id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.870 Rolnummer: A. 222260/VII-39997 Zaak: Arrest 245870 - Milieuvergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 21:50 Fiche Arrest nr 245.870 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.870 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 222.260/VII-39.997 In zake :
- Philippe VAN HYFTE
- Marleen CLAEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel A. Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA HOF TER LINT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robert Peeters kantoor houdend te 3090 Overijse Brusselsesteenweg 506 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde J.B. Nowélei 13 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen VII-39.997-1/19 de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 241.095 van 22 maart 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de verwerende partij, en VII-39.997-2/19 advocaat Robert Peeters, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij exploiteert aan de Daalstraat 121 te Grimbergen een bedrijf waar eieren worden gesorteerd en ingepakt. De inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse deels gelegen in woongebied (eerste 50 meter vanaf de rooilijn van de straat) en deels in agrarisch gebied. Bij besluit van 28 juni 1994 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunning verleend die als basis dient voor de exploitatie. Deze vergunning werd verleend voor een termijn van twintig jaar. Op stedenbouwkundig vlak dient te worden vermeld dat met een besluit van 25 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het afbreken van de bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loods en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Deze vergunning werd door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 191.453 van 16 maart 2009 op grond van VII-39.997-3/19 het motief dat “het geheel van vrijstaande, residentiële woningen, aan beide zijden van de Daalstraat, ook op het rechts aanpalende perceel, die de directe kenmerkende onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting uitmaken, nergens in de beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving worden betrokken”. Ingevolge het indienen van een nieuwe vergunningsaanvraag, beslist de verwerende partij op 14 oktober 2010 om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de regularisatie van de afbraak van een bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Met zijn arrest nr. A/2013/0487 van 15 juli 2014 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen deze vergunning wegens een niet-afdoende motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. De verwerende partij heeft op 27 november 2014 opnieuw de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend. 3.
- Op 18 oktober 2013 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting. 3.
- Naar aanleiding van deze aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Tijdens dit openbaar onderzoek worden vier bezwaren ingediend, waaronder één van de huidige verzoekende partijen. 3.
- Bij besluit van 3 februari 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde vergunning. 3.
- Op 14 maart 2014 stellen de verzoekende partijen tegen deze beslissing beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 3.
- Met een besluit van 19 juni 2014 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om het beroep niet in te willigen. VII-39.997-4/19 3.
- Bij arrest nr. 236.429 van 17 november 2016 vernietigt de Raad van State de op 19 juni 2014 verleende milieuvergunning op grond van de volgende motieven: “[…] Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer ‘een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een ‘gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ te bevatten. Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. […] Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. […] Met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving wordt in de bestreden beslissing, onder verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010, overwogen dat ‘in de directe omgeving nog bedrijvigheid en handel aanwezig zijn naast woningen in open bebouwing’, dat binnen een afstand van ongeveer 350 meter onder meer ‘een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een verpakkingsbedrijf, een bouwaannemersbedrijf en een dakwerker’ aanwezig zijn, dat ‘de aanwezigheid van deze activiteiten duidt op een verwevenheid van functies’ en dat ‘[h]et eierinpakbedrijf dat evenals de andere activiteiten historisch gegroeid is, past binnen deze gemengde omgeving’. De stedenbouwkundige vergunning waarop de verwerende partij haar beoordeling van de ruimtelijke inpasbaarheid van de inrichting heeft gestoeld, werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd bij arrest nr. A/2013/0487 van 15 juli 2014 op grond van de vaststelling dat de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving niet afdoende werd verantwoord, inzonderheid omdat niet blijkt ‘waarom de vergunde uitbreiding verenigbaar met de concrete, door residentiële bebouwing VII-39.997-5/19 gekenmerkte ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving wordt bevonden’, de verschillende bedrijven waarnaar verwezen wordt op een afstand liggen van ‘ongeveer 350m’ en niet meer tot ‘de onmiddellijke omgeving [kunnen] worden gerekend’ en ‘[d]e aanwezigheid van die bedrijven [niet] betekent […] dat de woningbouw […] zijn residentieel karakter verliest’. De specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, in het bijzonder de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, dienen zich in het kader van voorliggend geding niet anders aan. De thans bestreden beslissing die wezenlijk steunt op de motieven van de inmiddels vernietigde stedenbouwkundige vergunning, bevat derhalve evenmin een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. De omstandigheid dat de verwerende partij op 27 november 2014 opnieuw een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend waarvan, naar ze zelf stelt, de motivering ‘aansluit’ bij de motieven van het bestreden besluit, is niet relevant voor de beoordeling van de wettigheid ervan”. 3.
- Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014 hernomen. 3.
- In het kader van deze herneming wordt advies uitgebracht door: de Vlaamse Milieumaatschappij (gunstig), het Agentschap Zorg & Gezondheid (voorwaardelijk gunstig), de afdeling Milieuvergunningen (deels gunstig, deels ongunstig) en de Provinciale Milieuvergunningscommissie (beroep niet inwilligen). 3.
- Met een besluit van 9 maart 2017 willigt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen niet in. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Verslag van het onderzoek Het vernietigingsarrest van de Raad van State (nr. 236.429) is gesteund op één middel, nl. het ontbreken van een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving; temeer omdat de motivering overgenomen was van de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 voor het slopen van de bestaande woning, de uitbreiding van bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen en een conci[ë]rgewoning VII-39.997-6/19 (regularisatie) die vernietigd werd door de RvVB op 15 juli
- Op 27 november 2014 heeft de deputatie opnieuw de stedenbouwkundige vergunning verleend waartegen opnieuw een verzoek tot vernietiging ingediend werd bij de RvVB. Rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State moet de beslissing van de deputatie over de milieuvergunning een eigen gemotiveerde beoordeling bevatten van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De percelen van de inrichting zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, gelegen in woongebied (50 m t.o.v. de voorliggende weg) en voor het overige in agrarisch gebied. Volgens artikel 5 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Volgens artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn Agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht op ten minste 300m van een woongebied of op ten minste 100m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden. Binnen een straal van 500 m bevindt zich: Ten noorden: agrarisch gebied; Ten oosten: agrarisch gebied, woongebied, woongebied met landelijk karakter; Ten zuiden: woongebied, agrarisch gebied; Ten westen: agrarisch gebied, woongebied, woonuitbreidingsgebied. De aanvraag is niet gelegen in een algemeen plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Bijgevolg dient de aanvraag te worden getoetst aan de bovenvermelde bepalingen van het gewestplan. Artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt: VII-39.997-7/19 ‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving’. Krachtens het bepaalde in artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied enkel worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de ‘taken’ van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark. Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven.’ De uitbating van Hof ter Lint omvat geen productieproces. Het betreft hier louter de aanvoer van losse eieren, het verpakken van de eieren ter plaatse en de afvoer naar klanten (grootwarenhuis e.d.). De uitbating is uitsluitend omwille van de opslagcapaciteit van eieren (100 ton) ingedeeld in klasse
- Alle andere vergunde activiteiten zoals de sorteer- en verpakkingsmachine zijn ingedeeld in klasse
- De indelingsrubriek 45.4.e.2 voor de opslag van eieren heeft geen bovendrempel voor indeling in klasse 2 ( meer dan 50 ton onbeperkt). De opslag van 100 ton eieren is dus aan de lage kant. Het gaat hier om een kleinschalig bedrijf dat maximaal 15 werknemers tewerk gesteld. Ook het aantal transporten is eerder kleinschalig Het feit dat het gevraagde aantal stalplaatsen voor vrachtwagens en de vermogens van de machines volgens de ‘lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen’ slechts ingedeeld zijn in klasse 3 wijst erop dat deze activiteiten weinig hinderlijk zijn voor de omgeving. Van de loutere opslag van eieren moet op zich ook weinig hinder verwacht worden. Uit de evaluatie van het beroepschrift, het verslag van het onderzoek en de door het college opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden blijkt dat de mogelijke hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt […]. De omliggende woonzone heeft geen loutere residentiële functie. VII-39.997-8/19 Het eierinpakbedrijf bestaat sinds halverwege de jaren ‘60 maar is pas op 28 juni 1994 vergund. Sindsdien beschikt het bedrijf steeds over een geactualiseerde milieuvergunning. De eerste stedenbouwkundige vergunning dateert van 19 mei 1967 (voor woning en magazijn). Op de luchtfoto van de jaren ‘70 is te zien dat de percelen links en rechts van de uitbating niet bebouwd zijn (landbouwgrond). De Daalstraat is volgens recente luchtfoto’s (Google maps) langs beide zijden nagenoeg volledig dicht gebouwd. Volgens de actuele (21 mei 2014) bedrijvengids van Grimbergen zijn er in de Daalstraat 18 bedrijven en/of handelszaken. Er is hier wel degelijk sprake van gemengde omgeving. Binnen een afstand van 350m van de inrichting zijn aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en een dakwerker. Voor een deel van deze bedrijven is de oppervlakte inname van de gebouwen op het perceel ong. gelijk aan deze van het eierinpakbedrijf. Er is wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies. Verder kon AMV ter plaatse (24.01.2017) vaststellen dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving: - de voorgevel van het gebouw aan de straatkant heeft geen industrieel karakter; - t.o.v. het links aanpalend perceel is er een beplanting over een breedte van 3 m; - t.o.v. het rechts aanpalend perceel blijft een afstand van 5 m behouden en is er tevens een 3 m hoge haag aanwezig die zorgt voor een visuele afscheiding en buffering tussen het bedrijf en de vrijstaande woning van beroeper. Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag bestaanbaar is met de bestemming woongebied en verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, in overeenstemming is met wettelijke bepalingen voor woongebied, alsook met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Dat het Hof ter Lint op planologisch vlak nooit als een ‘probleembedrijf’ beschouwd werd is ook onrechtstreeks te vinden in het feit dat Hof ter Lint BVBA niet opgenomen is in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ (aangenomen door gemeenteraad op 19 oktober 2006; MB: 14.12.2006 en 13 juni 2007). Hof ter Lint werd destijds door de gemeente niet opgenomen in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ omdat er enkel voor de meest dringende conflicterende bedrijfslocaties een juridisch-planologische oplossing gezocht werd en dat Hof ter Lint op dat ogenblik beschikte over een geldige bouw- én milieuvergunning, waardoor dit niet als een ‘urgent geval’ kon beschouwd worden. Dergelijke bedrijven werden opgenomen in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Grimbergen voor opmaak van een RUP. De opmaak van een RUP zonevreemde bedrijven (voor Hof ter Lint) is niet opgenomen in het bindend gedeelte van het GRS. Het bedrijf van De Keyser (carrosserie en transport) op ong. 200m van het Hof ter Lint in de Daalstraat werd wel opgenomen in bovenvermeld BPA”. VII-39.997-9/19 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Doelloos beroep
- De tussenkomende partij stelt dat zij haar inrichting inmiddels heeft omgevormd tot een louter meldingsplichtige inrichting en dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen daarvan op 9 juli 2018 akte heeft genomen. Uit die omstandigheid leidt zij af dat de milieuvergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid “zonder voorwerp is geworden”, de vergunningstoestand van het bedrijf is “geregulariseerd” en het voorliggende beroep tot nietigverklaring bij gebrek aan voorwerp actueel doelloos is.
- De verwerende partij meent dat het voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer aangewezen is om voorliggend annulatieberoep samen te behandelen met het annulatieberoep dat de verzoekende partijen hebben ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 9 juli 2018 houdende aktename van de “melding ingediend op 27 juni 2018 door Hof ter Lint, Daalstraat 121 te 1852 Grimbergen voor een inrichting van klasse 3, zijnde het sorteren en verpakken van eieren […]” (zaak A. 226.255/VII-40.387), of om “huidige procedure sine die uit te stellen tot over de betwiste melding uitspraak zal zijn gedaan”.
- In hun laatste memorie verzetten de verzoekende partijen zich tegen de vaststelling dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is. Zij herinneren er onder meer aan dat voor de justitiële rechter procedures hangende zijn met betrekking tot het exploiteren van de inrichting - op een ogenblik voorafgaand aan het aktenemingsbesluit van 9 juli 2018 - zonder te beschikken over een rechtsgeldige uitvoerbare milieuvergunning. VII-39.997-10/19 Beoordeling
- Alleen al uit de vaststelling dat het aktenemingsbesluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 9 juli 2018 met een afzonderlijk annulatieberoep wordt bestreden en dit besluit derhalve geen definitieve rechtstitel verschaft voor de exploitatie van de betrokken inrichting, volgt dat het voorwerp van voorliggend annulatieberoep niet teloor is gegaan.
- Aangezien de thans bestreden milieuvergunningsbeslissing en het aktenemingsbesluit van 9 juli 2018, waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd in zaak A. 226.255/VII-40.387, geen identiek voorwerp hebben, is een samenvoeging van de beide zaken niet vereist in het belang van een goede rechtsbedeling. De vrees voor tegenstrijdige uitspraken is immers ongegrond. Op het verzoek tot samenvoeging wordt bijgevolg niet ingegaan. Belang van de verzoekende partijen Exceptie
- De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen bij de gevraagde vernietiging. Inzonderheid zouden de verzoekende partijen niet aantonen dat zij als buurtbewoners hinder zouden kunnen ondervinden van de met het bestreden besluit vergunde inrichting. Zij wijst erop dat de beweerde verkeershinder afkomstig is van het gebruik van een openbare weg die voorkomt in de ‘Atlas der Buurtwegen’ en dat die weg ook gebruikt wordt door landbouwers zodat de beweerde hinder niet enkel haar kan worden aangerekend. Voorts zou op geen enkele wijze aangetoond worden dat de vergunde activiteiten aanleiding zouden geven tot onaanvaardbare hinder voor de omgeving. Evenmin zouden de vaststellingen van diverse instanties omtrent de aard van de hinder, worden ontkracht. Ten slotte zou uit een geluidsstudie blijken dat de geluidshinder VII-39.997-11/19 niet zijn oorsprong vindt op haar perceel maar elders.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat het manifest onjuist is dat de losweg die door de tussenkomende partij wordt gebruikt om de achtergelegen laad- en loskade te bereiken permanent door iedereen wordt gebruikt, dat landbouwers deze weg slechts zeer occasioneel gebruiken en dat de hinder overigens ook wordt teweeggebracht door het manoeuvreren met vrachtwagens om de laad- en losruimte binnen te rijden. Bij hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen processen-verbaal van vaststelling van een gerechtsdeurwaarder van 25 januari 2016, 7 maart 2016, 20 april 2016 en 8 juni 2016 waaruit blijkt dat de voorwaarden die door de justitiële rechter op 15 oktober 2015 werden opgelegd niet worden gerespecteerd. Ten slotte menen de verzoekende partijen dat de geluidsstudie die de tussenkomende partij heeft laten uitvoeren, niet representatief is voor het geheel van vrachtwagenbewegingen en andere bedrijfsactiviteiten die op en rond de inrichting plaatsvinden. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Om belang te hebben bij het bestrijden van de aan de tussenkomende partij verleende milieuvergunning moeten de verzoekende partijen derhalve aantonen of minstens aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kunnen ondervinden door de vergunde exploitatie. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet echter niet worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de VII-39.997-12/19 hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoekende partijen hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen naast de vergunde inrichting wonen, dat ter hoogte van de perceelsgrens vrachtwagentransporten worden uitgevoerd en dat de laad- en losactiviteiten plaatsvinden in hun onmiddellijke leefomgeving. Gelet op deze feitelijke omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat de verzoekende partijen nadeel of hinder ondervinden door de met het bestreden besluit vergunde exploitatie. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 21, § 2, 2°, en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de geschonden geachte bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom VII-39.997-13/19 de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ordening. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn en dient de stedenbouwkundige toetsing onderscheiden te zijn van de milieuhygiënische beoordeling van de aanvraag. Met betrekking tot de in het bestreden besluit doorgevoerde stedenbouwkundige toets stellen zij vast dat de verwerende partij zich op dezelfde bedrijfsexploitaties steunt als voorheen, om te besluiten tot een gemengde omgeving die niet louter residentieel van aard is, ondanks de reeds tussengekomen arresten, die stellen dat de Daalstraat ter hoogte van de inrichting haar residentieel karakter niet verliest. De bedrijfsexploitaties waar in de thans bestreden beslissing opnieuw naar wordt verwezen, behoren dan ook niet tot de onmiddellijke omgeving van de inrichting. Bovendien is de bedrijfsactiviteit van de tussenkomende partij niet te vergelijken met de bedrijven die worden vermeld in de motivering van de bestreden beslissing, aangezien de exploitatie in kwestie gepaard gaat met meer transportbewegingen. Tevens vormen de referentiebedrijven een cluster verderop in de straat terwijl Hof ter Lint, afgelegen van andere bedrijvigheid, tussen woningen gesitueerd is. De bestreden beslissing laat dan ook na om de bestaande vrijstaande eengezinswoningen gelegen aan weerszijden en de overkant van de inrichting en die er de meest kenmerkende onmiddellijke omgeving van uitmaken bij de beoordeling te betrekken. Het bestreden besluit verwijst niet alleen enkel naar de verderop gelegen bedrijfsexploitaties maar negeert in haar beoordeling zelfs zonder meer de in de onmiddellijke omgeving gelegen residentiële woningbouw. Bovendien zijn een aantal in het bestreden besluit gedane vaststellingen inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving ook onjuist en geven zij geen correct beeld van de werkelijkheid. Zo bedraagt de bouwvrije zijdelingse strook aan het rechts aanpalende perceel van de verzoekende partijen geen 5 meter maar amper 4,4 meter die achteraan versmalt tot zelfs maar 3,75 meter. Overigens wordt deze zogenaamd bouwvrije zone gebruikt voor de doorgang van vrachtwagens naar de achteraan gelegen laad- en loskades toe en is er dus geen enkele buffering voorzien ten aanzien van hun perceel. De drie meter hoge haag hebben zij overigens zelf VII-39.997-14/19 aangelegd en is onvoldoende dichtgegroeid om visueel contact te vermijden. In elk geval is zij niet van aard om te dienen als buffer wat betreft lawaai- en geurhinder. De gegeven motivering op het vlak van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening is volgens de verzoekende partijen dan ook niet voldoende draagkrachtig.
- De verwerende partij verwijst naar een gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van 8 april 2014 en haalt de “zeer uitvoerige” motivering van de bestreden beslissing aan. Zij benadrukt dat uit een recente luchtfoto, genomen in 2017, kan worden afgeleid dat de onmiddellijke omgeving gekenmerkt moet worden als een “gemengde omgeving” en niet als een louter residentiële woonwijk en dat zij aan de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving niet is voorbijgegaan door de bestaande inrichtingen binnen een straal van 330 meter bij haar beoordeling te betrekken.
- De tussenkomende partij zet het volgende uiteen: “Artikel 4.3.1 VCRO bepaalt dat de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van een aantal aandachtspunten en criteria ‘voor zover noodzakelijk of relevant’. In tegenstelling tot wat door de verzoekende partij wordt voorgehouden, moeten de genoemde aandachtspunten of criteria slechts worden besproken in zoverre deze relevant of noodzakelijk zijn. De appreciatie hiervan komt in eerste instantie aan de vergunningsverlenende overheid toe. De verzoekende partij toont in casu geenszins op een concrete wijze aan in hoeverre de beoordeling die door de Deputatie op dit vlak werd uitgevoerd, kennelijk onredelijk zou zijn, dan wel onzorgvuldig of niet afdoende gemotiveerd. In tegenstelling tot wat verzoekende partij tracht voor te houden, werd de toets aan de goede ruimtelijke ordening alsook aan de bestemming woongebied, wel op een zorgvuldige wijze door de Deputatie uitgevoerd. Immers in de bestreden beslissing wordt op een zeer uitvoerige wijze uiteengezet waarom de activiteit waarvoor tussenkomende partij een vergunning heeft aangevraagd, verenigbaar is met de onmiddellijke en wijdere omgeving. Verzoekende partij verliest evenwel uit het oog dat de provinciale afdeling bevoegd voor de milieuvergunningen (AMV) in casu ter plaatse is geweest en een positief advies heeft uitgebracht. Als dusdanig kan in deze geenszins wordt voorgehouden dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de onmiddellijke omgeving, uit de lucht zou gegrepen zijn. VII-39.997-15/19 De motivering in de bestreden beslissing toont dan ook afdoende aan waarom de exploitatie - gelet op de onmiddellijke en wijdere omgeving - voor vergunning in aanmerking komt. Zo werden elementen als verkeersafwikkeling, geluidsproblematiek, visuele hinder, geurhinder, etc allen uitvoerig besproken in de bestreden beslissing. […] Zodoende werd de verenigbaarheid met het woongebied en met de goede ruimtelijke ordening, weldegelijk besproken. Specifiek aangaande het eigendom van verzoekende partij, stelt de bestreden beslissing nog : ‘Langs de rechtse zijde blijft een afstand van 5,00 m behouden. Tevens is er een 3 m hoge haag aanwezig die zorgt voor een visuele afscheiding en buffering tussen het bedrijf en de vrijstaande woning van beroeper.’ Het feit dat de bestreden beslis[s]ing eveneens verwijst naar de andere bedrijvigheid en handel in de omgeving, doet geen afbreuk aan het feit dat de beoordeling aangaande de onmiddellijke omgeving in casu weldegelijk in concreto is gebeurd. Bovendien worden ook de vaststellingen - dat er in de omliggende omgeving nog bedrijvigheid is en de omgeving dan ook niet gekenmerkt wordt door een 100 % aan residentieel wonen - door verzoekende partij niet tegengesproken. Alleszins wordt door verzoekende partij niet ontkend dat de argumentatie van de Deputatie op dit punt, niet correct zou zijn. Gelet op het voormelde is het eerste middel niet gegrond nu de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening alsook met de woonbestemming, in casu in concreto en na een plaatsbezoek van de dienst AMV, correct werd beoordeeld en afdoende werd gemotiveerd”.
- In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen dat de in de onmiddellijke omgeving bestaande residentiële bebouwing, met name de vrijstaande eengezinswoningen aan beide zijden van de Daalstraat, niet bij de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid werd betrokken. Het feit dat er in de ruimere omgeving een aantal bedrijfsexploitaties gevestigd zijn doet daar volgens de verzoekende partijen niets aan af, ongeacht de precieze afstand waarop deze zich bevinden.
- De tussenkomende partij wijst er in haar laatste memorie nog op dat zij actueel beschikt over een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning, verleend bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 februari 2018, die niet werd aangevochten. VII-39.997-16/19
- In hun laatste memorie delen de verzoekende partijen mee dat zij bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wel degelijk een verzoek tot vernietiging hebben ingesteld tegen de vergunningsbeslissing van 8 februari
- Beoordeling
- Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer “een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een “gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” te bevatten. Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening VII-39.997-17/19 moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving.
- De vergunningverlenende overheid dient bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten.
- Om tot het besluit te komen dat de inrichting gelegen is in een “gemengde omgeving” en de “omliggende woonzone […] geen loutere residentiële functie [heeft]”, neemt de verwerende partij andermaal in aanmerking dat “[b]innen een afstand van 350 m van de inrichting […] aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en dakwerker [zijn gelegen]”, zodat er “wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies [is]”.
- Uit de door de verzoekende partijen neergelegde stedenbouwkundige nota, opgemaakt door een landmeter-expert, blijkt dat de bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, langs beide zijden van de Daalstraat, in hoofdzaak bestaat uit vrijstaande residentiële woningen van het type villa. Uit geen enkel motief van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de bestaande residentiële woningbouw, die het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf, bij haar beoordeling heeft betrokken. Het feit dat nadien aan de tussenkomende partij een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend, heeft dit motiveringsgebrek niet verholpen. Het middel is gegrond. VII-39.997-18/19 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), niet wordt ingewilligd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 800 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.997-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.870 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div