eenvoudige verkeersinbreuken en van beperkte aard, zoals te dezen over de identiteit van de betrokken vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever, zijn niet te beschouwen als een verhoor, wat de bestreden beslissing terecht vaststelt en wat bevestiging vindt in het arrest van Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
- B.5.5). Die mondelinge “verklaringen” hebben hun neerslag gevonden in het proces-verbaal, waarvan kennis werd gegeven aan de verzoekende partijen. De verzoekende partijen brengen geen tegenbewijs aan en zijn in de bestuurlijke procedure en in de procedure voor de Raad van State steeds in die hoedanigheid opgetreden. De begeleidende brief van 16 februari 2017 bij het aanvankelijke proces-verbaal verwijst enkel naar “verklaringen” in die beperkte zin. In het dossier zijn er geen andere verklaringen en die kunnen dan ook niet worden overgemaakt. 6.
- Wat de kritiek betreft die de verzoekende partijen in de laatste memorie nog aanvoeren “met betrekking tot de manier waarop de wegings- handelingen werden uitgevoerd”, dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat zij beweren, het laadvermogen van de weegschaal niet werd overschreden tijdens de wegingshandelingen. Het maximale gewicht van twintig ton waarnaar wordt verwezen in het verslag van metrologische controle, kan immers niet XII-8527-7/51 anders dan betrekking hebben op een maximum gewicht per wielas en niet op het totale gewicht van het voertuig. Hetzelfde euvel treft de kritiek in de laatste memorie, dat de controle van de asweger niet wordt uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde is de omstandigheid dat de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. De verzoekende partijen voeren geen objectieve redenen aan om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces- verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt noch om te betwisten dat de weegbon betrekking zou hebben op het betrokken voertuig, waarvan de gegevens worden vermeld in bijlage 2 van het proces-verbaal.
- De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de twaalf door de verzoekende partijen aangevoerde middelen bij, en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven en van wat hiervoor nog werd opgemerkt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. XII-8527-8/51
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor helft en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8527-9/51 Brussel, 28 februari 2019 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 224.883/XII-8527 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake:
- LANDRAIN Yannick
- BVBA MATERIAUX ET TRANSPORTS PIETTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Tom Roelants I. VOORWERP VAN HET BEROEP
- Het beroep, ingesteld op 27 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 30 januari 2018 om aan Yannick Landrain een administratieve geldboete van 2.800 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de bvba Materiaux et Transports Piette burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. II. RECHTSPLEGING
- Het door de verzoekende partijen verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
- Op 9 februari 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Yannick Landrain, de eerste verzoekende partij en vrachtwagenbestuurder van de tweede verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E40 te Wetteren. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de XII-8527-10/51 trekker overladen is op de tweede as met 2.232 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘het decreet bijzonder wegtransport’).1 3.
- Op 1 maart 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.2 Op 7 maart 2017 beslist het Openbaar Ministerie om geen vervolging in te stellen.3 3.
- Op 22 maart 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.800 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.4 3.
- Op 27 maart 2017 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing.5 Op 21 september 2017 heeft een hoorzitting plaats.6 Op 17 oktober 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.800 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.7 3.
- Op 30 oktober 2017 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering.8 Op 19 december 2017 heeft een hoorzitting in beroep plaats.9 Op 30 januari 2018 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.800 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk 1 Administratief dossier, stuk nr.
- 2 Administratief dossier, stuk nr.
- 3 Administratief dossier, stuk nr.
- 4 Administratief dossier, stuk nr.
- 5 Administratief dossier, stuk nr.
- 6 Administratief dossier, stuk nr. 7-
- 7 Administratief dossier, stuk nr.
- 8 Administratief dossier, stuk nr.
- 9 Administratief dossier, stuk nr. 13-
- XII-8527-11/51 aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.10 IV. ONTVANKELIJKHEID 4.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. 4.
- Ambtshalve kan worden opgemerkt dat het –overigens pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord– in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing “een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken” niet binnen de rechtsmacht van de Raad van State valt.11 In die mate dient het beroep als niet ontvankelijk te worden verworpen. Er kan overigens worden opgemerkt dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen in hun memorie van wederantwoord dat “de Raad van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen”. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
- De verzoekende partijen voeren twaalf middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
- EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijzen erop dat de inbreuk die de verzoekende partijen wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 9 februari
- Ze zijn dus ondertussen verjaard. De eerste verzoekende partij dient te worden ontlast van de geldboete en er kan geen sprake zijn om de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor deze boete. 10 Administratief dossier, stuk nr.
- 11 In die zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a.; RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie; RvS 17 november 2017, nr. 239.901, nv Transport Jost & Cie e.a.; RvS 17 november 2017, nr. 239.903, nv Jost & Cie en RvS 17 november 2017, nr. 239.904, SA Jost e.a. XII-8527-12/51 5.1.1.
- In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de verjaringstermijn wel degelijk vijf jaar is en niet werd overschreden. 5.1.1.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen nog het volgende gelden: “Overwegende dat de tegenpartij dit rechtsmiddel weerlegt door te verwijzen naar verschillende beslissingen die gewezen werden door uw Hoog Rechtscollege; Dat er uit uw rechtspraak immers voortvloeit dat er toepassing zou dienen te worden gemaakt van artikel 14 §2 van het decreet dat voorziet in een correctionele straf, zodanig dat de verjaringstermijn vijf jaar zou bedragen; Overwegende dat er dan vastgesteld dient te worden dat de verjaringstermijn verschilt al naargelang het Parket al dan niet beslist om het strafdossier te seponeren; Dat de verjaringstermijn 1 jaar zou bedragen indien dit dossier doorverwezen zou worden voor een gewoon rechtscollege, terwijl deze termijn vijf jaar bedraagt indien, zoals in casu het geval is, het Parket beslist om over te gaan tot een seponering; Dat het derhalve overduidelijk is dat de Belgen niet gelijk zijn voor de wet wat de verjaring van een zelfde overtreding betreft”.12 In ondergeschikte orde vragen zijn om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen baseert en zoals thans toegepast en uitgelegd, niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet daar enkel de beklaagden waarvan het dossier niet geseponeerd werd door het Parket in aanmerking komen voor een verjaringstermijn van 1 jaar, terwijl de beklaagden waarvan het dossier geseponeerd wordt in aanmerking komen voor een verjaringstermijn van vijf jaar in het raam van administratiefrechtelijke vervolgingen?"13 V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het 12 Memorie van wederantwoord, p.
- 13 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-13/51 Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.”14 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.1.2.
- Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte het middel steunen op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport.15 In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.1.2.
- Wat betreft de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partijen veronderstellen blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.1.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tweede middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. 14 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. 15 Administratief dossier, stuk nr.
- XII-8527-14/51 De overtreding werd op 9 februari 2017 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 30 januari 2018, volgens de verzoekende partijen zou dat meer dan een jaar na de feiten zijn. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partijen moet, om de redelijke termijn te bepalen, “de hele duur van de rechtspleging” in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stellen zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en in die zin geïnterpreteerd dat een verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing is op de geldboetes (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) die het bestuurslichaam kan opleggen aan een overtreder jegens wie het Parket beslist heeft om geen vervolgingen in te stellen, terwijl, voor een zelfde overtreding, een overtreder jegens wie het Parket beslist heeft om vervolgingen in te stellen zich kan beroepen op de verjaring van 1 jaar bedoeld in artikel 68 van de wet van 16 maart 1968, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?”16 5.2.1.
- In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. 5.2.1.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen nog gelden: “Overwegende dat de tegenpartij stelt dat er geen sprake kan zijn van overschrijding van de redelijke termijn daar ze de termijnen heeft nageleefd waarin voorzien wordt in het decreet van 3 mei 2013; Dat de eisers naar uw rechtspraak verwijzen volgens dewelke een bestuurslichaam niet de moeilijkheden mag inroepen om haar eigen regelgeving ten uitvoer te leggen ten einde zich aan deze regelgeving te onttrekken wanneer ze vormvoorschriften en termijnen op straffe van nietigheid voorschrijft; Dat dit in casu precies het geval is”.17 V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: 16 Eigen vertaling door de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord, p. 7 en
- 17 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-15/51 “5.8.
- Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. 5.8.
- Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.”18 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. Overigens blijkt het middel in zijn kern op een falend feitelijk standpunt te berusten. De datum van de bestreden beslissing op 30 januari 2018 ligt immers minder dan een jaar na 9 februari
- Dit daargelaten dat bij het onderzoek van het eerste middel reeds werd vastgesteld dat de 1-jaar termijn waar de verzoekende partijen zich op beroepen geheel irrelevant is. 5.2.2.
- De prejudiciële vraag die de verzoekende partijen voorstellen is in wezen dezelfde als degene die zij hebben voorgesteld onder het eerste middel. Er is evenmin grond om in het kader van het tweede middel deze prejudiciële vraag te stellen, deze blijkt immers op hetzelfde falend juridisch uitgangspunt te berusten. 5.2.2.
- Het middel dient te worden verworpen. 18 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8527-16/51 V.
- DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het derde middel de schending aan van “artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging”. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.3.1.1.
- In een eerste onderdeel wijzen zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpen op de hoogte werden gesteld van de feiten die hen ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. De eerste verzoekende partij was aanwezig op de hoorzitting en heeft nooit het recht gehad om het woord te nemen ten aanzien van de ambtenaren die zijn zaak dienden te berechten. Dat de verzoekende partijen werden bijgestaan door een advocaat die het Frans heeft kunnen gebruiken is volgens de verzoekende partijen irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partijen niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partijen. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijzen zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke XII-8527-17/51 instantie zou worden gebracht. Zij wijzen erop dat zij niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?”19 5.3.1.1.
- In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partijen wijzen op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. De verzoekende partijen wijzen erop dat uit de begeleidende brief van 16 februari 2017 bij het proces-verbaal van 9 februari 2017 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij de stukkenbundel worden gevoegd. Indien dit verhoor niet zou bestaan, dient er vastgesteld te worden dat de brief van 16 februari 2017 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften en dan hebben de verzoekende partijen het recht om een klacht met burgerlijke partijstelling tegen de opsteller van deze brief in te dienen bij de onderzoeksrechter. 5.3.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 19 Eigen vertaling door de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-18/51 5.3.1.3.
- In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog het volgende gelden: “Overwegende dat de tegenpartij bovendien onterecht stelt dat het niet bewezen zou zijn dat de chauffeur onvoldoende kennis had van het Nederlands terwijl Mijnheer Landrain in Braives woont, een gemeente die tot de Franstalige taalrol behoort; Dat eraan herinnerd dient te worden dat de tekst van artikel 23 van de wet van 1935 bepaalt dat een beklaagde die enkel het Frans kent of zich makkelijker kan uitdrukken in deze taal, kan verzoeken dat de rechtspleging plaatsheeft in het Frans, en dit zelfs voor een Nederlandstalig rechtscollege; Dat het derhalve niet gaat om de onmogelijkheid om Nederlands te begrijpen, maar wel om het beter begrijpen van het Frans of om het zich makkelijker uit te drukken in deze taal; Dat de eiseres als gevolg van een schrijffout verwezen heeft naar artikel 22 en niet naar artikel 23; Dat het ten slotte niet gaan om de tegenpartij te verplichten het dossier te behandelen in een andere taal dan de hare maar wel om de eerbiediging van de procedurele waarborgen waar elke burger aanspraak op kan maken, namelijk de bij stand van een tolk of de vertaling van de stukken; Dat het feit dat de Raadsman van de eiseres het Nederlands kent uiteraard volledig irrelevant is in dit verband aangezien het niet de taak van deze Raadsman is om het werk van de ambtenaren van het Vlaams Gewest uit te voeren en in hun plaats de verschillende procedurestukken te vertalen, waardoor de verdedigingskosten van zijn lastgevers nog eens extra zouden oplopen; Dat de eiseres er voor het overige bij blijft dat er een prejudiciële vraag gesteld dient te worden aan het Grondwettelijk Hof”.20 5.3.1.3.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft doen de verzoekende partijen nog het volgende gelden in de memorie van wederantwoord: “Dat de tegenpartij onterecht het volgende durft te schrijven: ‘Aangaande de kennisgeving d.d. 16 februari 2017 die de zin ‘uit de verklaring van de chauffeur blijkt dat …’ bevat, dient te worden opgemerkt dat die niet wijst op het feit dat een verklaring werd afgenomen. De term ‘verklaring’ wijst hier op een uitspraak die werd gedaan door de chauffeur.’; Dat door deze argumentering over te nemen, de tegenpartij uitdrukkelijk erkent dat de brief van 16 februari 2017 het voorwerp uitmaakt van een vervalsing aangezien de verbalisanten, in tegenstelling tot wat Mevrouw Vanempten beweert, geen enkele verklaring hebben afgenomen; Dat in deze omstandigheden gesteld kan worden dat de hele rechtspleging van de verwerende partij gebaseerd is op een vervalsing, waardoor de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden verklaard”.21 V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.1.
- Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: 20 Memorie van wederantwoord, p.
- 21 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-19/51 “Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italie , nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in XII-8527-20/51 de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.”22 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.3.2.1.
- Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partijen maken in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de hen ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunt over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunt kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. De stelling dat de eerste verzoekende partij op de hoorzitting nooit het recht zou hebben gekregen om het woord te nemen ten aanzien van de ambtenaren van de verwerende partij, blijkt feitelijke grondslag te missen. Uit het verslag van de hoorzitting in beroep blijkt zelfs dat de eerste verzoekende partij actief aan het debat heeft deelgenomen en daarbij kennelijk geen problemen had om de vragen die hem werden gesteld te begrijpen, noch dat er hem werd belet om daarop te antwoorden in de taal van zijn keuze.23 Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partijen in concreto zouden zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. 5.3.2.1.
- Waar de verzoekende partijen in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroepen, kan het volgende worden opgemerkt. 22 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. 23 Administratief dossier, stuk nr.
- XII-8527-21/51 Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partijen te dezen door dat Hof berecht zijn geworden. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partijen laten immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zetten zij uiteen waarom er volgens hen te dezen zou zijn voldaan aan de voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partijen uitentreuren doen gelden doorheen hun verzoekschrift en memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december 1998.24 Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 24 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
- XII-8527-22/51 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho25). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Dat een inbreuk op de overladingsreglementering van het Vlaams Gewest door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt behandeld, zoals de verzoekende partijen opwerpen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 5.3.2.1.
- Dat de verzoekende partijen niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpen lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.3.2.1.
- Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte veronderstellen dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als degenen die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter.26 De door hen voorgestelde prejudiciële vraag berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. 5.3.2.1.
- Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.3.2.2.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: “Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de 25 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: “[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‘civil rights and obligations’ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‘subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1’ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction”. 26 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
- XII-8527-23/51 voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
- B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.”27 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen als vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.3.2.2.
- Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het proces- verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 27 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8527-24/51 Het standpunt van de verzoekende partijen bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partijen zich op beroepen. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat “de vervolgingen” zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op grond van een verhoor. Waar de verzoekende partijen verwijzen naar de begeleidende brief van 16 februari 2017 bij het proces-verbaal van 9 februari 2017 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de tweede verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever reeds op zich de bijstand van een advocaat zou vereisen. 5.3.2.2.
- Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.3.2.
- Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
- VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vierde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. XII-8527-25/51 Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen, alsook de aanwezigheid van een tolk op de zitting. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. 5.4.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat er sprake zou zijn van machtsmisbruik. 5.4.1.
- In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de verwerende partij blijk geeft van een gebrek aan fair play door te weigeren de procedurestukken te vertalen voor een Franstalige overtreder terwijl de personen die wonen in zogenaamde faciliteitengemeenten wel het recht zouden hebben om deze vertaling te krijgen. V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‘diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt’, als volgt: ‘§
- Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
- Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
- [...].’ XII-8527-26/51 Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben –zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel– zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‘Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.’ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: ‘De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.’ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.”28 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 28 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8527-27/51 5.4.2.
- De loutere toepassing van de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken kan niet als een gebrek aan fair play worden aangemerkt. Voor het overige, in zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou dienen te worden beschouwd, kan er worden opgemerkt dat beginselen van behoorlijk bestuur niet prevaleren op duidelijke wetsbepalingen. 5.4.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vijfde middel aan dat het strafdossier hun niet volledig werd bezorgd. Daarnaast wijzen zij op het “gebruik van vervalsingen in hoofde van Mevrouw Vanempten”. Zij wijzen erop dat het dossier geen verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat, noch een door hem ingevulde vragenlijst. De verwerende partij moet een volledig dossier overleggen. De rechten van verdediging zijn hierdoor geschaad en de rechtspleging is onontvankelijk. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord. In de begeleidende brief van 16 februari 2017 bij het proces-verbaal van 9 februari 2017 wordt echter het omgekeerde beweerd. Indien de vrachtwagenbestuurder nooit werd verhoord, maakt de brief van 16 februari 2017 het voorwerp uit van valsheid in geschrifte. Aldus is de hele rechtspleging gebaseerd op valsheid in openbare geschriften. 5.5.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel, zij ontkent dat er sprake is van valsheid in geschrifte. 5.5.1.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen gelden: “Overwegende dat de tegenpartij de mening is toegedaan dat er in casu geen sprake kan zijn van valsheid in openbare geschriften; Dat er aan de tegenpartij herinnerd dient te worden dat andere eisers hiervoor reeds klacht hebben ingediend tegen deze ambtenaren, zodanig dat deze kant van de zaak momenteel aan de beoordeling wordt voorgelegd van een onderzoeksrechter”.29 29 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-28/51 V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materie le vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materie le feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‘grond van rechtvaardiging’ of ‘schulduitsluitingsgrond’ aannemelijk maakt. Nu er dient te worden aangenomen dat er u berhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd. [...] Het vierde middel wordt verworpen.”30 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.5.2.
- Voor het overige kan er worden opgemerkt, wat betreft de begeleidende brief van 16 februari 2017 bij het proces-verbaal van 9 februari 2017, dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de tweede verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces-verbaal werd aan de verzoekende partijen bezorgd. In die mate mist het middel feitelijke grond. Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat “de vervolgingen” zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld 30 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8527-29/51 met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.5.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
- De verzoekende partijen voeren in een zesde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.6.1.1.
- Eerste middelonderdeel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd, beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs belang bij dat ingestelde beroepen falen. In sommige gevallen legt deze persoon de initie le geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet deze persoon uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert deze persoon het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure.Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De verwerende partij ontneemt een aanleg aan de verzoekende partijen door de zaak in eerste aanleg door een partijdige ambtenaar te laten onderzoeken. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij. Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM volgens de verzoekende partijen ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. De verzoekende partijen vragen voorts dat de verwerende partij een lijst van haar wegeninspecteurs-controleurs zou voorleggen, ten bewijze dat het mogelijk is om de zaak in eerste aanleg door een andere ambtenaar te laten berechten. Zij vragen het Auditoraat om de verwerende partij daartoe te gelasten. 5.6.1.1.
- Tweede middelonderdeel. Het verslag van metrologische controle dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd, werd ondertekend door de administrateur- generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook door hem ondertekend. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de XII-8527-30/51 asweger bezorgt. Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partijen het recht hebben om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheids–waarborgen worden uitgevoerd. 5.6.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij dat het onpartijdigheids–beginsel geschonden zou zijn. 5.6.1.3.
- In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog het volgende: “Dat de tegenpartij het bestaan erkent van minstens twee wegeninspecteurs en dat de eiseres beweert dat de tegenpartij over meer personeel beschikt dan ze wil toegeven; Dat de tegenpartij derhalve met kennis van zaken de oorspronkelijke administratieve boete laat opleggen door een wegeninspecteur die een uitspraak moet doen in eerste aanleg terwijl deze zaak toevertrouwd zou kunnen worden aan een andere ambtenaar”.31 5.6.1.3.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft doen de verzoekende partijen nog gelden dat het feit dat het agentschap bevoegd is om metrologische controles uit te voeren haar niet vrijstelt van het laten testen van de goede werking door een onafhankelijke instelling. Het metrologisch verslag werd bezorgd met de beslissing in graad van bezwaar van 17 oktober
- De verzoekende partijen verwijzen naar rechtspraak van de gewone hoven en rechtbanken inzake het niet-tijdig overleggen van stukken in het gerechtelijk recht. De houding van de verwerende partij waarbij stukken worden bezorgd na het afsluiten van het debat is oneerlijk en strijdig met het beginsel van de loyaliteit van de debatten, zodat het bewijs van goede werking van de weegschaal niet wordt geleverd. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.1.
- De Raad van State heeft in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige eerste middelonderdeel als volgt verworpen: “In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van [het] bestuur. Daarbij dient 31 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-31/51 rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld. De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten. Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-inspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming. Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn clie nte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden gee erbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‘talrijke schendingen van de rechten van verdediging’ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. [...] Het blijkt niet hoe de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden aangetast door het feit dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar [...] heeft genomen ook in andere hoedanigheden optreedt in andere dossiers inzake inbreuken op de aslastenregelgeving. [...] Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoo rdineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van XII-8527-32/51 Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten. [...] Ook het vijfde middel wordt verworpen.”32 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.6.2.1.
- Voorts blijkt uit het administratief dossier niet dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar (“in eerste aanleg”) heeft genomen, betrokken was bij het nemen van de bestreden beslissing na beroep. In zoverre het eerste middelonderdeel steunt op de premisse dat deze ambtenaar wel degelijk betrokken was in alle fasen van de procedure –dus ook bij het nemen van de bestreden beslissing– mist het dan ook feitelijke grondslag. 5.6.2.1.
- Het laten overleggen door de verwerende partij van een lijst met wegeninspecteurs-controleurs is irrelevant om de gegrondheid van het middel en de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. Het Auditoraat ziet dan ook geen grond om in te gaan op dat verzoek. 5.6.2.1.
- Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.6.2.2.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft dient te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: “De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten.”33 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 32 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. 33 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8527-33/51 5.6.2.2.
- Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partijen maken op geen enkele wijze aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. 5.6.2.2.
- Het betoog in de memorie van wederantwoord dat het verslag van metrologische controle pas na het sluiten van het debat werd bezorgd blijkt feitelijke grondslag te missen. De verzoekende partijen erkennen zelf dat dit stuk hen werd bezorgd met de beslissing na bezwaar van 17 oktober 2017, zodat zij de gelegenheid hebben gehad om dit stuk aan kritiek te onderwerpen zowel in graad van administratief beroep als thans in de jurisdictionele procedure voor de Raad van State. 5.6.2.2.
- Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.6.2.
- Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
- ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het zevende middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 6.000 euro (sic) wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete tussen “10 BEF en 10.000 BEF” worden bestraft. Zij verwijzen naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. De verzoekende partijen doen gelden dat het proportionaliteitsbeginsel XII-8527-34/51 ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verzoekende partijen stellen voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?”34 5.7.1.
- In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat het proportionaliteitsbeginsel niet geschonden is. 5.7.1.
- In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de verwerende partij zich niet verzet tegen het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag. In ondergeschikte orde vragen zij om dezelfde vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.7.2.
- Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 2.232 kg. 34 Eigen vertaling door de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-35/51 Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 2.000 kg tot minder dan 2.500 kg vast op 350 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 2.800 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.7.2.
- Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: “Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‘aannemelijke element[en]’ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‘tegendeel te bewijzen’. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‘automatisch’ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‘de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.’ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze XII-8527-36/51 omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‘het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.’ Het gaat dus niet louter om het ‘laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur’ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.” Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.7.2.
- Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, worden de verzoekende partijen erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kunnen de verzoekende partijen erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) geldboetes voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid.35 In zoverre de verzoekende partijen het voorstel van prejudiciële vraag betrekken op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijven de verzoekende partijen in gebreke om bij de adstructie van hun vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperken zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. 35 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. XII-8527-37/51 Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen.36 Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.7.2.
- Er is geen grond om in te gaan op het verzoek in de memorie van wederantwoord om dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partijen maken op geen enkele wijze aannemelijk dat of hoe dat Hof te dezen bevoegd zou zijn. Daarnaast is het Hof van Justitie alleszins niet bevoegd om Belgische wetgevende handelingen te toetsen aan de Belgische Grondwet. 5.7.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het achtste middel de schending aan van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.8.1.1.
- Eerste middelonderdeel. Uit niets in het dossier blijkt dat Yannick Landrain ondergeschikt zou zijn aan de bvba Materiaux et Transports Piette. Het enige element dat wordt voorgelegd door de verwerende partij is een brief van 16 februari 2017 waarbij geen enkele verklaring van Yannick Landrain was gevoegd. Niets toont de hoedanigheid van burgerrechtelijke aansprakelijke partij van de bvba Materiaux et Transports Piette aan. 5.8.1.1.
- Tweede middelonderdeel. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagenbestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. 36 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
- XII-8527-38/51 In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 5520 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de tweede verzoekende partij. Voorts verwijzen zij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De verwerende partij heeft pas na de beslissing in administratief beroep een document van de metrologische dienst aan de verzoekende partijen bezorgd. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is bovendien anderhalf jaar oud. Dit document werd opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer zelf en niet door een onafhankelijk orgaan met de nodige onpartijdigheidswaarborgen, zodat de verwerende partij opnieuw rechter en partij is. 5.8.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.3.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog gelden: “Dat het feit dat dit rechtsmiddel niet werd ingeroepen voor de administratieve rechtscolleges de eiseres uiteraard niet verhindert om dit rechtsmiddel voor het eerst te gebruiken voor de Raad van State; Dat de tegenpartij te kwader trouw is door dit soort verwijt naar het hoofd te slingeren van de eiseres terwijl ze er zelf niet voor terugdeinst om de belangrijkste stukken van haar dossier te bezorgen nadat de debatten reeds afgesloten zijn! Dat de tegenpartij zichzelf opnieuw tegenspreekt door het volgende te stellen: "Er kan worden gesteld dat de burgerrechtelijk aansprakelijke word bepaald aan de hand van de aanwezige boorddocumenten van het transport en aan de hand van de identiteitsverklaringen van de chauffeur zelf."; Dat volgens de andere procedurestukken van de tegenpartij er echter geen sprake is geweest van "verklaringen" in hoofde van de chauffeur; Dat bijlage 2 misschien aantoont dat de B.V.B.A. Piette wel degelijk de eigenaar van het voertuig is, maar echter helemaal niet bewijst dat deze vennootschap burgerrechtelijk aansprakelijk is aangezien de chauffeur hieromtrent geen enkele verklaring heeft afgelegd; Dat de tegenpartij opnieuw verwijst naar een verzoek tot bijkomende inlichtingen van 16 februari 2017 dat opnieuw opgesteld was in het Nederlands, een taal die de eiseres en haar personeel niet begrijpt; Dat er overigens aan herinnerd dient te worden dat elke beklaagde het recht heeft om te zwijgen!”37 37 Memorie van wederantwoord, p.
- XII-8527-39/51 5.8.1.3.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft vragen de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord om een deskundige aan te stellen: “Overwegende dat de tegenpartij het volgende stelt: ‘De persoon die overladen rond rijdt, wordt automatisch verondersteld het wegdek te hebben beschadigd en aldus een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 3 van het decreet.’; Dat hoewel het klopt dat er geoordeeld werd dat er vermoedens bestaan dat de chauffeur het wegennet beschadigd heeft, dit vermoeden niet onweerlegbaar is en omgekeerd kan worden door de chauffeur; Dat de eiser in deze omstandigheden verzoekt dat er een gerechtelijk deskundige wordt aangesteld die als taak zou hebben om zich ter plaatse te begeven, de bestreden plaats te bestuderen en om te bepalen of de verweten overlading aan het voertuig enige invloed heeft gehad op een beschadiging van het wegdek”.38 Ook willen zij een deskundige aangesteld zien inzake de asweger: “Dat […] de eiseres in ieder geval verzoekt dat een deskundige wordt aangesteld die als taak zou hebben om de bestreden weegschaal te onderzoeken en om na te gaan of deze weegschaal goed werkte op het ogenblik dat de overtreding werd vastgesteld”. Daarnaast vragen zij dat de verbalisanten onder ede zouden worden verhoord “teneinde te kunnen bepalen op welke manier de weging werd uitgevoerd”. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.1.
- Wat het eerste middelonderdeel betreft dient te worden vastgesteld dat dit feitelijke grondslag mist waar de verzoekende partijen doen gelden dat uit niets in het dossier blijkt dat de eerste verzoekende partij werknemer zou zijn van de tweede verzoekende partij. Immers blijkt het aanvankelijk proces-verbaal uitdrukkelijk als ‘burgerlijk aansprakelijke’ te verwijzen naar de tweede verzoekende partij.39 Bovendien blijken de verzoekende partijen zelf, zowel doorheen de diverse fasen van de administratieve sanctieprocedure als thans in de procedure voor de Raad van State, zichzelf meermaals ondubbelzinnig te omschrijven als ‘de chauffeur en zijn werkgever’ of ‘de eiser en zijn chauffeur’, ‘chauffeur van de concluante’ of zelfs nog explicieter als ‘Mijnheer Landrain en zijn werkgever’
- In het licht van die vaststelling komt het middelonderdeel zelfs als veeleer onberaden over. 5.8.2.1.
- Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 38 Memorie van wederantwoord, p.
- 39 Administratief dossier, stuk nr.
- 40 Zie o.m. p. 11 en 13 van de memorie van wederantwoord. XII-8527-40/51 5.8.2.2.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: “4.
- De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
- Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‘betreffende de instandhouding van het gewestelijk XII-8527-41/51 openbaar wegen- en waterwegendomein’ en niet onder het te dezen van toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.”41 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.8.2.2.
- Er zijn in de voorliggende zaak evenmin elementen om te besluiten dat de gebruikte asweger niet naar behoren functioneert en om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Ook te dezen blijkt het proces-verbaal alle vereiste gegevens te bevatten opdat zou vaststaan dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Er blijkt niet dat de in dit middel ingeroepen en niet nader gespecificeerde “regels betreffende de bewijslast in strafzaken” zouden zijn miskend bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.8.2.2.
- Er is geen grond om een deskundige aan te stellen. De aanstelling zoals voorgesteld strekt er immers toe het onderzoek van de feitelijke toedracht van de zaak te herdoen. Dat behoort niet tot de taak van de Raad van State als wettigheidsrechter. Zoals reeds opgemerkt zijn er te dezen geen elementen voorhanden om te besluiten dat de asweger niet naar behoren zou functioneren. Evenmin is er grond om aan te nemen dat het wettelijk vermoeden van beschadiging van het wegdek door overlading van de assen van het voertuig te dezen dermate aan het wankelen zou zijn gebracht dat de wettigheid van de bestreden beslissing in het gedrang komt. Bovendien blijken de verzoekende partijen te dwalen waar zij veronderstellen dat er zou moeten worden aangetoond dat een welbepaalde plaats op het wegdek zou zijn beschadigd door de overlading. Die vereiste volgt alleszins niet uit het decreet bijzonder wegtransport. Het is daarentegen de cumulatieve schade die het overladen voertuig aan het wegdek toebrengt over zijn hele traject, die wordt gesanctioneerd. 5.8.2.2.
- Evenmin is er grond de verbalisanten die het aanvankelijk proces- verbaal hebben opgesteld onder eed te verhoren. Een verhoor dient enkel te worden 41 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a.; RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. XII-8527-42/51 bevolen indien mag worden verwacht dat de verklaringen van de getuigen een ander licht kunnen werpen op de zaak zoals zij uit het schriftelijk administratief dossier naar voren komt.42 Er blijkt niet dat zulks te dezen het geval is. 5.8.2.2.
- Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.8.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het negende middel een gebrek aan bewijs aan. Zij betogen dat indien de beklaagde een omstandigheid aanvoert die zijn verantwoordelijkheid uitsluit en indien deze aanvoering niet ontdaan is van elementen die van aard zijn haar geloofwaardigheid toe te dichten, de vervolgende partij ertoe gehouden is om er de onjuistheid van te bewijzen. Het voertuig werd door een derde geladen zonder dat de vrachtwagenbestuurder aanwezig kon zijn bij de lading en zonder dat hij over welk middel dan ook beschikte om de lading na te gaan, zodanig dat noch de werkgever noch de vrachtwagenbestuurder de mogelijkheid hadden om het precieze gewicht na te gaan dat vervoerd werd door het voertuig. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 66 Strafwetboek en rechtspraak van het Hof van Cassatie over deze wetsbepaling die inhoudt dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor een overtreding berust bij diegene die de materiële daden heeft gesteld die deze overtreding vormen, die de feiten heeft gepleegd die deze overtreding vormen. In het raam van de overladingsovertreding dient er dus nauwkeurig te worden bepaald wie de materiële daden heeft gesteld die de overtreding vormen. Zij betogen: “Dat het feit dat het Vlaams Gewest zowel de chauffeur als de opdrachtgever in staat van beschuldiging heeft gesteld zonder meer uitleg te verschaffen, duidelijk aantoont dat de vervolgende partij niet in staat is om de dader van de overtreding te identificeren, zodanig dat gesteld kan worden dat het Vlaams Gewest, die de voorrechten van het Openbaar Ministerie uitoefent, niet aantoont dat de verboden handeling toegeschreven kan worden aan een van deze personen, zodanig dat ervan uit dient te worden gedaan dat het bewijs voor de toerekenbaarheid van de overtreding en voor de aansprakelijkheid van deze overtreding niet ten genoege van recht worden geleverd. (Zie Cassatie 06/03/1934, Pas. 1934.1, pagina 207); Overwegende ten slotte dat de aansprakelijkheid van de concluante des te minder bewezen is daar in het kader van het dossier Vlaams Gewest vs. de vennootschap SETIM een bestreden beslissing gewezen werd die stelde dat de vennootschap SETIM het voertuig geladen heeft, zodanig dat de vervolgingen die ingesteld werden tegen de concluant uiteraard onontvankelijk zijn (zie stuk 26)”.43 42 RvS 5 oktober 2015, nr. 232.431, De Vos. 43 Eigen vertaling door de verzoekende partijen op p. 29 van de memorie van wederantwoord. XII-8527-43/51 Daarnaast doen de verzoekende partijen nog gelden dat de argumentatie volgens dewelke de chauffeur een risico zou hebben genomen door te aanvaarden met een overladen voertuig te rijden geen steek houdt, het voertuig was met 92 kg overladen, hetgeen geen enkele chauffeur ter wereld zou kunnen opmerken. 5.9.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
- In hun memorie van wederantwoord komen de verzoekende partijen niet terug op het middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
- Het middel wordt opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. In dit verband kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat uit het administratief dossier, de bestreden beslissing en het onderzoek van de overige middelen die de verzoekende partijen aanvoeren, blijkt dat de bestreden beslissing berust op draagkrachtige motieven, bestaande en voldoende bewezen feiten. Het louter poneren van het tegendeel volstaat niet als wettigheidskritiek. 5.9.2.
- Voorts kan worden opgemerkt dat de eerste verzoekende partij te dezen wordt gesanctioneerd voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, decreet bijzonder wegtransport. Die bepaling luidt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt.” Het materieel element van de inbreuk betreft aldus het zich op de openbare weg bevinden met een voertuig waarvan de assen met meer dan 5% overladen zijn. Die vaststelling volstaat in beginsel op zich reeds opdat een administratieve geldboete zou kunnen worden opgelegd in toepassing van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport. Te dezen werd het bestaan van dat materieel element vastgesteld door middel van een eenvoudige weging van het voertuig op een asweger. Het feit dat het voertuig door een derde werd geladen is daarbij in beginsel geheel irrelevant. De bewering dat het voertuig door een derde werd geladen doet er immers geen afbreuk aan dat er werd vastgesteld dat de eerste verzoekende partij zich met een overladen voertuig op de openbare weg bevond. De verzoekende partijen kunnen zich niet verschuilen achter het niet voorhanden zijn van een middel om XII-8527-44/51 het precieze gewicht onder de assen na te gaan. De tweede verzoekende partij dient daarentegen als professionele transportondernemer haar voertuigen met de nodige apparatuur uit te rusten opdat haar vrachtwagenbestuurders zich wettig met haar voertuigen op de openbare weg kunnen begeven. Aanvoeren dat de verzoekende partijen het gewicht onder de assen van het voertuig niet kunnen weten, is niet dienstig. Het komt aan hen toe dat gewicht juist wel te weten. De verwijzing naar artikel 66 Strafwetboek en de cassatierechtspraak die de verzoekende partijen aanhalen leidt niet tot een ander besluit. Te dezen werd vastgesteld dat de eerste verzoekende partij zich met een op de assen overladen voertuig op de openbare weg heeft begeven. Zoals reeds opgemerkt volstaat die vaststelling. 5.9.2.
- Dat overeenkomstig artikel 14, § 3, decreet bijzonder wegtransport, ook de opdrachtgever en de verlader kunnen worden gestraft als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Dat het Vlaams Gewest te dezen ook de opdrachtgever heeft gesanctioneerd, neemt immers het bestaan van een zelfstandige sanctioneerbare inbreuk in hoofde van de eerste verzoekende partij niet weg. Het decreet bijzonder wegtransport voorziet in elk geval niet in enig dergelijk verval. 5.9.2.
- Waar de verzoekende partijen nog verwijzen naar de totale overlading van het voertuig, kan worden opgemerkt dat die niet relevant is. Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, decreet bijzonder wegtransport, is het immers niet het totale gewicht van het overtuig dat bepalend is voor de inbreuk, maar wel de overlading op een van de assen. Te dezen was het voertuig op de tweede as van de trekker overladen met 2.232 kilogram. 5.9.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tiende middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is en “het beginsel van het gezag van de handelingen” schendt. Volgens de verzoekende partijen is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering XII-8527-45/51 van de bestuurshandelingen’. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument dat voortvloeit uit het gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van de ambtenaren van de verwerende partij; d) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagenbestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was; e) de bestreden beslissing antwoordt niet op het argument dat aangezien het voertuig geladen was met nat zand, het niet uitgesloten was dat dit bouwmateriaal dat als stortgoed geladen werd zich over de wielas van het voertuig verplaatst heeft ingevolge de slechte algemene staat van de Belgische wegen; evenmin wordt er geantwoord op het argument dat het Vlaams Gewest eveneens de opdrachtgever gedagvaard had voor dezelfde zitting, zodanig dat het onmogelijk is om nauwkeurig te bepalen wie aansprakelijk is voor de overtreding. 5.10.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen in wezen niets toe aan het middel. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een “afdoende” wijze. 5.10.2.
- Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen vi
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.