← België

Arrest 245871 - Voedselveiligheid (FAVV) - 24/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.871 Rolnummer: A. 220649/VII-39824 Zaak: Arrest 245871 - Voedselveiligheid (FAVV) - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 07:14 Fiche Arrest nr 245.871 van 24 oktober 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.871 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 220.649/VII-39.824 In zake : de VZW GLOBAL ACTION IN THE INTEREST OF ANIMALS (G.A.I.A.) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Vandamme en Charlotte Ponchaut kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de STAD GENK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Vanderputte en Kristof Hermans kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het “Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) van 7 september 2016 houdende het in toepassing van artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, de toelatingen en de voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV voorwaardelijk erkennen als slachthuis van het VII-39.824-1/13 stedelijk slachthuis loods nr. 2.243.420.651 gelegen te Wiemesmeerstraat 87 in 8500 Genk”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 241.785 van 14 juni 2018 vernietigt de Raad van State de bestreden beslissing en heropent hij het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel. Bij arrest nr. 242.444 van 27 september 2018 heropent de Raad van State het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Charlotte Ponchaut, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Kristof Hermans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft advies gegeven. VII-39.824-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Bij arrest nr. 241.785 van 14 juni 2018 vernietigt de Raad van State het besluit van het “Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) van 7 september 2016 houdende het in toepassing van artikel 6 van het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, de toelatingen en de voorafgaande registraties afgeleverd door het FAVV voorwaardelijk erkennen als slachthuis van het stedelijk slachthuis loods nr. 2.243.420.651 gelegen te Wiemesmeerstraat 87 in 8500 Genk”. Voor wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft wordt verwezen naar dit arrest. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de verwerende partij 4. De verwerende partij werpt als exceptie op dat de verzoekende partij de vordering tot schadevergoeding tot herstel die zij in haar memorie van wederantwoord heeft gesteld, niet heeft herhaald in haar laatste memorie. Volgens de verwerende partij moet hieruit de afstand van die vordering worden afgeleid, en kan die afstand niet meer worden “ingetrokken”. Procedurele voorgaanden 5. In de overwegingen van arrest nr. 241.785 van 14 juni 2018 is te lezen: VII-39.824-3/13 “In haar memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel van 1 euro „ten provisionele titel‟. Die eis wordt niet herhaald in de laatste memorie. Het debat wordt heropend om de verzoekende partij de kans te geven op de daartoe vastgestelde zitting uit te leggen of het hier gaat om een procedurele nalatigheid, slordigheid of vergetelheid dan wel om een afstand”. In het dictum wordt bepaald: “De Raad van State heropent het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel en stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van 13 september 2018 om 10.00 uur”. 6. Vervolgens overweegt de Raad van State bij arrest nr. 242.444 van 27 september 2018: “Bij arrest nr. 241.785 van 14 juni 2018 heropent de Raad van State het debat wat betreft de schadevergoeding tot herstel: […] Hoewel dit arrest ter kennis werd gebracht van de verzoekende partij op 15 juni 2018, verklaarde haar raadsman pas ter terechtzitting dat de vordering tot schadevergoeding tot herstel wel degelijk moest worden voortgezet en vroeg zij uitstel om haar standpunt daarover schriftelijk uiteen te zetten”. Het dictum luidt: “1. De Raad van State heropent het debat. 2. De verzoekende partij beschikt over een termijn van 15 dagen nadat dit arrest haar wordt betekend om schriftelijke stukken in te dienen. De verwerende en de tussenkomende partij beschikken vervolgens over een termijn van 15 dagen om hun bemerkingen daarop te formuleren”. 7. Bij beschikking van 9 januari 2019 wordt de zaak vastgesteld op de terechtzitting van 7 februari 2019. Op deze zitting wordt de zaak sine die uitgesteld. Uit het PV van de terechtzitting blijkt dat dit uitstel het “de verzoekende partij moet toelaten om de rolrechten te voldoen verbonden aan het verzoek tot schadevergoeding tot herstel en de auditeur om verslag op te maken over diezelfde schadevergoeding”. VII-39.824-4/13 Beoordeling 8. Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel was geformuleerd in de memorie van wederantwoord. Het auditoraat had geoordeeld dat het beroep tot nietigverklaring diende te worden verworpen, waardoor het volstond om te verwijzen naar artikel 25/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 dat - los van de gemeenrechtelijke rechtspleging - de procedure voor het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel regelt. In die omstandigheid kan het de verzoekende partij niet ten kwade worden geduid dat zij haar verzoek niet herhaalde in de laatste memorie, omdat pas bij de vaststelling van een onwettigheid kon worden gehandeld overeenkomstig artikel 25/3, § 4, van het besluit van de Regent. In de gegeven omstandigheden kan uit de laatste memorie geen afstand van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel worden afgeleid. V. Gegrondheid van de vordering Standpunt van de verzoekende partij 9. De verzoekende partij betoogt dat het nadeel dat zij heeft geleden en dat niet geheel wordt hersteld door de vernietiging van de bestreden handeling bestaat uit “het door de dieren in kwestie geleden leed”, en het feit dat zij haar statutair doel niet heeft kunnen realiseren. Zonder de “onwettige erkenning” van het slachthuis kon men volgens haar geen gebruik maken van de uitzondering om schapen bij religieuze rites onverdoofd te slachten, en zou zij ook geen morele en materiële schade hebben geleden. Zij zet daarover het volgende uiteen: VII-39.824-5/13 “III. 1. NADEEL De Raad van State is principieel bevoegd om schadevergoeding tot herstel toe te kennen wanneer de begunstigde van een vernietigingsarrest aantoont dat de weerhouden onwettigheid een nadeel heeft berokkend dat niet geheel werd hersteld door de vernietiging van de bestreden bestuurshandeling. Dit nadeel dient door de verzoeker bewezen te worden, aan de hand van concrete elementen. Hierbij komen zowel een moreel als een materieel nadeel in aanmerking. Op vlak van het nadeel waarvoor vergoeding zou kunnen worden gevorderd in het voorliggend geval, dient men voor ogen te houden dat aangezien de afgeleverde erkenningen aan de tijdelijke slachthuizen onwettig waren, er daar principieel niet onverdoofd had mogen geslacht worden. Er is immers inderdaad een uitzondering voorzien voor onverdoofd slachten wanneer dat voorgeschreven wordt door een religieuze ritus, maar daartoe is wel vereist dat dit gebeurt in een duurzame inrichting die wettig erkend was (quod non in casu). Aangezien in de twee slachtinrichtingen principieel niet onverdoofd had mogen worden geslacht, is het „nadeel dat niet geheel wordt hersteld door de vernietiging van de bestreden handeling‟ het door de dieren in kwestie geleden leed, alsook het feit dat verzoekende partij haar statutair doel niet heeft kunnen realiseren. Dit was wel het geval geweest indien geen onwettige erkenningen waren afgeleverd, nu in dergelijk geval ook geen schapen onverdoofd geslacht zouden zijn. III.1.2. GEVOLG VAN DE ONWETTIGHEID Er is geen discussie dat het nadeel wordt geleden als een gevolg van de onwettigheid. Zonder de onwettige erkenning door verwerende partij, kon tussenkomende partij (noch anderen) onmogelijk een slachthuis uitbaten op wettige wijze. Zonder de onwettige erkenning kon men dus ook geen gebruik maken van de uitzondering om schapen onverdoofd te slachten bij religieuze rites, nu dit enkel kan volgens de Europese Verordening in een erkend slachthuis. Conclusie is dat er geen onverdoofde slachtingen hadden kunnen uitgevoerd worden, en verzoekende partij dus ook geen morele en materiële schade had geleden zonder deze onwettige erkenning die op 14 juni 2018 door uw Raad vernietigd werd. III.3. Begroting van de schade III.3.1. MORELE SCHADE In eerste instantie is er de morele schadevergoeding. Verzoekende partij heeft jaren moeten strijden tegen de onwettige erkenningen, teneinde finaal in het gelijk te worden gesteld door het vernietigingsarrest van 14 juni 2018 waarin werd bevestigd dat de erkenning als (tijdelijk) slachthuis door het FAVV onwettig was. Intussen konden de onverdoofde slachtingen doorgaan, met alle dierenleed vandien. Zonder de onwettige vergunningen zou dit niet gebeurd zijn, en had verzoekende partij haar statutair doel kunnen bereiken door het vermijden van zinloze en pijnlijke onverdoofde slachtingen. Op vlak van morele schade wordt vaak aanvaard dat milieuverenigingen morele schade lijden ten gevolge van de aantasting van het milieubelang VII-39.824-6/13 dat zij willen vrijwaren. Het is evident dat verzoekende partij, als organisatie die dierenleed wil voorkomen, morele schade heeft geleden en deze de symbolische vergoeding van één euro overstijgt. Het beperken van de schadevergoeding tot één symbolische euro lijkt weinig billijk, en de omstandigheden van „particulier en openbaar belang‟ waarin een schadevergoeding van één euro gerechtvaardigd is, lijken bijzonder beperkt. De Raad van State oordeelde bovendien in een recent arrest dat: „par identité de motifs, cette évolution [voortvloeiend uit het arrest van het Grondwettelijk Hof] ne peut pas demeurer sans effet sur la manière d‟apprécier le dommage éligible à l‟indemnité répatrice; qu‟il doit dès lors être admis que l‟acte attaqué a pu engendrer un préjudice écologique qui méconnait les valeurs que l‟association requérante défend et lui causer un dommage moral.‟ Uit dit alles vloeit voort dat 1) het aannemelijk is dat verzoekende partij een moreel nadeel lijdt waarvoor het vergoeding kan bekomen, en 2) waarvan de vergoeding de symbolische euro kan overstijgen. Deze morele schade wordt ex aequo et bono zeer billijk begroot op 5.000 EUR. III.3.2. MATERIËLE SCHADE

  1. a)Gerechtskosten Verzoekende partij heeft ook tal van gerechtelijke procedures moeten voeren, ingevolge het feit dat verwerende partij stelselmatig onwettige erkenningen had verleend. Ook ingevolge de vernietigde beslissing heeft verzoekende partij diverse gerechtskosten moeten maken, én zelfs ten onrechte een rechtsplegingsvergoeding moeten betalen omdat de vordering - omwille van de vermeend wettige erkenning - werd afgewezen als ongegrond. Zonder de vereiste erkenning had verzoekende partij makkelijk kunnen aantonen dat er wel degelijk een verbod had moeten worden bekomen op het uitvoeren van onverdoofde slachtingen op de bewuste site. De werkelijke kosten, inclusief de volledige staat van erelonen van de advocaten, wordt niet gevorderd. Omwille van redenen van billijkheid wordt deze post van de schadevergoeding beperkt tot de forfaitaire rechtsplegingsvergoedingen en gemaakte kosten. Het gaat concreet om volgende kosten: • Eenzijdig verzoekschrift, met rolnummer 15/777/B, waarbij een rolrecht diende betaald te worden van 100 EUR […]. De advocatenkosten werden niet begroot. • Dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Tongeren, met rolnummer 16/1677/A, waarin de vordering werd afgewezen en verzoekende partij een RPV van 1440 EUR diende te betalen […]. Bijkomend diende verzoekende partij de dagvaardingskost op zich te nemen. • Hiertegen werd hoger beroep aangetekend. Net voor een eindarrest zou tussenkomen, kwam het vernietigingsarrest tussen van 14 juni 2018 in deze zaak. De debatten werden ambtshalve heropend […]. De raadslieden van Stad Genk vorderen een verhoogde RPV. Verzoekende partij vorderde VII-39.824-7/13 slechts de basisrechtsplegingsvergoeding van 1440 EUR, alsook de terugbetaling van de rolrechten hoger beroep. • Daarnaast dienden ook diverse andere procedures gevoerd te worden, inclusief een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen een gelijkaardig initiatief te Antwerpen (o.a. arrest nr. 238.996 van 31 augustus 2017 - RPV van 700 EUR - […]) en navolgende procedure ten gronde G/A 222.987/VII-40.075 - VII° Kamer. Dergelijke initiatieven hadden zich niet voorgedaan indien de onwettige werkwijze met onwettige erkenning van het FAVV aan Stad Genk (en Stad Beringen) geen navolging had gekregen. De gerechtskosten lopen dus ruim op, en met dagvaardingskost, rolrechten hoger beroep en forfaitaire rechtsplegingsvergoeding komt men reeds op een bedrag dat de 5.000 EUR ruim overstijgt. Dit bedrag maakt bovendien nog abstractie van de werkelijke advocatenkosten (kosten en erelonen, in elk van de opgesomde procedures), zodat een billijke vergoeding van 10.000 EUR geenszins overdreven is.
  2. b)Werkings- en campagnekosten Verzoekende partij heeft eveneens diverse jaren enorme bedragen moeten besteden aan campagnes tegen het onverdoofd slachten, en daar bovenop ontelbare uren besteed in de organisatie om deze onverdoofde slachtingen tegen te gaan. Bijkomend moet ook worden gewezen op enkele nationale mediacampagnes tegen onverdoofd slachten, met alle kosten vandien. Dit betreft een totale kost van enkele tienduizenden euro‟s. Deze kosten dienden niet gemaakt te worden, indien er - bij gebrek aan erkenning - geen onverdoofde slachtingen meer hadden plaatsgevonden. Een overzicht van deze campagne is ook terug te vinden op https://www.gaia.be/nl/campagne/onverdoofd-slachten. […] Een uitgebreid nieuwsoverzicht van tal van acties en initiatieven, van 2009 tot heden, is terug te vinden op https://www.gaia.be/nl/campagne/onverdoofd-slachten#related […]. De campagne is ook gebaseerd op schenkingen en giften, die anders voor andere campagnes tegen dierenleed hadden kunnen gebruikt worden. Uit onderstaande resultaten blijkt ook dat deze camapgnes al lopen van voor 2009, met een bevraging over onverdoofd slachten en vervolgens met intensieve inzet van personeel en middelen bij zowel retailers, politieke partijen, bevoegde ministers, enz. Nu geen integrale vergoeding wordt nagestreefd, wordt deze schade billijk begroot op een bedrag van 10.000 EUR ex aequo et bono.
  3. c)Verlies van kans Ten slotte wijst verzoekende partij er nog op dat zij in hoger vermelde gerechtelijke procedures geen exploitatieverbod heeft verkregen, noch een verbod om schapen onverdoofd te slachten. Bij gebrek aan wettige erkenning hadden deze verboden kunnen opgelegd worden onder verbeurte van een hoge dwangsom, die evenmin verbeurd kon worden. Dergelijke veroordeling had enorme proporties kunnen aannemen, zeker indien het onverdoofd slachten toch zou verdergezet worden. VII-39.824-8/13 Hiervoor wordt een schadevergoeding gevorderd van 1.000 EUR ex aequo et bono”. 10. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij wat de morele schadevergoeding betreft nog toe dat de stelling als zou deze schadevergoeding in concreto moeten worden bewezen voorbijgaat aan de leer van het arrest 7/2016 van het Grondwettelijk Hof van 21 januari 2016, waar, in antwoord op een prejudiciële vraag, wordt overwogen dat het voor de rechter niet onmogelijk is om de morele schadevergoeding van een milieuvereniging in concreto te ramen. Daarbij wordt gesteld: “[…] Zo kan hij onder meer rekening houden met de statutaire doelstellingen van de vereniging, met de omvang van haar activiteiten en de inspanningen die ze levert om haar doelstellingen te realiseren. Bovendien kan hij ook de ernst van de milieuverstoring in aanmerking nemen om de morele schadevergoeding voor de vereniging te begroten”. Zij noemt voorts haar strijd tegen het onverdoofd slachten één van de speerpunten van haar beleid. De “onwettige erkenning” door de verwerende partij heet voor haar “een zware opdoffer” die ertoe heeft geleid dat zij bijkomende acties heeft moeten ondernemen. Haar morele schadevergoeding kan volgens haar niet worden vergoed “door één symbolische euro”. Zij zet daarover het volgende uiteen: “Dit staat immers absoluut niet in verhouding tot haar strijd tegen het onverdoofd slachten die zij geschonden zag worden door het onwettig slachten van honderden schapen te Genk - en dit als gevolg van de (vernietigde) erkenning door de verwerende partij. Het voorgaande impliceert dat het onverdoofd slachten niet zomaar een klein werkpuntje is maar wel één van dé speerpunten van haar beleid uitmaakte. Dat hierbij ook specifiek werd ingezet op het onverdoofd slachten te Genk, kan niet worden ontkend. Dat dit werd onderuitgehaald door de onwettige erkenning door de verwerende partij, is dan ook een zware morele opdoffer geweest en heeft ertoe geleid dat verzoekende partij bijkomende acties (o.a. wake, gerechtelijke stappen, persberichten, …) diende te ondernemen. Ook dit maakt ontegensprekelijk onderdeel uit van haar morele schade die niet afdoende wordt vergoed door één luttele symbolische euro. Enkel door de onwettige erkenning door verwerende partij, kon het illegaal slachthuis te Genk worden uitgebaat. Zonder de onwettige erkenning kon VII-39.824-9/13 men dus ook geen gebruik maken van de uitzondering om schapen onverdoofd te slachten bij religieuze rites, nu dit enkel kan volgens de Europese Verordening in een erkend slachthuis. Conclusie is dat er geen onverdoofde slachtingen hadden kunnen uitgevoerd worden, en verzoekende partij dus ook geen morele en materiële schade had geleden zonder deze onwettige erkenning die op 14 juni 2018 door uw Raad vernietigd werd. Nu er op de site te Genk tussen de 300 en 500 schapen onverdoofd werden geslacht (zie cijfers in stuk 19) daar waar dit (en dit is een rechtstreeks gevolg van het vernietigde besluit) zonder onwettig verleende erkenning, niet mogelijk was geweest, leidt dit tot een onbetwistbare aanzienlijke impact op het dierenwelzijn en -bij uitbreiding- het leefmilieu.” Beoordeling 11. Uit de overwegingen van arrest nr. 241.785 van 14 juni 2018 blijkt dat te dezen niet mag worden geslacht in een infrastructuur die niet duurzaam is, ook al werd die voorwaardelijk erkend. Nochtans werden schapen geslacht in de infrastructuur die voorwaardelijk werd erkend door het FAVV bij beslissing van 7 september 2016, die werd vernietigd bij arrest nr. 241.785. Het nadeel dat voorhanden is, bestaat erin dat niet was gegarandeerd “dat de infrastructuur aanwezig [was] om het slachten in toegelaten omstandigheden te laten verlopen en om een adequate en permanente opvolging en controle mogelijk te maken”, terwijl de verzoekende partij als maatschappelijk doel heeft - artikel 4 van haar statuten - de bescherming van het dier en het doen naleven van de wetten ter zake, onder meer op het gebied van de productie en consumptie. Er mag dus worden aangenomen dat de verzoekende partij een nadeel heeft geleden wegens de aantasting van het collectief belang waarvoor zij werd opgericht. Daarenboven zou dat nadeel zich niet hebben voorgedaan indien de schapen - bij gebrek aan de infrastructuur die door de Raad van State bij arrest nr. 241.785 als onwettig werd beschouwd - niet werden geslacht of werden geslacht in een “duurzame inrichting”, waardoor het vereiste causaal verband aanwezig is. Hoewel een exacte schadebegroting bij de aantasting van de door de verzoekende partij beoogde dierenbescherming niet mogelijk is en de schade die de rechtspersoon in deze zaak heeft geleden niet samenvalt met de werkelijke VII-39.824-10/13 schade die zij lijdt door het dierenleed veroorzaakt door alle “onwettige erkenningen” waartegen zij opkomt, is het voor de rechter niet onmogelijk de morele schade van de vereniging in concreto te ramen. Zo kan hij onder meer rekening houden met de statutaire doelstellingen van de vereniging, met de omvang van haar activiteiten en de inspanningen die ze levert om haar doelstellingen te realiseren. Bovendien kan hij ook de ernst van het dierenleed in aanmerking nemen om de morele schadevergoeding voor de vereniging te begroten. Het morele nadeel werd deels door het vernietigingsarrest zelf hersteld. De verzoekende partij zet in haar laatste memorie op aannemelijke wijze uiteen dat zij een schade heeft geleden die groter is dan de symbolische één euro. Het gaat immers om de aantasting van één van haar fundamentele doelstellingen, waartegen zij daadwerkelijk is opgekomen in allerlei campagnes en juridische acties. 12. De procedures die de verzoekende partij voerde voor andere rechtsinstanties naar aanleiding van de intussen vernietigde beslissing zijn nog niet definitief beëindigd. De toekenning van de aan die procedures verbonden gerechtskosten zal geschieden in een eindarrest van het hof van beroep te Antwerpen. De gerechtskosten verbonden aan procedures die betrekking hebben op andere erkenningen dan de bestreden beslissing staan niet in oorzakelijk verband met de in het arrest vastgestelde onwettigheid. 13. De verzoekende partij neemt een uittreksel van een campagne tegen het onverdoofd slachten in haar verzoekschrift op, waarin is te lezen: “Het onverdoofd slachten veroorzaakt bij de dieren ernstig en langdurig lijden, dat in bepaalde gevallen tot 12 minuten kan duren. Dat is in strijd met de wettelijke verplichting om „elke vorm van vermijdbare pijn of lijden‟ te voorkomen op het moment van het doden”. VII-39.824-11/13 14. De campagnekosten betreffende de strijd van de verzoekende partij tegen het onverdoofd slachten kunnen niet in hun geheel ten laste van het FAVV worden gelegd, doch slechts voor het deel dat aan deze zaak is verbonden. 15. Het is niet zeker dat de verwerende partij “een hoge dwangsom” had moeten betalen, indien de justitiële rechter haar hiertoe had veroordeeld. Er dient te worden uitgegaan van het vermoeden van wettig overheidsoptreden; er is geen reden om aan te nemen dat de verwerende partij zich niet zou hebben geschikt naar het oordeel van de justitiële rechter. 16. Ex aequo et bono kan voor de vermengde materiële en morele schade een forfaitair bedrag van 3.750 euro worden toegekend. BESLISSING 1. De Raad van State veroordeelt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen tot betaling van een schadevergoeding tot herstel aan de VZW Global Action in the Interest of Animals ten bedrage van 3.750 euro. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het geding, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. VII-39.824-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.824-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.871 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.785 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.