← België

Arrest 245881 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.881 Rolnummer: A. 227183/VII-40474 Zaak: Arrest 245881 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 22:30 Fiche Arrest nr 245.881 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.881 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 227.183/VII-40.474 In zake : 1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD ANTWERPEN 2. de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Annelies Verlinden en Thomas Sterckx kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV SUPERMARKT FRANCKEN DEURNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annemie Peeters kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stoopstraat 1, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 Kontich Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1819/0356 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 4 december 2018 in de zaak 1617/RvVb/0760/SA. VII-40.474-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. Een beschikking van 7 februari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 maart 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaten Thomas Sterckx en Maïté Bultheel, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Annemie Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Anne-Sophie Claus, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.474-2/15 III. Feiten 3.1. Met een besluit van 9 mei 2017 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) een stedenbouwkundige vergunning aan het stadsbestuur van Antwerpen voor het heraanleggen van het Wim Saerensplein. 3.2. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van de nv Supermarkt Francken Deurne de vergunningsbeslissing van de GSA en “weigert de stedenbouwkundige vergunning voor het heraanleggen van het Wim Saerensplein”. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen 4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van: “- artikel 1, 1), a),

  1. iv)Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: de „nieuwe Europese project-m.e.r.- richtlijn 2014/52/EU), gelezen in het licht van overwegingen 26, 27 en 29 van de nieuwe Europese project-m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU en de plicht tot richtlijnconforme interpretatie van iedere nationale rechter; - artikel 2, §§1, 6 en 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: „MER-besluit) in samenhang gelezen met de artikelen 4.3.2., §2bis en artikel 4. 3.3, §2 van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: „DABM‟); - artikel 4.7.26/1, §§1-2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: „VCRO‟), zoals destijds van toepassing; - artikel 7, 5°,
  2. c)van het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning (hierna: „Besluit Dossiersamenstelling‟). VII-40.474-3/15 De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde in het betreden arrest onterecht dat: (
  3. i)iedere aanvraag, waarvoor in het licht van hogervermelde wetgeving een project-m.e.r.- screeningsnota kan worden gevoegd, een modelformulier of afzonderlijk document met het opschrift „project-m.e.r.-screeningsnota‟ moet worden gevoegd, (uitsluitend) op grond waarvan de vergunningverlenende overheid moet oordelen of de aanvraag aanzienlijke milieueffecten kan hebben en dienvolgens of een project-MER moet worden opgesteld (
  4. ii)bij gebreke van voormeld document, de vergunningsaanvraag sowieso moet worden geweigerd; en (iii) de vergunningverlenende overheid zich (nagenoeg uitsluitend) op de project-m.e.r.-screeningsnota moet baseren om te oordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten teweegbrengt en dienvolgens al dan niet een project-MER vereist is. Het oordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen schendt hoger geciteerde bepalingen omwille van hiernavolgende redenen: (
  5. i)de vereiste van een project-m.e.r.-screeningsnota vormt kennelijk een vereiste die ruim moet worden gelezen en waaraan geen vormvoorwaarden zijn verbonden in de toepasselijke regelgeving; (
  6. ii)uit de regelgeving en de vaststaande rechtspraak blijkt dat het volstaat dat een vergunningverlenende overheid met kennis van zaken over de potentiële milieueffecten kan oordelen. Door te vereisen dat er een afzonderlijke nota met betrekking tot de milieueffecten voorligt, voegt de Raad een voorwaarde toe aan de toepasselijke regelgeving; en (iii) de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar vermag te steunen op alle informatie aangereikt in het aanvraagdossier en de bijhorende adviezen om een oordeel te vormen over de milieueffecten van de aanvraag”. Zij zetten uiteen dat het bestreden arrest de aangehaalde “bepalingen inzake de project-m.e.r.-screeningsnota […] foutief [interpreteert] als zijnde een „noodzakelijk afzonderlijk‟ document dat bij de aanvraag moet worden gevoegd” omdat het “volstaat […] dat de vergunningverlenende overheid voldoende informatie aangereikt krijgt in het aanvraagdossier om deze informatie te beschouwen als een project-m.e.r.-screeningsnota en bijgevolg in staat is om na te gaan of de aanvraag aanzienlijke milieueffecten kan hebben”. Ondergeschikt stellen zij “dat het ontbreken van een bepaald document in het aanvraagdossier, zoals een project m.e.r.-screeningsnota, geenszins per definitie leidt tot weigering van de aanvraag”. Uit de aangehaalde bepalingen blijkt dat “in deze een bijzondere motiveringsplicht op de vergunningverlenende overheid” rust. In het licht van deze motiveringsplicht en de doelstellingen van de aangevoerde richtlijn VII-40.474-4/15 “volstaat […] dat de milieueffecten in het licht van de vooropgestelde criteria worden beoordeeld op grond van de door de aanvrager verleende informatie”. Het aanvraagdossier bevat “een uitgebreide aanvraagnota” en “een mobiliteitsstudie/parkeeronderzoek, een archeologienota, en de adviezen van de bevoegde overheidsinstanties die allen een inzicht geven in de mogelijke milieueffecten die voortvloeien uit de aanvraag” op grond waarvan de GSA “wel degelijk op grond van de in het aanvraagdossier aangereikte informatie kon besluiten of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten zou meebrengen”. Beoordeling 5. Artikel 4.3.2, § 2bis, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) draagt aan de Vlaamse regering op om aan de hand van de door de decreetgever omschreven criteria, de categorieën aan te wijzen waarvoor een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld. Artikel 4.3.3, § 2, DABM bepaalt dat de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag, in de gevallen waarvoor een project-m.e.r.-screeningsnota werd opgesteld, op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag beslist of er een project-MER moet worden opgesteld. Luidens artikel 2, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit) kan de initiatiefnemer voor de daartoe aangewezen categorieën van projecten, een project-mer-screeningsnota indienen bij de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag. VII-40.474-5/15 Artikel 2, § 7, project-MER-besluit bepaalt dat de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag, geval per geval beslist over die project-m.e.r.-screeningsnota‟s. Artikel 7, 5° van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 bepaalt, in de historisch toepasselijke versie: “Het dossier van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning voor de in artikel 6 bedoelde werken, bevat minstens de volgende stukken: […] 5° als de aanvraag onderworpen is aan een milieueffectrapportage, een van de volgende documenten :
  7. a)een milieueffectrapport dat behandeld is conform de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels en waarvan de inhoud beantwoordt aan de door de Vlaamse Regering ter zake gestelde eisen;
  8. b)het verzoek tot ontheffing van de milieueffectrapportage, behandeld conform de vastgestelde regels, en vergezeld van de goedkeuring ervan;
  9. c)een project-m.e.r.-screeningsnota, waarvan de inhoud beantwoordt aan de door de Vlaamse Regering ter zake gestelde eisen; [...]”. Luidens de historisch toepasselijke versie van artikel 4.7.26/1, §1, VCRO onderzoekt het vergunningverlenende bestuursorgaan of zijn gemachtigde, als de vergunningsaanvraag een project-m.e.r.-screeningsnota omvat, die nota en neemt een beslissing of er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. 6. Het middel dat ervan uitgaat dat het vergunningverlenende bestuursorgaan op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag, kan beslissen of er een project-MER moet worden opgesteld zonder een bij de vergunningsaanvraag gevoegde project-m.e.r.-screeningsnota, faalt naar recht. 7. Het eerste middel wordt verworpen. VII-40.474-6/15 Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen 8. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 37, § 2 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en artikel 149 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat de RvVb: - “oneigenlijk en onwettig gebruik [maakt] van [zijn] substitutiebevoegdheid ex artikel 37, § 2 DBRC-decreet door: (
  10. i)het arrest in de plaats te stellen van de te nemen beslissing, daar waar de te nemen beslissing geenszins het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van [de GSA]; (
  11. ii)het gebruik van [zijn] substitutiebevoegdheid niet voorafgaandelijk te onderwerpen aan debatten op tegenspraak tussen partijen”, - “[m]instens […] de rechterlijke motiveringsplicht [miskent] door niet te motiveren waarom [hij] de zienswijze van de procespartijen hieromtrent niet vooraf heeft gehoord alvorens het arrest in de plaats te stellen van de te nemen beslissing door de [GSA], terwijl [hij] met deze beslissing onmiddellijk ingrijpt op de rechtspositie van de verzoekende partijen”. Zij stellen dat uit hun uiteenzetting van het eerste middel “geenszins [blijkt] dat het ontbreken van een modelformulier of afzonderlijk document met het opschrift „project-m.e.r.-screeningsnota‟ […] een „onoverkomelijke legaliteitsbelemmering‟ kan uitmaken”. Indien dat wel het geval is “moet er op gewezen worden dat dit in essentie een herstelbare onwettigheid betreft”. Bijgevolg houdt het “geen steek om te stellen dat dit een „zuiver gebonden‟ bevoegdheid van de [GSA] betreft in die zin dat deze de vergunning sowieso had moeten weigeren na het bestreden arrest wegens het VII-40.474-7/15 ontbreken van een modelformulier of afzonderlijk document met het opschrift „project-m.e.r.-screeningsnota‟”. Verder argumenteren zij dat hen “onterecht en ongemotiveerd het recht [werd] ontzegd om tegensprekelijke debatten te voeren over de vraag of de [RvVb] in deze al dan niet wettig [zijn] substitutiebevoegdheid kon uitoefenen”. De substitutiebevoegdheid van de RvVb is immers “een element dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden” en het komt alleen aan de partijen toe te oordelen in welke mate het door de RvVb aangebrachte element moet worden onderworpen aan de tegenspraak. Ondergeschikt vragen de verzoekende partijen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 37, §2 DBRC-decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 149 Gw., artikel 6, §1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende de plicht om de rechten van verdediging in acht te nemen, door niet te voorzien in een op tegenspraak gevoerd debat over de mogelijkheid tot toepassing van de substitutiebevoegdheid en bijgevolg op discriminerende wijze afbreuk te doen aan de rechten van verdediging en het recht op tegenspraak?”. Zij betogen nog dat het bestreden arrest minstens artikel 149 van de Grondwet schendt door niet “te motiveren waarom [de RvVb] de mogelijkheid tot toepassing van [zijn] substitutiebevoegdheid niet onderwierp aan de tegenspraak tussen de partijen”. Beoordeling 9. Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.7.26, § 3, VCRO: - is een vergunningsaanvraag “ontvankelijk en volledig indien voldaan is aan de krachtens § 5 van artikel 4.7.26 VCRO bepaalde ontvankelijkheidsvereisten, en de dossiergegevens een onderzoek ten gronde toelaten”; - wordt het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek binnen een ordetermijn aan de aanvrager verstuurd en bij gebreke hieraan wordt de procedure voortgezet in welk geval de vergunningverlenende overheid in haar VII-40.474-8/15 beslissing uitdrukkelijk uitspraak doet of er een milieueffectenrapport over het project moet worden opgesteld, en - gelden “de hiernavolgende regelen” in artikel 4.7.26, § 4, VCRO “[t]en aanzien van ontvankelijke vergunningsaanvragen”. De decreetgever heeft aldus bepaald dat de vergunningverlenende overheid in de bijzondere administratieve procedure een dossier kan afwijzen indien het ofwel onvolledig is, ofwel geen onderzoek ten gronde toelaat. 10. Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.7.26, § 4, VCRO kan iedereen gedurende de termijn van het openbaar onderzoek schriftelijke of digitale en mondelinge opmerkingen en bezwaren indienen. 11. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de aanvraag voor de in randnummer 3.1 vermelde stedenbouwkundige vergunning onderworpen is aan een milieueffectrapportage en dat de bij de GSA ingediende aanvraag niet de rechtens vereiste project-m.e.r.-screeningsnota bevat. 12. Het middel gaat terug op de beslissing tot de indeplaatsstelling in het bestreden arrest op basis van “de beoordeling van het derde middel” waaruit “is gebleken dat er in hoofde van de [GSA] een volstrekt gebonden bevoegdheid bestaat om de vergunning, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering, meer specifiek de van bij aanvang onvolledigheid van het aanvraagdossier, te weigeren”. 13. Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.8.2 VCRO doet de RvVb als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van vergunningsbeslissingen genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven van een vergunning. VII-40.474-9/15 14. Wanneer de RvVb het beroep gegrond verklaart kan de RvVb, luidens artikel 35 DBRC-decreet, de bestreden vergunningsbeslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen. 15. Artikel 37, § 1, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, “de verwerende partij kan bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken”. 16. Artikel 37, § 2, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid van artikel 37, § 1, DBRC-decreet, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. 17. Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij het vergunningverlenende bestuursorgaan “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen geenszins kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen VII-40.474-10/15 enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid die volgen uit de werking van de wet in het licht van de concrete gegevens van het aan de vergunningverlenende overheid voorgelegde administratief dossier. 18. Gelet op de verwerping van het eerste middel hiervoor, faalt het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat “de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid van artikel 37, § 1 DBRC-decreet”, niet het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de GSA, naar recht. 19. Het bestreden arrest steunt de indeplaatsstelling op “de beoordeling van het derde middel” dat de onmogelijkheid voor de GSA aanvoerde om “het aanvraagdossier toch ontvankelijk en volledig” te verklaren. Het bestreden arrest heeft na tegenspraak de gegrondheid van dat derde middel aangenomen. Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, volgt de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. 20. Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat de bevoegdheid van de RvVb om het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, een element is dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden, faalt naar recht. VII-40.474-11/15 21. Het tweede middel wordt verworpen. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen 22. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 2° (lees: 3°), VCRO. Zij zetten uiteen dat het bestreden arrest “het belang van de [verwerende partij] om een vernietigingsberoep aan te tekenen” aanvaardt terwijl laatstgenoemde “(
  12. i)heeft nagelaten een verzoek tot nietigverklaring in te stellen tegen de gemeenteraadsbeslissing van 20 februari 2017 omtrent de zaak van de wegen en (
  13. ii)een louter economisch belang had bij het instellen van het vernietigingsberoep”. Het bestreden arrest geeft een “te ruime draagwijdte […] aan het begrip „belang‟ in strijd met de draagwijdte die het begrip heeft op grond van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO”. Beoordeling 23. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb, is onontvankelijk. 24. Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van de verzoekende partijen als volgt: VII-40.474-12/15 “2. De verzoekende partij baat een supermarkt uit aan het Wim Saerensplein. Het aangevraagde project voorziet in de volledige heraanleg van het plein, met name de herinrichting van het rechthoekig middenplein inclusief riolerings- en wegeniswerken. Dit stadsplein (met tramlus) wordt in het oosten begrensd door de Ruggeveldlaan (een gewestweg) en ontsluit in het westen de Generaal Slingeneyerlaan, de Leopold Gillslaan en de Tweegezusterslaan. De verzoekende partij vreest een verminderd parkeeraanbod, waardoor zij parkeermoeilijkheden verwacht voor haar klanten, en een gewijzigde verkeerscirculatie ten gevolge van de bestreden beslissing. Volgens de beschrijvende nota bij de aanvraag heeft het project volgende impact op de „mobiliteit‟ rondom het plein: „… Twee zijden van het plein (noordelijke en oostelijke zijde) worden afgesloten voor doorgaand verkeer. De toegang tot de aanpalende percelen blijft mogelijk Deze zijden van het plein worden afgesloten met verwijderbare paaltjes zodat de marktkramers van de wekelijkse markt wel doorkunnen om zich op te stellen. He(
  14. t)verkeer van de Ruggeveldlaan naar de wijk zal via de zuidzijde van de het plein passeren. Lang(
  15. s)deze straat is een 40 cm verdiepte clusterparking voorzien. De parking biedt plaats aan 39 wagens waaronder 2 plaatsen voor mensen die minder mobiel zijn. Er worden langs de Ruggeveldlaan twee plaatsen voorzien voor autodelen. …‟ Volgens de bestreden beslissing doet de aanvraag een „gewijzigde‟ verkeersafwikkeling ontstaan door de 3 (lokale) straten rondom het plein samen te voegen tot één rijweg aan de zuidzijde ervan, en zal het aantal parkeerplaatsen „verminderen‟ tot 67 plaatsen (39 op de clusterparking, 21 aan de zuidzijde en 7 langs de Ruggeveldlaan). De tussenkomende partijen betwisten met hun exceptie deze vaststellingen van de verwerende partij niet. De supermarkt van de verzoekende partij aan de zuidzijde van het Wim Saerensplein ligt ter hoogte van de nieuwe voormelde rijweg en de verdiepte clusterparking. In de gegeven omstandigheden maakt de verzoekende partij, in de mate zij haar belang steunt op een „verminderd‟ parkeeraanbod en een „gewijzigde‟ verkeerscirculatie, voldoende aannemelijk hinder en nadelen ingevolge de bestreden beslissing te kunnen ondervinden. 3. De tussenkomende partijen werpen verder ten onrechte een gebrek aan causaal verband op op grond van de enkele vaststelling dat de verzoekende partij geen beroep heeft ingesteld tegen de gemeenteraadsbeslissing van 20 februari 2017 omtrent de zaak van de wegen. De Raad is van oordeel dat het al dan niet instellen van een procedure bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak tegen de beslissing van de gemeenteraad over het tracé en de technische inrichting van de wegenis geen invloed heeft op het belang van de verzoekende partij bij het instellen van een beroep tot vernietiging tegen het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning voor diezelfde wegenis. De beslissing van de gemeenteraad heeft enkel betrekking op de goedkeuring van het tracé en de uitrusting van de wegenis, en is te VII-40.474-13/15 onderscheiden van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, waarmee de werken zijn vergund die leiden tot de effectieve aanleg van de weg. Met de gemeenteraadsbeslissing van 20 februari 2017 wordt dan ook enkel de betrokken wegenis goedgekeurd, maar niet de effectieve aanleg ervan wat mogelijk wordt door de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning van 9 mei 2017. De verzoekende partij kan dus rechtstreeks of onrechtstreeks hinder en nadelen ondervinden ingevolge de bestreden beslissing. 4. De tussenkomende partijen trachten in ondergeschikte orde het door de verzoekende partij ingeroepen belang te herleiden tot een „louter economisch belang‟. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij uitbater is van een supermarkt op het Wim Saerenplein. In die hoedanigheid heeft de verzoekende partij belang om op te komen tegen een vergunning die naar haar oordel tot een verslechtering van de mobiliteitssituatie in de omgeving kan leiden. De mobiliteitsimpact, die de zaakvoering op zich kan aantasten, is plausibel en volstaat ter adstructie van het belang. 5. De excepties van de tussenkomende partijen worden verworpen”. 25. Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest niet het decretale begrip “rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen” die de nv Supermarkt Francken Deurne “kan ondervinden als gevolg van” de bestreden vergunningsbeslissing van de GSA. 26. Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.474-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.474-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.881 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.