id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.878 Rolnummer: A. 226946/VII-40450 Zaak: Arrest 245878 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 21:29 Fiche Arrest nr 245.878 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.878 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 226.946/VII-40.450 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0214 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 23 oktober 2018 in de zaak 1617-RvVb-0584-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 6 februari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.450-1/9 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Rogiers, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 16 februari 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de consoorten Wijnant een verkavelingsvergunning “voor het verkavelen van een terrein: één lot open bebouwing en twee loten halfopen bebouwing”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.450-2/9 IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 32, tweede lid en 35, tweede lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC), de artikelen 8, §§ 1, tweede lid en 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB) en 149 van de Grondwet: “Doordat het arrest door te oordelen (eigen onderlijning) ‘De verzoekende partij kan louter uit de 1igging van het terrein in mogelijk overstroombaar gebied niet automatisch afleiden dat het terrein een welbepaalde overstromingscapaciteit bevat’ geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel dat betrekking heeft op de ligging van het project in van nature overstromingsgebied, natuurlijke overstromingsgebied en in beekvallei, en doordat het arrest enkel stilstaat bij de beoordeling van de schade aan het watersysteem op de omgeving en hierdoor artikel 8 van het DIWB schendt dat eveneens betrekking op de beoordeling van de schade aan het watersysteem op de grond/locatie van het project zelf, en doordat het betwiste arrest van de RvVb geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel van verzoekster dat betrekking heeft op de onderscheiden relevant geachte beginselen en doelstellingen van het DIWB, en doordat het betwiste arrest geen motieven voor de verwerping van het middelonderdeel van verzoekster dat betrekking heeft op de schade aan fauna, flora en landschap als onderdeel van het watersysteem, en doordat het arrest door te oordelen ‘Het is niet vereist dat elke doelstelling en beginsel punt per punt wordt besproken of vermeld in de watertoets van een vergunning.’ het artikel 8§2 tweede lid van het DIWB schendt, en doordat het arrest door te oordelen (eigen onderlijning) ‘Er kan nogmaals gewezen worden op het gegeven dat op het niveau van de verkavelingsvergunning geen bebouwing en verharding wordt vergund, en dat dit later verder beoordeeld wordt op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning.’ artikel 8 §§1 en 5 van het DIWB schendt, daar er vereist is dat ook in de verkavelingsvergunning[…] alle aspecten van het aangevraagde die een mogelijke schade aan het watersysteem kunnen veroorzaken reeds op het moment van de verkavelingsaanvraag dient te gebeuren en dit niet zomaar kan VII-40.450-3/9 doorgeschoven worden naar de uit de verkavelingsvergunning volgende stedenbouwkundige- en/of omgevingsvergunningsaanvragen, Terwijl uit de motivering van een arrest van de RvVb moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen zijn onderzocht, en terwijl artikel 8 §2, tweede lid van het DIWB bepaalt ‘De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid.’, en terwijl luidens de memorie van toelichting bij het DIWB dat de ‘watertoets’ (in uitvoering van artikel 8 van het DIWB) invoerde, dit instrument bedoeld is als een preventief instrument”. Zij licht toe dat het bestreden arrest “bepaalde motieven van verzoekster niet” bespreekt. In essentie werpt de verzoekende partij op dat het bestreden arrest een aantal van haar motieven of argumenten ter betwisting van de degelijkheid van de door de deputatie gevoerde watertoets onbesproken heeft gelaten. Zij herneemt vooreerst haar argumentatie die zij heeft aangevoerd voor de RvVb omtrent het feit dat het project in natuurlijk overstromingsgebied (= van nature overstroombaar gebied of NOG) en in mogelijk overstromingsgevoelig gebied gelegen is en zij wijst op de rode draad in het bekkenbeheerplan waaruit blijkt dat de van nature overstroombare valleien gevoelig zijn voor overstromingen en bebouwing aldaar wordt afgeraden. Door te oordelen dat de verzoekende partij niet louter uit de ligging van het terrein in mogelijk overstroombaar gebied automatisch kan afleiden dat het terrein een welbepaalde overstromingscapaciteit bevat, miskent het arrest deze argumentatie van de verzoekende partij. Het bestreden arrest betrekt evenmin het arrest waarop zij heeft gewezen en dat een duidelijk standpunt bevat over de gebiedscategorie waarin ook het aangevraagde zich situeert. Het bestreden arrest gaat evenmin in op de flora, fauna en landschap als onderdeel van het watersysteem terwijl zij gewezen heeft op het VII-40.450-4/9 gebrek aan de verplichte toetsing aan de relevante drie doelstellingen en acht beginselen die verbonden zijn met deze elementen. Door te oordelen dat het niet vereist is dat elke doelstelling en beginsel punt per punt wordt besproken of vermeld in de watertoets van een vergunning, schendt het arrest artikel 8, § 2, tweede lid, DIWB. Het bestreden arrest geeft geen repliek “op de grieven m.b.t. het feit dat de vergunning in kwestie geen rekening hield met de gevolgen voor de fauna/flora en landschap als onderdeel van het watersysteem”. Door aan deze argumentatie van de verzoekende partij voorbij te gaan, schendt het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC-decreet. Het bestreden arrest schendt artikel 8, §§ 1 en 5, DIWB door te oordelen “dat op het niveau van de verkavelingsvergunning geen bebouwing en verharding wordt vergund, en dat dit later verder beoordeeld wordt op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning” omdat “er vereist is dat ook in de verkavelingsvergunning alle aspecten van het aangevraagde die een mogelijke schade aan het watersysteem kunnen veroorzaken reeds op het moment van de verkavelingsaanvraag dient beoordeeld te worden en dit niet zomaar kan doorgeschoven worden naar latere uit de verkavelingsvergunning volgende stedenbouwkundige vergunningsaanvragen”. Zij stelt nog dat het bestreden arrest artikel 8, § 1, DIWB schendt door de kritiek van de verzoekende partij “op de betrokken vergunning m.b.t. het onderzoek naar de schade aan het watersysteem van de te verkavelen grond” enkel te betrekken op de overwegingen in de bestreden vergunningsbeslissing die “enkel [slaan] op onderzoek naar schadelijke effecten op (het watersysteem van) de omgeving en/of voor de aanpalenden”. Het onderzoek naar de schade op het watersysteem wordt in artikel 8, § 1, DIUWB niet beperkt tot de schade op de omliggende percelen en/of aanpalenden maar strekt zich luidens artikel 3, § 2, 17°, DIWB uit tot ieder betekenisvol nadelig effect. VII-40.450-5/9 Beoordeling
- De historisch toepasselijke versie van artikel 8, § 1, DIWB bepaalt onder meer dat de overheid die over een vergunning moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van de vergunning of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. De watertoets impliceert dat wordt onderzocht of een voorgenomen vergunning een “schadelijk effect” in de zin van de op het geding toepasselijke versie van artikel 3, § 2, 17°, DIWB doet ontstaan. De watertoets strekt derhalve tot het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17°, te weten “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Artikel 8, § 2, tweede lid, DIWB, in de historisch toepasselijke versie, bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in voormeld artikel 8, § 1, DIWB bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als VII-40.450-6/9 bedoeld in voormeld artikel 3, § 2, 17°, DIWB, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat ze door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Daarbij mag de RvVb enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening houden. Vermits die toets ook geldt voor verkavelingsvergunningen, kan hij niet worden uitgesteld tot de nadien te verlenen stedenbouwkundige vergunning.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat in de door het bestreden arrest aangehaalde waterparagraaf van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie onder meer wordt gesteld
(1)dat “[h]et mogelijk schadelijk effect werd onderzocht door de bevoegde waterbeheerder” die aangenomen heeft “dat de geplande verkaveling geen schadelijke invloed zal hebben op de waterhuishouding in de omgeving indien bij de toekomstige bouwwerken de bepalingen van de stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater worden nageleefd”,
(2)dat “[d]e overeenstemming van de beoogde woningen met de verordening zal worden geëvalueerd naar aanleiding van de latere aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning” en dat [d]e bouwheren […] voldoende maatregelen [zullen] moeten nemen voor het opvangen van regenwater ter compensatie van de nieuw te bouwen woningen”, en
(3)dat “[i]ndien de voorwaarden opgelegd door de waterbeheerder stipt nagevolgd worden, wordt geoordeeld dat geen schadelijke effecten te verwachten zijn voor het watersysteem en dat de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid niet worden geschaad”.
- De RvVb verwerpt het middel van de verzoekende partij waarin zij heeft aangevoerd “dat de watertoets gebrekkig is uitgevoerd” en “dat uit de waterparagraaf niet af te leiden valt welke elementen van de verkavelingsaanvraag concreet werden getoetst als ook het onderzoek naar de schade aan het VII-40.450-7/9 watersysteem van de te verkavelen grond ontbreekt en de gebeurlijke compensatiemaatregelen” op volgende gronden: - uit de aangehaalde waterparagraaf blijkt dat er een behoorlijke watertoets voorhanden is in de bestreden vergunningsbeslissing; - de deputatie en de waterbeheerder stellen “dat de bepalingen van de stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater dienen nageleefd te worden opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”; - de deputatie oordeelt “dat maatregelen voor het opvangen van regenwater zullen genomen moeten worden op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning”.
- Het bestreden arrest dat toestaat dat het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten wordt uitgesteld “op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning” en in die omstandigheden aanneemt dat de waterparagraaf volstaat met de voorwaarde van naleving van voormelde stedenbouwkundige verordeningen “opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”, schendt het voormelde artikel 8 DIWB.
- Het eerste middel is gegrond.
- Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. VII-40.450-8/9 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1819-0214 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 23 oktober 2018 in de zaak 1617-RvVb-0584-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.450-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div