← België

Arrest 245852 - Overheidsopdrachten - 22/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.852 Rolnummer: A. 219200/XII-8142 Zaak: Arrest 245852 - Overheidsopdrachten - 22/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 07:13 Fiche Arrest nr 245.852 van 22 oktober 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 245.852 van 22 oktober 2019 in de zaak A. 219.200/XII-8142 In zake: de NV VHS EUROP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem (Herzele) Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de INTERGEMEENTELIJKE VERENIGING VOOR BEHEER VAN AFVALSTOFFEN VLAAMSE ARDENNEN (IVLA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 mei 2016, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van de Intergemeentelijke Vereniging voor Verwijdering van Huishoudelijke Afvalstoffen Vlaamse Ardennen van 21 januari 2016 waarbij de opdracht voor het inzamelen van textielafval via textiel- containers in gans het samenwerkingsgebied Lierde, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Maarkedal, Zingem, Horebeke, Brakel en Zwalm met ingang van 1 april 2016 exclusief werd toegewezen aan Vlaams Inzamelcentrum Textiel (VICT), waarbij de weerhouden dienstverlener Vlaams Inzamelcentrum Textiel (VICT) het exclusieve recht krijgt om het textielafval via containers in te zamelen in gans het voormelde samenwerkingsgebied van de Intergemeentelijke XII-8142-1/17 Vereniging voor Verwijdering van Huishoudelijke Afvalstoffen Vlaamse Ardennen zodat textielcontainers van andere inzamelaars waaronder van [de] verzoekende partij niet meer toegelaten worden”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
  3. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. XII-8142-2/17 III. Feiten 3.
  5. De nv VHS Europ zet uiteen dat zij textiel inzamelt via kledingcontainers en diverse textielcontainers heeft staan binnen het werkings- gebied van de verwerende partij. 3.
  6. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit voor de “inzameling van textiel via containers in IVLA werkings- gebied”. De gekozen gunningswijze is de open offerteaanvraag. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 24 november
  7. 3.
  8. Het bestek met referentie BBD20151112 is van toepassing op de opdracht. Het bestek bepaalt dat de gekozen dienstverlener een exclusief recht zal krijgen op textielinzameling via containers in IVLA werkingsgebied, zowel voor openbare als private locaties voor zover er een goedkeuring is van de private eigenaar. Textielcontainers van andere inzamelaars zullen worden verwijderd. 3.
  9. Op 7 januari 2016 worden de offertes geopend. Drie inschrij- vers dienen een offerte in: de comm.v. Hulpzorg, de nv Curitas en de bvba V.I.C.T. De nv VHS Europ dient geen offerte in. 3.
  10. Op 20 januari 2016 wordt een gunningsverslag opgesteld. Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bvba V.I.C.T. 3.
  11. Op 21 januari 2016 beslist de raad van bestuur van de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bvba V.I.C.T. Dit is de bestreden beslissing. XII-8142-3/17 3.
  12. Met een aangetekend schrijven van 22 januari 2016 geeft de verwerende partij kennis aan de bvba V.I.C.T. van de beslissing om de opdracht aan haar te gunnen. 3.
  13. Met diverse brieven in de loop van de maanden maart en april 2016 manen verscheidene gemeenten op wiens grondgebied de nv VHS Europ textielcontainers heeft geplaatst, deze onderneming aan om haar textielcontainers te verwijderen. Zij verwijzen daarbij naar de gunning op 21 januari 2016 door IVLA van de opdracht voor de inzameling van textiel via containers aan de bvba V.I.C.T. 3.
  14. Met een schrijven van 27 april 2016 vraagt de nv VHS Europ aan IVLA om haar de beslissing te bezorgen waarbij aan een dienstverlener een exclusief recht werd gegund om textiel in te zamelen via textielcontainers. Dit verzoek blijft onbeantwoord. 3.
  15. Op 9 mei 2016 stelt de nv VHS Europ het voorliggende beroep tot nietigverklaring in. 3.
  16. Met een aangetekende brief van 12 mei 2016 deelt IVLA, de verwerende partij, aan de nv VHS Europ, de verzoekende partij, mee dat het bestek werd goedgekeurd op 12 november 2015, de opdracht gepubliceerd op 24 november 2015 en de opening der inschrijvingen plaatsvond op 7 januari
  17. De bestreden beslissing zelf werd evenwel niet meegedeeld. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  18. De verwerende partij heeft een ‘aanvullende memorie na memorie van wederantwoord’ ingediend. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) XII-8142-4/17 voorziet niet in het indienen van een dergelijk stuk, zodat dit in beginsel uit de rechtspleging dient te worden geweerd. Het blijkt echter dat het betrokken stuk werd ingediend in repliek op een nieuw middel dat pas voor het eerst in de memorie van weder- antwoord werd aangevoerd door de verzoekende partij. In die omstandigheden wordt de ‘aanvullende memorie’ van de verwerende partij te dezen bij uitzondering en enkel wat die repliek betreft toch in aanmerking genomen teneinde het recht op tegenspraak van de verwerende partij ten opzichte van dat nieuw middel zo goed mogelijk te vrijwaren. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  19. Hoewel de verzoekende partij niet deelnam aan de plaatsingsprocedure heeft zij belang bij haar beroep.
  20. Zij blijkt immers als onderneming actief in de sector van de textielinzameling via textielcontainers. Nu zij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing verscheidene containers had op het grondgebied van de gemeenten binnen het werkingsgebied van de verwerende partij, heeft zij belang bij het bestrijden van de exclusiviteit inzake textielinzameling waarin de bestreden beslissing voorziet.
  21. Wat de tijdigheid van het beroep betreft, wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing niet is betekend aan de verzoekende partij en ze evenmin werd bekendgemaakt. Bijgevolg is krachtens artikel 4, § 1, derde lid, van het algemeen procedurereglement de beroepstermijn ingegaan op de dag dat de verzoekende partij kennis heeft gehad van de bestreden beslissing. De eerste brief waarin de verzoekende partij in enige afdoende mate werd geïnformeerd over de bestreden beslissing en haar draagwijdte en uitgaat van de gemeente Zingem, is gedateerd op 16 maart
  22. XII-8142-5/17 Er wordt bijgevolg aangenomen dat het beroep, ingesteld op 9 mei 2016, en dus binnen de vastgestelde termijn van 60 dagen, tijdig is. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  23. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift, aldaar in een enig middel, de schending aan van “het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (art. 10-11 G.W.), van het principe van de gelijkheid in het gebruik van het openbaar domein en/of de openbare weg, en van het beginsel van de benuttigingsgelijkheid van de openbare dienst, van het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. In het eerste middelonderdeel doet de verzoekende partij gelden dat de gunning van de opdracht aan de bvba V.I.C.T. niet rechtmatig is verlopen. Het volstaat niet dat de verwerende partij de regelgeving inzake de overheidsopdrachten volgt en op willekeurige wijze in het kader van bijvoorbeeld een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, een beperkt aantal door OVAM erkende inzamelaars raadpleegt en de kans biedt om de opdracht voor het inzamelen van textielafval via textielcontainers gegund te krijgen. De verwerende partij diende alle OVAM-erkende inzamelaars op voet van gelijkheid te behandelen en schond de voormelde principes door de verzoekende partij niet in de selectie te betrekken. Er ligt geen enkel pertinent criterium voor waarom de verzoekende partij als door OVAM erkende inzamelaar nooit de kans heeft gekregen het recht te verwerven om op openbaar domein en op publiek toegankelijke ruimtes in de betrokken gemeenten textielcontainers te plaatsen, laat staan dat hierbij een geoorloofd doel zou zijn nagestreefd en de middelen evenredig zouden zijn met het doel. XII-8142-6/17 In het tweede middelonderdeel wijst de verzoekende partij erop dat de verwerende partij “ingrijpt in bestaande rechtsverhoudingen” tussen de erkende textielinzamelaars die reeds containers hebben binnen de betrokken steden en gemeenten en de particuliere of publiekrechtelijke eigenaars van de locaties waarop de textielcontainers zich bevinden. Dit gebeurt door de opdracht niet te beperken tot het openbaar domein waarvan de steden en gemeenten die onder haar samenwerkingsgebied vallen, beheerder zijn, maar de opdracht uit te strekken tot alle locaties op het grondgebied van de steden en gemeenten die onder haar samenwerkingsgebied vallen, ook voor containers die zich bevinden op privé-eigendom of op het domein van andere openbare rechtspersonen. Minstens had de verwerende partij, zo vervolgt zij, alle dienstverleners die reeds containers hadden op het samenwerkingsgebied van de verwerende partij de kans moeten geven om in te schrijven voor de kwestieuze opdracht. Zonder enige informatieverstrekking, zonder tijdig meegedeeld overgangssysteem en zonder de dienstverleners die reeds containers hadden binnen het samenwerkingsgebied de kans te bieden om voor de inzamelingsopdracht in te schrijven, heeft de verwerende partij met de bestreden beslissing op onredelijke wijze ingegrepen in de bestaande rechtsverhoudingen. De verzoekende partij wordt naar eigen zeggen voor voldongen feiten geplaatst.
  24. In haar memorie van wederantwoord erkent de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de opdracht werd gegund bij open offerteaanvraag. Zij “gedraagt zich wat het eerste onderdeel betreft bijgevolg naar de wijsheid van [de] Raad”. Wat het tweede middelonderdeel betreft, doet de verzoekende partij in de eerste plaats gelden dat zij geen actio popularis nastreeft maar wel degelijk haar eigen belang om haar textielcontainers op locaties op privé- eigendom dan wel op domein van andere openbare rechtspersonen verder te exploiteren. XII-8142-7/17 Volgens de verzoekende partij doet de verwerende partij gelden dat een gemeente enkel de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, zoals textiel, op private eigendommen kan verbieden in zoverre de gemeente het beheer en de inzameling van dit huishoudelijk afval afdoende en sluitend heeft gereglementeerd. De verzoekende partij betoogt daartegenover dat er in de steden en gemeenten onder het werkingsgebied van de verwerende partij ofwel eenvoudigweg geen politiereglement voorhanden is dat het beheer en de inzameling van textielafval afdoende en sluitend in voormelde zin reglementeert, ofwel een politiereglement te laat werd aangenomen of bekendgemaakt, dit is ruim nadat de bestreden beslissing werd genomen, ofwel er een politiereglement voorhanden is, maar de bepalingen hiervan geenszins de bevoegdheid verlenen aan de verwerende partij om de textielinzameling via containers op het openbaar domein en op publiek toegankelijke privé-eigendommen exclusief te gunnen, ten slotte dat er geen delegatiemogelijkheid is van een dergelijke bevoegdheid aan de verwerende partij. In die gegeven omstandigheden hoeft het volgens de verzoekende partij weinig betoog dat het vertrouwens- en redelijkheidsbeginsel werd geschonden door op onredelijke wijze “in te grijpen” in de bestaande rechtsverhoudingen tussen haar en particuliere eigenaars of andere openbare rechtspersonen op wiens eigendom de verzoekende partij containers exploiteert. De verzoekende partij benadrukt dat zij zich bij de plaatsing van haar containers richt naar de politiereglementen zoals zij van kracht zijn binnen een gemeente en dat zij met de bestreden beslissing geconfronteerd wordt met een beslissing in uitvoering waardoor zij zou zijn gehouden haar textielcontainers binnen de betrokken stad of gemeente te verwijderen, terwijl daar niet eens de vereiste politieverordeningen van kracht zijn om deze beslissing te dragen. XII-8142-8/17
  25. In de laatste memorie doet de verzoekende partij nog gelden dat de gunningsbeslissing wel degelijk “ingrijpt” op de bestaande rechtsverhoudingen tussen de verzoekende partij en derden: “Wanneer bij gemeentelijk reglement de plaatsing van een textiel- container bij particulieren wordt onderworpen aan een voorafgaandelijke toestemming (ook al legt dit reglement op zich genomen geen exclusiviteit op), waarna vervolgens de opdracht voor het inzamelen van textielafval via textielcontainers exclusief wordt toegewezen aan één enkele dienstverlener (ook al heeft de gunningsbeslissing geen reglemen- tair karakter), dan vloeit uit de combinatie van beide voort dat een andere dienstverlener binnen het werkingsgebied waarop het reglement en de opdracht slaat, geen toelatingen kan bekomen voor de plaatsing van textielcontainers. Zulks impliceert dan dat de dienstverlener aan wie geen exclusieve opdracht werd toegewezen, geen nieuwe containers mag plaatsen en bij gebrek aan toelating bestaande containers zou moeten verwijderen.” Beoordeling
  26. Wat het eerste middelonderdeel betreft, bevestigt de verzoekende partij in de laatste memorie dat zij afstand doet van dit onderdeel.
  27. Wat het tweede middelonderdeel betreft, doet de verwerende partij in de laatste memorie afstand van de excepties die zij had opgeworpen tegen dit middelonderdeel.
  28. Wat de gegrondheid van het tweede middelonderdeel betreft, wordt in de eerste plaats vastgesteld dat in dit middelonderdeel in het verzoek- schrift als tweede grief wordt aangevoerd dat de verwerende partij de dienstverleners die reeds containers hadden binnen het samenwerkingsgebied niet de kans heeft geboden om voor de inzamelingsopdracht in te schrijven. Deze grief is in essentie dezelfde als de grief die de verzoekende partij reeds heeft aangevoerd in het eerste middelonderdeel. Aangezien zij van dat onderdeel afstand heeft gedaan moet worden aangenomen dat die afstand ook die grief betreft in zoverre deze in het tweede middelonderdeel is opgenomen. XII-8142-9/17
  29. Daarnaast voert de verzoekende partij in het tweede middel- onderdeel aan dat de verwerende partij door de opdracht niet te beperken tot het openbaar domein van de gemeenten die onder haar samenwerkingsgebied vallen, “ingrijpt” in bestaande rechtsverhoudingen tussen de verzoekende partij en derden op wiens eigendom de verzoekende partij haar textielcontainers exploiteert. De bestreden beslissing betreft de gunning van een overheidsopdracht. Als dusdanig heeft de bestreden beslissing in beginsel slechts individuele draagwijdte en betreft zij enkel de keuze van de aanbestedende overheid voor een bepaalde medecontractant. De verzoekende partij verduidelijkt niet op welke wijze een dergelijke beslissing, met individuele strekking, op zich genomen, bestaande rechtsverhoudingen en dus rechten en plichten vermag te wijzigen tussen haarzelf en degenen die haar toestonden containers op hun eigendom te plaatsen. Het is aldus niet aangetoond dat de bestreden beslissing op zich genomen het gevolg bewerkstelligt dat de verzoekende partij uit de rechtsorde verwijderd wil zien met het hier besproken onderdeel van het eerste middel. Het middelonderdeel, dat enkel gericht is tegen de gunnings- beslissing, is bijgevolg niet gegrond.
  30. Het tweede onderdeel van het eerste middel wordt verworpen zodat het middel niet gegrond wordt bevonden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  31. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij een bijkomend, tweede, middel aan waarin zij “bevoegdheidsoverschrij- XII-8142-10/17 ding” aanvoert, meer bepaald gelegen in de schending van “artikel 135 § 2 van de Nieuwe Gemeentewet en artikel 26 t.e.m. 28 van het Materialendecreet en van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 105 G.W.”. De verzoekende partij licht toe dat zij het bestaan van de bestreden beslissing onrechtstreeks diende af te leiden uit een aantal brieven van gemeente- en stadsbesturen binnen het werkingsgebied van de verwerende partij. Het is pas na het instellen van het beroep dat zij afschrift heeft ontvangen van de bestreden beslissing. Zij wijst er voorts op dat de verwerende partij in de memorie van antwoord erkent dat de bestreden beslissing, in zoverre deze het exclusieve recht verleent om het textielafval via containers in te zamelen in het volledige samenwerkingsgebied, steun dient te vinden in een politieverordening die door de gemeenteraden van de onderscheiden gemeenten werd aangenomen. De bestreden beslissing heeft uitwerking in de gemeenten Lierde, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Maarkedal, Zingem, Horebeke, Brakel en Zwalm, maar de verwerende partij legt enkel een politiereglement voor met betrekking tot Oudenaarde, Zwalm, Zingem en Ronse. Nochtans erkent de verwerende partij zelf dat een gemeente enkel inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, zoals textiel, op private eigendommen kan verbieden in zoverre de gemeente het beheer en de inzameling van dit huishoudelijk afval afdoende en sluitend heeft gereglementeerd. Voorts, zo vervolgt de verzoekende partij, poneert de verwerende partij een delegatie te hebben ontvangen van de betrokken gemeenten, maar worden hiervan geen stukken bijgebracht. Er dient dan ook volgens de verzoekende partij te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet op wettige wijze steun kan vinden in de vereiste politieverordeningen die door de gemeenteraden van de onderscheiden gemeenten werden aangenomen. Vervolgens gaat zij overheen elf bladzijden nader in op de specifieke context van elk van de negen voornoemde gemeenten. Hieruit blijkt volgens haar dat aan het vereiste van het vooraf XII-8142-11/17 goedkeuren van een politiereglement, dat het beheer en de inzameling van textielafval afdoende en sluitend reglementeert, voor geen van deze gemeenten is voldaan. Ofwel is er eenvoudigweg geen politiereglement voorhanden dat het beheer en de inzameling van textielafval afdoende en sluitend in voormelde zin reglementeert, ofwel werd een politiereglement te laat aangenomen of bekend- gemaakt, dit is ruim nadat de bestreden beslissing werd genomen, ofwel is er een politiereglement voorhanden, maar de bepalingen hiervan verlenen geenszins de bevoegdheid aan de verwerende partij om de textielinzameling via containers op openbaar domein en publiek toegankelijke privé-eigendom exclusief toe te wijzen. Hierdoor konden de kwestieuze reglementen geen reglementaire basis zijn voor de goedkeuring van de lastvoorwaarden, de raming en de gunningswijze van de opdracht, de aankondiging van de opdracht en de bestreden beslissing.
  32. In de laatste memorie blijft de verzoekende partij erbij dat niet kan worden ontkend dat de bestreden beslissing neerkomt op het verlenen van een exclusieve toelating om textielcontainers te plaatsen. Voorts benadrukt zij dat de bevoegdheidsoverdracht aan de verwerende partij het grondwettelijk legaliteitsbeginsel schendt: “Voor zoveel binnen de onderscheiden gemeenten waar de bestreden beslissing uitwerking heeft, al een tijdig aangenomen politiereglement voorhanden was, geven de bepalingen hiervan geenszins de bevoegdheid aan verwerende partij om de textielinzameling via containers op openbaar domein en publiek toegankelijke privé- eigendom exclusief toe te wijzen evenmin als een delegatiemogelijkheid van dergelijke bevoegdheid aan verwerende partij. In voormelde zin is er dus een schending van het (artikel 105 van de Grondwet). [...] Wanneer de afvalinzameling overeenkomstig artikel 26 Materialendecreet in een gemeentelijk reglement moet worden geregeld en het reglement voorziet dat het schepencollege de inzamelaars aanduidt die textiel kunnen inzamelen, dan kunnen de betrokken gemeenten enkel maar met miskenning van hun eigen politiereglement de bevoegdheid van het schepencollege delegeren aan verweerder.” XII-8142-12/17 Beoordeling
  33. De verwerende partij doet in de laatste memorie afstand van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van het tweede middel.
  34. Artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet luidt: “§
  35. De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd: 1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel; 2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren; 3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samen- komen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en openbare plaatsen; 4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren; 5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden; 6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven; 7° het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast.” XII-8142-13/17 Artikel 26 van het materialendecreet luidt: “Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke afvalstoffen zo veel mogelijk worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en nuttig worden toegepast of verwijderd, overeenkomstig artikel 11, 12 en 13, §
  36. De gemeenten verhalen, overeenkomstig artikel 10, de kosten van het beheer van huishoudelijk afval op de afvalproducenten. De gemeente kan haar verzelfstandigde entiteiten of intergemeentelijke samenwerkings- verbanden ertoe machtigen die kosten te innen, ook als ze in de vorm van belastingen en retributies worden verhaald. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de gemeenten de kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen berekenen. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet worden de ophaling en inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeente- lijk reglement geregeld. De prestaties van elke persoon die nodig zijn voor de normale werking van de diensten die met het ophalen van de huishoudelijke afvalstoffen zijn belast, alsook het nodige materiaal daarvoor, mogen door de burgemeester, de arrondissementscommissaris en de gouverneur worden opgeëist.” Artikel 105 van de Grondwet luidt: “De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen.”
  37. De verzoekende partij zet niet uiteen op welke wijze artikel 105 van de Grondwet te dezen van toepassing zou zijn of miskend zou zijn geworden en de Raad van State ziet zulks evenmin. Die bepaling betreft immers de bevoegdheidsverdeling tussen de federale uitvoerende en wetgevende macht. Het blijkt niet dat of hoe de federale overheid te dezen betrokken zou zijn bij het tot stand komen van de bestreden beslissing.
  38. Bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel werd hiervoor reeds vastgesteld dat het reglementeren van de textiel- inzameling op voor het publiek toegankelijke terreinen van derden enkel bij XII-8142-14/17 reglementair besluit mag gebeuren en niet het voorwerp kan uitmaken van een beslissing tot gunning van een overheidsopdracht. In het hier besproken middel doet de verzoekende partij in essentie gelden dat de bestreden beslissing en de gevoerde gunningsprocedure de nodige rechtsgrond ontberen bij gebrek aan geldige politieverordeningen van de betrokken gemeenten.
  39. Anders dan de verzoekende partij het ziet, vinden de plaatsingsprocedure en de gunningsbeslissing echter niet hun rechtsgrond in die politieverordeningen, maar wel in de regelgeving inzake de plaatsing van overheidsopdrachten. Zoals reeds opgemerkt, strekken die politiereglementen ertoe de kwestieuze regeling inzake het verbod voor andere inzamelaars om textiel in te zamelen binnen het werkingsgebied van de verwerende partij te operationa- liseren, maar ze dienen een gunningsbeslissing zoals de in het geding zijnde beslissing niet tot fundamentele grondslag bij gebreke waarvan de gunnings- beslissing niet zou mogen worden genomen. Bijgevolg geldt er geen vereiste van het vooraf goedkeuren van een politiereglement opdat de gunningsprocedure zou mogen worden gevoerd en de gunningsbeslissing zou mogen worden genomen.
  40. In zoverre er in een betrokken gemeente geen – geldige – politieverordening zou zijn aangenomen op het ogenblik dat de opdracht wordt uitgevoerd, kan de exclusiviteit die in de opdracht werd opgenomen dan ook enkel gelden ten aanzien van de terreinen die door de gemeente zelf worden beheerd. Zij kan echter – voorlopig – niet worden afgedwongen ten aanzien van een privéterrein en terreinen die toebehoren aan andere publiekrechtelijke rechtspersonen die voor het publiek toegankelijk zijn. In zoverre de verwerende partij, de betrokken gemeenten of zelfs de gekozen inschrijver zouden proberen om de exclusiviteit bij ontstentenis XII-8142-15/17 van een reglementaire regeling terzake toch af te dwingen ten aanzien van de verzoekende partij en haar medecontractanten inzake dergelijke terreinen, stelt de Raad van State vast dat die feitelijke kwestie en de eventuele individuele handhavingsbeslissingen of -handelingen geen voorwerp uitmaken van het huidige beroep aan de Raad van State.
  41. Waar de verzoekende partij in dit middel ook de bevoegdheids- overdracht door de deelnemende gemeenten aan de verwerende partij betwist, wordt verwezen naar het betoog van de verwerende partij in de “aanvullende memorie na memorie van wederantwoord” (bladzijden 6-10) waaruit afdoende blijkt dat de deelnemende gemeenten wel degelijk hun bevoegdheid inzake afvalbeheer en -verwijdering aan de verwerende partij hebben overgedragen in artikel 3 van de statuten van de verwerende partij. Ook wat die kritiek betreft, dient het tweede middel te worden verworpen.
  42. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8142-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8142-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.852 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.