id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.911 Rolnummer: Zaak: Arrest 245911 - Milieuvergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 21:34 Fiche Arrest nr 245.911 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking afvoering Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.911 van 24 oktober 2019 in de zaken I. 220.032/VII-39.748 II. 220.194/VII-39.778 III. 220.204/VII-39.784 IV. 220.205/VII-39.785 V. 220.386/VII-39.807 VI. 220.451/VII-39.810 VII. 220.474/VII-39.812 In zake : I. de STAD LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen II. de STAD VILVOORDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20T bij wie woonplaats wordt gekozen III.
- de VZW UNIZO VLAAMS-BRABANT & BRUSSEL
- de VZW UNIZO
- de BVBA IMMO DOMINIQUE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnold Gits en Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31A bij wie woonplaats wordt gekozen IV. de BVBA BROEKZELE VASTGOED bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen V.
- Philippe HARVENGT
- de BVBA SUPERSOUL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Hauzeur kantoor houdend te 1170 Watermaal-Bosvoorde Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-1/14 VI.
- de VZW BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN
- de VZW BRUSSELSE RAAD VOOR HET LEEFMILIEU
- de VZW GREENPEACE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68-70 bij wie woonplaats wordt gekozen VII. de NV ALCOVIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV UPLACE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Pieter Vandenheede en Guan Schaiko kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- De beroepen, respectievelijk ingesteld op 18 augustus 2016 (I), 6 september 2016 (II), 7 september 2016 (III en IV), 29 september 2016 (V), 6 oktober 2016 (VII) en 7 oktober 2016 (VI), strekken tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 juni 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 14 september 2011, houdende het VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-2/14 weigeren aan de nv Uplace van de milieuvergunning voor het exploiteren van een gebouwencomplex, gelegen in de gemeente Machelen, op een terrein dat afgebakend wordt door de Woluwelaan, Beaulieustraat, Rittwegerlaan en Nieuwbrugstraat, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de nv Uplace de gevraagde milieuvergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtsplegingen
- Bij arrest nr. 236.980 van 9 januari 2017 is het verzoek tot wraking in de zaak sub III verworpen. Bij arrest nr. 237.852 van 30 maart 2017 is in de zaak sub III het verzoek tot tussenkomst van de nv Uplace ingewilligd, is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd en zijn de beroepen tot nietigverklaring in de zaken sub I tot en met sub VII gevoegd. De verwerende en de tussenkomende partij hebben in voornoemde zaak een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Bij arrest nr. 238.154 van 11 mei 2017 is in de zaak sub II het debat in de vordering tot schorsing heropend. De verwerende partij heeft in alle zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben telkens een memorie van wederantwoord ingediend, behoudens in de zaak sub V. De tussenkomende partij heeft in alle zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van respectievelijk 10 oktober 2016 (I), 7 november 2016 (II), 9 november 2016 (IV), 22 november 2016 (V) en 6 december 2016 (VI en VII). De tussenkomende partij heeft telkens een memorie ingediend. VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-3/14 Op 1 maart 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen in de zaak sub V de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verzoekende partijen in de zaak sub V hebben niet gevraagd om te worden gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen in de zaken sub I, II, III, VI en VII hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris De Pauw, die verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub II, advocaat Elias Gits, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak sub III, advocaat Adrian De Weerdt, die loco advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub IV, advocaat Rosie Peeters, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak sub VI, advocaat Pieter-Jan Van de Weyer, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub VII, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-4/14 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Schrapping van de rol (de zaak sub V)
- Naar luid van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep van de rol worden geschrapt. In het schrijven waarbij aan de verzoekende partijen in de zaak sub V de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. De verzoekende partijen in de zaak sub V hebben de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen. Om die reden dient het beroep in de zaak sub V van de rol te worden geschrapt. IV. Feiten
- Voor de uiteenzetting van de feiten kan verwezen worden naar arrest nr. 237.852 van 30 maart
- VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-5/14 V. Onderzoek van de zaak sub VI A. Ontvankelijkheid van het beroep Aangaande de tijdigheid van het beroep
- De tussenkomende partij werpt op dat het beroep niet tijdig is ingediend. In dit verband wijst zij erop dat uit een proces-verbaal van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder blijkt dat het bestreden besluit reeds op 4 juli 2016 was aangeplakt en dat rekening houdend met de in artikel 31, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) bepaalde aanplakkingstermijn van dertig dagen de termijn van zestig dagen om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen is ingegaan op 5 augustus 2016 om te verstrijken op 3 oktober
- Het op 7 oktober 2016 ingediende verzoekschrift is volgens de tussenkomende partij daarom laattijdig.
- In haar laatste memorie valt de verwerende partij deze exceptie bij en merkt zij op dat het voorgelegde proces-verbaal van vaststelling niet van valsheid wordt beticht.
- De tussenkomende partij zet in haar laatste memorie uiteen dat de vaststelling werd verricht overeenkomstig artikel 519, § 1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat zij authentiek is wat betreft de materiële feiten en gegevens die door de gerechtsdeurwaarder werden waargenomen en de authentieke bewijswaarde van het proces-verbaal niet mag worden miskend. Ook wijst zij erop dat de aanplakkingsperiode, zoals bedoeld in artikel 52, 4°, b), van Vlarem I, niet mag worden verward met de periode waarin het bestreden besluit ter inzage lag bij de milieudienst van de gemeente Machelen. VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-6/14 Beoordeling
- Naar luid van artikel 52, 4°, b), van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, moet de beslissing van de minister houdende uitspraak over een beroep tegen een in eerste aanleg door de deputatie genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag “overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IX” worden bekendgemaakt. Voor diegenen die voor de kennisneming van de beroepsbeslissing aangewezen zijn op de voorgeschreven bekendmaking, vangt de termijn van zestig dagen om bij de Raad van State beroep in te stellen aan na afloop van de bekendmakingsperiode. Wanneer de wet een vorm van bekendmaking voorschrijft, moeten de personen ten aanzien van wie geen individuele kennisgevingsplicht bestaat, er op kunnen vertrouwen dat de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen slechts een aanvang neemt nadat de voorgeschreven bekendmaking volledig heeft plaatsgevonden.
- Artikel 31, § 2, van Vlarem I bepaalt dat de bekendmaking omvat: 1) “het op bevel van de bevoegde burgemeester aanplakken, gedurende bedoelde periode van dertig kalenderdagen, op de plaats van de exploitatie en op de plaatsen voorbehouden voor de officiële berichten van een bekendmaking”, en 2) “het op bevel van de bevoegde burgemeester ter inzage leggen, gedurende dezelfde periode van dertig kalenderdagen, van de genomen beslissing bij de diensten van het gemeentebestuur”. Aangezien voormelde bepaling uitdrukkelijk voorschrijft dat de bekendmaking mede bestaat uit het ter inzage leggen van de in beroep genomen beslissing “gedurende dezelfde periode van dertig kalenderdagen”, heeft de termijn om bij de Raad van State beroep in te stellen in dit geval geen aanvang genomen na afloop van de aanplakking van de bestreden beslissing op de plaats van de exploitatie - waartoe blijkens een proces-verbaal van vaststelling van een VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-7/14 gerechtsdeurwaarder reeds op 4 juli 2016 was overgegaan - maar na afloop van de periode dat die beslissing bij de diensten van de gemeente Machelen ter inzage heeft gelegen van derden-belanghebbenden. Uit de bij het proces-verbaal van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder gevoegde foto‟s blijkt dat op de plaats van de exploitatie affiches zijn aangebracht die vermelden dat het betrokken besluit “van 09/07/2016 tot en met 08/08/2016” ter inzage van het publiek ligt bij de milieudienst van de gemeente Machelen. Dezelfde periode wordt overigens vermeld in het attest van aanplakking dat de burgemeester van de gemeente Machelen heeft opgemaakt. Het betoog dat met authentieke bewijskracht zou zijn vastgesteld dat de aanplakking reeds vanaf 4 juli 2016 heeft plaatsgevonden, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de door artikel 31, § 2, van Vlarem I voorgeschreven bekendmaking pas volledig was na het ter inzage leggen van de bestreden beslissing “van 09/07/2016 tot en met 08/08/2016”. De exceptie wordt verworpen. Aangaande het belang bij het beroep
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat het beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende verenigingen. Ook wanneer wordt opgekomen voor een collectief belang moet dit belang persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig zijn. Het belang zou gesteund zijn op de foutieve premisse dat met de bestreden beslissing een “shoppingcenter” wordt vergund. Ook zouden de verzoekende verenigingen zich niet kunnen beroepen op mobiliteitshinder die niet voortvloeit uit het voorwerp van de verleende milieuvergunning. Inzake de eerste verzoekende vereniging citeert de verwerende partij het maatschappelijk doel en stelt zij dat dit niet geraakt wordt door de bestreden vergunningsbeslissing. Er zou ook geen duidelijk verband bestaan tussen het werkingsgebied van de eerste verzoekende vereniging, dat gans Vlaanderen omvat, en de omgeving van de vergunde VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-8/14 inrichting. Wat betreft de tweede verzoekende vereniging stelt de verwerende partij dat de vereiste procesbekwaamheid ontbreekt omdat uit de statuten niet blijkt dat de vereniging over de bevoegdheid beschikt om in rechte op te treden ter verdediging van een van haar maatschappelijke doelstellingen. Hierbij merkt zij op dat het werkingsgebied van de tweede verzoekende vereniging zich enkel en alleen situeert binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, terwijl de vergunde inrichting integraal gelegen is in het Vlaamse Gewest. Ook zou zij niet over het in rechte vereiste belang beschikking omdat geen “voldoende rechtstreekse en persoonlijke band met de bestreden beslissing” wordt aangetoond. In dat verband kan de tweede verzoekende vereniging zich niet beroepen op de mobiliteitseffecten die verband houden met het volledige gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP). Inzake de derde verzoekende vereniging vestigt de verwerende partij de aandacht op de omschrijving van het maatschappelijk doel dat bestaat uit de bescherming van de natuur en het leefmilieu. Het maatschappelijk doel is volgens de verwerende partij zo ruim omschreven dat het niet toelaat een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een individuele milieuvergunning. Beoordeling
- De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een vzw, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd (R.v.St., algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, Coomans e.a, nr. 187.998 van 17 november 2008). VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-9/14 Het is niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van een verzoekende partij en de territoriale draagwijdte van het bestreden besluit.
- De eerste verzoekende vereniging komt op voor haar in artikel 2 van haar statuten als volgt omschreven doel: “het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen”. Volgens de statuten omvat deze doelstelling onder meer: “het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht” en “het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder”. De tweede verzoekende vereniging komt op voor haar in artikel 2 van haar statuten als volgt omschreven doel: “de zorg voor het woon- en leefmilieu [...] in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen”. De derde verzoekende vereniging komt op voor haar in artikel 3 van haar statuten omschreven doel om de natuur en het milieu te beschermen.
- De voormelde maatschappelijke doelen zijn van bijzondere aard en derhalve onderscheiden van het algemeen belang.
- Het blijkt evenmin dat de verzoekende verenigingen hun maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk zouden nastreven. VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-10/14
- Zoals reeds werd aangenomen in arrest nr. 237.852 van 30 maart 2017 kan de bestreden milieuvergunning wel degelijk leiden tot een “reële verslechtering van de mobiliteitsproblematiek in de omgeving”. De verwerende partij maakt aan de hand van de concrete gegevens van de zaak niet aannemelijk dat dit niet het geval zou zijn in het aangrenzende Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In zoverre de verwerende partij de aan de bestreden milieuvergunning verbonden hinder tracht te minimaliseren in het licht van de vergunde indelingsrubrieken van Vlarem I, volstaat het arrest nr. 221.784 van 18 december 2012 in herinnering te brengen waarin met betrekking tot een milieuvergunning met een identiek voorwerp het volgende werd overwogen: “[...]. Krachtens rubriek 10b) van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage zijn „Infrastructuurprojecten‟ waaronder „Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, [...] met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of [...] met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur‟ onderworpen aan de milieueffectrapportageplicht, behoudens in geval de administratie de initiatiefnemer ontheft van die verplichting. Luidens artikel 4.1.4, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet) beoogt de milieueffectrapportage, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen. Ter realisatie van die doelstelling, zo bepaalt het milieubeleidsdecreet, heeft de milieueffectrapportage onder meer als essentieel kenmerk „de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten [...] gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie [...]‟. [...]. Bij de milieuvergunningsaanvraag is het goedgekeurd project-MER „Brownfieldproject Uplace Machelen‟ gevoegd. In dat MER wordt uitvoerig stilgestaan bij de aan het project verbonden mobiliteitsproblematiek [...]. Die problematiek is ook uitdrukkelijk betrokken in de motivering van het bestreden besluit. De stelling dat bij de beoordeling van het nadeel dat het bestreden besluit teweegbrengt enkel rekening zou moeten worden gehouden met de specifieke hinder die uitgaat van de sub 3.8 opgesomde inrichtingsonderdelen en activiteiten, zonder VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-11/14 acht te slaan op het werkelijke voorwerp van de vergunningsaanvraag die onderworpen is aan de milieueffectrapportageplicht, mist dan ook elke juridische grondslag”.
- Uit het voorgaande volgt dat in hoofde van de verzoekende verenigingen aan de in randnummer 11 genoemde vereisten wordt voldaan. De exceptie wordt verworpen. B. Gegrondheid van het beroep Uiteenzetting van het vijfde middel
- De verzoekende partijen ontwikkelen in het vijfde middel een grief die betrekking heeft op de onwettigheid van het GRUP “Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel en aansluitende open ruimtegebieden - cluster C3 Reconversiegebied Vilvoorde-Machelen”. Zij stellen, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van State, dat als een GRUP onwettig wordt bevonden, ook de geldingskracht van de vergunningen die daarop zijn gebaseerd, door een onwettigheid zijn aangetast. Beoordeling
- In het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP “Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel en aansluitende open ruimtegebieden - cluster C3 Reconversiegebied Vilvoorde-Machelen”. De bestreden beslissing steunt bijgevolg op het voormelde GRUP. Bij arrest nr. 240.302 van 22 december 2017 heeft de Raad van State het besluit van 22 januari 2016 van de Vlaamse Regering houdende de definitieve vaststelling van het GRUP “Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel en VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-12/14 aansluitende open ruimtegebieden - cluster C3 Reconversiegebied Vilvoorde-Machelen” vernietigd. De vernietiging van het onwettig bevonden GRUP heeft tot gevolg dat het bestreden besluit zonder rechtsgrond is. Het middel is gegrond. VI. De zaken sub I, II, III, IV en VII
- De nietigverklaring van de bestreden beslissing in de zaak sub VI brengt mee dat de vordering tot schorsing in de zaak sub II en de beroepen in de zaken sub I, II, III, IV en VII zonder voorwerp zijn. Het past om de kosten in deze zaken ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING
- Het beroep in de zaak sub V wordt van de rol geschrapt.
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 juni 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 14 september 2011, houdende het weigeren aan de nv Uplace van de milieuvergunning voor het exploiteren van een gebouwencomplex, gelegen in de gemeente Machelen, op een terrein dat afgebakend wordt door de Woluwelaan, Beaulieustraat, Rittwegerlaan en Nieuwbrugstraat, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de nv Uplace de gevraagde milieuvergunning wordt verleend. VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-13/14 De Raad van State verwerpt de overige vordering en beroepen.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing in de zaken sub II en III en van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken sub I, II, III, IV, VI en VII, begroot op een rolrecht van 2.800 euro en een rechtsplegingsvergoeding van telkens 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen in de zaken sub I, II, III, IV, VI en VII. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 900 euro.
- In de zaak sub V wordt 150 euro terugbetaald aan de tussenkomende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.748 & VII-39.778 & VII-39.784 & VII-39.785 & VII-39.807 & VII-39.810 & VII-39.812-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.911 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div