id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.880 Rolnummer: A. 227077/VII-40464 Zaak: Arrest 245880 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-24 00:40 Fiche Arrest nr 245.880 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.880 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 227.077/VII-40.464 In zake :
- Malika ARZOUR
- Ann VANDEN BERGH
- Duncan VANDAEL
- Dirk VERSCHUEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partijen :
- de NV STRAATSBURGDOK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Nele Ansoms kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de NV SLIGRO - ISPC BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0265 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 november 2018 in de zaken 1617-RvVb-0540-SA, 1617-RvVb-0547-SA, 1617-RvVb-0553-SA en 1617-RvVb-0560-SA. VII-40.464-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 31 januari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Beide tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van 2 april
- De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Van Weerdt, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Nele Ansoms, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en advocaat Olivier Drooghmans, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-40.464-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 19 januari 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan de nv Straatsburg Dok voor het verbouwen van bestaande magazijnen naar distributiecentrum. 3.2 Het bestreden arrest verwerpt enerzijds de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) en vernietigt anderzijds op vordering van een andere partij de vergunningsbeslissing van de GSA. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. VII-40.464-3/9 V. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van onontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden arrest hun vordering definitief onontvankelijk heeft verklaard waardoor hun middelen tegen de bestreden vergunningsbeslissing niet werden onderzocht. Daardoor beschikken de verzoekende partijen over een evident belang bij hun cassatieberoep. Het feit dat het bestreden arrest de bestreden vergunningsbeslissing heeft vernietigd, ontneemt niet hun belang bij het cassatieberoep. Dit kan er hoogstens toe leiden dat zij enkel belang zouden hebben bij de onontvankelijkverklaring van hun beroep en de uitspraak over de kosten die hen ten laste werden gelegd. Het cassatieberoep is gericht tegen het dictum van het bestreden arrest “zelfs indien de uitkomst van het cassatieberoep niet tot gevolg kan hebben dat de vernietiging van de bij de [RvVb] bestreden beslissing ongedaan wordt gemaakt”. Daarbij komt dat het bestreden arrest de deputatie beveelt een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van de bvba Drankenhandel Gagelmans, dat door het onontvankelijk verklaren van hun beroep “zij mogelijk niet meer betrokken zullen worden in de herneming van de administratieve beroepsprocedure” en dat zij belang hebben bij de vernietiging van het bestreden arrest “zodat zij, in zoverre de [deputatie] opnieuw oordeelt over het desbetreffend project naar aanleiding van het (bestreden) vernietigingsarrest […], tegen dit nieuwe besluit van de [deputatie] in voorkomend geval een annulatieberoep bij de [RvVb] kunnen instellen”.
- De verwerende partij betwist het actueel belang van de verzoekende partijen. Het bestreden arrest heeft de bestreden vergunningsbeslissing vernietigd en zij diende een nieuwe beslissing te nemen “wat finaal ook de doelstelling was van het beroep bij de [RvVb] van verzoekende partijen”. De bewering van de verzoekende partijen dat “ingevolge VII-40.464-4/9 de onontvankelijkheidsverklaring zij mogelijk niet meer betrokken zullen worden in de herneming van het administratief dossier […] is achterhaald door de feiten”.
- De nv Sligro - ISPC Belgium vraagt de afwijzing van het cassatieberoep wegens gebrek aan belang van de verzoekende partijen. Zij stelt dat hoewel het bestreden arrest het annulatieberoep van de verzoekende partijen terecht heeft “afgewezen wegens onontvankelijk, werd het doel dat de verzoekende partijen […] nastreefden, met name de vernietiging van het deputatiebesluit […] ingewilligd door de RvVb” zodat zij “alleszins niet beschikken over een actueel belang bij hun vordering tot cassatie”. De verzoekende partijen vechten niet de vernietigingsmotieven van het bestreden arrest aan zodat hun cassatieberoep niet kan leiden tot de verbreking van het bestreden arrest. Zij beogen enkel een “declaratieve uitspraak” van de Raad van State “over het vermeende belang van verzoekende partijen bij het aanvechten van de bestreden vergunningsbeslissing”. Beoordeling
- Het bestreden arrest overweegt dat de “discussie over de ontvankelijkheid van het annulatieberoep […] in dit geval samen[valt] met het onderzoek van het eerste middel ten gronde”. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie na voormeld onderzoek.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van een andere partij, “eerste verzoekende partij” voormelde vergunningsbeslissing en beveelt de deputatie “een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van de eerste verzoekende partij”. VII-40.464-5/9
- Wanneer de deputatie na de betekening van het bestreden arrest in uitvoering van het voormelde bevel een vergunningsbeslissing neemt, behouden de verzoekende partijen hun belang bij het ingestelde cassatieberoep omdat de vernietiging van het bestreden arrest de vernietiging van de verwerping van de vordering van de verzoekende partijen impliceert.
- Het cassatieberoep is ontvankelijk. VI. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC), de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet gelezen in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zij betogen onder meer dat luidens artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, VCRO het niet instellen van een administratief beroep verwijtbaar moet zijn aan een derde-belanghebbende. Het bestreden arrest stelt het begrip niet-verwijtbaarheid onterecht gelijk aan het begrip overmacht. Het bestreden arrest geeft aan deze decretale bepaling “geen wettige interpretatie en lezing”. De niet-verwijtbaarheid van het instellen van een georganiseerd administratief beroep kan niet gelijk gesteld worden aan het begrip overmacht. Het was duidelijk de bedoeling van de decreetgever om ook buiten overmachtssituaties derde-belanghebbenden toe te laten een beroep in te stellen bij de RvVb “met VII-40.464-6/9 name wanneer het niet-instellen van een administratief beroep niet kan worden ‘verweten’ aan de derde-belanghebbenden”. Het bestreden arrest heeft ten onrechte geoordeeld dat behoudens gevallen van overmacht kan worden afgeweken van de ontvankelijkheidsvereiste van artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, VCRO en voegt hiermee een onwettige strengere ontvankelijkheidsvereiste toe “zonder hiervoor een wettelijke basis te hebben”. Hetzelfde geldt voor de overweging in het bestreden arrest dat de verzoekende partijen niet hebben aangetoond “dat zij om redenen van overmacht, die hen totaal vreemd waren, in de onmogelijkheid waren om administratief beroep in te stellen”. Beoordeling
- Artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, VCRO bepaalt in de historisch toepasselijke versie: “De persoon aan wie kan worden verweten dat hij een voor hem nadelige vergunningsbeslissing niet heeft bestreden door middel van het daartoe openstaande georganiseerd administratief beroep bij de deputatie, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad te wenden”. De toegang tot de rechter kan “op een redelijke wijze” worden beperkt “door zaken als […] de voorwaarde van het gevolgd hebben van een voorprocedure” en is niet onevenredig in het licht van de toegang tot de rechter “[a]angezien eenieder de mogelijkheid heeft om te participeren aan het openbaar onderzoek en de mogelijkheid om een administratief beroep in te stellen zeer ruim is […] en aangezien er een verschoonbaarheidsclausule geldt ten aanzien van het nalaten van één en ander” (Parl.St. Vl.Parl. 2008-09, nr. 2011/1, 220).
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen op grond van volgende overwegingen: - het was de bedoeling van de decreetgever om, behoudens gevallen van overmacht, het niet-instellen van een administratief beroep te beschouwen als het verzaken aan het recht zich tot de [RvVb] te wenden; VII-40.464-7/9 - de verzoekende partijen tonen niet aan dat zij om redenen van overmacht, die hen totaal vreemd waren, in de onmogelijkheid waren om administratief beroep in te stellen; - het louter gegeven dat het openbaar onderzoek pas in graad van administratief beroep werd gehouden, heeft de verzoekende partijen niet dermate in dwaling kunnen brengen, dat het niet tijdig aantekenen van administratief beroep als verschoonbaar kan worden beschouwd; - de verzoekende partijen kunnen niet ernstig voorhouden dat zij in dwaling gebracht zijn, wat zou hebben geleid tot het bestaan van overmacht om tijdig administratief beroep in te stellen en zij kunnen evenmin stellen dat zij “in casu hun rechten niet hebben kunnen laten gelden, nu de mogelijkheid bestond om wel op rechtsgeldige wijze tussen te komen voor de [RvVb] ter ondersteuning van de overige vorderingen tot vernietiging”.
- Door aldus de “verschoonbaarheidsclausule” in voormeld artikel 4.8.11, § 1, tweede lid, VCRO te beperken tot “gevallen van overmacht”, schendt het bestreden arrest deze decretale bepaling die het beroep bij de RvVb openlaat voor de persoon die “het nalaten van één en ander” niet kan worden verweten.
- Het enige middel is gegrond.
- Er is geen grond om de overige middelonderdelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1819-0265 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 november 2018 in de zaken 1617-RvVb-0540-SA, 1617-RvVb-0547-SA, 1617-RvVb-0553-SA en 1617-RvVb-0560-SA. VII-40.464-8/9
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 80 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.464-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.880 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div