← België

Arrest 245848 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.848 Rolnummer: A. 225825/XII-8594 Zaak: Arrest 245848 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:14 Fiche Arrest nr 245.848 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.848 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 225.825/XII-8594 In zake: de NV JOST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 juli 2018, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 8 juni 2018 waarbij aan de nv Jost een administratieve geldboete van 2.000 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-8594-1/52 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
  3. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Wat de feiten betreft wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het Auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Onderzoek van de middelen
  6. In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de memorie van wederantwoord, voert de verzoekende partij vijftien middelen aan: “
  7. Onwettige beslissing van 8 juni 2018
  8. Verjaring van de strafvordering
  9. Overschrijding van de redelijke termijn
  10. Niet-naleving van het decreet van 3 mei 2013 door tegenpartij
  11. Niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
  12. Afwending van macht XII-8594-2/52
  13. Schending door de tegenpartij van de beginselen van goed bestuur en fair play
  14. Valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van Mevrouw [V.]
  15. Schending van het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten
  16. Schending van het onpartijdigheidsbeginsel
  17. Schending van het proportionaliteitsbeginsel
  18. Schending van de regels betreffende de bewijslast
  19. Ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
  20. Schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet
  21. Schending van het beginsel van handel en van nijverheid”. Deze vijftien middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het voormelde auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die deze middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden de middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek door het Auditoraat en de Raad op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten. De laatste memorie van de verzoekende partij komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die het auditoraatsverslag betreffen, doch geen ernstige repliek daarop vormen. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. 5.
  22. In de eerste plaats herhaalt de Raad van State dat de rechtzoekende wel degelijk bij de Raad van State over een volwaardig jurisdictioneel beroep beschikt tegen de administratieve geldboete – opgelegd te dezen in het kader van de betrokken aslastenregelgeving – zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B. 40.1 en B.40.2) XII-8594-3/52 en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass., 2009, 584). Dat de Raad “krachtens de marginale toetsing” de boete niet kan verlagen op grond van verzachtende omstandigheden, belet niet dat hij, indien hij vaststelt dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan vernietigen, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn. 5.
  23. De strafrechtelijke aard van de betrokken administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM wordt voorts door de Raad van State geenszins over het hoofd gezien. Daartoe al meermaals uitgenodigd, heeft de Raad reeds talrijke malen de met toepassing van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport) opgelegde administratieve geldboetes aan de in het voormelde artikel vervatte waarborgen getoetst. De enkele vaststelling dat de gevolgde bestuurlijke procedure niet identiek is aan diegene die is vervat in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering of nog te onderscheiden valt van diegene die in het Waalse Gewest geldt, maakt op zich nog niet dat aan de rechtzoekende de in het voormelde artikel 6 EVRM vervatte waarborgen zouden worden ontnomen of dat de “andere behandeling” “naargelang de beslissing van het parket om het dossier al dan niet te seponeren”, een “onaanvaardbare discriminatie” met zich zou meebrengen, zoals de verzoekende partijen steeds opnieuw doen gelden in hun laatste memorie. Met de auditeur kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het voorgaande in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de voorheen geldende Titel IV ‘Schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding’ van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’, uitdrukkelijk heeft bevestigd (GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11.). De verzoekende partij blijft in gebreke minstens minimaal aannemelijk te maken dat er een ongelijke behandeling zou bestaan. Zij slaagt er ook niet in dit aan te tonen op het vlak van de proportionaliteit van de in het decreet bijzonder wegtransport voorziene sancties. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan welk belang zij heeft bij haar herhaalde kritiek op XII-8594-4/52 “het feit dat er verschillende sancties worden uitgesproken”, naargelang de zaak voor de strafrechter komt dan wel de bestuurlijke procedure wordt gevolgd. Voor de strafrechter, zoals de auditeur reeds vaststelde in zijn verslag, kunnen de sancties trouwens veel hoger oplopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hieromtrent de door de verzoekende partij gesuggereerde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die berusten op dergelijke onterechte en reeds herhaalde malen verworpen veronderstellingen. Die vragen zijn louter dilatoir. Er kan niet worden aangenomen dat artikel 26, § 2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof, die enkel de rol van dat Hof en de Raad nodeloos zou belasten. 5.
  24. Evenzeer, ontbeert de herhaalde argumentatie van de verzoekende partij dat de duur van de rechtspleging “voor een [dergelijke] eenvoudige overtreding” een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft, alle grond. In een straf- of tuchtprocedure neemt de periode voor de berekening van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang op het ogenblik dat de betrokkene op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk strafbare feiten ten laste worden gelegd en eindigt deze met het nemen en ter kennis brengen van de straf, te dezen de administratieve geldboete, en bij een beroep daartegen, door de betekening van de bestreden eindbeslissing. Herhaald wordt en overigens niet betwist door de verzoekende partij, dat de termijnen van het decreet bijzonder wegtransport voor het opleggen van de administratieve geldboete en de behandeling van het bestuurlijk beroep daartegen, kort zijn en te dezen werden nageleefd. Voorts dient te worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen door de Raad van State uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring de wettigheid van de bestreden beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete niet kan aantasten, en derhalve geen grond kan zijn tot nietigverklaring van deze beslissing. XII-8594-5/52 Overigens dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 31 juli 2018 zodat, rekening houdende met het door het algemeen procedureglement opgelegde procedureverloop, de grief van de verzoekende partij dat de redelijke termijn om uitspraak te doen overschreden zou zijn, van iedere ernst ontbloot is. 5.
  25. Wat de beweerde noodzakelijke bijstand van een advocaat betreft, wordt de verzoekende partij nogmaals herinnerd aan de vaste rechtspraak van de Raad van State ter zake en de uitspraak van het EHRM van 19 december 2017 in een zaak dan nog wel ingeleid door haar eigen raadsman, waarbij het EHRM de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigde, erin bestaande dat de voormelde bijstand niet is vereist bij het vaststellen van de kwestieuze overladingsinbreuk, hetgeen gebeurt bij een eenvoudige wegcontrole. (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Ivan Wertz). 5.
  26. Nogmaals dient te worden benadrukt dat de voorliggende inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport een relatief eenvoudige inbreuk is waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – via het gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De vrachtwagenbestuurder wordt daarbij niet onderworpen aan een verhoor in strafrechtelijke zin of in de zin van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verbalisanten noteerden enkel een aantal identiteitsinlichtingen, of “verklaringen” aangaande de identiteit van de vrachtwagenbestuurder en de onderneming waarvoor hij werkte, die werden opgenomen in het proces-verbaal. Het zijn niet die beperkte gevraagde/opgenomen inlichtingen maar de materiële vaststellingen van de overlading die de grondslag vormen van de beslissing tot het opleggen van een boete. Deze vaststellingen gebeuren op objectieve wijze met een weging van het voertuig op een asweger. De bestreden beslissing steunt aldus niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partij wordt er voorts aan herinnerd dat er “verklaringen” van verschillende aard zijn. Verklaringen ingewonnen in het kader van een politiecontrole ter vaststelling van eenvoudige verkeersinbreuken en van beperkte aard, zoals te dezen over de identiteit van de betrokken vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever, zijn niet te beschouwen als XII-8594-6/52 een verhoor, wat de bestreden beslissing terecht vaststelt en wat bevestiging vindt in het arrest van Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  27. B.5.5). Die “verklaringen” hebben hun neerslag gevonden in het proces-verbaal, waarvan kennis werd gegeven aan de verzoekende partij. De verzoekende partij brengt geen tegenbewijs aan en is in de bestuurlijke procedure en in de procedure voor de Raad van State steeds in die hoedanigheid opgetreden. De begeleidende brief van 1 september 2017 bij het aanvankelijke proces-verbaal verwijst enkel naar “verklaringen” in die beperkte zin. In het dossier zijn er geen andere verklaringen en die kunnen dan ook niet worden overgemaakt. 5.
  28. Wat de kritiek betreft die de verzoekende partij in de laatste memorie nog aanvoert “met betrekking tot de manier waarop de wegings- handelingen werden uitgevoerd”, dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot wat zij beweert, het laadvermogen van de weegschaal niet werd overschreden tijdens de wegingshandelingen. Het maximale gewicht van twintig ton waarnaar wordt verwezen in het proces-verbaal en het verslag van metrologische controle, kan immers niet anders dan betrekking hebben op een maximum gewicht per wielas en niet op het totale gewicht van het voertuig. Hetzelfde euvel treft de kritiek in de laatste memorie, dat de controle van de asweger niet wordt uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde is de omstandigheid dat de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken , een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. De verzoekende partij voert geen objectieve redenen aan om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces- XII-8594-7/52 verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt noch om te betwisten dat de weegbon betrekking zou hebben op het betrokken voertuig, waarvan de gegevens worden vermeld in bijlage 2 van het proces-verbaal.
  29. De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de vijftien door de verzoekende partij aangevoerde middelen bij, en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven en van wat hiervoor nog werd opgemerkt. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8594-8/52 Brussel, 28 februari 2019 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 225.825/XII-8594 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake: de SA JOST, vennootschap naar Luxemburgs recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
  32. Het beroep, ingesteld op 31 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 8 juni 2018 om aan de SA Jost een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig. II. RECHTSPLEGING
  33. Het door de verzoekende partij verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
  34. Op 24 augustus 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Gerhard Johann Brusselmans, vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.599 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de XII-8594-9/52 verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: ‘het decreet bijzonder wegtransport’).1 3.
  35. Op 15 september 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven.2 Op 25 september 2017 beslist het Openbaar Ministerie om geen vervolging in te stellen.3 3.
  36. Op 9 november 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen.4 3.
  37. Op 20 november 2017 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing.5 Op 11 januari 2018 heeft een hoorzitting plaats.6 Op 29 januari 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen.7 3.
  38. Op 16 februari 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse Regering.8 Op 16 april 2018 heeft een hoorzitting in beroep plaats.9 Op 8 juni 2018 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.10 IV. ONTVANKELIJKHEID
  39. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. Ambtshalve dienen er evenmin opmerkingen te worden gemaakt. 1 Administratief dossier, stuk nr.
  40. 2 Administratief dossier, stuk nr.
  41. 3 Administratief dossier, stuk nr.
  42. 4 Administratief dossier, stuk nr.
  43. 5 Administratief dossier, stuk nr.
  44. 6 Administratief dossier, stuk nr. 8-
  45. 7 Administratief dossier, stuk nr.
  46. 8 Administratief dossier, stuk nr.
  47. 9 Administratief dossier, stuk nr. 14-
  48. 10 Administratief dossier, stuk nr.
  49. XII-8594-10/52 V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
  50. De verzoekende partij voert vijftien middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
  51. EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
  52. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat zij werd ondertekend door een andere ambtenaar dan degene voor wie de zaak bepleit werd. 5.1.1.
  53. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
  54. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar artikel 779 Ger.W. en naar artikel 19, § 4, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij benadrukt dat de ambtenaar die de partijen heeft gehoord niet degene is die de beslissing heeft uitgesproken. V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
  55. Artikel 779 Ger.W. luidt als volgt: “Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.” Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.” Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.1.2.
  56. Artikel 19, § 4, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport luidt: “De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.” Er blijkt niet dat deze bepaling zou opleggen dat de ambtenaar die de overtreder hoort ook dezelfde persoon dient te zijn die de uiteindelijke beslissing neemt. XII-8594-11/52 Voort het overige kan er worden verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarin de Raad van State van oordeel is dat het horen niet dient te worden uitgevoerd door de beslissende overheid zelf. Het volstaat dat die overheid weet welk standpunt de betrokkene inneemt.11 Te dezen heeft de verzoekende partij een schriftelijke conclusie ingediend en werd er een schriftelijk en uitvoerig verslag opgesteld van de hoorzitting in beroep waarop zij haar standpunten nog verder mondeling heeft toegelicht.12 5.1.2.
  57. Het middel dient te worden verworpen. V.
  58. TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
  59. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die de verzoekende partij wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 24 augustus
  60. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij dient te worden ontheven van de geldboete. Vervolgens doet zij gelden: “Overwegende dat uw Hoog Rechtscollege weliswaar gesteld heeft dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 in casu niet van toepassing was et dat er daarentegen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 14 §2 van het decreet dat voorziet in een correctionele straf, zodanig dat de verjaringstermijn vijf jaar zou bedragen; Overwegende dat er vastgesteld dient te worden dat de verjaringstermijn dus verschilt al naargelang het parket beslist om het strafdossier al dan niet te seponeren; Dat indien dit dossier niet geseponeerd zou worden en voorgelegd aan een gewoon rechtscollege de verjaringstermijn een jaar zou bedragen terwijl indien het Parket beslist om over te gaan tot een seponering, hetgeen in casu het geval is, de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt; Dat het derhalve overduidelijk is dat niet alle Belgen gelijk zijn voor de wet wanneer het gaat om de verjaring van een zelfde overtreding”. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: 11 Zie bv. RvS 5 juli 2016, nr. 235.360, Thienpont. 12 Administratief dossier, stuk nr.
  61. XII-8594-12/52 “Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals momenteel toegepast en uitgelegd niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien dat enkel de beklaagden waarvan het dossier niet geseponeerd werd door het Parket een verjaringstermijn van een jaar krijgen, terwijl dat de beklaagden waarvan het dossier geseponeerd werd een verjaringstermijn van vijf jaar krijgen?” 5.2.1.
  62. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.2.1.
  63. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van haar prejudiciële vraag. V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
  64. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen immers vijf jaar.”13 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.2.2.
  65. Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte het middel steunt op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel 13 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8594-13/52 sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport. In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.2.2.
  66. Wat betreft de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partij veronderstelt blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.2.2.
  67. Het middel dient te worden verworpen. V.
  68. DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
  69. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het derde middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. De overtreding werd op 10 augustus 2017 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 24 juli 2018, bijna een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partij moet, om de redelijke termijn te bepalen, “de hele duur van de rechtspleging” in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijst de verzoekende partij naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stelt zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de XII-8594-14/52 overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?” 5.3.1.
  70. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.3.1.
  71. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat er rekening moet worden gehouden met “de hele duur van de rechtspleging” en dringt zij aan op het stellen van haar prejudiciële vraag. V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.
  72. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “5.8.
  73. Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. 5.8.
  74. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen.”14 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn kennelijk niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 14 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8594-15/52 5.3.2.
  75. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag blijkt feitelijke grondslag te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partij wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring in de zin van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. 5.3.2.
  76. Het middel dient te worden verworpen. V.
  77. VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
  78. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vierde middel in essentie de schending aan van artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij doet gelden dat er niet wordt aangetoond dat de Procureur des Konings beslist heeft tot seponering. Er zit enkel een niet-ondertekend invulformulier voor het openbaar ministerie in het dossier. 5.4.1.
  79. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.4.1.
  80. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat het bewijs voor seponering door het Parket niet geleverd is. V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.
  81. Het middel mist feitelijke grondslag. Bij het administratief dossier (stuk 4) blijkt immers een beslissing van 25 september 2017 van het Openbaar Ministerie te zijn gevoegd waarin de Procureur des Konings de verwerende partij verzoekt om in het voorliggend dossier over te gaan tot administratieve afhandeling. Aldus blijkt het Openbaar Ministerie te dezen wel degelijk te hebben beslist om geen vervolging in te stellen. 5.4.2.
  82. Het middel dient te worden verworpen. V.
  83. VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
  84. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vijfde middel de schending aan van “artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de XII-8594-16/52 Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging”. Zij brengt dit middel aan in drie middelonderdelen. 5.5.1.1.
  85. In een eerste onderdeel wijst zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste worden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Dat de verzoekende partij werd bijgestaan door een advocaat is volgens de verzoekende partij irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partij niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partij. De verzoekende partij verwijst naar artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijst zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling en rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van die richtlijn. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. Zij wijst erop dat zij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan XII-8594-17/52 de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?” Daarnaast wil zij een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld zien: “Is artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 20 oktober 2010, betreffende het recht op vertolking en vertaling in het raam van strafprocedures die in die zin uitgelegd dient te worden dat een rechtshandeling het nationale recht kan worden uitgevaardigd om kleinere strafrechtelijke inbreuken te bestraffen en die door een rechter na afloop van een vereenvoudigde eenzijdige procedure wordt gegeven, eveneens van toepassing op administratieve beslissingen die gewezen werden op het vlak van verkeersovertredingen die geregionaliseerd werden door de wetgever en voor zover de bevoegdheid van het Gewest enkel voortvloeit uit een loutere beslissing tot seponering in hoofde van het Parket van de Procureur des Konings?” 5.5.1.1.
  86. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partij wijst op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. De verzoekende partij wijst erop dat uit de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het proces-verbaal van 24 augustus 2017 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij het dossier worden gevoegd. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord. Dit is strijdig met de brief van 1 september
  87. De verzoekende partij heeft klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken. 5.5.1.1.
  88. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd en de rechten van verdediging werden geschonden. Noch de verklaring van de vrachtwagenbestuurder, noch het bewijs van XII-8594-18/52 goed functioneren van de gebruikte weegschaal werd aan de verzoekende partij bezorgd. Dit laatste stuk werd pas na het eerste beroep aan de verzoekende partij bezorgd. Zij heeft gevraagd om dit uit het debat te weren, maar de verwerende partij heeft dat niet gedaan. Er werd de verzoekende partij op deze manier een graad van aanleg ontnomen. 5.5.1.
  89. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.5.1.
  90. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, aan op het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Wat het tweede middelonderdeel betreft benadrukt de verzoekende partij dat de hele rechtspleging is gebaseerd op verklaringen van de vrachtwagenbestuurder die niet worden voorgelegd. Wat het derde middelonderdeel betreft benadrukt de verzoekende partij dat de oneerlijke houding van de verwerende partij moet worden gesanctioneerd door het uit het debat weren van de betrokken stukken. V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.1.
  91. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: “Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen XII-8594-19/52 verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italie , nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden zijn.”15 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 15 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8594-20/52 5.5.2.1.
  92. Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partij maakt in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft haar advocaat haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partij in concreto zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. 5.5.2.1.
  93. Waar de verzoekende partij in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroept, kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partij te dezen door dat Hof berecht is geworden. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partij laat immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zet zij uiteen waarom er volgens haar te dezen zou zijn voldaan aan de voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partij uitentreuren doet gelden doorheen het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door XII-8594-21/52 het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december 1998.16 Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho17). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Dat een inbreuk op de overladingsreglementering van het Vlaams Gewest door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt behandeld, zoals de verzoekende partij opwerpt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 5.5.2.1.
  94. Dat de verzoekende partij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpt, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.5.2.1.
  95. Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte veronderstelt dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als degenen 16 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  96. 17 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: “[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‘civil rights and obligations’ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‘subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1’ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction”. XII-8594-22/52 die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter.18 De door haar voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient er te worden vastgesteld

(1)dat richtlijn 2010/64/EU enkel betrekking heeft op procedures voor de strafrechter en
(2)dat deze richtlijn zelf reeds het antwoord op de voorgestelde vraag blijkt te bevatten. In artikel 1, lid 3, wordt immers verduidelijkt dat, “[a]ls de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld, […] deze richtlijn alleen van toepassing [is] op de procedure voor deze rechtbank”. Aldus blijkt de richtlijn zelf reeds uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet van toepassing is op een administratieve procedure die een gerechtelijke procedure voorafgaat. De consideransen van de richtlijn vermelden zelfs expliciet: “
(16)In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.” Net zoals het geval is bij artikel 6 EVRM blijken de waarborgen waarin de richtlijn 2010/64/EU dus enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet reeds in de administratieve procedure. Dit vloeit zonder meer uit de richtlijn zelf voort. Er is dus geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt te bevragen. 5.5.2.1.
  1. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.5.2.2.
  2. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: “Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‘verhoor’. 18 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  3. XII-8594-23/52 In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis’, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  4. B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig mag verder zetten.”19 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen als vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.5.2.2.
  5. Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het proces- verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 19 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8594-24/52 Het standpunt van de verzoekende partij bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partij zich op beroept. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat “de vervolgingen” zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op grond van een verhoor. Waar de verzoekende partij verwijst naar de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het proces-verbaal van 24 augustus 2017 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever reeds op zich de bijstand van een advocaat zou vereisen. 5.5.2.2.
  6. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.5.2.3.
  7. In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij in essentie een gebrek in het verloop van de administratieve sanctieprocedure aan. Zij doet gelden dat het bewijs van goede werking van de asweger en het verhoor van de vrachtwagenbestuurder haar niet werden bezorgd voor de hoorzitting in graad van bezwaar. Zij voert evenwel geen enkele bepaling aan van het decreet bijzonder wegtransport, noch van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’, die opleggen dat deze stukken dienen te worden gevoegd bij de kennisgeving van de initiële beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. XII-8594-25/52 5.5.2.3.
  8. Het attest van metrologische controle van de asweger werd aan de verzoekende partij bezorgd met de beslissing in graad van bezwaar, dat is met de eerstvolgende beslissing in de administratieve procedure nadat zij om het voorleggen van dat stuk had verzocht. Aldus blijkt de verzoekende partij dit document aan kritiek te hebben kunnen onderwerpen zowel in graad van administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State. In dit verband kan, voor zover als nodig, worden gewezen op de devolutieve werking van het administratief beroep. Het louter poneren dat de verzoekende partij een aanleg zou zijn ontnomen volstaat niet. Immers blijkt niet hoe de verzoekende partij te dezen in concreto zou zijn gehinderd in het nuttig voorbereiden van haar verweer of het opkomen voor haar standpunt in graad van bezwaar door het niet bij de initiële beslissing voegen van het betrokken stuk. In tegendeel blijkt de verzoekende partij reeds in graad van bezwaar een uitvoerige schriftelijke conclusie te hebben neergelegd en op de hoorzitting heeft haar raadsman uitvoerig haar standpunt kunnen doen gelden. 5.5.2.3.
  9. Wat betreft het verhoor van de vrachtwagenbestuurder en de begeleidende brief bij het aanvankelijk proces-verbaal kan worden verwezen naar wat reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het vorige middelonderdeel. Uit het aanvankelijk proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Het aanvankelijk proces-verbaal blijkt overigens reeds ab initio aan de verzoekende partij te zijn bezorgd, zodat het middel op dit punt feitelijke grondslag mist. 5.5.2.3.
  10. Voorts werd, wat de huidige procedure voor de Raad van State betreft, onmiddellijk een op het eerste gezicht volledig administratief dossier neergelegd door de verwerende partij. De verzoekende partij blijkt de stukken van dat dossier aan uitvoerige tegenspraak te hebben kunnen onderwerpen in haar memorie van wederantwoord, die 15 middelen bevat en 38 bladzijden telt. Er is dan ook geen grond om stukken van het administratief dossier uit het debat te weren, zoals de verzoekende partij doet gelden. XII-8594-26/52 5.5.2.3.
  11. Het derde middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.5.2.
  12. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  13. ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
  14. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het zesde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partij enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen, alsook de aanwezigheid van een tolk op de zitting. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. 5.6.1.
  15. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.6.1.
  16. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.
  17. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‘diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse XII-8594-27/52 Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt’, als volgt: ‘§
  18. Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
  19. Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
  20. [...].’ Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben –zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel– zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‘Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoo rdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.’ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: ‘De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.’ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing XII-8594-28/52 uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.”20 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.6.2.
  21. Het middel dient te worden verworpen. V.
  22. ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
  23. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het zevende middel de schending aan van “de beginselen van goed bestuur en fair play”. Krachtens het beginsel van fair play moet het bestuur blijk geven van elementaire eerlijkheid in zijn relaties met de burger, zo doet de verzoekende partij gelden. Zij betoogt: “Dat er in casu vastgesteld dient te worden dat de tegenpartij de inlichtingen slechts mondjesmaat en na het einde van de eerste procedure voor de inspecteur-controleur verschaft heeft, waardoor zij duidelijk de mogelijkheid ontneemt aan de eiser om een eerste beroep in te stellen voor deze overheid aangezien de eiser niet over alle noodzakelijke stukken beschikt; Dat deze houding duidelijk strijdig is met de meest elementaire fair play ; Dat het eveneens vaststaat dat de verzoeken om vertaling en om bijstand van een tolk die werden gedaan door de concluant die stelselmatig met een grond van niet ontvankelijkheid geconfronteerd werd, eveneens een gebrek aan fair play aantonen in hoofde van het bestuurslichaam aangezien deze laatste de mogelijkheid ontneemt aan de eisers om op gelijke voet te staan met haar terwijl ze, eenmaal de beslissing gewezen is, niet aarzelt om de betaling van de boetes in de taal van de overtreder te vorderen; Dat er voor de aardigheid vermeld kan worden dat een dochteronderneming van de eiseres conclusies in het Roemeens voor het Vlaams Gewest heeft ingediend en dat deze conclusies verworpen werden door de ambtenaar die ermee belast was dit beroep te bestuderen om de eenvoudige reden dat het Vlaams Gewest het Roemeens niet machtig is […]; Dat hier derhalve uit voortvloeit dat het bestuurslichaam stelt er niet toe gehouden te zijn om een andere Europese taal dan het Nederlands te kennen maar alle vreemdelingen wel de verplichting oplegt om deze taal te kennen, hetgeen duidelijk een schrijnend gebrek aan fair play uitmaakt”. 5.7.1.
  24. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 20 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8594-29/52 5.7.1.
  25. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
  26. Het middel betreft in de eerste plaats een herneming van kritieken - vertaling, tolk, taalgebruik in bestuurszaken- die de verzoekende partij ook reeds onder haar andere middelen doet gelden. Er kan worden verwezen naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die kritieken. 5.7.2.
  27. Waar de verzoekende partij gewag maakt van niet tijdig verschaffen van inlichtingen, dient te worden opgemerkt dat zij niet concretiseert om welke inlichtingen het gaat. Aan de verzoekende partij werd alleszins reeds van bij het begin van de administratieve procedure het aanvankelijk proces-verbaal bezorgd, welk stuk op zich alle nodige gegevens blijkt te bevatten opdat de verzoekende partij zich met kennis van zaken zou kunnen verweren, minstens om een begin van verweer te voeren. 5.7.2.
  28. Voorts kan de loutere toepassing van de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken die de verzoekende partij in dit middel aan de verwerende partij verwijt, niet als een gebrek aan fair play worden aangemerkt. Voor het overige, in zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou dienen te worden beschouwd, kan er worden opgemerkt dat beginselen van behoorlijk bestuur niet prevaleren op duidelijke wetsbepalingen. Voor het overige dient er te worden opgemerkt dat een kritiek gesteund op een handelwijze van de overheid in een procedure die niet aan de basis lag van de thans bestreden beslissing, op zich niet tot de vaststelling van de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden. 5.7.2.
  29. Het middel dient te worden verworpen. V.
  30. ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
  31. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het achtste middel aan dat het strafdossier haar niet volledig werd bezorgd. Daarnaast wijst zij op het “gebruik van vervalsingen in hoofde van Mevrouw Vanempten”. Zij wijst erop dat het dossier geen verhoor van de vrachtwagenbestuurder bevat, noch een door hem ingevulde vragenlijst. De verwerende partij moet een volledig dossier overleggen. De rechten van verdediging zijn hierdoor geschaad en de rechtspleging is onontvankelijk. XII-8594-30/52 In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord. In de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het aanvankelijk proces-verbaal van 24 augustus 2017 wordt echter het omgekeerde beweerd. Indien de vrachtwagenbestuurder nooit werd verhoord, maakt de brief van 1 september 2017 het voorwerp uit van valsheid in geschrifte. Aldus is de hele rechtspleging gebaseerd op valsheid in openbare geschriften. De verzoekende partij stelt dat zij klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken. In ondergeschikte orde dient de uitspraak te worden uitgesteld tot op het ogenblik dat de strafrechtbanken uitspraak hebben gedaan. 5.8.1.
  32. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.
  33. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend bij de onderzoeksrechter. Zij benadrukt dat Veerle Vanempten zich schuldig maakt aan valsheid in openbare geschriften. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
  34. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: “De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materie le vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materie le feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‘grond van rechtvaardiging’ of ‘schulduitsluitingsgrond’ aannemelijk maakt. Nu er dient te worden aangenomen dat er u berhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd. [...] Het vierde middel wordt verworpen.”21 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 21 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8594-31/52 5.8.2.
  35. Voor het overige kan er worden opgemerkt, wat betreft de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het aanvankelijk proces-verbaal van 24 augustus 2017, dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld “verhoord - nee” aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit “de verklaringen” van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces-verbaal werd aan de verzoekende partij bezorgd. In die mate mist het middel feitelijke grond. Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat “de vervolgingen” zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.8.2.
  36. De loutere bewering van de verzoekende partij dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, wordt niet gestaafd. Het bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van burgerlijke partijstelling22 blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door derden. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op voorliggend dossier. Nu niet blijkt dat de verzoekende partij een strafklacht heeft ingediend is er geen grond om de behandeling van de zaak uit te stellen. 5.8.2.
  37. Het middel dient te worden verworpen. V.
  38. NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
  39. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het negende middel de schending aan van “het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten”. 22 Stuk 16 van de verzoekende partij. XII-8594-32/52 In dit middel herhaalt de verzoekende partij haar kritiek uit het vorige middel op de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het aanvankelijk proces- verbaal en het feit dat deze verwijst naar “de verklaringen van de chauffeur”. Daarnaast doet zij in dit middel gelden dat de weegschaal die werd gebruikt voorzien was op een maximumgewicht van 20 ton. Desondanks werd deze gebruikt voor een voertuig van 44 ton. De bewering van de verwerende partij dat het maximumgewicht betrekking heeft op een weging aan de wielassen blijkt niet uit het dossier. In tegendeel verwijzen de verbalisanten naar een “maximum gewicht 20.000 kg - minimum gewicht 500 kg” en vermelden hierbij niets met betrekking tot een beperking van het gewicht aan de wielas. 5.9.1.
  40. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
  41. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
  42. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3º, van het algemeen procedurereglement moet de verzoekende partij in het verzoekschrift de rechtsmiddelen uiteenzetten die zij tegen de bestreden beslissing wil doen gelden. Onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of -beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of -beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Het Auditoraat heeft geen weet van het bestaan van enig “beginsel van het gezag van gerechtelijke akten”. In zoverre het middel steunt op de miskenning van een onbestaande rechtsnorm, dient het als niet ontvankelijk te worden verworpen. Het middel wordt hierna opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. 5.9.2.
  43. Een eerste kritiek steunt op de begeleidende brief van 1 september 2017 bij het aanvankelijk proces-verbaal. Er wordt verwezen naar het onderzoek en voorgestelde verwerping van die kritiek onder het vorige middel. 5.9.2.
  44. Een tweede kritiek betreft de asweger. In het aanvankelijk proces verbaal wordt vermeld dat voor het vaststellen van de inbreuk een weegbrug type Supaweigh II met serienummer 5657 werd gebruikt, dat deze metingen uitvoert met een minimumgewicht van 500 kg en een maximumgewicht van 20.000 kg. XII-8594-33/52 De verzoekende partij wijst erop dat het voertuig een totaalgewicht had van 44.000 kg. Volgens haar wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat het maximumgewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximumgewicht aan de wielas en niet het totale maximumgewicht van het voertuig. Bij het administratief dossier is evenwel het verslag van metrologische controle gevoegd dat betrekking heeft op de desbetreffende weegbrug. Hieruit blijkt dat het wel degelijk om een asweger gaat en dat het opgegeven maximumgewicht dan ook per wielas geldt en niet het totale gewicht van het voertuig betreft. Overigens blijkt de kritiek feitelijke grond te missen, nu op de weegbon bij het aanvankelijk proces-verbaal inderdaad een totaalgewicht van 45.030 kg wordt vermeld, doch dit blijkt het samentellen te betreffen van de gewichten die werden gemeten op de individuele assen van de trekker en de oplegger. Geen enkele individuele asmeting blijkt het maximumgewicht van 20.000 kg te hebben overschreden. De tweede kritiek blijkt aldus feitelijke grond te missen. 5.9.2.
  45. Het middel dient te worden verworpen. V.
  46. TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
  47. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tiende middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij brengt dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.10.1.1.
  48. Eerste middelonderdeel. De ambtenaar die de boete in graad van bezwaar heeft opgelegd, beschikt niet over de vereiste objectiviteit om van het dossier kennis te nemen en heeft er zelfs baat bij dat ingestelde beroepen worden afgewezen. In sommige gevallen legt deze persoon de initie le geldboete op. In andere zaken, zoals te dezen, doet deze persoon uitspraak in eerste aanleg. In andere gevallen voert deze persoon het verweer voor de Raad van State. Zij is dus betrokken in alle fasen van de procedure.Het feit dat beroep mogelijk is bij een andere ambtenaar doet aan deze vaststellingen geen afbreuk aangezien de ambtenaar bij wie het beroep wordt ingediend evenmin onpartijdig is en rekenschap dient af te leggen aan de minister. De verwerende partij ontneemt een aanleg aan de verzoekende partij door de zaak in eerste aanleg door een partijdige ambtenaar te laten onderzoeken. De talrijke schendingen van de rechten van verdediging maken het mogelijk te beweren dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet aantonen te beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een XII-8594-34/52 objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. De verwerende partij is zowel rechter als partij. Het feit dat de Raad van State aan de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid voldoet, volstaat niet, aangezien de waarborgen van artikel 6 EVRM volgens de verzoekende partij ook van toepassing moeten zijn op de procedure die de rechterlijke uitspraak voorafgaat. De verzoekende partij vraagt voorts dat de verwerende partij een lijst van haar wegeninspecteurs-controleurs zou voorleggen, ten bewijze dat het mogelijk is om de zaak in eerste aanleg door een andere ambtenaar te laten berechten. Zij vraagt het Auditoraat om de verwerende partij daartoe te gelasten. 5.10.1.1.
  49. Tweede middelonderdeel. Het verslag van metrologische controle dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd, werd ondertekend door de administrateur- generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook door hem ondertekend. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de asweger bezorgt. Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partij het recht heeft om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheidswaarborgen worden uitgevoerd. 5.10.1.
  50. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
  51. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan het eerste middelonderdeel. Wat het tweede middelonderdeel betreft wijst de verzoekende partij erop dat het decreet bijzonder wegtransport de verwerende partij niet verbiedt om een onafhankelijke instelling de meetinstrumenten te laten testen. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.1.
  52. De Raad van State heeft in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige eerste middelonderdeel als volgt verworpen: “In het vijfde middel wordt in essentie aangevoerd dat de administratieve geldboete wegens overtreding van het decreet bijzonder wegtransport niet wordt opgelegd door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met XII-8594-35/52 de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van [het] bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld. De omstandigheid dat het Agentschap Wegen en Verkeer waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten. Ook al bevindt dit agentschap als instelling, zich in een ondergeschikte positie ten opzichte van de regering, zijn zowel de vaststelling van de aslasteninbreuken door wegeninspecteurs als de beslissing om een administratieve boete op te leggen wegens die inbreuken door wegen-inspecteur-controleurs, eigen bevoegdheden die het decreet bijzonder wegtransport toekent aan deze ambtenaren van dit agentschap; in de uitoefening van die bevoegdheden, zijn deze structureel onafhankelijk en ontsnappen ze aan het gezag van de minister. Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming. Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn clie nte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden gee erbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‘talrijke schendingen van de rechten van verdediging’ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. [...] Het blijkt niet hoe de wettigheid van de bestreden beslissing zou worden aangetast door het feit dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar [...] heeft genomen ook in andere hoedanigheden optreedt in andere dossiers inzake inbreuken op de aslastenregelgeving. [...] Zoals de Raad van State reeds in talrijke arresten heeft geoordeeld vereist artikel 6 EVRM niet dat de administratieve instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‘volle rechtsmacht’, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de beslissing van de minister kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoo rdineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM en dat reeds in talrijke arresten van de Raad van State werd aangenomen, werd tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van XII-8594-36/52 Cassatie (GwH, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). De Raad van State valt ook in deze zaak deze rechtspraak bij. Aldus heeft de verzoekende partij wel degelijk de waarborgen van het EVRM kunnen genieten. [...] Ook het vijfde middel wordt verworpen.”23 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.10.2.1.
  53. Voorts blijkt uit het administratief dossier niet dat de ambtenaar die de beslissing na bezwaar (“in eerste aanleg”) heeft genomen, betrokken was bij het nemen van de bestreden beslissing na beroep. In zoverre het eerste middelonderdeel steunt op de premisse dat deze ambtenaar wel degelijk betrokken was in alle fasen van de procedure –dus ook bij het nemen van de bestreden beslissing– mist het dan ook feitelijke grondslag. 5.10.2.1.
  54. Het laten overleggen door de verwerende partij van een lijst met wegeninspecteurs-controleurs is irrelevant om de gegrondheid van het middel en de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. Het Auditoraat ziet dan ook geen grond om in te gaan op dat verzoek. 5.10.2.1.
  55. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.10.2.2.
  56. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: “De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten.”24 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 23 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. 24 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8594-37/52 5.10.2.2.
  57. Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. 5.10.2.2.
  58. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.10.2.
  59. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  60. ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
  61. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het elfde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 2.000 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‘betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ met een geldboete tussen “10 BEF en 10.000 BEF” worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. De verzoekende partij doet gelden dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. XII-8594-38/52 De verzoekende partij stelt voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?” 5.11.1.
  62. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
  63. In haar memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij om dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
  64. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.11.2.
  65. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 1.599 kg. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1.500 kg tot minder dan 2.000 kg vast op 250 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 2.000 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. XII-8594-39/52 5.11.2.
  66. Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: “Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‘aannemelijke element[en]’ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‘tegendeel te bewijzen’. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‘automatisch’ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‘de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.’ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‘het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.’ Het gaat dus niet louter om het ‘laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur’ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW XII-8594-40/52 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.” Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.11.2.
  67. Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, wordt de verzoekende partij erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kan de verzoekende partij erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) geldboetes voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid.25 In zoverre de verzoekende partij het voorstel van prejudiciële vraag betrekt op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijft de verzoekende partij in gebreke om bij de adstructie van haar vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperkt zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen.26 Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 25 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. 26 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
  68. XII-8594-41/52 5.11.2.
  69. Er is geen grond om in te gaan op het verzoek in de memorie van wederantwoord om dezelfde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat of hoe dat Hof bevoegd zou zijn om Belgische wetgevende handelingen te toetsen aan de Belgische Grondwet. 5.11.2.
  70. Het middel dient te worden verworpen. V.
  71. TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
  72. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het twaalfde middel de schending aan van de regels betreffende de bewijslast in strafzaken. Zij brengt dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.12.1.1.
  73. Eerste middelonderdeel. Uit niets in het dossier blijkt dat Gerhard Brusselmans ondergeschikt zou zijn aan de verzoekende partij. Het enige element dat wordt voorgelegd door de verwerende partij is een brief van 1 september 2017 waarbij geen enkele verklaring van de vrachtwagenbestuurder was gevoegd. Niets toont de hoedanigheid van burgerrechtelijke aansprakelijke partij van de verzoekende partij aan. 5.12.1.1.
  74. Tweede middelonderdeel. Het strafdossier in deze zaak is bijzonder pover en bevat geen verklaring van de vrachtwagenbestuurder zodat niet kan worden beweerd dat deze de inbreuk niet betwist. Uit het dossier blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder over middelen beschikte om het gewicht van de lading te kennen, noch dat deze op de hoogte was van de overlading. In het proces-verbaal beweren de verbalisanten dat zij een asweger Supaweigh II met serienummer 5657 hebben gebruikt. Deze gegevens worden niet vermeld op de weegbon zodat niet vaststaat dat deze bon van deze machine afkomstig is. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. Hoewel op de weegbon het kenteken van een trekker en een aanhangwagen wordt vermeld, hebben de verbalisanten in hun proces-verbaal niet het kenteken genoteerd zodat uit de stukken niet blijkt dat de weegbon betrekking heeft op het voertuig dat toebehoorde aan de verzoekende partij. Voorts verwijst zij naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd “bevestigd” door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De verwerende partij heeft pas na de beslissing in administratief beroep een document van de metrologische dienst aan de verzoekende partij bezorgd. Uit het verslag van de metrologische dienst blijkt niet dat de asweger naar behoren zou werken. De test is XII-8594-42/52 bovendien anderhalf jaar oud. Dit document werd opgesteld door het Agentschap Wegen en Verkeer zelf en niet door een onafhankelijk orgaan met de nodige onpartijdigheidswaarborgen, zodat de verwerende partij opnieuw rechter en partij is. Vervolgens vraagt de verzoekende partij om een deskundige aan te stellen: “Overwegende tenslotte en in uiterst ondergeschikte orde dat in het onwaarschijnlijke geval dat uw Hoog Rechtscollege twijfels zou hebben over de beweringen van de eiseres, er in dat geval over zou dienen te worden gedaan tot de aanstelling van een deskundige die als taak zou hebben om de bestreden weegschaal te onderzoeken, om te bepalen of deze weegschaal al dan niet correct werkte op het ogenblik dat de overtreding vastgesteld werd en om te bepalen in welke mate de minieme overlading die vastgesteld werd aan een wielas van het voertuig dat toebehoorde aan de eiseres al dan niet een invloed heeft gehad op het wegdek, zoals beweerd wordt door de tegenpartij; Dat dit deskundig onderzoek des te noodzakelijker is daar de verbalisanten op pagina 20 van het oorspronkelijk proces-verbaal stellen dat de weegschaal ontworpen is voor een maximum gewicht van 20 ton, maar desondanks dit feit slaagt men er toch in om een groep voertuigen van 44 ton te wegen!”. Daarnaast vraagt zij dat de verschijning van de verbalisanten als getuigen zou worden bevolen “zodat er uitleg kan worden gegeven over de vastgestelde schade aan het wegdek en over de manier waarop de wegingstesten werden uitgevoerd”. 5.12.1.
  75. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.12.1.
  76. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan het eerste middelonderdeel. Wat het tweede middelonderdeel betreft herhaalt de verzoekende partij haar vraag om een deskundige aan te stellen: “Dat de eisers voor zover als nodig verzoeken dat een deskundige wordt aangesteld die als taak zou hebben om de bestreden weegschaal te onderzoeken en om na te gaan of de opmerkingen van het Agentschap Wegen en Verkeer wel degelijk stroken met de werkelijkheid en of de metingen die uitgevoerd werden met de bestreden weegschaal wel degelijk overeenstemmen met de metingen die uitgevoerd werden door de verbalisanten.” Daarnaast herhaalt zij haar verzoek om de verbalisanten onder ede te verhoren. Vervolgens doet zij nog gelden: XII-8594-43/52 “Dat de tegenpartij ten onrechte stelt dat de eiseres geen enkel element bezorgt waarmee de wegingshandelingen ter discussie zouden kunnen worden gesteld terwijl deze laatste een expertise vraagt aangezien de weegschaal ontworpen is voor een maximumgewicht van twintig ton, maar wel gebruikt wordt om een voertuig van meer dan vierenveertig ton te wegen; Dat de tegenpartij beweert dat het om een weegschaal gaat voor het wegen van het gewicht aan elke wielas en dat het gewicht aan elke wielas niet hoger kon liggen dan twintig ton, zonder hier echter opnieuw het minste verantwoordingsstuk voor in te dienen; Dat er vastgesteld dient te worden dat de tegenpartij nog maar eens vraagt op haar woord geloofd te worden en helemaal geen verantwoordingsstuk overlegt dat bijvoorbeeld afkomstig zou kunnen zijn van de fabrikant van de weegschaal en dat haar beweringen zou kunnen staven”. V.12.B. BEOORDELING 5.12.2.1.
  77. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient te worden vastgesteld dat dit feitelijke grondslag mist waar de verzoekende partij doet gelden dat uit niets in het dossier blijkt dat vrachtwagenbestuurder werknemer zou zijn van de verzoekende partij. Immers blijkt het aanvankelijk proces-verbaal uitdrukkelijk als ‘burgerlijk aansprakelijke’ te verwijzen naar de verzoekende partij.27 Bovendien blijkt de verzoekende partij zelf, zowel doorheen de diverse fasen van de administratieve sanctieprocedure als thans in de procedure voor de Raad van State, zichzelf en haar vrachtwagenbestuurder meermaals ondubbelzinnig te omschrijven als ‘de chauffeur van de eiseres’, ‘de chauffeur van de concluante’, ‘de eiseres en haar chauffeur’ of zelfs nog explicieter als “Gerhard Brusselmans, chauffeur van de eiseres”
  78. In het licht van die vaststelling komt het middelonderdeel zelfs als veeleer onberaden over. 5.12.2.1.
  79. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.12.2.2.
  80. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: “4.
  81. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt “voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen”. 27 Administratief dossier, stuk nr.
  82. 28 Zie o.m. p. 2 van de memorie van wederantwoord. XII-8594-44/52 De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
  83. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‘betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein’ en niet onder het te dezen van toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.”29 Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.12.2.2.
  84. Er zijn in de voorliggende zaak evenmin elementen om te besluiten dat de gebruikte asweger niet naar behoren functioneert en om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Ook te dezen blijkt het proces-verbaal alle vereiste gegevens te bevatten opdat zou vaststaan dat het betrokken voertuig aan de verzoekende partij toebehoort. 29 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a.; RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. XII-8594-45/52 Er blijkt niet dat de in dit middel ingeroepen en niet nader gespecificeerde “regels betreffende de bewijslast in strafzaken” zouden zijn miskend bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.12.2.2.
  85. Er is geen grond om een deskundige aan te stellen. De aanstelling zoals voorgesteld strekt er immers toe het onderzoek van de feitelijke toedracht van de zaak te herdoen. Dat behoort niet tot de taak van de Raad van State als wettigheidsrechter. Zoals reeds opgemerkt zijn er te dezen geen elementen voorhanden om te besluiten dat de asweger niet naar behoren zou functioneren. Evenmin is er grond om aan te nemen dat het wettelijk vermoeden van beschadiging van het

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.