← België

Arrest 245850 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.850 Rolnummer: A. 226181/XII-8616 Zaak: Arrest 245850 - Wegverkeer van goederen - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-06-27 04:30 Fiche Arrest nr 245.850 van 22 oktober 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.850 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 226.181/XII-8616 In zake: de BVBA BD TRUCKING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 24 juli 2018 waarbij aan de bvba BD Trucking een administratieve geldboete van 1.400 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-8616-1/44 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
  3. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Valerie Beckers, die loco advocaat Alain Franken verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Wat de feiten betreft wordt verwezen naar de uiteenzetting ervan in het voormelde verslag dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het Auditoraat op grond van artikel 24, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, over de zaak heeft opgemaakt. Dit verslag is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Onderzoek van de middelen
  6. In het verzoekschrift, samengevat in het Nederlands in de memorie van wederantwoord, voert de verzoekende partij elf middelen aan: “
  7. Onwettige beslissing van 24 juli 2018
  8. Verjaring van de strafvordering
  9. Overschrijding van de redelijke termijn
  10. Niet-naleving van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
  11. Niet-naleving van de verplichting de volledige stukkenbundel te bezorgen
  12. Schending van het proportionaliteitsbeginsel XII-8616-2/44
  13. Geen bewijs van de overtreding – Twijfel met betrekking tot de goede werking van de weegschaal
  14. Schending van het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten
  15. Ontoereikende motivering van de bestreden beslissing – schending van het beginsel van het gezag van de handelingen
  16. Weigering om gevolg te geven aan het verzoek tot uitstel dat geformuleerd werd in de conclusies
  17. Schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet”. Deze elf middelen zijn, na te zijn onderzocht en beoordeeld, in het voormelde auditoraatsverslag deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond bevonden. De grieven die deze middelen vertolken – en elkaar trouwens vaak overlappen – kwamen reeds in verscheidene arresten gewezen door de Raad van State aan bod, met inbegrip van de argumenten die nog bij een aantal middelen in de laatste memorie worden naar voren gebracht. In die arresten worden de middelen keer op keer na een uitvoerig en grondig onderzoek door het Auditoraat en de Raad op een gemotiveerde wijze verworpen. De Raad van State verwijst hier onder meer naar de in het auditoraatsverslag vernoemde arresten.
  18. De laatste memorie van de verzoekende partij komt neer op een zeer uitgebreid betoog waarin de argumentatie uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord letterlijk wordt herhaald en vervolgens nog, doch niet bij alle middelen, allerlei opmerkingen worden geuit die het auditoraatsverslag betreffen, doch geen ernstige repliek daarop vormen. Deze opmerkingen nopen niet tot een andere beoordeling van de grieven die reeds in het auditoraatsverslag grondig zijn onderzocht en beoordeeld. 5.
  19. In de eerste plaats herhaalt de Raad van State dat de rechtzoekende wel degelijk bij de Raad van State over een volwaardig jurisdictioneel beroep beschikt tegen de administratieve geldboete – opgelegd te dezen in het kader van het betrokken decreet van 3 mei 2013 „betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‟ (hierna: decreet bijzonder wegtransport) – zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B. 40.1 en B.40.2) en XII-8616-3/44 het Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass., 2009, 584). Dat de Raad “krachtens de marginale toetsing” de boete niet kan verlagen op grond van verzachtende omstandigheden, belet niet dat hij, indien hij vaststelt dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan vernietigen, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn. 5.
  20. De strafrechtelijke aard van de betrokken administratieve geldboete in de zin van artikel 6 EVRM wordt voorts door de Raad van State geenszins over het hoofd gezien. Daartoe al meermaals uitgenodigd, heeft de Raad reeds talrijke malen de met toepassing van het decreet bijzonder wegtransport opgelegde administratieve geldboetes aan de in het voormelde artikel vervatte waarborgen getoetst. De enkele vaststelling dat de gevolgde bestuurlijke procedure niet identiek is aan diegene die is vervat in het Gerechtelijk Wetboek of het Wetboek van Strafvordering of nog te onderscheiden valt van diegene die in het Waalse Gewest geldt, maakt op zich nog niet dat aan de rechtzoekende de in het voormelde artikel 6 EVRM vervatte waarborgen zouden worden ontnomen of dat de “andere behandeling” “naargelang de beslissing van het parket om het dossier al dan niet te seponeren”, een “onaanvaardbare discriminatie” met zich zou meebrengen, zoals de verzoekende partij steeds opnieuw doet gelden in haar laatste memorie. Met de auditeur kan worden verwezen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dat het voorgaande in het in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de voorheen geldende Titel IV „Schade aan het wegdek door gewichtsoverhschrijding‟ van het decreet van 19 december 1998 „houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999‟, uitdrukkelijk heeft bevestigd (GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11.). De verzoekende partij blijft in gebreke minstens minimaal aannemelijk te maken dat er een ongelijke behandeling zou bestaan. Zij slaagt er ook niet in zulks aan te tonen op het vlak van de proportionaliteit van de in het decreet bijzonder wegtransport voorziene sancties. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan welk belang zij heeft bij haar herhaalde kritiek op “het feit dat er verschillende sancties worden uitgesproken”, naargelang de zaak XII-8616-4/44 voor de strafrechter komt dan wel de bestuurlijke procedure wordt gevolgd. Voor de strafrechter, zoals de auditeur reeds vaststelde in zijn verslag, kunnen de sancties trouwens veel hoger oplopen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om hieromtrent de door de verzoekende partij gesuggereerde vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, die berusten op dergelijke onterechte en reeds herhaalde malen verworpen veronderstellingen. Die vragen zijn louter dilatoir. Er kan niet worden aangeno- men dat artikel 26, § 2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 „op het Grondwettelijk Hof‟ aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof, die enkel de rol van dat Hof en de Raad nodeloos zou belasten. 5.
  21. Evenzeer, ontbeert de herhaalde argumentatie van de verzoekende partij dat de duur van de rechtspleging “voor een [dergelijke] eenvoudige overtreding” een overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft, alle grond. In een straf- of tuchtprocedure neemt de periode voor de berekening van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM een aanvang op het ogenblik dat de betrokkene op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk strafbare feiten ten laste worden gelegd en eindigt deze met het nemen en ter kennis brengen van de straf, de dezen de administratieve geldboete, en bij een beroep daartegen, door de betekening van de bestreden eindbeslissing. Herhaald wordt en overigens niet betwist door de verzoekende partij, dat de termijnen van het decreet bijzonder wegtransport voor het opleggen van de administratieve geldboete en de behandeling van het bestuurlijk beroep daartegen, kort zijn en te dezen werden nageleefd. Voorts dient te worden vastgesteld dat de termijn waarbinnen door de Raad van State uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring de wettigheid van de bestreden beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete niet kan aantasten, en derhalve geen grond kan zijn tot nietigverklaring van deze beslissing. XII-8616-5/44 Ten overvloede dient te worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld op 17 september 2018 zodat, rekening houdende met het door het algemeen procedurereglement opgelegde procedureverloop, de grief van de verzoekende partij dat de redelijke termijn om uitspraak te doen overschreden zou zijn, van iedere ernst ontbloot is. 5.
  22. Wat de beweerde noodzakelijke bijstand van een advocaat betreft op het ogenblik van de vaststelling, wordt de verzoekende partij nogmaals herinnerd aan de vaste rechtspraak van de Raad van State terzake en de uitspraak van het EHRM van 19 december 2017 in een zaak dan nog wel ingeleid door hun eigen raadsman, waarbij het EHRM de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigde, erin bestaande dat de voormelde bijstand niet is vereist bij het vaststellen van de kwestieuze overladingsinbreuk, hetgeen gebeurt bij een eenvoudige wegcontrole. (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Ivan Wertz). 5.
  23. Nogmaals dient te worden benadrukt dat de voorliggende inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport een relatief eenvoudige inbreuk is waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat – via het gebruik van een asweger – en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen. De vrachtwagenbestuurder wordt daarbij niet onderworpen aan een verhoor in strafrechtelijke zin of in de zin van de Salduz-rechtspraak van het EHRM. De verbalisanten noteerden enkel een aantal identiteitsinlichtingen, of “verklaringen” aangaande de identiteit van de vrachtwagenbestuurder en de onderneming waarvoor hij werkte, die werden opgenomen in het proces-verbaal. Het zijn niet die beperkte gevraagde inlichtingen maar de materiële vaststellingen van de overlading die de grondslag vormen van de beslissing tot het opleggen van een boete. Deze vaststellingen gebeuren op objectieve wijze met een weging van het voertuig op een asweger. De bestreden beslissing steunt aldus niet op de verklaringen van de vrachtwagenbestuurder. De verzoekende partij wordt er voorts aan herinnerd dat er “verklaringen” van verschillende aard zijn. Verklaringen ingewonnen in het kader van een politiecontrole ter vaststelling van eenvoudige verkeersinbreuken en van beperkte aard, zoals te dezen over de identiteit van de XII-8616-6/44 betrokken vrachtwagenbestuurder en zijn werkgever, zijn niet te beschouwen als een verhoor, wat de bestreden beslissing terecht vaststelt en wat bevestiging vindt in het arrest van Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  24. B.5.5). Die “verklaringen” hebben hun neerslag gevonden in het proces-verbaal, waarvan kennis werd gegeven aan de verzoekende partij. De verzoekende partij brengt geen tegenbewijs aan en is in de bestuurlijke procedure en in de procedure voor de Raad van State steeds in die hoedanigheid opgetreden. De begeleidende brief van 14 augustus 2017 bij het aanvankelijke proces-verbaal verwijst enkel naar “verklaringen” in die beperkte zin. In het dossier zijn er geen andere verklaringen en die kunnen dan ook niet worden overgemaakt. 5.
  25. Wat de kritiek betreft die de verzoekende partij in de laatste memorie nog aanvoert “met betrekking tot de manier waarop de wegingshandelingen werden uitgevoerd” dient te worden vastgesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen zij voorhoudt, het laadvermogen van de weegschaal niet werd overschreden tijdens de wegingshandelingen. Het maximale gewicht van twintig ton waarnaar wordt verwezen in het verslag van metrologische controle, kan immers niet anders dan betrekking hebben op een maximum gewicht per wielas en niet op het totale gewicht van het voertuig. Hetzelfde euvel treft de kritiek in de laatste memorie, dat de controle van de asweger niet wordt uitgevoerd door een onafhankelijk orgaan. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde is de omstandigheid dat de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort waartoe ook de wegeninspecteur-controleurs, die de beslissing in eerste aanleg hebben genomen, en de administrateur-generaal die de beslissing in laatste aanleg heeft genomen, behoren en dat het agentschap onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het betrokken bestuur en dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. De verzoekende partij voert geen objectieve redenen aan om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook XII-8616-7/44 geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces- verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt noch om te betwisten dat de weegbon betrekking zou hebben op het betrokken voertuig, waarvan de gegevens worden vermeld in bijlage 2 van het proces-verbaal.
  26. De Raad van State valt dan ook de in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van de elf door de verzoekende partij aangevoerde middelen bij, en verwerpt deze middelen op grond van de in dat verslag vermelde motieven en van wat hiervoor nog werd opgemerkt. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8616-8/44 Brussel, 28 februari 2019 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK AUDITORAAT ROLNR.: A. 226.181/XII-8616 CODE: V-12-APR VERSLAG over een beroep tot nietigverklaring In zake: de BVBA BD TRUCKING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Franken kantoor houdend te 4000 Luik Boulevard de la Sauvenière 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST dat woonplaats kiest te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 t.a.v. Veerle Vanempten I. VOORWERP VAN HET BEROEP
  29. Het beroep, ingesteld op 17 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Gewest van 24 juli 2018 om aan de bvba BD Trucking een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig. II. RECHTSPLEGING
  30. Het door de verzoekende partij verschuldigde rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand werden betaald. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Dit gebeurde telkens binnen de voorgeschreven termijnen en op regelmatige wijze. III. FEITEN 3.
  31. Op 10 augustus 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door David Deprez, vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Ranst. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.420 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet XII-8616-9/44 van 3 mei 2013 ‗betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van 1 bijzonder wegtransport‘ (hierna: ‗het decreet bijzonder wegtransport‘). 3.
  32. Op 31 augustus 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Antwerpen met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen 2 welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 16 november 2017 beslist het 3 Openbaar Ministerie om geen vervolging in te stellen. 3.
  33. Op 12 december 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan 4 de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
  34. Op 15 december 2017 tekent de verzoekende partij bezwaar aan 5 tegen die beslissing. 6 Op 8 februari 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 5 maart 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de 7 verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
  35. Op 30 maart 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing 8 beroep in bij de Vlaamse Regering. 9 Op 24 mei 2018 heeft een hoorzitting in beroep plaats. Op 24 juli 2018 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een 10 aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. IV. ONTVANKELIJKHEID
  36. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep niet. Ambtshalve dienen er evenmin opmerkingen te worden gemaakt. 1 Administratief dossier, stuk nr.
  37. 2 Administratief dossier, stuk nr.
  38. 3 Administratief dossier, stuk nr.
  39. 4 Administratief dossier, stuk nr.
  40. 5 Administratief dossier, stuk nr.
  41. 6 Administratief dossier, stuk nr. 7-
  42. 7 Administratief dossier, stuk nr.
  43. 8 Administratief dossier, stuk nr.
  44. 9 Administratief dossier, stuk nr. 14-
  45. 10 Administratief dossier, stuk nr.
  46. XII-8616-10/44 V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN
  47. De verzoekende partij voert elf middelen tot nietigverklaring aan tegen de bestreden beslissing. V.
  48. EERSTE MIDDEL V.1.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.1.1.
  49. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het eerste middel in essentie aan dat de bestreden beslissing onwettig is omdat zij werd ondertekend door een andere ambtenaar dan degene voor wie de zaak bepleit werd. Zij verwijst daarbij naar artikel 779 Ger.W. 5.1.1.
  50. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.1.1.
  51. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar artikel 19, § 4, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij benadrukt dat de ambtenaar die de partijen heeft gehoord niet degene is die de beslissing heeft uitgesproken. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals het thans wordt toegepast en uitgelegd, niet artikel en 10 en 11 van de Grondwet daar enkel de beklaagden waarvan de zaak niet geseponeerd werd door het Parket gebruik kunnen maken van de procedurele waarborgen waarin voorzien wordt in artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de beklaagden waarvan de zaak geseponeerd werd en tegen hun zin betrokken zijn in een administratieve procedure geen gebruik kunnen maken van deze waarborgen en veroordeeld kunnen worden door een ambtenaar die niet alle debatten heeft bijgewoond en waarvan niets aantoont dat hij kennis heeft kunnen nemen van de stukken en de conclusies die werden ingediend door de overtreder?‖ V.1.B. BEOORDELING 5.1.2.
  52. Artikel 779 Ger.W. luidt als volgt: ―Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.‖ Artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek luidt: ―Dit wetboek regelt de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging.‖ XII-8616-11/44 Er blijkt niet dat het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest behoort tot de hoven en rechtbanken waarop dat wetboek van toepassing is. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.1.2.
  53. Artikel 19, § 4, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport luidt: ―De Vlaamse Regering kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de overtreder en de onderneming op de hoogte brengen van de eventuele onontvankelijkheid van het beroep, die de overtreder, de onderneming of de raadsman zullen horen en het beroep zullen uitspreken. Deze ambtenaren mogen niet betrokken geweest zijn bij eerdere stappen van de procedure.‖ Er blijkt niet dat deze bepaling zou opleggen dat de ambtenaar die de overtreder hoort ook dezelfde persoon dient te zijn die de uiteindelijke beslissing neemt. Voort het overige kan er worden verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State inzake de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarin de Raad van State van oordeel is dat het horen niet dient te worden uitgevoerd door de beslissende overheid zelf. Het volstaat dat die overheid weet 11 welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen heeft de verzoekende partij een schriftelijke conclusie ingediend en werd er een schriftelijk en uitvoerig verslag opgesteld van de hoorzitting in beroep waarop zij haar standpunten nog verder mondeling heeft 12 toegelicht. 5.1.2.
  54. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onterechte veronderstelling dat in een administratieve beroepsprocedure identiek dezelfde waarborgen zouden moeten gelden als in een jurisdictionele procedure voor een rechter. Zoals hierna zal blijken faalt dat uitgangspunt. Er is dan ook geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. 5.1.2.
  55. Het middel dient te worden verworpen. V.
  56. TWEEDE MIDDEL V.2.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.2.1.
  57. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het tweede middel de verjaring van de strafvordering aan. Zij wijst erop dat de inbreuk die de verzoekende partij wordt verweten een overtreding van artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement betreft. Artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 bepaalt dat de verjaringstermijn voor een verkeersovertreding 11 Zie bv. RvS 5 juli 2016, nr. 235.360, Thienpont. 12 Administratief dossier, stuk nr.
  58. XII-8616-12/44 hoogstens een jaar bedraagt. De feiten zijn gebeurd op 10 augustus
  59. Ze zijn dus ondertussen verjaard. De verzoekende partij dient te worden ontheven van de geldboete. Vervolgens doet zij gelden: ―Overwegende dat uw Hoog Rechtscollege weliswaar gesteld heeft dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 in casu niet van toepassing was et dat er daarentegen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 14 §2 van het decreet dat voorziet in een correctionele straf, zodanig dat de verjaringstermijn vijf jaar zou bedragen; Overwegende dat er vastgesteld dient te worden dat de verjaringstermijn dus verschilt al naargelang het parket beslist om het strafdossier al dan niet te seponeren; Dat indien dit dossier niet geseponeerd zou worden en voorgelegd aan een gewoon rechtscollege de verjaringstermijn een jaar zou bedragen terwijl indien het Parket beslist om over te gaan tot een seponering, hetgeen in casu het geval is, de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt; Dat het derhalve overduidelijk is dat niet alle Belgen gelijk zijn voor de wet wanneer het gaat om de verjaring van een zelfde overtreding‖. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt en zoals momenteel toegepast en uitgelegd niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien dat enkel de beklaagden waarvan het dossier niet geseponeerd werd door het Parket een verjaringstermijn van een jaar krijgen, terwijl dat de beklaagden waarvan het dossier geseponeerd werd een verjaringstermijn van vijf jaar krijgen?‖ 5.2.1.
  60. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de verjaringstermijn wel degelijk vijf jaar is en niet werd overschreden. 5.2.1.
  61. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van haar prejudiciële vraag. V.2.B. BEOORDELING 5.2.2.
  62. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―In verscheidene arresten, onder meer in de arresten nr. 239.904 van 17 november 2017 inzake de sa Jost en nr. 241.358 van 2 mei 2018 inzake de sa Jost & Cie, werd een bijna woordelijk identiek middel door de Raad van State reeds beoordeeld en verworpen. De Raad van State herhaalt dat deze zaken een inbreuk betreffen op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport en dat artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 ‗betreffende de politie over het wegverkeer‘ te dezen aldus niet van toepassing is. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt de straffen voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet. Het gaat om correctionele straffen. Bijgevolg dient de inbreuk op deze bepaling als een wanbedrijf te worden beschouwd. XII-8616-13/44 Derhalve gelden in beginsel de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Overeenkomstig artikel 21, eerste lid, 4°, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering is de verjaringstermijn van een wanbedrijf in beginsel vijf jaar. Er blijkt niet dat deze termijn te dezen miskend zou zijn geworden bij het opleggen van de bestreden administratieve geldboete. In die mate is het middel niet gegrond. Voorts brengt de toepasselijke verjaringstermijn geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich mee. Of de inbreuk nu door een strafrechter of door de verwerende partij wordt afgehandeld, de verjaringstermijn is in beide gevallen 13 immers vijf jaar.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.2.2.
  63. Daarnaast dient er te worden opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte het middel steunt op het uitgangspunt dat er met de bestreden beslissing een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement wordt gesanctioneerd. Immers is er reeds in het aanvankelijk proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgesteld enkel sprake van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport. In geen enkel ander stuk van het administratief dossier, noch in enige beslissing in de administratieve besluitvormingsprocedure, is er sprake van het sanctioneren van een inbreuk op artikel 45, 3°, van het Verkeersreglement. In die mate blijkt het middel dus feitelijke en juridische grond te missen. 5.2.2.
  64. Wat betreft de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, kan er worden opgemerkt dat deze vraag eveneens op een onjuist juridisch uitgangspunt blijkt te berusten. Het verschil in behandeling dat de verzoekende partij veronderstelt blijkt immers niet voorhanden. De verjaringstermijn voor een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport is immers hoe dan ook vijf jaar, of de inbreuk nu wordt afgehandeld door het openbaar ministerie voor de strafrechter of door de verwerende partij. Er is dan ook geen reden om deze vraag te stellen. 5.2.2.
  65. Het middel dient te worden verworpen. V.
  66. DERDE MIDDEL V.3.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.3.1.
  67. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het derde middel aan dat de redelijke termijn werd overschreden. 13 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. In dezelfde zin: RvS 2 mei 2018, nr. 241.358, SA Jost & Cie. XII-8616-14/44 De overtreding werd op 10 augustus 2017 vastgesteld en de bestreden beslissing genomen op 24 juli 2018, bijna een jaar na de feiten. Het gaat om een gewoon overladingsdossier, de verzoekende partij heeft geen enkel vertragingsmanoeuvre gebruikt, de redelijke termijn werd overschreden of zal dit zijn wanneer de Raad van State uitspraak doet. Volgens de verzoekende partij moet, om de redelijke termijn te bepalen, ―de hele duur van de rechtspleging‖ in aanmerking worden genomen, met inbegrip van het beroep bij de Raad van State, dat is vanaf de vaststelling van de overtreding tot op het ogenblik waarop de Raad het arrest uitspreekt. Vervolgens verwijst de verzoekende partij naar artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en stelt zij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en in die zin geïnterpreteerd dat hij niet de mogelijkheid biedt aan een overtreder die, ingevolge een beslissing van het Parket om geen vervolgingen in te stellen, het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om de overschrijding van de redelijke termijn in te roepen en derhalve voordeel te halen uit de gunstige gevolgen die eruit voortvloeien terwijl een overtreder jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding beslist heeft om vervolgingen in stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 21ter van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.3.1.
  68. In haar memorie van antwoord doet de verwerende partij gelden dat de redelijke termijn niet werd overschreden. 5.3.1.
  69. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat er rekening moet worden gehouden met ―de volledige duurtijd van de rechtspleging‖ en dringt zij aan op het stellen van haar prejudiciële vraag. V.3.B. BEOORDELING 5.3.2.
  70. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―5.8.
  71. Wat de redelijke termijn betreft voor het opleggen van de administratieve boete in de bestuurlijke procedure, moet worden opgemerkt dat het decreet bijzonder wegtransport vervaltermijnen oplegt en dat ze in de huidige zaak blijken te zijn gerespecteerd. Er is, zeker nu de decretale regeling korte vervaltermijnen instelt die het bestuur niet toelaat te dralen, geen reden om te onderzoeken of de wegeninspecteur-controleur en de minister binnen die termijnen waarover zij beschikten en die zij naleefden, voldoende diligent hebben gehandeld en de redelijke termijn hebben overschreden. De verzoekende partijen betogen overigens ook niet dat reeds in de bestuurlijke procedure de redelijke termijn zou zijn overschreden. XII-8616-15/44 5.8.
  72. Tegen de eindbeslissing in de bestuurlijke procedure, die dateert van 20 maart 2017 werd door de verzoekende partijen een annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld op 18 mei 2017, met twaalf middelen, waaronder er een aantal verschillende onderdelen bevatten. Voor zover het middel niet de overschrijding van de redelijke termijn door de bestreden beslissing betreft, en enkel de voormelde procedure voor de Raad van State, is het niet ontvankelijk, alleen al omdat het aldus geen onwettigheid betreft die tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. De Raad van State bezit ten slotte hoe dan ook geen rechtsmacht om artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering toe te 14 passen.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Ook in de thans voorliggende zaak werd de redelijke termijn kennelijk niet overschreden bij het nemen van de bestreden beslissing. 5.3.2.
  73. De door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vraag blijkt feitelijke grondslag te missen, nu, zoals reeds vastgesteld, bij het nemen van de bestreden beslissing de redelijke termijn niet werd overschreden. Ook blijkt de prejudiciële vraag juridische grondslag te missen, nu het de verzoekende partij wel degelijk mogelijk is om de overschrijding van de redelijke termijn aan te voeren voor de Raad van State en de Raad, indien hij een overschrijding van de redelijke termijn zou vaststellen, tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete mag overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan een eenvoudige schuldigverklaring in de zin van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. 5.3.2.
  74. Het middel dient te worden verworpen. V.
  75. VIERDE MIDDEL V.4.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.4.1.
  76. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vierde middel de schending aan van ―artikel 6.3.A van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden — schending van de rechten van de verdediging‖. Zij brengt dit middel aan in twee middelonderdelen. 5.4.1.1.
  77. In een eerste onderdeel wijst zij erop dat zij niet in een taal die zij begrijpt op de hoogte werd gesteld van de feiten die haar ten laste werden gelegd. De vaststelling van de overtreding werd enkel in het Nederlands opgesteld. Bovendien was 14 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8616-16/44 ook de brief waarbij een administratieve geldboete werd opgelegd en waarin de rechtsmiddelen tegen die beslissing werden vermeld enkel in het Nederlands opgesteld. Voorts wijst de verzoekende partij erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in een arrest van 14 oktober 2014 heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM voorziet in het recht op gratis bijstand van een tolk, niet enkel voor mondelinge verklaringen ter zitting maar ook voor de geschreven stukken van het voorbereidend onderzoek. De verzoekende partij had bijstand van een tolk moeten krijgen en het strafdossier had moeten worden vertaald. Geen van beide is te dezen het geval geweest. Dat de verzoekende partij werd bijgestaan door een advocaat is volgens de verzoekende partij irrelevant. De beklaagde heeft volgens artikel 320, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering immers in ieder geval het recht om gehoord te worden in verband met zijn rechtsmiddelen en uitleg. Dat er beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State verandert volgens de verzoekende partij niets aan het probleem, de bestreden beslissing is onregelmatig gelet op het ontbreken van een tolk en bovendien worden de zaken die betrekking hebben op het Vlaams Gewest stelselmatig behandeld door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State alwaar het probleem opnieuw aan de orde is volgens de verzoekende partij. De verzoekende partij verwijst naar artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Daarnaast wijst zij op de Europese richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling en rechtspraak van het Hof van Justitie op grond van die richtlijn. De weigering om de belangrijkste stukken van de rechtspleging te vertalen is een duidelijke schending van de rechten van de verdediging. Een tegenovergestelde redenering zou neerkomen op een schending van het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet aangezien de procedurele waarborgen niet dezelfde zouden zijn al naargelang de overtreder voor een bestuursrechtscollege of voor een rechterlijke instantie zou worden gebracht. Zij wijst erop dat zij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest. Vervolgens stelt zij voor om volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in die zin geïnterpreteerd dat het niet de mogelijkheid biedt aan de rechtsonderhorige die het Parket heeft beslist om niet te vervolgen en die derhalve het voorwerp uitmaakt van administratieve vervolgingen (waarvan het strafrechtelijk karakter erkend werd) om te worden bijgestaan door een tolk tijdens de zitting, om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier en om te vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar een rechtscollege van een andere taalrol, terwijl de rechtsonderhorige jegens wie het Parket voor een zelfde overtreding besloten heeft om vervolgingen in te stellen voor de strafgerechten, het recht heeft om de toepassing van artikel 22 van de wet van XII-8616-17/44 15 juni 1935 in te roepen, artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het E.V.R.M.?‖ 5.4.1.1.
  78. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de huidige vervolging wordt gevoerd op grond van het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. De procedure is niet regelmatig verlopen omdat de vrachtwagenbestuurder niet de mogelijkheid had om zich bij het eerste verhoor door een advocaat te laten bijstaan. Zij verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz/Turkije, naar de wijziging van het Wetboek van Strafvordering door de wet van 13 augustus 2011 en naar het arrest nr. 7/2013 van 14 februari 2013 van het Grondwettelijk Hof, dat oordeelde dat ook bij verkeersovertredingen deze mogelijkheid moet worden geboden voordat de verbalisanten een eerste verhoor afnemen. De verzoekende partij wijst op de grote financiële gevolgen voor de overtreders van een overladingsovertreding. De verzoekende partij wijst erop dat uit de begeleidende brief van 14 augustus 2017 bij het proces-verbaal van 10 augustus 2017 blijkt dat de verbalisanten de vrachtwagenbestuurder wel degelijk hebben verhoord. Dit verhoor moet bij het dossier worden gevoegd. Indien dit verhoor niet zou bestaan dient er vastgesteld te worden dat de brief van 14 augustus 2017 het voorwerp uitmaakt van valsheid in openbare geschriften. De verzoekende partij heeft dan het recht om klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter tegen de opsteller van deze brief. 5.4.1.
  79. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.4.1.3.
  80. In haar memorie van wederantwoord wil de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld zien: ―Is artikel 3 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 20 oktober 2010, betreffende het recht op vertolking en vertaling in het raam van strafprocedures die in die zin uitgelegd dient te worden dat een rechtshandeling het nationale recht kan worden uitgevaardigd om kleinere strafrechtelijke inbreuken te bestraffen en die door een rechter na afloop van een vereenvoudigde eenzijdige procedure wordt gegeven, eveneens van toepassing op administratieve beslissingen die gewezen werden op het vlak van verkeersovertredingen die geregionaliseerd werden door de wetgever en voor zover de bevoegdheid van het Gewest enkel voortvloeit uit een loutere beslissing tot seponering in hoofde van het Parket van de Procureur des Konings?‖ 5.4.1.3.
  81. Wat het tweede middelonderdeel betreft benadrukt de verzoekende partij haar stelling inzake de valsheid van de brief van 14 augustus 2017 en dat de vrachtwagenbestuurder volgens haar wel degelijk werd verhoord. XII-8616-18/44 V.4.B. BEOORDELING 5.4.2.1.
  82. Wat het eerste middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek eerste middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet betwist wordt dat de administratieve geldboetes die wegens inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport door de verwerende partij kunnen worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van het voormelde artikel, zodat de rechtzoekende aan wie ze worden opgelegd aanspraak moet kunnen maken op de waarborg vervat in deze verdragsbepaling. Artikel 6, lid 3, a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘ (hierna: de taalwet in gerechtszaken), worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de Gewone Wet van 9 augustus 1980 ‗tot hervorming der instellingen‘ (hierna: GWHI), de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur-controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, lid 3, a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de administratieve overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een primordiale rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Dit geldt eveneens voor de vraag of een rechtspleging zonder bijstand van een tolk, de uitoefening van de rechten van verdediging van de overtreder heeft miskend. Anders dan de verzoekende partij te dezen veronderstelt, gaat artikel 6, lid 3, e), EVRM blijkens de rechtspraak van het Europees hof voor de Rechten van de Mens niet zo ver dat deze bepaling een vertaling vereist van elk schriftelijk bewijsstuk of van elk officieel stuk van het dossier. In dit opzicht heeft het Hof er op gewezen dat de betrokken bepaling verwijst naar de bijstand van een tolk en niet van een vertaler (EHRM 4 november 2010, nr. 22575/08, Katritsch t. Frankrijk, nr. 41 en 43; EHRM 6 juli 2009, nr. 16084/90, Protopapa t. Turkije nr. 80 en E.H.R.M. 18 oktober 2006, nr. 18114/02, Hermi t. Italië, nr. 70) en dat de uitoefening van het voormelde recht op vertolking veronderstelt dat de betrokkene aanwezig is op de zitting (EHRM 14 februari 2017, nr. 30749/12, Hokkeling t. Nederland). [...] Te dezen dient te worden vastgesteld dat de betrokken inbreuk een relatief eenvoudige inbreuk betreft waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat –dat wordt vergaard met gebruik van een asweger– en waaraan eenvoudige feiten –de overlading– ten grondslag liggen. De inbreuk geeft evenmin aanleiding tot een omvangrijk of ingewikkeld dossier. Het feit dat de verzoekende partij in de voorliggende zaak vele middelen aanvoert doet niet anders oordelen. De verzoekende partij maakt noch in het verzoekschrift, noch in de toelichtende memorie en de laatste memorie geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die, het weze herhaald, te dezen van zeer eenvoudige XII-8616-19/44 aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. Schriftelijke conclusies werden in het Frans neergelegd en er blijkt niet dat haar vertegenwoordiger of haar advocaat deze niet heeft mogen toelichten in het Frans. Aldus blijkt niet dat of hoe de verzoekende partij zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een tolk op de hoorzitting. De verwijzing naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 oktober 2014 leidt niet tot een ander besluit. Dat arrest betreft hier geen vergelijkbare eenvoudige verkeersinbreuk, maar [...] een ongeletterd persoon die in Turkije werd vervolgd omwille van terroristische activiteiten. De Raad van State ziet niet in hoe de bevindingen inzake de toepassing van artikel 6 EVRM in een dergelijke context ook op huidig geval van toepassing zouden 15 zijn.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Uit wat ondertussen als vaststaande rechtspraak van de Raad van State mag worden beschouwd, overigens bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 19 december 2017, 37216/17, Transports Iwan Wertz), volgt dat de bijstand van een advocaat bij het vaststellen van een overladingsinbreuk -een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken- in beginsel niet vereist is. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zulks te dezen wel het geval had moeten zijn. 5.4.2.1.
  83. Het gaat te dezen immers evenzeer om een relatief eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal bestaat. De verzoekende partij maakt in de huidige zaak evenmin geloofwaardig dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die ook te dezen van zeer eenvoudige aard zijn –de strafbare gedraging bestaat uit het besturen van een overladen voertuig– niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt ook te dezen uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft kunnen nemen tijdens de bestuurlijke procedure en in de taal van haar keuze haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft haar advocaat haar standpunt kunnen doen gelden in de taal van haar keuze en uit de bestreden beslissing blijkt dat de aanwezige ambtenaar dat relaas goed heeft begrepen. 15 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8616-20/44 Aldus is te dezen evenmin aangetoond dat de verzoekende partij in concreto zou zijn benadeeld door de afwezigheid van een vertaling van het volledige dossier en een tolk op de hoorzitting. 5.4.2.1.
  84. Waar de verzoekende partij in het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift nog diverse rechtsnormen inroept, kan het volgende worden opgemerkt. Artikel 320 van het Wetboek van Strafvordering betreft de specifieke rechtspleging voor het Hof van Assisen. Er blijkt niet dat de verzoekende partij te dezen door dat Hof berecht is geworden. Artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 ‗op het gebruik der talen in gerechtszaken‘, is reeds op het eerste gezicht niet van toepassing op de bestuurlijke procedure gevoerd voor de verwerende partij op grond van het decreet bijzonder wegtransport. Deze bepaling betreft immer het gebruik der talen bij het vooronderzoek en het onderzoek in strafzaken, alsmede voor de strafgerechten in eerste aanleg en voor het Hof van Assisen. De verwijzing naar de richtlijn 2010/64/EU is evenmin dienstig. De verzoekende partij laat immers geheel na om een specifieke bepaling uit die richtlijn aan te voeren. Nog minder zet zij uiteen waarom er volgens haar te dezen zou zijn voldaan aan de voorwaarden opdat de bepalingen van een richtlijn directe werking zouden hebben. Bovendien blijkt deze richtlijn enkel betrekking te hebben op het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en aldus te dezen niet van toepassing te zijn, nu het om een bestuurlijke procedure gaat. Dat een administratieve sanctieprocedure met andere waarborgen is omkleed dan een strafrechtelijke procedure maakt, anders dan de verzoekende partij uitentreuren doet gelden doorheen het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, op zich geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Dat werd door het Grondwettelijk Hof overigens uitdrukkelijk bevestigd in het kader van een beroep tot 16 nietigverklaring van het oude Aslastendecreet van 19 december
  85. Voorts kan er worden opgemerkt dat een persoon wiens inbreuk wordt afgehandeld door een bestuur zich in de bestuurlijke procedure in een fundamenteel andere positie bevindt dan een persoon wiens inbreuk door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor de strafrechter. Beide situaties zijn reeds op het eerste gezicht niet zonder meer met elkaar in vergelijking te brengen. Voorts kan er in dit verband op worden gewezen dat de Raad van State al in talrijke arresten heeft geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van 16 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.
  86. XII-8616-21/44 artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met ‗volle rechtsmacht‘, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat (zie recent bv. EHRM 6 november 2018, 55391/13, 57728/13 en 17 74041/13, Ramos Nunes De Carvalho ). Zoals de Raad van State steeds opnieuw dient te onderlijnen voldoet hij als rechtscollege aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM, zoals bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2 en Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Dat een inbreuk op de overladingsreglementering van het Vlaams Gewest door een Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt behandeld, zoals de verzoekende partij opwerpt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 5.4.2.1.
  87. Dat de verzoekende partij niet op voet van gelijkheid staat tegenover het Vlaams Gewest, zoals zij opwerpt, lijkt inherent aan de verhouding tussen burger en bestuur. Het is net die fundamentele ongelijkheid die de wetgever ertoe heeft gebracht te voorzien in rechtsbescherming ten aanzien van het bestuur door een bijzondere bestuursrechter, te dezen de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het louter in herinnering brengen van het machtsverschil tussen burger en bestuur kan in elk geval niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.4.2.1.
  88. Er werd reeds opgemerkt dat de verzoekende partij ten onrechte veronderstelt dat een persoon wiens inbreuk door het bestuur wordt afgehandeld in een bestuurlijke procedure identiek dezelfde waarborgen zou moeten genieten als degenen 18 die gelden in een strafrechtelijke procedure voor de strafrechter. De door haar voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof berust in haar geheel op deze onterechte veronderstelling. Er is dan ook geen grond tot het stellen van die vraag. Wat betreft de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient er te worden vastgesteld

(1)dat richtlijn 2010/64/EU enkel betrekking heeft op procedures voor de strafrechter en
(2)dat deze richtlijn zelf reeds het antwoord op de voorgestelde vraag blijkt te bevatten. In artikel 1, lid 3, wordt immers verduidelijkt dat, ―[a]ls de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie wordt opgelegd door een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij deze 17 In dit arrest bevestigde het EHRM ondubbelzinnig zijn gevestigde rechtspraak als volgt in § 132: ―[T]he Court reiterates its settled case-law according to which, even where an administrative body determining disputes over ‗civil rights and obligations‘ does not comply with Article 6 § 1 in some respect, no violation of the Convention can be found if the proceedings before that body are ‗subject to subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction and does provide the guarantees of Article 6 § 1‘ […] that is, if any structural or procedural shortcomings identified in the proceedings before an administrative authority are remedied in the course of the subsequent control by a judicial body that has full jurisdiction‖. 18 GwH 6 december 2000, nr. 127/2000, B.11. XII-8616-22/44 rechtbank kan worden ingesteld, […] deze richtlijn alleen van toepassing [is] op de procedure voor deze rechtbank‖. Aldus blijkt de richtlijn zelf reeds uitdrukkelijk te bepalen dat zij niet van toepassing is op een administratieve procedure die een gerechtelijke procedure voorafgaat. De consideransen van de richtlijn vermelden zelfs expliciet: ―
(16)In sommige lidstaten is een andere autoriteit dan een in strafzaken bevoegde rechtbank bevoegd tot het opleggen van sancties met betrekking tot relatief lichte strafbare feiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van een verkeerscontrole. In dergelijke situaties zou het onredelijk zijn de bevoegde autoriteit te verplichten alle rechten te waarborgen waarin deze richtlijn voorziet. Als de wet van een lidstaat erin voorziet dat voor lichte strafbare feiten een sanctie worden opgelegd door een dergelijke autoriteit, en tegen het opleggen van deze sanctie beroep bij een in strafzaken bevoegde rechtbank kan worden ingesteld, moet deze richtlijn derhalve alleen van toepassing zijn op de procedure die bij deze rechtbank wordt gevoerd naar aanleiding van dit beroep.‖ Net zoals het geval is bij artikel 6 EVRM blijken de waarborgen waarin de richtlijn 2010/64/EU dus enkel van toepassing op de procedure voor de rechter en niet reeds in de administratieve procedure. Dit vloeit zonder meer uit de richtlijn zelf voort. Er is dus geen grond om het Hof van Justitie van de Europese Unie op dit punt te bevragen. 5.4.2.1.
  1. Het eerste middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.2.
  2. Wat het tweede middelonderdeel betreft dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de Raad van State een omzeggens identiek tweede middelonderdeel in het recente verleden als volgt heeft verworpen: ―Niet elke ondervraging van een persoon, waarbij inlichtingen en bewijselementen worden verzameld die op het bestaan van een misdrijf zouden kunnen wijzen, mag worden beschouwd als een ‗verhoor‘. In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 februari 2013 waar de verzoekende partij herhaaldelijk naar verwijst, wordt aldus juist gesteld dat in de voorbereidende werken van de wet van 13 augustus 2011 ‗tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis‘, die ertoe strekt aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan, een aantal situaties worden vermeld die niet overeenstemmen met de definitie van het verhoor, zoals het verzamelen van inlichtingen op de plaats van het delict tijdens de eerste fase van het onderzoek, de spontane mededelingen, de antwoorden op een schriftelijke vragenlijst waarin beperkte informatie wordt gevraagd of de verklaringen in het kader van een administratief onderzoek (GwH 14 februari 2013, nr. 7/
  3. B.5.5). De Raad van State verwijst voorts naar het arrest Zaichenko waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangaande een verhoor zonder bijstand van een advocaat tijdens een wegcontrole tot de niet-schending van artikel 6, lid 3, c), EVRM besloot. Volgens het Hof wezen de omstandigheden van de zaak niet op een noemenswaardige beperking van de vrijheid van handelen van de betrokken persoon van die aard dat de bijstand van een advocaat vanaf XII-8616-23/44 dat ogenblik vereist zou zijn. Het Hof wijst ook op de eerder beperkte rol van de verbalisanten en stelt vast dat het strafonderzoek pas werd geopend na de toezending van het verslag of het proces-verbaal van de verbalisanten aan de bevoegde overheid. Deze vaststellingen gaan ook op voor de voorliggende wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen door de asweger en waarna de vrachtwagen- bestuurder vervolgens mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig 19 mag verder zetten.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.4.2.2.
  4. Ook te dezen gaat het om een eenvoudige wegcontrole waarbij het voertuig wordt gewogen met een asweger en waarna de vrachtwagenbestuurder mag beschikken en zijn rit met zijn voertuig verder zetten. Er blijkt niet dat het daarbij inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten in het kader van een dergelijke eenvoudige controle, dat dan zijn neerslag vindt in het invullen van het proces- verbaal, dient te worden aangemerkt als een verhoor in de specifieke strafrechtelijke betekenis van dat begrip. Het standpunt van de verzoekende partij bijtreden zou inhouden dat elke identiteitscontrole door de politionele overheden voortaan enkel in het bijzijn van een advocaat zou mogen verlopen. Er blijkt niet dat zulk absurd gevolg het einddoel zou zijn van de Salduz-rechtspraak waar de verzoekende partij zich op beroept. Overigens berust het middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt waar er wordt aangevoerd dat ―de vervolgingen‖ zouden steunen op het eerste verhoor van de vrachtwagenbestuurder. Het materieel element van de inbreuk op de overladingsreglementering wordt immers objectief vastgesteld met een weging van het voertuig op een asweger en niet op grond van een verhoor. Waar de verzoekende partij verwijst naar de begeleidende brief van 14 augustus 2017 bij het proces-verbaal van 10 augustus 2017 kan het volgende worden opgemerkt. Uit het proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds 19 RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. In dezelfde zin: RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a. XII-8616-24/44 prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Minstens blijkt niet, zoals reeds opgemerkt, dat het vaststellen van de identiteit van een vrachtwagenbestuurder en die van diens werkgever reeds op zich de bijstand van een advocaat zou vereisen. 5.4.2.2.
  5. Het tweede middelonderdeel dient te worden verworpen. 5.4.2.
  6. Het middel dient in zijn geheel te worden verworpen. V.
  7. VIJFDE MIDDEL V.5.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.5.1.
  8. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het vijfde middel de ―niet-naleving van de verplichting om de volledige stukkenbundel te bezorgen‖ aan. Zij wijst erop dat het bewijs van seponering door het parket, het bewijs van goede werking van de asweger en het verhoor van de vrachtwagenbestuurder haar niet werden bezorgd ―alvorens de eerste zitting plaatsvond‖. Deze handelwijze van de verwerende partij heeft de verzoekende partij haar eerste graad van aanleg ontnomen aangezien zij op dat ogenblik niet heeft kunnen debatteren op basis van een volledig dossier. Stukken die laattijdig worden bezorgd dienen volgens de verzoekende partij uit het debat te worden geweerd. Het bewijs voor goede werking van de asweger en seponering door het parket is dus niet geleverd. De verzoekende partij herneemt voorts haar stelling dat het verhoor van de vrachtwagenbestuurder haar niet werd bezorgd, ook al werd daarnaar verwezen in de brief van 14 augustus
  9. Deze brief maakt dus het voorwerp uit van valsheid. 5.5.1.
  10. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.5.1.
  11. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de stukken haar niet tijdig werden bezorgd zodat zij zich niet behoorlijk heeft kunnen verdedigen. Zij heeft twee graden van aanleg verloren. De verzoekende partij wijst op de kosten die zij heeft moeten maken om zich te laten bijstaan door een advocaat in de administratieve procedure en in de procedure voor de Raad van State om een debat te kunnen voeren op basis van een volledig dossier. De niet-bezorgde stukken dienen uit het debat geweerd zodat de overtreding die de verzoekende partij wordt verweten niet als bewezen kan worden beschouwd. XII-8616-25/44 V.5.B. BEOORDELING 5.5.2.
  12. In dit middel voert de verzoekende partij in essentie een gebrek in het verloop van de administratieve sanctieprocedure aan. Zij doet gelden dat het bewijs van seponering door het parket, het bewijs van goede werking van de asweger en het verhoor van de vrachtwagenbestuurder haar niet werden bezorgd voor de hoorzitting in graad van bezwaar. Zij voert evenwel geen enkele bepaling aan van het decreet bijzonder wegtransport, noch van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘, die opleggen dat deze stukken dienen te worden gevoegd bij de kennisgeving van de initiële beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. 5.5.2.
  13. De beslissing van het Openbaar Ministerie om geen vervolging in te stellen en het attest van metrologische controle van de asweger werden aan de verzoekende partij bezorgd met de beslissing in graad van bezwaar, dat is met de eerstvolgende beslissing in de administratieve procedure nadat zij om het voorleggen van die stukken had verzocht. Aldus blijkt de verzoekende partij deze documenten aan kritiek te hebben kunnen onderwerpen zowel in graad van administratief beroep als thans in de procedure voor de Raad van State. In dit verband kan, voor zover als nodig, worden gewezen op de devolutieve werking van het administratief beroep. Het louter poneren dat de verzoekende partij een aanleg zou zijn ontnomen volstaat niet. Immers blijkt niet hoe de verzoekende partij te dezen in concreto zou zijn gehinderd in het nuttig voorbereiden van haar verweer of het opkomen voor haar standpunt in graad van bezwaar door het niet bij de initiële beslissing voegen van de betrokken stukken. In tegendeel blijkt de verzoekende partij reeds in graad van bezwaar een uitvoerige schriftelijke conclusie te hebben neergelegd en op de hoorzitting heeft haar raadsman uitvoerig haar standpunt kunnen doen gelden. 5.5.2.
  14. Wat betreft het verhoor van de vrachtwagenbestuurder en de begeleidende brief bij het aanvankelijk proces-verbaal kan worden verwezen naar wat reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het vorige middel. Uit het aanvankelijk proces-verbaal zelf blijkt niet dat de vrachtwagenbestuurder onderworpen zou zijn geweest aan een verhoor. In tegendeel werd op het formulier het veld ―verhoord - nee‖ aangeduid. De voornoemde XII-8616-26/44 begeleidende brief maakt evenmin melding van een verhoor. Enkel wordt daarin vermeld dat uit ―de verklaringen‖ van de vrachtwagenbestuurder blijkt dat hij voor rekening van de verzoekende partij reed op het ogenblik van de inbreuk. Deze brief blijkt aldus hoogstens te verwijzen naar het voornoemd inwinnen van beperkte identiteitsinlichtingen door de verbalisanten en het noteren daarvan in het aanvankelijk proces-verbaal, wat, zoals reeds opgemerkt, reeds prima facie niet onder de strafrechtelijke definitie van het begrip verhoor valt. Het aanvankelijk proces-verbaal blijkt overigens reeds ab initio aan de verzoekende partij te zijn bezorgd, zodat het middel op dit punt feitelijke grondslag mist. 5.5.2.
  15. Voorts werd, wat de huidige procedure voor de Raad van State betreft, onmiddellijk een op het eerste gezicht volledig administratief dossier neergelegd door de verwerende partij. De verzoekende partij blijkt de stukken van dat dossier aan uitvoerige tegenspraak te hebben kunnen onderwerpen in haar memorie van wederantwoord, die 11 middelen bevat en 32 bladzijden telt. Er is dan ook geen grond om stukken van het administratief dossier uit het debat te weren, zoals de verzoekende partij doet gelden. 5.5.2.
  16. De verwijzing naar de kosten verbonden aan de bijstand door een advocaat in de administratieve procedure en in de procedure voor de Raad van State is niet relevant om de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. 5.5.2.
  17. Het middel dient te worden verworpen. V.
  18. ZESDE MIDDEL V.6.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.6.1.
  19. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het zesde middel de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel. Zij acht dit beginsel geschonden doordat voor de overlading een administratieve geldboete van 1.400 euro wordt opgelegd, terwijl dergelijke inbreuken volgens de wet van 21 juni 1985 ‗betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen‘ met een geldboete tussen ―10 BEF en 10.000 BEF‖ worden bestraft. Zij verwijst naar twee vonnissen van de politierechtbank, waarbij voor een duidelijk zwaardere overlading telkens een lagere geldboete werd opgelegd. Bovendien heeft het Hof van Justitie in een arrest van 9 februari 2012 (C-210/10) geoordeeld dat sancties in verhouding moeten staan tot de feiten en effectief, ontradend en niet discriminerend moeten zijn. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing ten onrechte aangevoerd dat deze kritiek niet gericht is tegen de beslissing maar tegen het decreet. Zij verliest daarbij immers uit het oog dat zij de mogelijkheid heeft om geheel of gedeeltelijk uitstel toe te staan. De verzoekende partij heeft in haar conclusies in eerste aanleg en in beroep uitdrukkelijk gevraagd om uitstel te verlenen dan wel het bedrag van XII-8616-27/44 de boete te verlagen, maar de verwerende partij is daar ten onrechte niet op ingegaan. De verzoekende partij doet gelden dat het proportionaliteitsbeginsel ontegensprekelijk deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht die toegepast worden door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om na te gaan of het proportionaliteitsbeginsel geëerbiedigd is, moet er in de eerste plaats worden nagegaan of de middelen die aangewend werden om het doel te bereiken stroken met het belang van dit doel en in de tweede plaats of deze middelen noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken. De verzoekende partij stelt voor om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Dat de eiser uw Hoog Rechtscollege derhalve verzoekt om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of de sancties waarin voorzien wordt door het decreet van 3 mei 2013 waarop de tegenpartij haar vervolgingen stoelt, het proportionaliteitsbeginsel, gelezen in combinatie met artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schenden?‖ 5.6.1.
  20. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.6.1.
  21. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de verwerende partij in de praktijk nooit uitstel verleent. Vervolgens stelt zij voor om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ―Schenden de bepalingen die gebruikt worden door het Vlaams Gewest niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aangezien deze bepalingen niet de mogelijkheid bieden aan de rechters om de boete waarin ze voorzien te verminderen indien er verzachtende omstandigheden bestaan.‖ Daarnaast stelt de verzoekende partij in haar haar memorie van wederantwoord nog een tweede prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor: ―Schenden de sancties waarin voorzien wordt in het decreet van 3 mei 2013 en de manier waarop deze worden toegepast door de tegenpartij niet het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet in samenhang gelezen met artikelen 10 en 11 van de grondwet daar de rechtbanken van de rechterlijke macht waarbij een identiek probleem aanhangig wordt gemaakt, in het geval dat het Parket de vervolgingen niet seponeert, sancties uitspreekt die veel lager liggen dan de sancties die worden uitgesproken door de tegenpartij wanneer het Parket het dossier seponeert, hetgeen met zich meebrengt dat de rechtsonderhorigen anders behandeld en veroordeeld worden al naar gelang de beslissing die door het Parket genomen wordt.‖ XII-8616-28/44 V.6.B. BEOORDELING 5.6.2.
  22. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden reeds meermaals verworpen, zie o.m. RvS 23 oktober 2018, nr. 242.736, nv Jost & Cie e.a. en RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, Skiptrans e.a. Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Deze beoordeling zal hierna worden herhaald en toegepast op de huidige zaak. 5.6.2.
  23. Artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt dat het tarief van de administratieve geldboete gelijk is aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading, zoals bepaald in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. De overlading bedroeg te dezen op de tweede as van de trekker 1.420 kg. Artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport stelt de minimum geldboete bij een overlading met 1.000 kg tot minder dan 1.500 kg vast op 175 euro. Verhoogd met de op de voorliggende inbreuk van toepassing zijnde opdeciemen brengt dit de administratieve geldboete op 1.400 euro. Aldus blijkt de verwerende partij wel degelijk de minimumgeldboete te hebben opgelegd, waarbij de minister geen lager bedrag mag opleggen, tenzij er verzachtende omstandigheden zijn. 5.6.2.
  24. Wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden of het verlenen van uitstel oordeelde de Raad van State in voornoemde arresten als volgt: ―Op grond van artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Het uitstel is enkel mogelijk als in de negatieve referentieperiode geen andere administratieve geldboete werd opgelegd aan de overtreder en als er geen strafrechtelijke veroordeling is geweest op grond van dit decreet. Het komt aan de verwerende partij toe om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij soeverein over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden of het toekennen van uitstel. Wanneer de overtreder verzoekt hem geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te kennen, moet uit de motivering blijken waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan. De voorwaarde is wel dat de betrokkene specifieke redenen inroept om in zijn geval geheel of gedeeltelijk uitstel van betaling toe te staan. XII-8616-29/44 Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun conclusies in beroep in uiterst subsidiaire orde gevraagd om uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete te verlenen. In de bestreden beslissing zet de verwerende partij op bladzijde 13 expliciet de redenen uiteen waarom zij geen uitstel toekent. Aldus werd deze weigering wel degelijk formeel gemotiveerd. De in die motivering aangevoerde gronden zijn afdoende om die weigering te dragen. Te dezen blijkt niet dat de verzoekende partijen ‗aannemelijke element[en]‘ hebben aangevoerd om het uitstel toe te staan; de verwerende partij is er dan ook niet toe gehouden het ‗tegendeel te bewijzen‘. [...] In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen doen gelden volgt uit de door hen aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ‗automatisch‘ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partijen gaan er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 als algemene regel oplegt dat ‗de omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren.‘ Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ‗het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.‘ Het gaat dus niet louter om het ‗laden door een derde in afwezigheid van de chauffeur‘ zoals de verzoekende partijen thans willen doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partijen niet aantonen dat deze te dezen vervuld zouden zijn. In dat licht volstaat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering inzake het niet verlenen van uitstel.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. Er blijkt in de huidige zaak evenmin dat de verwerende partij verzachtende omstandigheden in aanmerking had moeten nemen of uitstel had moeten verlenen. 5.6.2.
  25. Wat betreft de vraag in het verzoekschrift om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de proportionaliteit van de bedragen van de geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet, wordt de verzoekende XII-8616-30/44 partij erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is om wetgevende handelingen te toetsen aan beginselen van behoorlijk bestuur zoals het in dit middel ingeroepen evenredigheidsbeginsel. Voor het overige kan de verzoekende partij erop worden gewezen dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 90/2018 van 5 juli 2018 reeds heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om de bedragen van (administratieve) 20 geldboetes voor overladingsinbreuken te toetsen aan het beginsel van evenredigheid. In zoverre de verzoekende partij het voorstel van prejudiciële vraag betrekt op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan er worden opgemerkt dat wie het Grondwettelijk Hof wil laten ondervragen omdat hij ten onrechte verschillend zou worden behandeld, voor de verwijzende rechter eerst het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling moet staven, minstens minimaal aannemelijk moet maken. Te dezen blijft de verzoekende partij in gebreke om bij de adstructie van haar vraag een ongelijke behandeling te concretiseren en beperkt zij zich louter tot een proportionaliteitsvraag. Ten overvloede kan er worden opgemerkt dat de administratieve geldboetes waarin het decreet bijzonder wegtransport voorziet reeds op het eerste gezicht in een redelijke verhouding staan tot de inbreuk die ermee wordt bestraft. Bovendien blijkt niet dat de decreetgever aan de beoordelingsbevoegdheid van de rechter of van de administratieve overheid al te enge grenzen heeft gesteld die het niet mogelijk maken rekening te houden met de relevante elementen van de zaak, noch dat hij één enkele sanctie heeft opgelegd die kennelijk onevenredig is ten opzichte van de 21 ernst van het gedrag dat hij wil bestraffen. Aldus blijkt er alvast in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen basis terug te vinden om eventueel ambtshalve op dit punt een prejudiciële vraag te construeren. 5.6.2.5.
  26. De eerste in de memorie van wederantwoord voorgestelde prejudiciële vraag -inzake de onmogelijkheid om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen- mist juridische grondslag. Immers bepaalt artikel 17, § 2, vierde lid, decreet bijzonder wegtransport: ―Als er verzachtende omstandigheden zijn, kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse Regering een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.‖ Aldus mag de verwerende partij wel degelijk verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen. In zoverre de prejudiciële vraag betrekking zou hebben op de procedure voor de Raad van State, mist zij eveneens juridische grondslag. Immers is het de verzoekende partij wel degelijk mogelijk om voor de Raad van State te doen gelden dat er ten onrechte geen verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen en kan de Raad, indien hij vaststelt dat zulks inderdaad het geval is, 20 Het arrest GwH 5 juli 2018, nr. 90/2018 betreft een beroep tot vernietiging van de nieuwe regeling van het Waalse Gewest inzake overladingsinbreuken. Dit beroep werd verworpen. 21 In die zin: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.23.
  27. XII-8616-31/44 tot nietigverklaring van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete overgaan, wat uiteindelijk een nog gunstiger gevolg zou zijn dan het louter verlenen van uitstel. 5.6.2.5.
  28. De tweede in de memorie van wederantwoord voorgestelde prejudiciële vraag -inzake de vermeende lagere sancties door de rechtbanken dan door de verwerende partij- dient evenmin te worden gesteld. Het Grondwettelijk Hof is immers niet bevoegd om het bestuurlijk handhavingsbeleid van de verwerende partij te toetsen aan rechterlijke uitspraken gedaan in concrete casussen. Bovendien blijken de rechterlijke uitspraken die de verzoekende partij voorlegt niet te zijn geveld op basis van een inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, zodat de veronderstelling aan de basis van de prejudiciële vraag juridische grond blijkt te missen. 5.6.2.
  29. Het middel dient te worden verworpen. V.
  30. ZEVENDE MIDDEL V.7.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.7.1.
  31. In het zevende middel voert de verzoekende partij aan dat er ―geen bewijs van de overtreding‖ is en daarnaast ―twijfel met betrekking tot de goede werking van de weegschaal‖. Het is niet bewezen dat de weegbon bij het aanvankelijk proces- verbaal afkomstig is van de weegschaal die door de verbalisanten werd gebruikt. Het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt niet wat het kenteken van het voertuig en de oplegger is. Zij verwijst naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Namen dat werd ―bevestigd‖ door het Hof van Cassatie, waar in een vergelijkbare situatie een beklaagde werd vrijgesproken. De agenten van het Waalse Gewest gaan op een andere manier te werk bij het vaststellen van overladingsovertredingen en vermelden op de weegbon de gegevens van het gebruikte weegtoestel. De verwerende partij legt een metrologisch verslag voor dat het briefhoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer heeft en door de administrateur- generaal van dit agentschap werd ondertekend. De weegschaal werd niet getest door een onafhankelijk en onpartijdig orgaan. Het hoogst toegelaten gewicht van de weegschaal is 20 ton, zodat de verzoekende partij verbaasd is dat zij gewichten tussen 37 en 44 ton heeft gemeten. De bewering van de verwerende partij dat het maximumgewicht betrekking heeft op een weging aan de wielassen blijkt niet uit het dossier. De verzoekende partij wil een deskundige aangesteld zien om de weegschaal te onderzoeken en om te bepalen of deze correct gebruikt werd door de verbalisanten. Daarnaast wil zij een verhoor onder ede van de verbalisanten zodat zij kunnen uitleggen hoe de meting werd uitgevoerd. De verzoekende partij verwijst naar documenten van autobouwers die bevestigen dat de weegschalen aan boord van voertuigen niet 100% XII-8616-32/44 nauwkeurig zijn, zodat er blijk moet worden gegeven van inschikkelijkheid. Er is geen reden om te denken dat de weegschaal die door de verwerende partij gebruikt wordt nauwkeuriger is. 5.7.1.
  32. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.7.1.
  33. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij haar argument inzake het maximumgewicht van de weegschaal en dat de verwerende partij niet aantoont dat dit betrekking heeft op een meting aan de wielas. V.7.B. BEOORDELING 5.7.2.
  34. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3º, van het algemeen procedurereglement moet de verzoekende partij in het verzoekschrift de rechtsmiddelen uiteenzetten die zij tegen de bestreden beslissing wil doen gelden. Onder ―middel‖ moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of -beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of -beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Het middel betreft een feitelijke kritiek op de vaststelling van de inbreuk. In beginsel is een louter feitelijke commentaar op een overheidsbeslissing niet ontvankelijk. Het middel wordt hierna opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht. 5.7.2.
  35. Er dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de Raad van State in het recente verleden een middel dat een omzeggens identieke kritiek bevat als het voorliggende middel, als volgt heeft verworpen: ―4.
  36. De verzoekende partijen betwisten in wezen het bestaan van het materieel bestanddeel van het misdrijf met een kritiek op de asweger en de weegbon. Het verslag van metrologische controle werd aan de verzoekende partijen bezorgd samen met de bestreden beslissing, zo erkennen zij zelf. Anders dan de verzoekende partijen doen gelden blijkt dit stuk aldus het voorwerp te hebben kunnen uitmaken van tegenspraak in de procedure voor de Raad van State. Het verslag, opgesteld door de Afdeling Elektromechanica en Telematica, Sectie Metrologie van het Agentschap Wegen en Verkeer, dient te worden geacht wel degelijk aan te tonen dat de gebruikte asweger naar behoren functioneert. Dit verslag komt immers uitdrukkelijk tot het besluit dat het betrokken toestel mag worden gebruikt ―voor het bepalen van het gewicht per as en het totaalgewicht van voertuigen‖. De verzoekende partijen laken voorts nog het feit dat het Vlaamse gewest zichzelf bewijsmiddelen verschaft die niet kunnen worden betwist. Zoals reeds werd opgemerkt bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het derde middel en het tweede onderdeel van het vijfde middel, is de omstandigheid dat de dienst metrologie, die het verslag heeft opgemaakt, ook tot het agentschap Wegen en Verkeer behoort, een gegeven dat eigen is aan de structuur van het XII-8616-33/44 betrokken bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken diensten te betwisten. Voorts dient te worden vastgesteld dat het proces-verbaal uitdrukkelijk melding maakt van het merk, type en serienummer van de gehanteerde asweger, welke gegevens volledig overeenstemmen met het serie-nummer op het verslag van de metrologische controle. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. Bijgevolg mag de Raad van State ervan uitgaan dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal. Er is dan ook geen objectieve reden om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Er is bovendien ook geen reden om aan te nemen dat de weegbon die als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd, niet afkomstig zou zijn van het toestel waarvan de verbalisanten bij de controle van het voertuig gebruik hebben gemaakt. 4.
  37. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat op grond van de gegevens van het proces-verbaal niet vaststaat dat het betrokken voertuig aan de eerste verzoekende partij toebehoort. Het middel mist op dit punt kennelijk feitelijke grondslag. Het proces-verbaal blijkt immers in zijn bijlage 2 uitdrukkelijk te vermelden: het merk, de nummerplaten van trekker en oplegger, het chassisnummer van beide bestanddelen van het voertuig en de eigenaars ervan. Ook wordt de burgerlijk aansprakelijke van het voertuig uitdrukkelijk vermeld. Er blijkt niet dat de verwerende partij aan de hand van deze gegevens niet wettig kon achterhalen aan wie het voertuig toebehoorde en aan wie er een administratieve geldboete diende te worden opgelegd omwille van de inbreuk die met dat voertuig werd begaan. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Namen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op een zaak die valt onder de toepassing van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 ‗betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein‘ en niet onder het te dezen van 22 toepassing zijnde decreet bijzonder wegtransport van het Vlaamse Gewest.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.7.2.
  38. Er zijn in de voorliggende zaak evenmin elementen om te besluiten dat de gebruikte asweger niet naar behoren functioneert en om de juistheid van de uitgevoerde weging in twijfel te trekken. Ook te dezen blijkt het aanvankelijk proces-verbaal alle vereiste gegevens te bevatten opdat zou vaststaan dat het betrokken voertuig aan de verzoekende partij toebehoort. In het aanvankelijk proces verbaal wordt vermeld dat voor het vaststellen van de inbreuk een weegbrug type Supaweigh II met serienummer 005528 22 RvS 16 oktober 2018, nr. 242.660, VBA Skiptrans e.a.; RvS 16 oktober 2018, nr. 242.661, SK Line SRO e.a. XII-8616-34/44 werd gebruikt, dat deze metingen uitvoert met een minimumgewicht van 500 kg en een maximumgewicht van 20.000 kg. De verzoekende partij wijst erop dat de asweger gewichten tussen 37 en 44 ton heeft gemeten. Volgens haar wordt er geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat het maximumgewicht van twintig ton waarnaar verwezen wordt betrekking had op een maximumgewicht aan de wielas en niet het totale maximumgewicht van het voertuig. Bij het administratief dossier is evenwel het verslag van metrologische controle gevoegd dat betrekking heeft op de desbetreffende weegbrug. Hieruit blijkt dat het wel degelijk om een asweger gaat en dat het opgegeven maximumgewicht dan ook per wielas geldt en niet het totale gewicht van het voertuig betreft. Overigens blijkt de kritiek feitelijke grond te missen en dus geheel naast de kwestie, nu op de weegbon bij het aanvankelijk proces-verbaal inderdaad een gewicht van 37.150 kg en 44.550 kg wordt vermeld, doch dit blijkt telkens het samentellen te betreffen van gewichten die werden gemeten op de individuele assen van de trekker en de oplegger. Geen enkele individuele asmeting blijkt het maximumgewicht van 20.000 kg te hebben overschreden. Voorts kan worden opgemerkt dat noch het decreet bijzonder wegtransport, noch het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 ‗betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport‘ de verwerende partij opleggen om de door haar gebruikte aswegers door een derde te laten testen. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de metrologische controle door de cel metrologie van de sectie verkeershandhavingssystemen van de afdeling elektromechanica en telematica het behoorlijk functioneren van de asweger niet afdoende zou waarborgen. De disclaimers van fabrikanten van vrachtwagens dat de ingebouwde weegsystemen niet altijd 100% nauwkeurig zijn, waar de verzoekende partij naar verwijst, zijn geheel irrelevant. Deze doen immers geen afbreuk aan het te dezen voorhanden zijn van een aanzienlijke overlading. Er blijkt niet dat de er redenen zouden zijn om te twijfelen aan de goede werking van de asweger. Bijgevolg is er geen grond om een deskundige aan te stellen wat betreft de asweger. XII-8616-35/44 Evenmin is er grond de verbalisanten die het aanvankelijk proces- verbaal hebben opgesteld onder eed te verhoren. Een verhoor dient enkel te worden bevolen indien mag worden verwacht dat de verklaringen van de getuigen een ander licht kunnen werpen op de zaak zoals zij uit het schriftelijk administratief dossier naar 23 voren komt. Er blijkt niet dat zulks te dezen het geval is. 5.7.2.
  39. Het middel dient te worden verworpen. V.
  40. ACHTSTE MIDDEL V.8.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.8.1.
  41. In het achtste middel voert de verzoekende partij de schending aan van ―het beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖. In dit middel herhaalt de verzoekende partij haar kritiek uit het vorige middel inzake het maximumgewicht van de gebruikte asweger en benadrukt zij dat deze gebruikt werd ―voor een voertuig van meer dan 45 ton‖. Daarnaast herneemt zij in dit middel de kritiek op de begeleidende brief van 14 augustus 2018 en het feit dat deze verwijst naar ―de verklaringen van de chauffeur‖. 5.8.1.
  42. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.8.1.
  43. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets toe aan dit middel. V.8.B. BEOORDELING 5.8.2.
  44. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3º, van het algemeen procedurereglement moet de verzoekende partij in het verzoekschrift de rechtsmiddelen uiteenzetten die zij tegen de bestreden beslissing wil doen gelden. Onder ―middel‖ moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of -beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of -beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Het Auditoraat heeft geen weet van het bestaan van enig ―beginsel van het gezag van gerechtelijke akten‖. In zoverre het middel steunt op de miskenning van een onbestaande rechtsnorm, dient het als niet ontvankelijk te worden verworpen. 23 RvS 5 oktober 2015, nr. 232.431, De Vos. XII-8616-36/44 5.8.2.
  45. In zoverre het middel dient te worden opgevat als betreffend een schending van de materiële motiveringsplicht en in die mate toch ontvankelijk zou zijn, dient te worden vastgesteld dat beide kritieken in dit middel ook reeds werden aangevoerd onder de andere middelen (zie meer bepaald het vierde middel en het achtste middel). Er wordt dan ook verwezen naar het onderzoek en de voorgestelde verwerping van die middelen. Er is geen grond om deze kritieken wel te aanvaarden onder dit middel. 5.8.2.
  46. Het middel dient te worden verworpen. V.
  47. NEGENDE MIDDEL V.9.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.9.1.
  48. De verzoekende partij voert in het negende middel aan dat de bestreden beslissing ontoereikend gemotiveerd is en ―het beginsel van het gezag van de handelingen‖ schendt. Volgens de verzoekende partij is de motivering van de bestreden beslissing strijdig met de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘. De motivering is niet toereikend om te begrijpen waarom er een sanctie werd opgelegd: a) de bestreden beslissing vermeldt niet de redenen waarom er geen tolk ter beschikking werd gesteld en ook niet waarom er geen vertaling van het strafdossier werd opgesteld; b) de bestreden beslissing evenmin een antwoord formuleert op het argument dat voortvloeit uit de onbestaande vermeldingen op de wegingsbon; c) de bestreden beslissing formuleert geen antwoord op de argumentatie dat de vrachtwagen–bestuurder geen middelen had om het gewicht van de lading na te gaan, dat hij verantwoordelijk was voor de overlading en dat de schade aan het wegdek verondersteld was. 5.9.1.
  49. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.9.1.
  50. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij niets substantieel toe aan dit middel. V.9.B. BEOORDELING 5.9.2.
  51. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‗betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‘ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ―afdoende‖ wijze. XII-8616-37/44 5.9.2.
  52. Het middel blijkt over de gehele lijn feitelijke grondslag te missen. De bestreden beslissing is immers uitvoerig formeel gemotiveerd overheen veertien bladzijden en de verwerende partij blijkt daarin bovendien uitdrukkelijk te antwoorden op elk van de middelen die de verzoekende partij had aangevoerd in haar conclusies in graad van beroep. De bestreden beslissing bevat wel degelijk motieven inzake het gebruik van talen door het bestuur en tijdens de hoorzittingen, de vermeldingen op de weegbon, en de beweerde onmogelijkheid om het gewicht van de lading na te gaan. Deze motieven volstaan. Er is geen grond om tot miskenning van de formele motiveringsplicht te besluiten. 5.9.2.
  53. Het middel dient te worden verworpen. V.
  54. TIENDE MIDDEL V.10.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.10.1.
  55. In het tiende middel verwijt de verzoekende partij aan de verwerende partij ―geen gevolg te hebben gegeven aan de vraag tot uitstel die geformuleerd werd in de conclusies‖. De verzoekende partij wijst erop dat zij om uitstel gevraagd heeft of om de boete te herleiden tot 1 euro. Zij doet gelden dat de vrachtwagen werd geladen door een derde zonder dat de vrachtwagenbestuurder daarbij aanwezig was. Er was geen mogelijkheid om het gewicht van de lading na te gaan. De verzoekende partij verwijst naar de rechtvaardigingsgrond opgenomen in de regelgeving van het Vlaams Gewest, waarmee zij lijkt te verwijzen naar de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli
  56. Wanneer een rechtvaardigingsgrond wordt ingeroepen die niet van geloofwaardigheid is ontdaan, komt het aan de verwerende partij toe om het bewijs te leveren voor de onjuistheid van deze rechtvaardigingsgrond, aldus de verzoekende partij. De verzoekende partij, noch de vrachtwagenbestuurder hebben het voorwerp uitgemaakt van eerdere veroordelingen tijdens de referentieperiode van het decreet. Dit lijkt voldoende opdat uitstel zou kunnen worden gevraagd voor de volledige straf. Ten slotte doet zij nog gelden: ―Dat in het onwaarschijnlijke geval dat uw Hoog Rechtscollege het bestaan van een overtreding in hoofde van Mijnheer David Deprez en van de vennootschap BD Trucking zou bevestigen, de uit te spreken veroordeling gepaard zou moeten gaan met uitstel voor de volledige straf en de procedurekosten overgelaten zouden moeten worden aan de tegenpartij‖. XII-8616-38/44 5.10.1.
  57. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.10.1.
  58. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar artikel 18, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij wijst erop dat dit artikel geen aanvullende voorwaarden stelt. Zij benadrukt dat de lading niet werd uitgevoerd door de vrachtwagenbestuurder en dat deze geen mogelijkheid had om de lading te controleren. V.10.B. BEOORDELING 5.10.2.
  59. De Raad van State heeft een omzeggens identiek middel in het recente verleden als volgt verworpen: ―
  60. Wat de inbreuk bedoeld in artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport betreft, is niet vereist dat zij wetens en willens werd begaan, de schuld voor de inbreuk kan onder meer bestaan uit onachtzaamheid, wat betekent dat moet worden nagegaan of aan de betrokkene een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid kan worden verweten. De omstandigheid dat de vrachtwagenbestuurder niet op de hoogte was van de overlading doordat hij het laden niet zelf had uitgevoerd en over geen middelen beschikte om het gewicht van het voertuig te controleren, maakt niet dat de betrokken vervoersonderneming geen enkel verwijt meer zou treffen noch kunnen ze worden aangemerkt als onoverkomelijk. Van een professionele vervoersonderneming mag worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de vrachtwagens die zij in geladen toestand op de openbare weg brengt, voldoen aan de wettelijk toegestane maxima wat de asdrukken betreft, ook al heeft zijzelf of de vrachtwagenbestuurder het voertuig niet geladen. Het verzuim daaraan te voldoen, kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken, vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass. 2 november 2004, AR P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8).
  61. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgt uit de door haar aangehaalde omzendbrief niet dat, telkens als de lading door een derde wordt uitgevoerd in afwezigheid van de vrachtwagenbestuurder, als het ware ―automatisch‖ uitstel zou moeten worden toegekend. De verzoekende partij gaat er immers aan voorbij dat de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 tevens vermeldt dat ―[d]e omstandigheden die als verzachtende omstandigheid in aanmerking kunnen worden genomen [...] restrictief [dienen] te worden toegepast. De ratio legis is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn kan dit gebeuren‖. Het uitgangspunt van de regelgeving is dan ook niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden of uitstel, doch daarentegen juist dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden facultatief kunnen worden toegepast. Bovendien omschrijft deze omzendbrief de situatie die eventueel als verzachtende omstandigheid in aanmerking zou kunnen worden genomen in zijn geheel als volgt: ―het voertuig werd geladen door een derde, in afwezigheid van de chauffeur of diens werkgever, er doet zich geen overlading voor in totaliteit en de overlading is niet van die aard dat de overlading onmiddellijk merkbaar is, maar wel dusdanig dat kan worden aangenomen dat een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, in XII-8616-39/44 dezelfde feitelijke omstandigheden de overlading zou hebben opgemerkt. De administratieve geldboete kan gedeeltelijk verlaagd worden.‖ Het gaat dus niet louter om het laden ―door een derde in afwezigheid van de chauffeur‖ zoals de verzoekende partij thans wil doen uitschijnen. Ook inzake het uitstel van de administratieve geldboete stelt de omzendbrief MOW 2012/1 van 9 juli 2012 gelijkaardige restrictieve voorwaarden, waarvan de verzoekende partij 24 niet aantoont dat deze te dezen vervuld zouden zijn.‖ Het Auditoraat ziet geen enkele reden om in de huidige zaak tot een ander oordeel te komen dan de Raad reeds deed in zijn eerdere arresten in het overladingscontentieux en treedt deze beoordeling ook in deze zaak geheel bij. 5.10.2.
  62. De verzoekende partij maakt ook in de huidige zaak niet aannemelijk dat de voorwaarden voor uitstel of het herleiden van de geldboete vervuld zouden zijn. Wat betreft het uitvoeren van de lading door een derde in afwezigheid van de chauffeur wordt naar het voorgaande verwezen. De verzoekende partij kan zich niet verschuilen achter het niet voorhanden zijn van een middel om het precieze gewicht van de lading onder de assen na te gaan. De verzoekende partij dient daarentegen als professionele transportondernemer haar voertuigen met de nodige apparatuur uit te rusten opdat haar vrachtwagenbestuurders zich wettig met haar voertuigen op de openbare weg kunnen begeven. Aanvoeren dat de verzoekende partij het gewicht onder de assen van het voertuig niet kan weten, is niet dienstig. Het komt aan haar toe dat gewicht juist wel te weten. Voorts kan er worden opgemerkt dat het feit dat de verzoekende partij en de vrachtwagenbestuurder geen eerdere overladingsinbreuken zouden hebben begaan op zich geen verplichting tot het verlenen van uitstel meebrengt. Het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete waarin artikel 18 decreet bijzonder wegtransport voorziet is immers louter een gunst die niet als systematische verworvenheid mag worden opgevat. Minstens blijkt niet dat zulks de bedoeling van de decreetgever was. 5.10.2.
  63. Daarnaast behoort het niet tot de rechtsmacht van de Raad van State om uitstel van de geldboete uit te spreken. Er zijn geen redenen voorhanden om de kosten van het geding niet ten laste van de verzoekende partij te leggen. 5.10.2.
  64. Het middel dient te worden verworpen. 24 RvS 2 mei 2018, nr. 241.356, SA Jost. XII-8616-40/44 V.
  65. ELFDE MIDDEL V.11.A. STANDPUNTEN VAN DE PARTIJEN 5.11.1.
  66. In het elfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van ―het beginsel dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet‖. Volgens de verzoekende partij is het gelijkheidsbeginsel te dezen om de volgende redenen geschonden: a) in tegenstelling tot een beklaagde die voor een gewone strafrechtbank gedagvaard wordt en die kan vragen dat de zaak doorverwezen wordt naar de dichtstbij gelegen Franstalige rechtbank of gebruik kan maken van de diensten van een tolk, een beklaagde die voor een bestuursrechtscollege berecht wordt zowel in eerste aanleg als in graad van beroep niet over deze mogelijkheid beschikt; terwijl de beklaagde het recht heeft om een vertaling te krijgen van de belangrijkste stukken van zijn dossier, er vastgesteld dient te worden dat dit niet het geval is voor een uitzonderingsrechtbank zoals de verwerende partij; b) de verjaringstermijn is verschillend al naargelang de zaak geseponeerd wordt en men uitleg dient te verschaffen voor een bestuursrechtscollege of men doorverwezen wordt naar een gewone strafrechtbank; c) overtreders worden anders behandeld wat betreft de gegevens die worden vermeld op de weegbon en op het proces-verbaal al naargelang ze gecontroleerd worden door de diensten van de verwerende partij of door de diensten van het Waals Gewest dan wel de federale politie; d) de rechtbanken van de rechterlijke macht niet aarzelen om het element van twijfel toe te passen wanneer ze geconfronteerd worden met wegingsbonnen die even onnauwkeurig zijn als de documenten die overgelegd worden door de verwerende partij, terwijl een bestuursrechtscollege waarbij hetzelfde probleem en dezelfde stukken aanhangig worden gemaakt de mening is toegedaan dat er helemaal geen reden is om de vaststellingen van zijn eigen diensten in twijfel te trekken. Vervolgens vraagt de verzoekende partij om twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: ―Schendt het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien voor een zelfde overtreding en al naargelang het Parket beslist om te vervolgen of om het dossier te seponeren, dit decreet aan sommige rechtsonderhorigen de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van de procedurele waarborgen betreffende de gerechtelijke vervolgingen en het verloop van het proces voor de rechtbanken van de rechterlijke macht terwijl andere rechtsonderhorigen die onderworpen zijn aan de administratieve sanctieprocedure niet over deze mogelijkheid beschikken, terwijl de administratieve sancties die opgelegd kunnen worden nochtans van dezelfde orde zijn als de sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht?‖ XII-8616-41/44 en ―Schendt het Vlaams decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, in samenhang gelezen met het Waals decreet van 19 maart 2009 niet artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om vervolgingen in te stellen aan een zelfde regeling van vervolgingen en sancties onderworpen worden en zich kunnen beroepen op identieke procedurele waarborgen voor de rechtbanken van de rechterlijke macht, zonder dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de delen van het Belgisch grondgebied waarop de overtreding werd begaan, terwijl de overtreders jegens wie het Parket besloten heeft om geen vervolgingen in te stellen onderworpen worden aan andere regelingen van vervolgingen en sancties, waardoor niet dezelfde procedurele waarborgen geboden kunnen worden al naargelang de overtreding begaan werd op het grondgebied van het Waals Gewest of van het Vlaams Gewest‖. 5.11.1.
  67. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij het middel. 5.11.1.
  68. In haar memorie van wederantwoord dringt de verzoekende partij aan op het stellen van de twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. V.11.B. BEOORDELING 5.11.2.
  69. Het middel zoals aangebracht in het verzoekschrift betreft een loutere herneming van diverse grieven die reeds in andere middelen zijn aangevoerd. In die mate kan naar de beoordeling en de voorgestelde verwerping van die grieven worden verwezen. Er zijn geen redenen voorhanden om die grieven, ingekleed als een schending van het gelijkheidsbeginsel, wel te aanvaarden. 5.11.2.
  70. Wat betreft de eerste voorgestelde prejudiciële vraag dient erop te worden gewezen dat deze berust op de premisse dat de administratieve geldboete die opgelegd kan worden wegens een overladingsinbreuk van dezelfde orde is als de strafrechtelijke sancties die opgelegd kunnen worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht. Die veronderstelling faalt. Overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid, decreet bijzonder wegtransport is het tarief van de administratieve geldboete immers gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. Uit artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport blijkt dat de strafrechter voor elke in die bepaling opgenomen overladingscategorie een strafrechtelijke geldboete kan opleggen tussen het minimumbedrag en een maximumbedrag dat honderd
(100)maal hoger ligt. Op dat bedrag dienen dan nog, net zoals de bij de administratieve geldboete, de opdeciemen te worden toegepast. Voor een overlading zoals degene in de huidige zaak aan de orde is kan een strafrechter XII-8616-42/44 aldus een geldboete opleggen tot een maximumbedrag van 20.000 euro, met opdeciemen (in de huidige zaak een factor 8) wordt dat aldus 160.000 euro. Het bestuur is er daarentegen toe gehouden een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. Bovendien kan de strafrechter overeenkomstig artikel 14, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport daarnaast ook een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar opleggen. Voorts dient de strafrechter, wanneer hij een veroordeling uitspreekt voor een inbreuk die gepleegd is op gewestwegen en bestraft wordt overeenkomstig artikel 14, § 2, krachtens artikel 15 van het decreet bijzonder wegtransport ook nog eens de overtreder te veroordelen tot een forfaitair bedrag als bijdrage tot financiering van het Vlaams Infrastructuurfonds. Dat bedrag varieert tussen 25 en 375 euro, afhankelijk van de overladingscategorie, maar dient eveneens nog te worden verhoogd met de strafrechtelijke opdeciemen. Te dezen zou die bijdrage aldus 700 euro bedragen. In een extreem maar niet onmogelijk scenario voor de strafrechter gaat de verzoekende partij aldus te dezen naar huis met een geldboete van 160.000 euro, een te betalen bijdrage van 700 euro en een veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar. Dit alles wordt bovendien in het strafregister opgenomen. In de administratieve sanctieprocedure kan haar te dezen hoogstens een administratieve geldboete van 1.400 euro worden opgelegd. De verzoekende partij dwaalt aldus volledig waar zij haar eerste prejudiciële vraag steunt op de premisse dat de sancties die het bestuur kan opleggen van dezelfde orde zouden zijn als degene die de strafrechter kan uitspreken. Er is dan ook geen grond om de eerste prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
  1. In de tweede prejudiciële vraag wil de verzoekende partij in essentie het Grondwettelijk Hof bevraagd zien over de wettigheid van het bestaan van onderscheiden regelingen inzake de administratieve sanctionering van overladingsinbreuken in het Vlaams Gewest en het Waals Gewest. Dat punt is reeds uitentreuren beslecht in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Het Hof oordeelt daarbij -sinds decennia- steevast dat een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers van de federale deelentiteiten over eigen bevoegdheden beschikken, het gevolg is van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en als zodanig niet kan worden geacht strijdig te 25 zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 25 Zie, als slechts enkele voorbeelden: GwH 23 oktober 2014, nr. 157/2014, B.6.2.; GwH 5 oktober 2011, nr. 149/2011, B.6.2.; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.4.; GwH 18 februari 1993, nr. 14/93, B.2.6.; GwH 18 november 1992, nr. 74/92, B.3.
  2. XII-8616-43/44 Er zijn geen redenen voorhanden om het Grondwettelijk Hof opnieuw te bevragen over een dergelijke al sinds tientallen jaren uitgeklaarde kwestie. Er is aldus evenmin grond om de tweede prejudiciële vraag te stellen. 5.11.2.
  3. Het middel dient te worden verworpen. VI. KOSTEN EN RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
  4. De kosten van het beroep, te begroten op het rolrecht en de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, dienen ten laste te worden gelegd van de verzoekende partij. VII. BESLUIT - Voorgesteld wordt het beroep te verwerpen. - De kosten van het beroep tot nietigverklaring dienen dan ook ten laste te worden gelegd van de verzoekende partij. - Dit verslag zal overeenkomstig artikel 12, vierde lid, van het algemeen procedurereglement eerst aan de verzoekende partij betekend worden en daarna aan de verwerende partij. Thomas G. MAES Auditeur j-efqH-8GtX-df9X-u2yz-txA7- tekend door de auditeur- XII-8616-44/44 rslaggever bDGJ) PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.850 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.