id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.849 Rolnummer: A. 226166/XII-8615 Zaak: Arrest 245849 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-28 04:44 Fiche Arrest nr 245.849 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.849 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 226.166/XII-8615 In zake:
- SRL SKIPTRANS, vennootschap naar Roemeens recht
- Liviu ANTOHI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 24 juli 2018 waarbij aan Liviu Antohi een administratieve geldboete van 4.000 euro wordt opgelegd wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de SRL Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8615-1/58 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
- Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Wat de feiten betreft wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het Auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Ontvankelijkheid
- Ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing “een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken” niet binnen de rechtsmacht van de Raad van State valt. Overigens dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen dat “de Raad XII-8615-2/58 van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen”. Het beroep is in die mate niet ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen
- In het verzoekschrift voeren de verzoekende partijen vijftien middelen aan: “
- onwettige beslissing van 24 juli 2018
- verjaring van de strafvordering
- overschrijding van de redelijke termijn
- niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden
- valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van mevrouw [V.] en mijnheer [K.]
- afwending van macht
- een onvolledige overmaking van het strafdossier
- schending van het beginsel van goed bestuur en van fair play
- schending van het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten
- schending van het onpartijdigheidsbeginsel
- schending van het proportionaliteitsbeginsel
- ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
- schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet
- schending van de regels betreffende de bewijslast
- schending van de regels inzake het verlenen van uitstel”. Deze vijftien middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het voormelde auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die deze middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden deze middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek door het Auditoraat en de Raad op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar het arrest nr. 242.660 van 16 oktober 2018, XII-8615-3/58 dat ook de eerste verzoekende partij betreft, de srl Skiptrans en naar de andere in het auditoraatsverslag vernoemde arresten.
- De laatste memorie van de verzoekende partijen komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog bij 8 van de 15 middelen allerlei opmerkingen worden geuit die het auditoraatsverslag betreffen, doch geen ernstige repliek daarop vormen. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. 6.
- In de eerste plaats herhaalt de Raad van State dat de rechtzoekende wel degelijk bij de Raad van State over een volwaardig jurisdictioneel beroep beschikt tegen de administratieve geldboete – opgelegd te dezen in het kader van de betrokken aslastenregelgeving – zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B. 40.1 en B.40.2) en het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass., 2009, 584). Dat de Raad “krachtens de marginale toetsing” de boete niet kan verlagen op grond van verzachtende omstandigheden, belet niet dat hij, indien hij vaststelt dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan vernietigen, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn. 6.
- De strafrechtelijke aard van de betrokken administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM wordt voorts door de Raad van State geenszins over het hoofd gezien. Daartoe al meermaals uitgenodigd, heeft de Raad reeds talrijke malen de met toepassing van de aslastenregelgeving opgelegde administratieve geldboetes aan de in het voormelde artikel vervatte waarborgen getoetst. De enkele vaststelling dat de gevolgde bestuurlijke procedure niet identiek is aan diegene die is vervat in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering of nog te onderscheiden valt van diegene die in het Waalse Gewest geldt, maakt op zich nog niet dat aan de rechtzoekende de in het voormelde artikel 6 EVRM vervatte waarborgen zouden worden ontnomen of dat XII-8615-4/58 de “andere behandeling” “naargelang de beslissing van het parket om het dossier al dan niet te seponeren”, een “onaanvaardbare discriminatie” met zich zou meebrengen, zoals de verzoekende partijen steeds opnieuw doen gelden in hun laatste memorie. Met de auditeur kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het voorgaande in het in het kader van een beroep tot nietigverklaring van Titel IV „Schade aan het wegdek door gewichts- overschrijding‟ van het decreet van 19 december 1998 „houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999‟, uitdrukkelijk heeft bevestigd (GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11.). De verzoekende partijen blijven in gebreke minstens minimaal aannemelijk te maken dat er een ongelijke behandeling zou bestaan. Zij slagen er ook niet in zulks aan te tonen op het vlak van de proportionaliteit van de in het decreet bijzonder wegtransport voorziene sancties. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan welk belang zij hebben bij hun herhaalde kritiek op “het feit dat er verschillende sancties worden uitgesproken”, naargelang de zaak voor de strafrechter komt dan wel de bestuurlijke procedure wordt gevolgd. Voor de strafrechter, zoals de auditeur reeds vaststelde in zijn verslag, kunnen de sancties trouwens veel hoger oplopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hieromtrent de door de verzoekende partijen gesuggereerde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die berusten op dergelijke onterechte en reeds herhaalde malen verworpen veronderstellingen. Die vragen zijn louter dilatoir. Er kan niet worden aangenomen dat artikel 26, § 2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 „op het Grondwettelijk Hof‟ aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof, die enkel de rol van dat Hof en de Raad nodeloos zou belasten. 6.
- Evenzeer, ontbeert de herhaalde argumentatie van de verzoekende partijen dat de duur van de rechtspleging “voor een [dergelijke] eenvoudige inbreuk” een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft, alle grond. In een straf- of tuchtprocedure neemt de periode voor de berekening XII-8615-5/58 van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang op het ogenblik dat de betrokkene op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk strafbare feiten ten laste worden gelegd en eindigt deze met het nemen en ter kennis brengen van de straf, te dezen de administratieve geldboete, en bij een beroep daartegen, door de betekening van de bestreden eindbeslissing. Herhaald wordt en overigens niet betwist door de verzoekende partijen, dat de termijnen van het decreet bijzonder wegtransport voor het opleggen van de administratieve geldboete en de behandeling van het bestuurlijk beroep daartegen, kort zijn en te dezen werden nageleefd. Voorts dient te worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen door de Raad van State uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring de wettigheid van de bestreden beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete niet kan aantasten, en derhalve geen grond kan zijn tot nietigverklaring van deze beslissing. Overigens dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 17 september 2018 zodat, rekening houdende met het door het algemeen procedureglement opgelegde procedureverloop, de grief van de verzoekende partijen dat de redelijke termijn om uitspraak te doen overschreden zou zijn, van iedere ernst ontbloot is. 6.
- Wat de beweerde noodzakelijke bijstand van een advocaat betreft, worden de verzoekende partijen nogmaals herinnerd aan de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake en de uitspraak van het EHRM van 19 december 2017 in een zaak dan nog wel ingeleid door hun eigen raadsman, waarbij het EHRM de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigde, erin bestaande dat de voormelde bijstand niet is vereist bij het vaststellen van de kwestieuze overladingsinbreuk, hetgeen gebeurt bij een eenvoudige wegcontrole. (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Ivan Wertz). 6.
- Nogmaals dient te worden benadrukt dat de voorliggende inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport een relatief eenvoudige inbreuk is waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – via het gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De XII-8615-6/58 vrachtwagenbestuurder wordt daarbij niet onderworpen aan een verhoor in strafrechtelijke zin of in de zin van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verbalisanten noteerden enkel een aantal identiteitsinlichtingen, of “verklaringen” aangaande de identiteit van de vrachtwagenbestuurder en de onderneming waarvoor hij werkte, die werden opgenomen in het proces-verbaal. Het zijn niet die beperkte gevraagde/opgenomen inlichtingen maar de materiële vaststellingen van de overlading die de grondslag vormen van de beslissing tot het opleggen van een boete. Deze vaststellingen gebeuren op objectieve wijze met een weging van het voertuig op een asweger. De bestreden beslissing steunt aldus niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partijen worden er voorts aan herinnerd dat er “verklaringen” van verschillende aard zijn. Verklaringen ingewonnen in het kader van een politiecontrole ter vaststelling van eenvoudige verkeersinbreuken en van beperkte aard, zoals te dezen over de identiteit van de betrokken vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever, zijn niet te beschouwen als een verhoor, wat de bestreden beslissing terecht vaststelt en wat bevestiging vindt in het arrest van Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
- B.5.5). Die mondelinge “verklaringen” hebben hun neerslag gevonden in het proces-verbaal, waarvan kennis werd gegeven aan de verzoekende partijen. De verzoekende partijen brengen geen tegenbewijs aan en zijn in de bestuurlijke procedure en in de procedure voor de Raad van State steeds in die hoedanigheid opgetreden. De begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het aanvankelijke proces-verbaal verwijst enkel naar “verklaringen” in die beperkte zin. In het dossier zijn er geen andere verklaringen en die kunnen dan ook niet worden overgemaakt. 6.
- Wat de kritiek betreft die de verzoekende partijen in de laatste memorie nog aanvoeren “met betrekking tot de manier waarop de wegingshandelingen werden uitgevoerd”, dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen zij beweren, het laadvermogen van de weegschaal niet werd overschreden tijdens de wegingshandelingen. Het maximale gewicht van twintig ton waarnaar wordt verwezen in het proces-verbaal en in het verslag van metrologische controle, kan immers niet anders dan betrekking hebben op een maximum gewicht per wielas en niet op het totale gewicht van het voertuig. XII-8615-7/58 Hetzelfde euvel treft de kritiek in de laatste memorie, dat de controle van de asweger niet wordt uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde is de omstandigheid dat de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. De verzoekende partijen voeren geen objectieve redenen aan om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces- verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt noch om te betwisten dat de weegbon betrekking zou hebben op het betrokken voertuig, waarvan de gegevens worden vermeld in bijlage 2 van het proces-verbaal.
- De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de vijftien door de verzoekende partijen aangevoerde middelen bij, en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven en van wat hiervoor nog werd opgemerkt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor helft en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. XII-8615-8/58 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8615-9/58 Brussel, 28 februari 2019 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 226.166/XII-8615 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake:
- SRL SKIPTRANS, vennootschap naar Roemeens recht
- ANTOHI Liviu bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
- Het beroep, ingesteld op 17 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 24 juli 2018 om aan Liviu Antohi een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig en de SRL Skiptrans burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. II. RECHTSPLEGING
- Het door de verzoekende partijen verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
- Op 27 april 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Liviu Antohi, de tweede verzoekende partij en vrachtwagenbestuurder van de eerste verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 2.710 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‗betreffende de XII-8615-10/58 bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ (hierna: 1 ‗het decreet bijzonder wegtransport‘). 3.
- Op 17 mei 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk 2 gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 23 mei 2017 beslist het Openbaar 3 Ministerie om geen vervolging in te stellen. 3.
- Op 7 juni 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling 4 van deze administratieve geldboete. 3.
- Op 14 juli 2017 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen 5 die beslissing. 6 Op 25 januari 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 21 februari 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de 7 betaling van deze administratieve geldboete. 3.
- Op 1 maart 2018 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing 8 beroep in bij de Vlaamse Regering. 9 Op 24 mei 2018 heeft een hoorzitting in beroep plaats. Op 24 juli 2018 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de tweede verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen en de eerste verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve 1 Administratief dossier, stuk nr.
- 2 Administratief dossier, stuk nr.
- 3 Administratief dossier, stuk nr.
- 4 Administratief dossier, stuk nr.
- 5 Administratief dossier, stuk nr.
- 6 Administratief dossier, stuk nr. 7-
- 7 Administratief dossier, stuk nr.
- 8 Administratief dossier, stuk nr.
- 9 Administratief dossier, stuk nr. 15-
- XII-8615-11/58 geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de 10 verzoekende partijen ter kennis gebracht. IV. ONTVANKELIJKHEID 4.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. 4.
- Ambtshalve kan worden opgemerkt dat het in het petitum geformuleerde verzoek om ondergeschikt aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing ―een eenvoudige schuld[ig]verklaring uit te spreken‖ niet binnen de 11 rechtsmacht van de Raad van State valt. In die mate dient het beroep als niet ontvankelijk te worden verworpen. Er kan overigens worden opgemerkt dat de verzoekende partijen tegelijkertijd zelf erkennen dat ―de Raad van State niet de mogelijkheid heeft om artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering toe te passen‖. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
- De verzoekende partijen voeren vijftien middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
- EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat zij werd ondertekend door een andere ambtenaar dan degene voor wie de zaak bepleit werd. Zij verwijzen daarbij naar artikel 779 Ger.W. 5.1.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
- In hun memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 19, § 4, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij benadrukken dat de ambtenaar die de partijen heeft gehoord niet degene is die de beslissing heeft uitgesproken. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: 10 Administratief dossier, stuk nr.
- 11 In die zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a.; RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie; RvS 17 november 2017, nr. 239.901, nv Transport Jost & Cie e.a.; RvS 17 november 2017, nr. 239.903, nv Jost & Cie en RvS 17 november 2017, nr. 239.904, SA Jost e.a. XII-8615-12/58 ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals het thans wordt toegepast en uitgelegd, niet artikel en 10 en 11 van de Grondwet daar enkel de beklaagden waarvan de zaak niet geseponeerd werd door het Parket gebruik kunnen maken van de procedurele waarborgen waarin voorzien wordt in artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de beklaagden waarvan de zaak geseponeerd werd en tegen hun zin betrokken zijn in een administratieve procedure geen gebruik kunnen maken van deze waarborgen en veroordeeld kunnen worden door een ambtenaar die niet alle debatten heeft bijgewoond en waarvan niets aantoont dat hij kennis heeft kunnen nemen van de stukken en de conclusies die werden ingediend door de overtreder?‖ V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
- Artikel 779 Ger.W. luidt als volgt: ―Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.‖ Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.1.2.
- Artikel 19, § 4, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport luidt: ―De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.‖ Er blijkt niet dat deze bepaling zou opleggen dat de ambtenaar die de overtreder hoort ook dezelfde persoon dient te zijn die de uiteindelijke beslissing neemt. Voort het overige kan er worden verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarin de Raad van State van oordeel is dat het horen niet dient te worden uitgevoerd door de beslissende overheid zelf. Het volstaat dat die overheid weet 12 welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen hebben de verzoekende partijen een schriftelijke conclusie ingediend en werd er een schriftelijk en uitvoerig verslag opgesteld 12 Zie bv. RvS 5 juli 2016, nr. 235.360, Thienpont. XII-8615-13/58 van de hoorzitting in beroep waarop zij hun standpunten nog verder mondeling hebben 13 toegelicht. 5.1.2.
- De door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat in een administratieve beroepsprocedure identiek dezelfde waarborgen zouden moeten gelden als in een jurisdictionele procedure voor een rechter. Zoals hierna zal blijken faalt dat uitgangspunt. Er is dan ook geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. 5.1.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het tweede middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijzen erop dat de inbreuk die de verzoekende partijen wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 27 april
- Ze zijn dus ondertussen verjaard. De tweede verzoekende partij dient te worden ontheven van de geldboete. Vervolgens doen zij gelden: ―Overwegende dat uw Hoog Rechtscollege weliswaar gesteld heeft dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 in casu niet van toepassing was et dat er daarentegen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 14 §2 van het decreet dat voorziet in een correctionele straf, zodanig dat de verjaringstermijn vijf jaar zou bedragen; Overwegende dat er vastgesteld dient te worden dat de verjaringstermijn dus verschilt al naargelang het parket beslist om het strafdossier al dan niet te seponeren; Dat indien dit dossier niet geseponeerd zou worden en voorgelegd aan een gewoon rechtscollege de verjaringstermijn een jaar zou bedragen terwijl indien het Parket beslist om over te gaan tot een seponering, hetgeen in casu het geval is, de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt; Dat het derhalve overduidelijk is dat niet alle Belgen gelijk zijn voor de wet wanneer het gaat om de verjaring van een zelfde overtreding‖. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals momenteel toegepast en uitgelegd niet de artikelen 10 en 11 van 13 Administratief dossier, stuk nr.
- XII-8615-14/58 de Grondwet aangezien dat enkel de beklaagden waarvan het dossier niet geseponeerd werd door het Parket een verjaringstermijn van een jaar krijgen, terwijl dat de beklaagden waarvan het dossier geseponeerd werd een verjaringstermijn van vijf jaar krijgen?‖ 5.2.1.
- In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de verjaringstermijn wel degelijk vijf jaar is en niet werd overschreden. 5.2.1.
- In hun memorie van wederantwoord dringen de verzoekende partijen aan op het stellen van hun prejudiciële vraag. V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‗betreffende de politie over het wegverkeer‘ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen 14 immers vijf jaar.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.2.2.
- Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte het middel steunen op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport. In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de 14 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8615-15/58 administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.2.2.
- Wat betreft de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partijen veronderstellen blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.2.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het derde middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. De overtreding werd op 27 april 2017 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 24 juli 2018, meer dan een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partijen hebben geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partijen moet, om de redelijke termijn te bepalen, ―de hele duur van de rechtspleging‖ in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stellen zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie XII-8615-16/58 het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.3.1.
- In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. 5.3.1.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat er rekening moet worden gehouden met ―de volledige duurtijd van de rechtspleging‖ en dringen zij aan op het stellen van hun prejudiciële vraag. V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―5.8.
- Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. 5.8.
- Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te 15 passen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 15 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8615-17/58 5.3.2.
- De door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag blijkt feitelijke grondslag te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partijen wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring in de zin van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. 5.3.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het vierde middel de schending aan van ―artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging‖. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.4.1.1.
- In een eerste onderdeel wijzen zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpen op de hoogte werden gesteld van de feiten die hen ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partijen hadden bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. De tweede verzoekende partij was aanwezig op de hoorzitting en heeft nooit het recht gehad om het woord te nemen ten aanzien van de ambtenaren die zijn zaak dienden te berechten. Dat de verzoekende partijen werden bijgestaan door een advocaat is volgens de verzoekende partijen irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partijen niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de XII-8615-18/58 Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partijen. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijzen zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling en rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van die richtlijn. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. Zij wijzen erop dat zij niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stellen zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ Daarnaast willen zij een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld zien: ―Is artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 20 oktober 2010, betreffende het recht op vertolking en vertaling in het raam van strafprocedures die in die zin uitgelegd dient te worden dat een rechtshandeling het nationale recht kan worden uitgevaardigd om kleinere strafrechtelijke inbreuken te bestraffen en die door een rechter na afloop van een vereenvoudigde eenzijdige procedure wordt gegeven, eveneens van toepassing op administratieve beslissingen die gewezen werden op het vlak van verkeersovertredingen die geregionaliseerd werden door de wetgever en voor zover de bevoegdheid van het Gewest enkel voortvloeit uit een loutere beslissing tot seponering in hoofde van het Parket van de Procureur des Konings?‖ 5.4.1.1.
- In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de XII-8615-19/58 vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partijen wijzen op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. De verzoekende partijen wijzen erop dat uit de begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het proces-verbaal van 27 april 2017 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij het dossier worden gevoegd. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de vrachtwagenbestuurder niet werd verhoord. Dit is strijdig met de brief van 4 mei
- De verzoekende partijen hebben klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken. 5.4.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.4.1.3.
- In de memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog gelden: ―Overwegende dat de tegenpartij beweert dat de eisers niet zouden aantonen dat de chauffeur of het bedrijf niet begrepen zouden hebben waarvan ze beschuldigd werden; Dat de tegenpartij duidelijk uit het oog verliest dat de chauffeur de Roemeense nationaliteit heeft en even weinig Nederlands kent als de tegenpartij Roemeens; Dat de tegenpartij overigens bij haar dossier een beslissing van de tegenpartij voegt waaruit blijkt dat zij weigert om te antwoorden op conclusies die werden opgesteld in het Roemeens, een taal waarvan ze beweert dat ze ze niet machtig is zonder hier echter het minste bewijs voor te leveren! […]; Dat als de tegenpartij derhalve niet in staat is om het Roemeens te begrijpen, er geen enkele reden is om te eisen van een Roemeense chauffeur dat hij in staat zou zijn om het Nederlands te begrijpen‖. 5.4.1.3.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft doen de verzoekende partijen nog het volgende gelden in de memorie van wederantwoord: ―Overwegende dat de tegenpartij in haar memorie twee pagina's motivering wijdt aan het laten uitschijnen dat de aanwezigheid van een advocaat naast de chauffeur tijdens de aanhouding van deze laatste voor dit soort geschil in rechte niet gerechtvaardigd is; Dat de eisende partijen derhalve niet inzien waarom de verbalisanten stelselmatig trachten om een document met als titel ―afstandsverklaring‖ te laten ondertekenen en dat de chauffeur trouwens geweigerd heeft om zijn XII-8615-20/58 handtekening te zetten onder dit document waarin hij afstand zou hebben moeten doen van zijn recht op een vertrouwelijk overleg met zijn advocaat! Dat de tegenpartij in haar memorie het volgende stelt: ―Het eerlijk karakter van het proces blijft, volgens het Hof van cassatie, gewaarborgd wanneer de rechter de verklaringen niet als doorslaggevend bewijs gebruikt"; Dat de tegenpartij in casu nog een stapje verder gaat daar ze zich gedurende de volledige rechtspleging baseert op ―verklararingen‖ die ze nooit overlegt om te beweren dat er een relatie van ondergeschiktheid zou bestaan tussen de chauffeur en de onderneming en om over te gaan tot de veroordeling van deze laatste‖. V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.1.
- Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de XII-8615-21/58 betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden 16 zijn.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.4.2.1.
- Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partijen maken in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de hen ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zouden hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partijen op behoorlijke wijze hun verdediging op zich hebben kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van hun keuze hun standpunt over de feiten hebben kunnen doen gelden en deze hebben kunnen betwisten. Op de hoorzitting hebben zij ook hun standpunt kunnen doen gelden in de taal van hun keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partijen in 16 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8615-22/58 concreto zouden zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. Voorts blijkt het middel feitelijke grond te missen waar er wordt aangevoerd dat de partijen in persoon aanwezig waren op de hoorzitting. Naast de raadsman van de verzoekende partijen was daarop enkel een persoon genaamd Gheorge Stefan Moraru aanwezig. Uit niets blijkt wat diens hoedanigheid was. Uit geen enkel voorgelegd stuk blijkt dat hij een vertegenwoordiger zou zijn van de eerste verzoekende partij. Die laatste blijkt bovendien, zoals de Raad van State al in het verleden heeft vastgesteld, een in Roemenië ondergebrachte dochtervennootschap van 17 de Belgisch-Luxemburgse Jost Groep te zijn die de facto vanuit België wordt bestuurd , zodat er geen enkele reden voorhanden is om te veronderstellen dat zij behoefte zou hebben aan een tolk Roemeens of de aanwezigheid van een tolk Nederlands-Roemeens op de hoorzitting. 5.4.2.1.
- Waar de verzoekende partijen in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroepen, kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partijen te dezen door dat Hof berecht zijn geworden. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partijen laten immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zetten zij uiteen waarom er volgens hen te dezen zou zijn voldaan aan de voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. 17 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. waarin de Raad van State als volgt oordeelde: ―Voor zover de eerste verzoekende partij hier nog stelt dat de door haar op de hoorzitting afgevaardigde persoon geen Nederlands verstond, en bijgevolg nood zou hebben gehad aan de bijstand van een tolk op de hoorzitting, stelt de Raad nog vast dat zij deel uitmaakt van de Jost Group, een grootschalige transportonderneming die ook in het Vlaamse gewest aanzienlijke commerciële activiteiten ontwikkelt en aldus mag worden geacht het Nederlands te beheersen of minstens te beschikken over medewerkers die het Nederlands beheersen.‖ XII-8615-23/58 Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partijen uitentreuren doen gelden doorheen hun verzoekschrift en memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot nietigverklaring van 18 het oude Aslastendecreet van 19 december
- Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‗volle rechtsmacht‘, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 19 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho ). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Dat een inbreuk op de overladingsreglementering van het Vlaams Gewest door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt behandeld, zoals de verzoekende partijen opwerpen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 5.4.2.1.
- Dat de verzoekende partijen niet op voet van gelijkheid staan tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpen, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger 18 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
- 19 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: ―[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‗civil rights and obligations‘ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‗subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1‘ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction‖. XII-8615-24/58 en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.4.2.1.
- Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partijen ten onrechte veronderstellen dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als 20 degenen die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter. De door hen voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient er te worden vastgesteld
(1)dat richtlijn 2010/64/EU enkel betrekking heeft op procedures voor de strafrechter en
(2)dat deze richtlijn zelf reeds het antwoord op de voorgestelde vraag blijkt te bevatten. In artikel 1, lid 3, wordt immers verduidelijkt dat, ―[a]ls de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze rechtbank kan worden ingesteld, […] deze richtlijn alleen van toepassing [is] op de procedure voor deze rechtbank‖. Aldus blijkt de richtlijn zelf reeds uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet van toepassing is op een administratieve procedure die een gerechtelijke procedure voorafgaat. De consideransen van de richtlijn vermelden zelfs expliciet: ―
(16)In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.‖ Net zoals het geval is bij artikel 6 EVRM blijken de waarborgen waarin de richtlijn 2010/64/EU dus enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet reeds in de administratieve procedure. Dit vloeit zonder meer uit de richtlijn zelf voort. Er is dus geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt te bevragen. 5.4.2.1.
- Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 20 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
- XII-8615-25/58 5.4.2.2.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‗verhoor‘. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‗tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis‘, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
- B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig 21 mag verder zetten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen als vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 21 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8615-26/58 5.4.2.2.
- Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het proces- verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. Het standpunt van de verzoekende partijen bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partijen zich op beroepen. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op grond van een verhoor. Waar de verzoekende partijen verwijzen naar de begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het proces-verbaal van 27 april 2017 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de eerste verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever reeds op zich de bijstand van een advocaat zou vereisen. De loutere bewering van de verzoekende partijen dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, wordt niet gestaafd. Het bij het verzoekschrift gevoegde 22 proces-verbaal van burgerlijke partijstelling blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door derden. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op voorliggend dossier. 22 Stuk 13 van de verzoekende partijen. XII-8615-27/58 Daarnaast blijkt dat proces-verbaal gedateerd op 21 juni 2018, zodat er niet kan worden ingezien hoe deze gericht kan zijn tegen de valsheid van de thans bestreden beslissing, die immers pas op 24 juli 2018 werd genomen. 5.4.2.2.
- Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.
- Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
- VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een vijfde middel ―valsheid en gebruik van valsheid in geschriften in hoofde van Mevrouw Van Empten en van Mijnheer Knippenberg‖ aan. De begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het proces-verbaal van 27 april 2017 verwijst naar verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partijen hebben gevraagd om deze verklaring voor te leggen. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat zij niet is gebaseerd op verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partijen betogen: ―Dat door gewag te maken van een verklaring die niet zou zijn afgelegd , Mevrouw Vanempten zich duidelijk schuldig maakt aan valsheid in openbare geschriften door onderhavige vervolgingen hierop te stoelen. De vennootschap Skiptrans heeft bovendien haar raadsman gemachtigd om bij de onderzoeksrechter klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen tegen Mijnheer Knippenberg en een andere ambtenaar voor valsheid en gebruik van valsheid in geschriften . Dat de bestreden beslissing in deze omstandigheden uiteraard nietig dient te worden verklaard aangezien deze beslissing oorspronkelijk gebaseerd is op valsheid in openbare geschriften in hoofde van een ambtenaar. Dat als er hier twijfel over zou blijven bestaan , de uitspraak uitgesteld zou dienen te worden in afwachting van de beslissing van de onderzoeksgerechten overeenkomstig artikel 4 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering dat stelt dat ‗een strafzaak een burgerlijke zaak opschort‘.‖ 5.5.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.5.1.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen het volgende gelden: ―Dat de eiseres in werkelijkheid de tekst van de verklaring van de chauffeur wenst te bekomen om te gaan of zijn verklaring strookt met het strafdossier; Dat de eiseres derhalve terecht de mening is toegedaan dat mevrouw VANEMPTEN zich schuldig maakt aan valsheid in openbare geschriften door gewag te maken van een verklaring waarvan de tegenpartij achteraf beweert dat ze helemaal niet bestaat! XII-8615-28/58 Dat het de tegenpartij bovendien niet toekomt om zich uit te spreken over het eventuele bestaan van valsheid in hoofde van deze ambtenaar daar dit voorrecht voorbehouden is aan de onderzoeksgerechten of aan de Correctionele Rechtbank; Dat in tegenstelling tot wat de tegenpartij beweert, artikel 4 van het Strafwetboek in casu uiteraard dient te worden toegepast daar , in afwezigheid van welk stuk dan ook met betrekking tot het verhoor van de chauffeur, niets aantoont dat deze laatste wel degelijk voor rekening reed van de concluante op het ogenblik van de feiten aangezien de verbalisanten geen enkele bijkomende onderzoeksdaad hebben uitgevoerd, zoals de tegenpartij nochtans tracht te laten uitschijnen; Dat de hele rechtspleging waarop de tegenpartij haar tenlastelegging stoelt berust op een document dat van valsheid beticht is, zodanig dat het volledig irrelevant is dat de twee beschuldigde ambtenaren niet zijn opgetreden in de administratieve procedure in graad van beroep‖. V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
- Zoals reeds opgemerkt bij het onderzoek van het vorige middel hebben de ingewonnen identiteitsinlichtingen inzake de vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever hun neerslag gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal. Dat de begeleidende brief bij dit proces-verbaal verwijst naar ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder, blijkt kennelijk louter een verwijzing te betreffen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.5.2.
- Voorts kan er, zoals ook reeds bij het onderzoek van het vorige middel werd opgemerkt, op worden gewezen dat de bewering dat er door de verzoekende partijen klacht met burgerlijke partijstelling werd ingediend bij de onderzoeksrechter voor valsheid en gebruik van valse stukken, niet wordt gestaafd. Het 23 bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van burgerlijke partijstelling blijkt betrekking te hebben op een niet nader omschreven klacht die werd ingediend door derden. Er blijkt bovendien niet dat deze klacht met burgerlijke partijstelling betrekking heeft op voorliggend dossier. 5.5.2.
- Artikel 4, eerste lid, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering luidt: ―De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering 23 Stuk 13 van de verzoekende partijen. XII-8615-29/58 die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld, in zoverre er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter en onverminderd de uitzonderingen uitdrukkelijk bepaald door de wet.‖ Deze bepaling is niet van toepassing op de administratieve beroepsprocedures zoals degene die te dezen voor de verwerende partij werd 24 gevoerd. In die mate mist het middel juridische grond. In zoverre het middel ertoe zou strekken dat de Raad van State deze bepaling zou moeten toepassen, dient er te worden opgemerkt dat, indien deze wetsbepaling al van toepassing zou zijn op de rechtspleging voor de Raad van State - wat niet evident lijkt, nu zij ―[d]e burgerlijke rechtsvordering‖ betreft- er niet blijkt dat er in voorliggend dossier een strafvordering werd ingesteld. In die mate mist het middel feitelijke grond. 5.5.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een zesde middel machtsafwending aan. Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ bepaalt dat het bestuur het Nederlands dient te gebruiken. Dit betekent niet dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Daarenboven bepaalt artikel 39 van deze wet dat het gewest de mogelijkheid heeft om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruikmaken. Om te voldoen aan artikel 6, lid 3, a), EVRM, had de verwerende partij dan ook met de verzoekende partijen enkel in het Frans mogen corresponderen. De verwerende partij gebruikt trouwens het Frans om de administratieve geldboete te innen. Met deze handelwijze, die enkel tot doel heeft de overtreders te verhinderen om hun rechten van verdediging te laten gelden en op een zo gemakkelijk mogelijke manier de betaling van de boetes te verkrijgen, maakt de verwerende partij zich schuldig aan machtsafwending. Daarnaast is er sprake van machtsafwending omdat de verwerende partij weigert de stukken van het dossier te vertalen, de aanwezigheid van een tolk op de zitting en zich baseert op een brief die het voorwerp uitmaakt van valsheid in geschrifte. Het doel bestaat erin het Nederlands voor procedurele doeleinden te gebruiken en achteraf de taal van de overtreder om het bedrag van de boetes te kunnen innen. De 24 In die zin: RvS 27 september 2001, nr. 99.205, XXX. In gelijkaardige zin: RvS 23 februari 2005, nr. 141.071, XXX. XII-8615-30/58 aangehaalde bezwaren hebben tot doel om de taak van de verwerende partij te vergemakkelijken om zo de de verzoekende partijen te verhinderen om op een rechtsgeldige manier de boetes te betwisten. 5.6.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.6.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―Artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (GWHI) regelt het gebruik van de talen door de ‗diensten van de Executieven waarvan de werkkring het gehele ambtsgebied van de Vlaamse Gemeenschap, van de Franse Gemeenschap of van het Waalse Gewest bestrijkt‘, als volgt: ‗§
- Behoudens de bepalingen van § 2 gebruiken: 1° de diensten van de Vlaamse Executieve het Nederlands als bestuurstaal; 2° de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve en die van de Waalse Gewestexecutieve, het Frans als bestuurstaal. §
- Met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, is op de in § 1 bedoelde diensten de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen en vergunningen. Voor hun betrekkingen met de openbare besturen, waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente van het Duits taalgebied, gebruiken de diensten van de Waalse Gewestexecutieve het Duits. §
- [...].‘ Aangezien de verzoekende partijen niet in een gemeente met een speciale taalregeling gevestigd zijn dan wel wonen, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat de Vlaamse overheid in overeenstemming met het voormelde artikel 36 het Nederlands als bestuurstaal dient te gebruiken. In de bestreden beslissing wordt, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, overigens niet gesteld dat personen die niet in het Nederlands taalgebied gevestigd zijn uitsluitend het Nederlands dienen te gebruiken ten aanzien van het bestuur. Zij hebben –zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het tweede middel– zowel in hun conclusies als op de hoorzitting het Frans kunnen gebruiken zonder dat blijkt dat zij door het hanteren van die taal benadeeld zouden zijn geweest door de verwerende partij. [...] Het door de verzoekende partijen ingeroepen artikel 39 GWHI luidt: ‗Op de in artikel 37 bedoelde diensten, waarvan de werkkring zowel gemeenten zonder speciale taalregeling als gemeenten met een speciale taalregeling uit eenzelfde taalgebied omvat, is, met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling, de taalregeling van toepassing die door de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten, voor de berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek, voor de betrekkingen met particulieren en voor het XII-8615-31/58 opstellen van akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen. De diensten worden derwijze georganiseerd dat, zonder enige moeite, kan worden voldaan aan de bepalingen van het eerste lid.‘ Het in deze bepaling genoemde artikel 37 luidt op zijn beurt: ‗De bepalingen van deze afdeling zijn toepasselijk op de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Vlaamse Executieve, van de Franse Gemeenschapsexecutieve en van de Waalse Gewestexecutieve, waarvan de werkkring niet het gehele ambtsgebied van de Gemeenschap of het Gewest, al naar het geval, bestrijkt.‘ Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt aldus niet uit artikel 39 dat dit de verwerende partij de mogelijkheid zou bieden om met particulieren die in een ander taalgebied wonen te corresponderen in de taal waarvan de betrokkenen gebruik maken. Dit artikel betreft immers gemeenten met een speciale taalregeling uit hetzelfde taalgebied. Het middel berust dan ook op een onjuist juridisch uitgangspunt. [...] Waar de verzoekende partijen in dit middel de verwerende partij machtsafwending verwijten dienen zij erop te worden gewezen dat een verzoekende partij die machtsafwending inroept het bewijs moet leveren dat de beweegredenen die het bestuur opgeeft voor een bepaalde handeling niet de werkelijke beweegredenen zijn. Een dergelijke verzoekende partij moet met andere woorden het bewijs leveren dat het bestuur met de bestreden beslissing uitsluitend een ongeoorloofd oogmerk nastreeft. De omstandigheid dat de verwerende partij in overeenstemming met artikel 36 GWHI het Nederlands heeft gebruikt in de bestuurlijke procedure en de brief van betaling in het Frans heeft 25 gesteld, toont dit alleszins niet aan. [...] Het derde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.6.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in een zevende middel aan dat het strafdossier hun niet volledig werd bezorgd. Zij hebben geen kennis kunnen nemen van de verklaring van de vrachtwagenbestuurder. Zij betogen: ―Dat het in de brief van 4 mei 2017 nochtans vaststaat dat de verklaringen werden gedaan door Mijnheer Antohi aangezien het Vlaams Gewest in een brief die getekend werd door Mevrouw Vanempten en die het tegendeel beweert in haar procedurestukken , stelt dat er uit de uitleg van Mijnheer Liviu Antohi voortvloeit dat hij op het ogenblik van de feiten reed voor rekening van de vennootschap Skiptrans; Dat Mevrouw Vanempten derhalve duidelijk het bestaan van verklaringen van Mijnheer Liviu Antohi erkent terwijl deze helemaal niet worden overgelegd; Dat indien deze verklaringen niet zouden bestaan , ervan uit zou dienen te worden gegaan dat de brief van 4 mei 2017 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften in hoofde van Mevrouw Vamempten‖. 25 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8615-32/58 5.7.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.7.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―De vaststelling van de inbreuk berust te dezen genoegzaam op eenvoudige materiële vaststellingen verricht door middel van een asweger, waarbij het verhoor van de vrachtwagenbestuurder of het door hem laten invullen van een vragenlijst geenszins noodzakelijk is. In verband met het moreel bestanddeel van een misdrijf neemt het Hof van Cassatie in een arrest van 8 oktober 2002 (nr. 515, A.R. P01.1149.N) aan dat wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt de rechter de schuld kan afleiden uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen ‗grond van rechtvaardiging‘ of ‗schulduitsluitingsgrond‘ aannemelijk maakt. Nu er dient te worden aangenomen dat er überhaupt geen vragenlijst werd overhandigd aan en ingevuld door de vrachtwagenbestuurder, blijkt niet hoe de verzoekende partij zou zijn gegriefd door het feit dat dit onbestaande document haar niet werd bezorgd. 26 [...] Het vierde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.7.2.
- Voor het overige kan er worden opgemerkt, wat betreft de begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het proces-verbaal van 27 april 2017, dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de tweede verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces- verbaal werd aan de verzoekende partijen bezorgd. In die mate mist het middel feitelijke grond. 26 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8615-33/58 Voorts blijkt ook dit middel te berusten op het onjuist feitelijk uitgangspunt dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op een verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering werd, zoals reeds opgemerkt, immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op basis van een verhoor in de strafrechtelijke betekenis van dat begrip. 5.7.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
- De verzoekende partijen voeren in een achtste middel de schending aan van ―de beginselen van goed bestuur en fair play‖. Krachtens het beginsel van fair play moet het bestuur blijk geven van elementaire eerlijkheid in zijn relaties met de burger, zo doen de verzoekende partijen gelden. Zij betogen: ―Dat er in casu vastgesteld dient te worden dat de tegenpartij de inlichtingen slechts mondjesmaat en na het einde van de eerste procedure voor de inspecteur-controleur verschaft heeft, waardoor zij duidelijk de mogelijkheid ontneemt aan de eiser om een eerste beroep in te stellen voor deze overheid aangezien de eiser niet over alle noodzakelijke stukken beschikt; Dat deze houding duidelijk strijdig is met de meest elementaire fair play ; Dat het eveneens vaststaat dat de verzoeken om vertaling en om bijstand van een tolk die werden gedaan door de concluant die stelselmatig met een grond van niet ontvankelijkheid geconfronteerd werd, eveneens een gebrek aan fair play aantonen in hoofde van het bestuurslichaam aangezien deze laatste de mogelijkheid ontneemt aan de eisers om op gelijke voet te staan met haar terwijl ze, eenmaal de beslissing gewezen is, niet aarzelt om de betaling van de boetes in de taal van de overtreder te vorderen; Dat er voor de aardigheid vermeld kan worden dat een dochteronderneming van de eiseres conclusies in het Roemeens voor het Vlaams Gewest heeft ingediend en dat deze conclusies verworpen werden door de ambtenaar die ermee belast was dit beroep te bestuderen om de eenvoudige reden dat het Vlaams Gewest het Roemeens niet machtig is […]; Dat hier derhalve uit voortvloeit dat het bestuurslichaam stelt er niet toe gehouden te zijn om een andere Europese taal dan het Nederlands te kennen maar alle vreemdelingen wel de verplichting oplegt om deze taal te kennen, hetgeen duidelijk een schrijnend gebrek aan fair play uitmaakt‖. 5.8.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.
- In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen gelden: XII-8615-34/58 ―Overwegende dat de eisers alleen maar verbaasd kunnen zijn over het feit dat de tegenpartij in haar memorie beweert dat ze de belangrijke stukken van haar dossier bezorgd heeft, terwijl uw Hoog Rechtscollege al meermaals gesteld heeft dat het de vervolgende partij toekomt om een volledig dossier over te leggen en dat de uitoefening van de rechten van de verdediging inzonderheid de mogelijkheid met zich brengt om kennis te nemen van alle stukken van het dossier en uitsluit dat de overheid zich het recht voorbehoudt om onder welk voorwendsel dan ook de stukken te kiezen die voorgelegd zou kunnen worden tijdens de debatten op tegenspraak […]; Dat er dus uit de tekst van de memorie van antwoord voortvloeit dat niet alle stukken die in het bezit waren van de tegenpartij bezorgd werden, zodanig dat gesteld kan worden dat de rechtspleging helemaal niet regelmatig is verlopen‖. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
- Het middel betreft in de eerste plaats een herneming van kritieken - vertaling, tolk, taalgebruik in bestuurszaken- die de verzoekende partijen ook reeds onder hun andere middelen doen gelden. Er kan worden verwezen naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die kritieken. 5.8.2.
- Waar de verzoekende partijen gewag maken van niet tijdig verschaffen van inlichtingen, dient te worden opgemerkt dat zij niet concretiseren om welke inlichtingen het gaat. Aan de verzoekende partijen werd alleszins reeds van bij het begin van de administratieve procedure het aanvankelijk proces-verbaal bezorgd, welk stuk op zich alle nodige gegevens blijkt te bevatten opdat de verzoekende partijen zich met kennis van zaken zouden kunnen verweren, minstens om een begin van verweer te voeren. 5.8.2.
- Voorts kan de loutere toepassing van de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken die de verzoekende partijen in dit middel aan de verwerende partij verwijten, niet als een gebrek aan fair play worden aangemerkt. Voor het overige, in zoverre fair play als een beginsel van behoorlijk bestuur zou dienen te worden beschouwd, kan er worden opgemerkt dat beginselen van behoorlijk bestuur niet prevaleren op duidelijke wetsbepalingen. Voor het overige dient er te worden opgemerkt dat een kritiek gesteund op een handelwijze van de overheid in een procedure die niet aan de basis lag van de thans bestreden beslissing, op zich niet tot de vaststelling van de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden. 5.8.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
- De verzoekende partijen voeren in een negende middel de schending aan van ―het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖. Zij betogen het volgende: XII-8615-35/58 ―
- Overwegende dat de tegenpartij duidelijk niet het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten naleeft daar ze in de bestreden beslissing het volgende schrijft: ― De term "verklaring" dient in deze zin te worden gelezen als een uitspraak die werd gedaan door de chauffeur . De identificatie van de betrokkenen valt bovendien niet onder de noemer "verhoor" "; Dat er immers niet betwist kan worden dat indien de wegeninspecteur-controleur in zijn brief van 4 mei 2017 het over een "uitspraak‖ wilde hebben, hij zeker niet nagelaten zou hebben om dit te doen in plaats van gebruik te maken van de term ―verklaringen"; Dat a posteriori en nadat de eiser de aandacht van de tegenpartij gevestigd heeft op het feit dat er geen ―verklaringen‖ bij het strafdossier gevoegd waren, de zin volgens dewelke het eigenlijk niet gaat om ―verklaringen‖ maar om een uitspraak‖ een duidelijke schending uitmaakt van het gezag van gerechtelijke akten en meer bepaald van de brief van 4 mei 2017;
- Overwegende dat de eiser bovendien in zijn conclusies een aantal opmerkingen had geformuleerd met betrekking tot de goede werking van de weegschaal en inzonderheid met betrekking tot het feit dat deze weegschaal voorzien was voor een maximumgewicht tot twintig ton en dat hij verwonderd was dat deze weegschaal gebruikt kon worden voor een voertuig van vierenveertig ton; Dat er in het kader van de bestreden beslissing een antwoord geformuleerd wordt op deze argumentatie door te stellen dat het maximum gewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximum gewicht aan de wielas en niet het totale maximum gewicht van het voertuig; Dat er opnieuw vastgesteld dient te worden dat deze bewering opnieuw niet gestaafd wordt door welk element dan ook uit het dossier daar de tegenpartij geen enkel document bijvoegt die het mogelijk maakt om na te gaan of deze beweringen kloppen; Dat er echter uit het dossier dat opgesteld werd door de verbalisanten voortvloeit dat deze laatsten genoegen nemen met het volgende te stellen : ―maximum gewicht 20.000 kg - minimum gewicht 500 kg‖ en hierbij helemaal niets vermelden met betrekking tot een beperking van het gewicht aan de wielas; Dat door deze verduidelijking toe te voegen in de beslissing, de tegenpartij het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten en van de verklaringen van haar eigen agenten schendt‖. 5.9.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
- Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3º, van het algemeen procedurereglement moet de verzoekende partij in het verzoekschrift de rechtsmiddelen uiteenzetten die zij tegen de bestreden beslissing wil doen gelden. Onder ―middel‖ moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of -beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of -beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. XII-8615-36/58 Het Auditoraat heeft geen weet van het bestaan van enig ―beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖. In zoverre het middel steunt op de miskenning van een onbestaande rechtsnorm, dient het als niet ontvankelijk te worden verworpen. Het middel wordt hierna opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. 5.9.2.
- Een eerste kritiek steunt op de reeds meermaals aangehaalde begeleidende brief van 4 mei 2017 bij het proces-verbaal van 27 april
- In dit verband kan opnieuw worden opgemerkt dat hieruit niet blijkt dat de vrachtwagenbestuurder werd verhoord. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de tweede verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten. Deze identiteitsinlichtingen blijken hun neerslag te hebben gevonden in het aanvankelijk proces-verbaal nu daarin de identiteit van zowel de vrachtwagenbestuurder als zijn werkgever wordt vermeld. Dit aanvankelijk proces- verbaal werd aan de verzoekende partijen bezorgd. De eerste kritiek mist aldus feitelijke grond. 5.9.2.
- Een tweede kritiek betreft de asweger. In het aanvankelijk proces verbaal wordt vermeld dat voor het vaststellen van de inbreuk een weegbrug type Supaweigh II met serienummer 5657 werd gebruikt, dat deze metingen uitvoert met een minimumgewicht van 500 kg en een maximumgewicht van 20.000 kg. De verzoekende partijen wijzen erop dat het voertuig een totaalgewicht had van 44.000 kg. Volgens hen wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat het maximumgewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximumgewicht aan de wielas en niet het totale maximumgewicht van het voertuig. Bij het administratief dossier is evenwel het verslag van metrologische controle gevoegd dat betrekking heeft op de desbetreffende weegbrug. Hieruit blijkt dat het wel degelijk om een asweger gaat en dat het opgegeven maximumgewicht dan ook per wielas geldt en niet het totale gewicht van het voertuig betreft. XII-8615-37/58 Overigens blijkt de kritiek feitelijke grond te missen, nu op de weegbon bij het aanvankelijk proces-verbaal inderdaad een totaalgewicht van 43.340 kg wordt vermeld, doch dit blijkt het samentellen te betreffen van de gewichten die werden gemeten op de individuele assen van de trekker en de oplegger. Geen enkele individuele asmeting blijkt het maximumgewicht van 20.000 kg te hebben overschreden. Ook de tweede kritiek blijkt aldus feitelijke grond te missen. Overigens kan er worden opgemerkt dat, anders dan de verzoekende partijen doen gelden, in hun conclusie in administratief beroep niets wordt vermeld over het punt inzake het totaalgewicht. Aldus blijkt de tweede kritiek ook op dit punt feitelijke grondslag te missen. 5.9.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.
- De verzoekende partijen voeren in een tiende middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij brengen dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.10.1.
- In een eerste middelonderdeel doen zij gelden: ―Dat er in casu vastgesteld dient te worden dat de administratieve boete opgelegd werd door een ambtenaar van de tegenpartij, in casu de heer Knippenberg, en dat het eerste beroep ingesteld werd voor deze zelfde ambtenaar die beslist om de sanctie die hij zelf heeft opgelegd al dan niet te handhaven; Dat het derhalve overduidelijk is dat deze laatste zowel rechter als partij is aangezien hij de beslissing heeft genomen om vervolgingen in te stellen tegen een overtreder, om hem te veroordelen tot een administratieve boete en om zijn klacht in graad van beroep te berechten; Dat het derhalve overduidelijk is dat het onpartijdigheidsbeginsel niet werd geëerbiedigd; Dat het Vlaams Gewest bovendien over meerdere inspecteurs beschikt; Dat het in deze omstandigheden voor het Vlaams Gewest helemaal niet onmogelijk is om het dossier in eerste aanleg te laten berechten door een ambtenaar en om het in graad van beroep te laten berechten door een andere ambtenaar; Dat de situatie des te erger is daar de eisende partijen ertoe gebracht werden om klacht in te dienen tegen de heer Knippenberg voor valsheid in openbare geschriften‖. 5.10.1.
- Tweede middelonderdeel. Het verslag van metrologische controle dat bij de bestreden beslissing werd gevoegd, werd ondertekend door de administrateur- generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer. De bestreden beslissing werd ook XII-8615-38/58 door hem ondertekend. Hij is dus zowel rechter als partij aangezien hij de beslissing in laatste aanleg uitspreekt en hij zijn administratie een bewijs voor goede werking van de asweger bezorgt. Dit is onaanvaardbaar aangezien het resultaat dat weergegeven wordt door de weegschaal de mogelijkheid biedt om vervolgingen in te stellen, zodanig dat de verzoekende partijen het recht hebben om te eisen dat de testen met alle nodige objectiviteits- en onpartijdigheids–waarborgen worden uitgevoerd. 5.10.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.3.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan het eerste middelonderdeel. 5.10.3.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft doen zij nog het volgende gelden: ―Dat de tegenpartij ten onrechte beweert dat uw Hoog Rechtscollege niet bevoegd is om te oordelen over de geldigheid van de procedure waarin voorzien wordt door het decreet; Dat de eisers in casu helemaal niet de procedure betwisten waarin voorzien wordt door het decreet, maar wel de manier waarop de tegenpartij de decretale bepalingen toepast; Dat het decreet de tegenpartij helemaal niet verbiedt om haar meetinstrumenten te laten controleren door een onafhankelijk orgaan en haar ook niet verplicht om deze testen zelf uit te voeren; Dat het onpartijdigheidsbeginsel derhalve overduidelijk geschonden is, zodanig dat dit rechtsmiddel ernstig dient te worden verklaard‖. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.1.
- De Raad van State heeft in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige eerste middelonderdeel als volgt verworpen: ―De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en ze moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van [het] bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld. […] Voorts is het eigen aan de procedure van bezwaar dat dezelfde instantie – te dezen dezelfde wegeninspecteur-controleur – het bezwaar behandelt. Te dezen regelt het decreet bijzonder wegtransport de procedure van bezwaar: binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete, kan bezwaar worden aangetekend; in dat geval wordt de overtreder en in voorkomend geval de onderneming binnen de vijftien dagen na het instellen van het bezwaar uitgenodigd op een hoorzitting, de overtreder en de onderneming kunnen op de hoorzitting een nota indienen, zij mogen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, van de XII-8615-39/58 hoorzitting wordt een verslag opgemaakt en binnen dertig dagen na de hoorzitting dient de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing mee te delen aan de overtreder en in voorkomend geval de onderneming. Uit de stukken die de verzoekende partij zelf voorlegt blijkt dat zij zowel in bezwaar, als in beroep schriftelijke conclusies heeft neergelegd, dat zij telkens werd uitgenodigd voor de hoorzittingen, dat tijdens de hoorzitting in beroep haar raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte, waarop de minister in de bestreden beslissing uitgebreid heeft geantwoord zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. De verzoekende partij kan dus niet worden bijgevallen waar zij doet gelden dat er te dezen sprake zou zijn van ‗talrijke schendingen van de rechten van verdediging‘ waaruit zou blijken dat de ambtenaren van het Vlaamse Gewest niet beschikken over de nodige onpartijdigheid om op een objectieve manier tot een besluit te komen in dit dossier. 27 [...] Ook het vijfde middel wordt verworpen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.10.2.1.
- Voorts kan er worden opgemerkt dat, waar de verzoekende partijen ook hier verwijzen naar het indienen van een strafklacht, het om een niet gestaafde bewering gaat. Er wordt verwezen naar het onderzoek van de voorgaande middelen. 5.10.2.1.
- Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.10.2.2.
- Wat het tweede middelonderdeel betreft dient te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat omzeggens identiek is aan het huidige tweede middelonderdeel als volgt heeft verworpen: ―De omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te 28 betwisten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 27 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. 28 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8615-40/58 5.10.2.2.
- De stelling dat het verslag van metrologische controle pas na het sluiten van het debat werd bezorgd blijkt feitelijke grondslag te missen. Uit het administratief dossier dossier blijkt dat dit stuk werd bezorgd met de beslissing na bezwaar van 21 februari 2018, zodat de verzoekende partijen de gelegenheid hebben gehad om dit stuk aan kritiek te onderwerpen zowel in graad van administratief beroep als thans in de jurisdictionele procedure voor de Raad van State. 5.10.2.2.
- Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partijen maken op geen enkele wijze aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. 5.10.2.2.
- Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.10.2.
- Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
- ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het elfde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij achten dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 4.000 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‗betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen‘ met een geldboete tussen ―10 BEF en 10.000 BEF‖ worden bestraft. Zij verwijzen naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partijen hebben in hun conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. De verzoekende partijen doen gelden dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het XII-8615-41/58 gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verzoekende partijen stellen voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de 29 Grondwet, schenden?‖ 5.11.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
- De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. Die laatste zaak betreft overigens dezelfde verzoekende partij als in huidige zaak. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.11.2.
- Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 2.710 kg. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 2.500 kg tot minder dan 3.000 kg vast op 500 29 Eigen vertaling door de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord, p.
- XII-8615-42/58 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 4.000 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.11.2.
- Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: ―Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‗aannemelijke element[en]‘ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‗tegendeel te bewijzen‘. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‗automatisch‘ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‗de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.‘ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‗het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in XII-8615-43/58 totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.‘ Het gaat dus niet louter om het ‗laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur‘ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.11.2.
- Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, worden de verzoekende partijen erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kunnen de verzoekende partijen erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) geldboetes 30 voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid. In zoverre de verzoekende partijen het voorstel van prejudiciële vraag betrekken op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijven de verzoekende partijen in gebreke om bij de adstructie van hun vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperken zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de 30 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. XII-8615-44/58 rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de 31 ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen. Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.11.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- TWAALFDE MIDDEL V.12.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.12.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het twaalfde middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is en ―het beginsel van het gezag van de handelingen‖ schendt. Volgens de verzoekende partijen is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument inzake ―de brief van 24 april 2017‖; d) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op het argument dat voortvloeit uit het gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van de ambtenaren van de verwerende partij; e) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagen–bestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was; f) de bestreden beslissing rechtvaardigt niet waarom het uitstel dat gevraagd werd, geweigerd werd. 5.12.1.
- In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 31 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
- XII-8615-45/58 5.12.1.
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen niets toe aan dit middel. V.12.B. BEOORDELING 5.12.2.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ―afdoende‖ wijze. 5.12.2.
- Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen achttien bladzijden en de verwerende partij blijkt daarin bovendien uitdrukkelijk te antwoorden op elk van de middelen die de verzoekende partijen hadden aangevoerd in hun conclusies in graad van beroep. De bestreden beslissing bevat wel degelijk motieven inzake het gebruik van talen door het bestuur en tijdens de hoorzittingen, de vermeldingen op de weegbon, het begeleidend schrijven bij het aanvankelijk proces-verbaal, de onpartijdigheid van de ambtenaren van de verwerende partij, de beweerde onmogelijkheid om het gewicht van de lading na te gaan, de verzachtende omstandigheden die de verzoekende partijen hadden ingeroepen en het uitstel dat zij hadden gevraagd. Deze motieven volstaan. Er is geen grond om tot miskenning van de formele motiveringsplicht te besluiten. 5.12.2.
- Het middel dient te worden verworpen. V.
- DERTIENDE MIDDEL V.13.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.13.1.
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift in het dertiende middel de schending aan van ―het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet‖. Volgens de verzoekende partijen is het gelijkheidsbeginsel t