← België

Arrest 245924 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.924 Rolnummer: A. 227978/VII-40533 Zaak: Arrest 245924 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-21 06:50 Fiche Arrest nr 245.924 van 24 oktober 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 245.924 van 24 oktober 2019 in de zaak A. 227.978/VII-40.

  1. In zake : de BVBA MCW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurens Storms kantoor houdend te 3110 Rotselaar Echostraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0684 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 5 maart 2019 in de zaak 1718-RvVb-0221-A. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Een beschikking van 6 juni 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.533-1/6 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurens Storms, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Met een besluit van 21 september 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het opsplitsen van een handelszaak op het gelijkvloers in 2 handelszaken via de plaatsing van een niet-dragende scheidingsmuur”. VII-40.533-2/6
  7. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekende partij
  8. De verzoekende partij voert de schending aan van het beginsel van de scheiding der machten, artikel 39 van de Grondwet “in samenhang met” artikel 4.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en artikel 3.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van (stedenbouwkundige) handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning (omgevingsvergunning) nodig is (hierna: Vrijstellingsbesluit). Zij betoogt dat het bestreden arrest “steunt op een eigen ‘interpretatie’ van artikel 3.1, 4° van het Vrijstellingsbesluit, in die zin dat de [RvVb] - om te beoordelen of er voldaan is aan de toepassingsvoorwaarde ‘binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken’ - een bijkomende voorwaarde oplegt (namelijk het voldoen aan een criterium van ‘ruimtelijke impact’ wanneer in een handelsruimte het aantal winkels en de oppervlakte van de winkelruimte wijzigt, in welk geval er volgens de [RvVb] alsnog een vergunning noodzakelijk is[)]. Wat de lijst van de Vlaamse regering met handelingen die vrijgesteld zijn van vergunningsplicht (omwille van hun beperkte ruimtelijke impact) betreft, voert de [RvVb] in dit dossier dus zelf een uitzondering in, en stelt blijkbaar dat bepaalde werken die voorkomen op de lijst van vrijgestelde handelingen tóch niet vrijgesteld zijn wanneer de [RvVb] (blijkbaar arbitrair) oordeelt dat die werken toch enige ruimtelijke impact zouden hebben. Het komt evenwel aan de [RvVb] niet toe om van de lijst met handelingen in het Vrijstellingsbesluit af te wijken, door bijvoorbeeld zelf uitzonderingen op die lijst in het leven te roepen. […] Niettegenstaande er geen enkele wettelijke grondslag bestaat om het opsplitsen van vergunde handelspanden vergunningsplichtig te maken, en sterker nog, de Vlaamse regering met het zgn. ‘Vrijstellingsbesluit’ expliciet heeft vastgelegd dat VII-40.533-3/6 binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken, zoals de werken in casu, niet onderworpen zijn aan de principiële vergunningsplicht uit artikel 4.2.1 VCRO, houdt de [RvVb] er blijkbaar een eigen visie op na dat dergelijke handelingen soms wel vergunningsplichtig zouden kunnen zijn; Zodoende stelt de [RvVb] zich dus in de plaats van de Vlaamse regering, en voegt [hij] in het arrest a quo de facto een voorwaarde toe aan artikel 3.1, 4° van het Vrijstellingsbesluit, in strijd met de wil van de decreetgever en van de Vlaamse regering”. Beoordeling
  9. Artikel 4.2.1 VCRO bepaalt de vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen.
  10. Artikel 4.2.3 VCRO machtigt de Vlaamse regering de lijst van niet-vergunningsplichtige handelingen te bepalen. In de historische versie luidt deze bepaling: “De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen met een tijdelijk of occasioneel karakter of met een geringe ruimtelijke impact waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen stedenbouwkundige vergunning vereist is”. Na wijziging bij decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en decreet van 18 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie, luidt deze bepaling: “De Vlaamse Regering bepaalt de lijst van de handelingen waarvoor in afwijking van artikel 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is. Ze houdt hierbij rekening met: 1° het tijdelijk of occasioneel karakter van de handelingen, of; 2° de ruimtelijke impact van de handelingen omwille van hun omvang, aard of ligging. Handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt, worden uitgesloten van de lijst van handelingen waarvoor in afwijking van artikel VII-40.533-4/6 4.2.1 geen omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is”.
  11. De in artikel 4.2.3 VCRO bedoelde lijst van de Vlaamse regering betreft onder meer de in artikel 4.2.1 VCRO bedoelde handelingen met een geringe ruimtelijke impact dan wel (stedenbouwkundige) handelingen die erin worden opgenomen door de Vlaamse regering rekeninghoudend met hun ruimtelijke impact omwille van hun omvang, aard of ligging.
  12. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partij waarin zij de schending heeft aangevoerd van onder meer de artikelen 4.2.1 en 4.2.4 VCRO en artikel 3.1 van het Vrijstellingsbesluit. Het bestreden arrest schendt artikel 4.2.3 VCRO door te besluiten dat het eerste middel van de verzoekende partij “steunt op de verkeerde premisse dat het aangevraagde niet vergunningsplichtig is” omdat “[e]en bestaande ruimte ontdubbelen om er twee winkels in te huisvesten, […] niet [kan] beschouwd worden als een handeling die uit haar aard geen ruimtelijke impact heeft aangezien door de handeling het aantal winkels en de oppervlakte van de winkelruimte wijzigt”.
  13. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.2.3 VCRO is gegrond. VII-40.533-5/6 BESLISSING
  14. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1819-0684 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 5 maart 2019 in de zaak 1718-RvVb-0221-A.
  15. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
  16. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.533-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.