← België

Arrest 245943 - Politie - 28/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.943 Rolnummer: Zaak: Arrest 245943 - Politie - 28/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 21:34 Fiche Arrest nr 245.943 van 28 oktober 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.943 van 28 oktobber 2019 in de zaken A. 218.674/XIV-36.951 (I) A. 219.952/XIV-37.157 (II) In zake I en II: I + II Marianne DE VUYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I + II de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.1. Het beroep in de zaak A.218.674/XIV-36.951 (hierna: de zaak sub I), ingesteld op 8 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van: 1) de beslissing van 10 februari 2016 van de schooldirecteur van de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden waarbij verzoeksters aanvraag tot uitstel op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 ‘betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten’ wordt geweigerd (hierna: “de eerste besteden beslissing”); 2) de beslissing van 18 december 2015 van de deliberatiecommissie van de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden waarbij verzoekster als niet geslaagd wordt beschouwd voor de functionele opleiding XIV-36.951-1/28 hoofdinspecteur met specialisatie politieassistent (hierna: “de tweede bestreden beslissing”). 1.2. Het beroep in de zaak A.219.952/XIV-37.157 (hierna: de zaak sub II), ingesteld op 5 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 december 2015 van de deliberatiecommissie van de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden waarbij verzoekster als niet geslaagd wordt beschouwd voor de functionele opleiding hoofdinspecteur met specialisatie politieassistent (dit is de in punt 1.1. genoemde tweede bestreden beslissing). II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij de tussenarresten nrs. 242.517 en 242.518 van 4 oktober 2018 wordt in elk van beide zaken het debat heropend en worden de zaken opnieuw voorgelegd aan het auditoraat voor een aanvullend verslag. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag voor beide zaken opgesteld. De verwerende partij heeft in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een aanvullende laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft in beide zaken een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die in beide zaken verschijnt voor verzoekster en advocaat Jelle Snauwaert, die in beide zaken loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord in beide zaken. XIV-36.951-2/28 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is met ingang van 1 september 2011 aangewezen als hoofdinspecteur-politieassistent in de politiezone Deinze-Zulte. Het betreft een gespecialiseerde betrekking (in de zin van artikel I.I.1., 14° RPPol) waarvoor een functionele opleiding (in de zin van artikel I.I.1., 27° RPPol) als politieassistent moet worden gevolgd. 3.2. De Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden (Oost-Vlaanderen) (hierna: Paulo) biedt in 2015-2016 een functionele opleiding tot politieassistent aan, na daartoe te zijn erkend door de minister van Binnenlandse Zaken. Met e-mailberichten van 2 en 3 juni 2015 zijn alle cursisten opgeroepen om te participeren aan de functionele opleiding Politieassistent 2015-2016 die startte op 3 september 2015. Bij die gelegenheid worden aan de cursisten de data meegedeeld van de lessen (van 3 september tot 9 oktober 2015), van de stageperiode die start op 12 oktober 2015 en loopt tot 10 november 2015, de data van de intervisie van de stage (26 oktober en 13 november 2015), de data van de examens bestaande uit een schriftelijk examen, gevolgd door de eindevaluatie professioneel functioneren opgesteld door de opleider en die beiden plaats vinden op 30 november 2015, de data van de mondelinge examens die plaats vinden in de week van 7 december 2015 en de data van de deliberatie en de proclamatie die plaatsvindt op 18 december 2015. Gebeurlijke herexamens, waarop de cursist XIV-36.951-3/28 recht heeft voor de onderdelen waarop in eerste zittijd de minimumnorm niet wordt gehaald, worden georganiseerd op 4 januari 2016. Verzoekster vat deze opleiding aan op 3 september 2015. Om medische redenen is zij vanaf 25 september 2015 tot 23 oktober 2015 afwezig en kan zij de opleiding niet verder volgen en vat zij ook de stage die loopt van 12 oktober tot 10 november 2015 niet aan. Op 24 oktober 2015 herneemt verzoekster halftijds haar activiteit bij de politiezone, doch vanaf 24 november 2015 is zij opnieuw arbeidsongeschikt (tot 7 januari 2016). Aldus, op 27 oktober 2015 (10u54) brengt zij met een e-mail haar dossierbeheerder B.V.W. van haar korps op de hoogte “van het stopzetten van de functionele opleiding Politieassistent”. Zij stelt daarin onder meer dat zij wegens ziekte slechts 3 van de 5 weken theorie heeft kunnen volgen en om dezelfde reden ook de stage niet kan starten of vervolledigen. In fine van deze e-mail werpt ze nog op dat ze al zes jaar in functie is en zich afvraagt “of die opleiding eigenlijk nog wel nodig is” en dat zij dit verder zal nagaan. Diezelfde dag nog met een e-mail verstuurd om 12u02, meldt verzoekster aan hoofdinspecteur van politie (HINP) C.V.N., stagecoördinator voor de betrokken functionele opleiding, wat volgt: “Ik heb je enkele keren proberen bellen op je bureau, maar blijkbaar ben je niet vaak aanwezig in Opac. Daarom is het misschien toch beter om deze mail te versturen. Zoals ik reeds aan het secretariaat liet weten ben ik 30 dagen afwezig geweest wegens ziekte. Ik tracht nu halftijds (50%, verminderde prestaties wegens ziekte) de draad terug op te pikken. Daarom wens ik de opleiding om medische redenen stop te zetten. Ik ben elke voormiddag op bureel aanwezig. Is het mogelijk mij telefonisch te contacteren op een moment dat het je past, zodat dit verder kan besproken worden? […]” Vervolgens, met een e-mail van 23 november 2015, bericht verzoekster ook de (waarnemend) schooldirecteur; commissaris van politie (CP) J.B., met C.V.N. in cc., dat zij naar aanleiding van een aanslepend medisch XIV-36.951-4/28 probleem niet aanwezig kan zijn tijdens de functionele opleiding Politieassistent sessie 2015. In diezelfde e-mail stelt zij dat haar behandelende arts-specialist haar opnieuw volledig arbeidsongeschikt heeft verklaard vanaf 23 november tot 20 december 2015, ogenblik waarop haar medische toestand opnieuw wordt geëvalueerd, en vraagt deze e-mail te beschouwen “als kennisname van [haar] afwezigheid wegens medische redenen”. Tevens verzoekt zij haar “in kennis te stellen van de verder te volgen procedure inzake [haar] afwezigheid tijdens deze functionele opleiding”. 3.3. Op 26 november 2015 in een e-mail gericht aan verzoekster en haar korpschef W.D.T., stelt C.V.N. akte te nemen van verzoeksters beslissing “om de functionele opleiding stop te zetten”. Er wordt in die e-mail gesteld: “Ik neem akte van uw beslissing om de functionele opleiding stop te zetten. Inderdaad, u bent uw stage niet begonnen, noch hebt deze afgewerkt en dus ook geen stageverslag tijdig binnen gebracht. Ik wil u informeren dat het schriftelijk examen voorzien is op 30/11/2015. Het mondeling examen is voorzien in de week van 07 december 2015. Herexamens zijn voorzien op 04 januari 2016. Ik plaats uw korps in cc zodat zij op de hoogte zijn van uw gemaakte keuze. […]”. 3.4. Op 16 december 2015 (12u30) stuurt verzoekster een “gemotiveerd verslag stopzetting opleiding Marianne De Vuyst” aan de directie van Paulo. Zij zet daarin op ruim twee pagina’s uiteen waarom zij de opleiding niet heeft voortgezet en besluit daarin op de derde pagina als volgt: “[…] Ik zou het vreselijk vinden dat ik door deze persoonlijke problemen de rest van mijn carrière boycot. Ik heb de functie van politieassistent al 6 jaar kunnen doen en hoop dit te mogen blijven doen. Ik hoop dat u mij de mogelijkheid kan en wil geven om ooit de opleiding opnieuw te starten en mijn graad te vervolledigen. Kan u mij zeggen of deze mail voldoende geldt als gemotiveerd verslag of dient u een brief per post of aangetekend schrijven te krijgen? Zijn er nog elementen of informatie die u nodig heeft om uw beslissing te nemen? Hopend op een positief antwoord, […]”. XIV-36.951-5/28 3.5. Met een e-mail van 17 december 2015 (15u41) antwoordt J.B., schooldirecteur, aan verzoekster (met C.V.N. in cc.) dat hij “een ad hoc overleg” met de opleidingscoördinator (dit is C.V.N.) moet houden om duidelijk te kunnen beslissen en dat het advies van de korpschef moet worden gevraagd vooraleer een beslissing te kunnen nemen. Op het einde van die e-mail kopieert hij de tekst van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 ‘betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 3 december 2005). 3.6. Daags nadien, op 18 december 2015, komt de deliberatiecommissie samen om te delibereren over de resultaten van alle kandidaten van de functionele opleiding Politieassistent. Inzake verzoekster beslist de deliberatiecommissie wat volgt : “De commissie neemt kennis dat betrokkene de opleiding is gestart op 03 september 2015, deze afwezig is gebleven vanaf 25 september 2015 en middels een mailbericht aan de voorzitter van deze opleiding op 27 oktober 2015 ter kennis heeft gebracht om de opleiding te beëindigen om medische redenen. De commissie neemt kennis dat betrokkene de stage niet heeft uitgevoerd, noch heeft deelgenomen aan het geheel der examens. Stellen derhalve vast dat betrokkene niet als geslaagd kan gezien worden voor deze opleiding. De commissie wil echter onderstrepen dat betrokkene zich doorheen de opleiding getoond heeft als een bijzonder gedreven persoon met voldoende professionaliteit in haar politionele taken in het algemeen en in de rol van politieassistent in het bijzonder. Het valt aan te bevelen dat betrokkene de kans mag gegund worden om de functionele opleiding op een later tijdstip te vervolledigen.” Het betreft de tweede bestreden beslissing. 3.7. Met een e-mail van 18 december 2015 (18u34) gericht aan de korpschef van verzoekster en haar dossierbeheerder B.V.W. (met C.V.B. in cc.), vraagt de waarnemend schooldirecteur de korpschef om advies “conform artikel 7 van het KB van 2005 mbt de functionele opleidingen”. Hij geeft daarbij een chronologisch overzicht en voegt daarbij een document, met 10 pagina’s, houdende de gevoerde e-mailcorrespondentie en het verslag van de deliberatiecommissie die, zoals blijkt uit punt 4.6., diezelfde dag reeds heeft plaats gevonden onder het voorzitterschap van C.V.N.. XIV-36.951-6/28 In diezelfde e-mail wordt met betrekking tot de beslissing van de deliberatiecommissie nog gesteld: “De opleiding politie assistent is hiermee in eerste zittijd beëindigd, de commissie stelt vast dat betrokkene niet deelnam aan de volledige opleiding en te kennis gaf te stoppen”. 3.8. Op 21 december 2015 geeft de korpschef van verzoekster negatief advies over het verzoek van 16 december 2015 tot uitstel van het geheel of een gedeelte van de functionele opleiding. 3.9. Op 10 februari 2016 beslist de (waarnemend) schooldirecteur J.B. het verzoek tot uitstel te weigeren. De te dezen relevante bepalingen van die beslissing luiden: “1 Context van de functionele opleiding politieassistent: […] 2 Context van het KB 03/12/2005 betreffende de functionele opleidingen: 2.1 - bedoeld KB verwijst in artikel 6 naar het geval van niet-slagen, waarbij de bevoegde overheid beslist over het geheel of gedeeltelijk overdoen van de functionele opleiding, 2.2 - bedoeld KB verwijst in artikel 7 naar de mogelijkheid tot uitstel van een deel of van geheel de functionele opleiding op basis van gezondheidsredenen, zwangerschap, of ernstige of uitzonderlijke omstandigheden. Hierbij dient een advies te worden gevraagd aan de bevoegde overheid. De schooldirecteur beslist en bepaalt in voorkomend geval, de duur ervan. 3 Chronologie van de afhandeling […] 4 Beslissing van de schooldirecteur 4.1 - inzake de aanvraag tot vrijstelling op basis van artikel 7 van eerder bedoeld KB: de schooldirecteur (c.q. schooldirecteur) kan niet ingaan op deze vraag, om de volgende redenen: - het negatieve advies van de bevoegde overheid, - door de initiële en herhaalde mededeling van betrokkene om de opleiding te stoppen, - de zeer laattijdige afgifte van de aanvraag tot eventuele vrijstelling en de datum van de concrete afhandeling van de functionele opleiding conform het erkenningsdossier door de examencommissie (zie bijlage pagina 20 en 21), - de onduidelijkheid en onzekerheid over zowel de datum van een volgend opleidingsaanbod functionele opleiding politieassistent als de toewijs van deze opleiding aan een erkende of een ingerichte politieschool, waardoor het vastleggen van een billijke duurtijd van de vrijstelling niet mogelijk is. 4.2 - inzake het verdere gevolg op het niet geslaagd zijn voor de opleiding, op basis van artikel 6 van eerder bedoeld KB behoort het niet tot de bevoegdheid van XIV-36.951-7/28 de schooldirecteur hierover een beslissing te nemen. […]” Het betreft de eerste bestreden beslissing. 3.10. Bij beslissing van 28 april 2016 van de korpschef van de lokale politie Deinze-Zulte wordt verzoekster - nadat die verzoekster niet de mogelijkheid heeft geboden om met toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 de functionele opleiding politieassistent geheel of gedeeltelijk over te doen -, herplaatst binnen de politiezone Gent met toepassing van artikel VI.I.88, tweede lid, RPPol. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State bekend onder nr. A. 219.555/XIV-37.090. In die zaak wordt uitspraak gedaan op dezelfde dag als het in de voorliggende, samengevoegde, zaken uit te spreken arrest. IV. Samenvoeging 4. Zowel in de zaak sub I als in de zaak sub II wordt de nietigverklaring gevorderd van de tweede bestreden beslissing. De Raad van State herinnert eraan dat hij in het in de zaak sub I uitgesproken tussenarrest nr. 242.517 van 4 oktober 2018 vooreerst, wat de voldoende samenhang betreft tussen de in die zaak eerste en tweede bestreden beslissing om op ontvankelijke wijze in eenzelfde verzoekschrift te worden bestreden, heeft geoordeeld dat verzoekster in haar verzoekschrift aannemelijk maakt dat een eventuele onregelmatigheid met betrekking tot de weigering tot uitstel door de schooldirecteur, een invloed zou kunnen hebben op de wettigheid van de beslissing die werd genomen door de deliberatiecommissie. Wanneer aan verzoekster de kans wordt geboden die niet gevolgde onderdelen van de opleiding op een later tijdstip te vervolledigen, kan zij vooralsnog niet als niet-geslaagd worden beschouwd. De omstandigheid dat dit eveneens gevolgen kan hebben bij een mogelijke beslissing tot herplaatsing van de betrokkene in toepassing van artikel VI.II.85, 3°, van het RPPol, is daarbij niet relevant. XIV-36.951-8/28 5. Er is geen reden om het anders te zien wat de samenvoeging van beide zaken betreft. De zaken sub I en sub II zijn dermate verknocht dat het past ze samen te voegen. V. Ontvankelijkheid Vooraf 6. De Raad van State heeft in zijn tussenarrest nr. 242.517 van 4 oktober 2018 alle door de verwerende partij in de zaak sub I opgeworpen excepties verworpen. Er wordt naar verwezen. De door de verwerende partij in haar memorie van antwoord in de zaak sub II opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid nog een behoeven beoordeling. Uiteenzetting van de excepties in de zaak sub II. 7. In een eerste exceptie in de zaak sub II voert de verwerende partij aan dat, hoewel verzoekster geen afstand heeft gedaan van haar vernietigingsberoep in de zaak sub I, zij door het indienen van het tweede beroep (dat enkel gericht is tegen de tweede bestreden beslissing), geacht moet worden te verzaken aan het eerste ingestelde beroep. 8. De tweede door de verwerende partij in de zaak sub II ingeroepen exceptie komt er in essentie op neer dat zij voorhoudt dat verzoekster geen belang heeft bij het beroep ingesteld in de zaak sub II waarin zij enkel nog de vernietiging vordert van de tweede bestreden beslissing. De verwerende partij zet uiteen dat de door verzoekster in de zaak sub II aangevoerde middelen enkel kunnen worden betrokken op de eerste bestreden beslissing, dit is de beslissing van de schooldirecteur van 10 februari 2016 waarbij uitstel wordt geweigerd. Die beslissing maakt evenwel geen voorwerp uit van het beroep in de zaak sub II. XIV-36.951-9/28 Voorts stelt de verwerende partij nog dat verzoekster niet kan vooruitlopen op de zaken en haar rechtens vereiste belang steunen op een loutere eventualiteit dat de eerste bestreden beslissing wordt vernietigd wat behoort tot de beoordeling van de gegrondheid van de in de zaak sub I eerste bestreden beslissing. Beoordeling 9. Wat de eerste exceptie betreft, kan de verwerende partij niet worden gevolgd. Vooreerst heeft verzoekster met haar tweede vernietigingsberoep dat zij, zoals de verwerende partij in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen, tijdig heeft ingediend, expliciet, noch impliciet maar zeker afstand gedaan van haar beroep in de zaak sub I, ook niet in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. Zij is de door de verwerende partij in die zaak opgeworpen excepties blijven betwisten waaronder de exceptie dat de beide bestreden beslissingen niet met één annulatieberoep konden worden bestreden. Er is in die omstandigheden geen reden om gevolgen van niet-ontvankelijkheid te verbinden aan het naast elkaar bestaan van twee rechtsgeldig ingestelde verzoekschriften die gericht zijn tegen dezelfde bestuurshandeling. 10. Wat de tweede exceptie van gebrek aan belang betreft, voert verzoekster in wezen enkel de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing aan die evenwel niet het voorwerp uitmaakt van het vernietigingsberoep in de zaak sub II. De gebeurlijke (on)wettigheid van de eerste bestreden beslissing beïnvloedt de rechtsgeldigheid van de tweede bestreden beslissing. Wordt derhalve het beroep tegen de eerste bestreden beslissing in de zaak sub I verworpen, dan is die beslissing definitief en kan de wettigheid ervan (ook niet door middel van een exceptie van onwettigheid ervan) nog verder worden betwist in her raam van een beroep tegen een andere administratieve rechtshandeling. De beoordeling van de exceptie in de zaak sub II is derhalve verbonden met de oplossing ten gronde van het geschil in de zaak sub I. XIV-36.951-10/28 VI. Ten gronde De zaak sub I Uiteenzetting van de beide middelen 11. In het verzoekschrift in de zaak sub I wordt in het eerste middel een schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster zet in essentie uiteen dat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden omdat de eerste bestreden beslissing waarbij uitstel wordt geweigerd en waaraan een heel groot belang is verbonden, niet wordt gedragen door deugdelijke motieven, minstens dat de verstrekte motieven die beslissing niet kunnen schragen. Het grote belang van de eerste bestreden beslissing is gelegen in het feit dat de weigering om uitstel te verlenen, noodzakelijkerwijze meebrengt dat verzoekster niet geslaagd kan zijn voor de functionele opleiding, met als gevolg dat de bevoegde overheid, dit is de korpschef, kan overgaan tot haar herplaatsing met toepassing van artikel VI.II.88, tweede lid, van het RPPol.. Het resultaat daarvan is een functieverlies voor verzoekster die reeds jarenlang de gespecialiseerde functie van politieassistent uitoefent en die, na herplaatsing, een gewoon hoofdinspecteur zal zijn hoewel zij via een bijzonder examen tot deze gespecialiseerde functie was geroepen. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, voert verzoekster vooreerst aan dat de eerste bestreden beslissing geen steun kan vinden in de “zogenaamd initiële en herhaalde mededeling van verzoek[st]er om de opleiding te stoppen”, wat een feitelijk onjuist motief is. Verzoekster heeft immers nooit de opleiding willen stoppen zonder meer. In haar e-mail van 27 oktober 2015 gericht aan C.V.N., dit is de coördinator voor de opleiding bij de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden (hierna: Paulo), nadat zij eerst heeft gepoogd deze telefonisch te bereiken, gebruikt XIV-36.951-11/28 verzoekster inderdaad het woord “stopzetten” maar voor elke goede verstaander is het duidelijk dat dit niet zo eng kan worden gezien. Verzoekster verwijst immers naar medische redenen en vraagt verder naar een contactmogelijkheid om dit verder te bespreken. Verzoekster lijdt op dat ogenblik aan een depressie en ernstige burn out zodat enige welwillendheid op het vlak van communicatie wel zou mogen bestaan. Evenmin heeft zij herhaaldelijk meegedeeld dat zij haar opleiding wilde stopzetten; wel integendeel stelt zij in haar e-mail aan de schooldirecteur van 23 november 2015 dat zij niet aanwezig kan zijn wegens een aanslepend medisch probleem en verzoekt zij haar in kennis te stellen van de verder te volgen procedure inzake haar afwezigheid tijdens deze functionele opleiding. Ook het motief dat zij zeer laattijdig haar aanvraag tot eventuele vrijstelling heeft gedaan is onjuist. Verzoeksters gemotiveerde aanvraag van 16 december 2015 is immers veroorzaakt door het feit dat zij nooit een dienstig antwoord heeft gekregen op haar e-mails van 27 oktober en 23 november 2015 waarin zij eensdeels aandringt op een verdere bespreking van haar situatie en anderdeels formeel om inlichtingen verzoekt omtrent de te volgen procedure. Het is pas nadat zij zich bij haar vakbond heeft bevraagd, dat ze tot de vaststelling kwam dat zij best een gemotiveerd verzoek om uitstel zou indienen, wat ze dan ook op 16 december 2015 heeft gedaan. Hadden haar - in deze opleidingscontext - meerderen gehandeld volgens hun eigen (deontologische) verplichtingen dan hadden zij verzoekster onmiddellijk ervan in kennis gesteld dat zij best een gemotiveerd verzoek om uitstel zou indienen en dan had verzoekster dat ook vroeger kunnen doen. Bij gebrek haar van de nodige informatie te voorzien, eerder dan niets te doen, stil te zitten en niet te reageren, is het onredelijk om zich dan finaal te beroepen op enige laattijdigheid in hoofde van verzoekster als motief om een negatief oordeel te vellen. Evenmin kan de eerste bestreden beslissing steun vinden in het negatief advies van de korpschef, dat eveneens “is behept met onjuiste feitelijkheden”. Het is onjuist te stellen dat verzoekster door de korpschef uitdrukkelijk werd gevraagd de opleidingsverantwoordelijke te contacteren, dat zij dat zou hebben nagelaten en dit uiteindelijk pas deed op 27 oktober 2015. Dat is om dezelfde redenen als reeds uiteengezet onjuist. Even onjuist is dat verzoekster ondanks de zogenaamde inspanningen van de korpschef geen enkele inspanning zou hebben gedaan om de XIV-36.951-12/28 functionele opleiding alsnog succesvol te beëindigen of zelfs de mogelijkheden daartoe na te gaan. Dit is meer dan onjuist, zelfs “grotesk” nu verzoekster wel degelijk zowel bij de opleidingscoördinator als de schooldirecteur om een onderhoud respectievelijk informatie heeft gevraagd. In het algemeen is het zo dat de korpschef geen rekening houdt met de ziektetoestand van verzoekster, die hem nochtans welbekend was. Tot slot voert verzoekster aan dat de schooldirecteur bij de eerste bestreden beslissing niet alle relevante feiten bij zijn overwegingen/motieven heeft betrokken. Zo is, hoewel er in punt 3.10 van de aanhef van de eerste bestreden beslissing wordt verwezen naar de beslissing van de deliberatiecommissie van 18 december 2015, geen rekening gehouden met het standpunt van die commissie die nochtans is samengesteld uit deskundigen en het best mogelijke zicht heeft op de kwaliteit van verzoekster als deelnemer aan de opleiding, omtrent haar inzet en kunnen. Het standpunt van de deliberatiecommissie is door de schooldirecteur niet bij zijn oordeelsvorming betrokken waaruit verzoekster, met verwijzing naar rechtspraak, afleidt dat er sprake is “van een juridische onjuistheid van de motieven, derwijze een schending van de materiële motiveringsplicht evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel nu het behoort dat een zorgvuldig oordelende overheid alle relevante overwegingen mee op neemt in haar besluitvormingsproces.”. Verzoekster wijst er nog op dat de opleidingscoördinator C.V.N. deel uitmaakt van de deliberatiecommissie en dat de schooldirecteur in zijn e-mail van 17 december 2015 te kennen gaf het advies van de opleidingscoördinator te zullen vragen; ook dat advies komt niet voor in de overwegingen en motieven van de eerste bestreden beslissing. Verzoekster besluit dat ook het redelijkheidsbeginsel is geschonden nu het verregaand onredelijk is om haar af te rekenen op een divers aantal elementen welke haar verkeerdelijk in de schoenen worden geschoven dan wel haar niet of fel verminderd kunnen worden toegerekend gelet op de pertinente ziektetoestand waarbij zij een totale emotionele en fysieke uitputting kende. XIV-36.951-13/28 In haar memorie van wederantwoord volhardt verzoekster, wat het eerste middel betreft, in de grieven en kritieken die zij eerder in haar verzoekschrift heeft uiteengezet. In de mate de verwerende partij stelt dat “er geen logica zou zitten in de vaststelling [dat] een beoordeling omtrent het al dan niet geslaagd zijn pas kan nadat de opleiding is voltooid - in deze in het geval een te bekomen uitstel”, repliceert verzoekster “dat zij nooit de intentie gehad heeft om zonder meer de opleiding definitief stop te zetten”. De verwerende partij negeert daarbij de medische toestand van verzoekster. Bij de vernietiging van de eerste bestreden beslissing moet ook de tweede uit het rechtsverkeer verdwijnen. Verzoekster beklemtoont dat anders dan de verwerende partij voorhoudt, de motieven wel degelijk onjuist en ondeugdelijk zijn waarbij zij punt per punt ingaat tegen de replieken van de verwerende partij. Zij volhardt, samengevat, dat

  1. a)het motief van de herhaalde mededeling van verzoekster dat zij de opleiding wenst te stoppen onjuist is;
  2. b)het motief dat verzoekster zeer laattijdig haar aanvraag tot uitstel heeft ingediend onjuist is;
  3. c)het advies van de korpschef waarop de beslissing gesteund wordt feitelijke onjuistheden bevat;
  4. d)de schooldirecteur niet alle relevante elementen bij zijn besluitvorming heeft betrokken, met name (in hoofdzaak) enerzijds de aanbeveling van de deliberatiecommissie (dat verzoekster op een later tijdstip de opleiding zou kunnen voleindigen), en anderzijds door volkomen abstractie te maken van haar ziekte. In haar aanvullende laatste memorie verwijst verzoekster, wat het eerste middel betreft, naar wat zij in haar eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Zij beklemtoont dat geen enkele van de in de eerste bestreden beslissing vervatte motieven op zich determinerend is wat blijkt uit de bestreden beslissing zelf waarin is gesteld “om de volgende redenen”. Verzoekster herhaalt dat “stopzetten” te dezen moet worden gezien in de feitelijke context, met name verzoeksters medische toestand op dat ogenblik. Specifiek wat de beweerde laattijdigheid van het verzoek om uitstel betreft, repliceert ze nog dat de genoemde laattijdigheid zeker geen deugdelijk motief is. Verzoekster heeft immers na de e-mail van de schooldirecteur van 26 november 2015 met haar vakorganisatie contact genomen. Deze heeft dan “begin december” contact opgenomen met de XIV-36.951-14/28 schooldirecteur waarna dan het formeel gemotiveerde verzoek om uitstel van 16 december 2015 is gevolgd. Haar aanvraag tot uitstel is dan ook manifest niet “te laat”. Ze verwijst daartoe nogmaals naar haar e-mail van 27 oktober en 23 november 2015 waarbij zij om bespreking en informatie verzocht doch daarop geen antwoord heeft ontvangen. Voorts “insisteert” zij op de schending van het redelijkheidsbeginsel in zoverre de Raad van State zou oordelen dat de eerste bestreden beslissing op deugdelijke motieven berust. 12. Wat het tweede middel betreft, dat is gesteund op een schending van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005, evenals van de materiëlemotiveringsplicht, zet verzoekster in haar verzoekschrift in essentie uiteen dat de schooldirecteur de eerste bestreden beslissing mede verantwoordt op grond van de onduidelijkheid en onzekerheid over zowel de datum van een volgend opleidingsaanbod functionele opleiding politieassistent als de toewijzing ervan aan een erkende of een ingerichte politieschool waardoor het vastleggen van een billijke duurtijd van de vrijstelling (lees: het uitstel) niet mogelijk is. Volgens verzoekster is dat motief geen overtollig motief doch schraagt het met de drie overige motieven de eerste bestreden beslissing. Nochtans voorziet artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 niet dat geen uitstel kan worden verleend indien er op dat moment nog geen concrete vooruitzichten zijn wanneer een nieuwe opleiding van start kan gaan. Het is de verantwoordelijkheid van de federale overheid om deze opleidingen te organiseren. Aangenomen kan worden dat de schooldirecteur bij gebrek aan nadere informatie de toekomst niet kan voorspellen en, zodoende, evenmin “met een nuttige zekerheid een uitstel […] verlenen gedurende een bepaalde termijn indien binnen deze termijn geen nieuwe opleiding van start kan gaan” doch, aldus verzoekster, mag zij daarvan niet het slachtoffer zijn. Indien de schooldirecteur geen zicht heeft op de start van een nieuwe opleiding dan dient “hij zijn termijnbepaling daarop te enten door - bij wijze van voorbeeld - te bepalen uitstel te verlenen tot aan de eerstvolgend georganiseerde opleiding”. Door geen uitstel te verlenen om reden dat er nog niet gekend of geweten is wanneer een nieuwe sessie van deze opleiding van start gaat, voegt de schooldirecteur een voorwaarde toe aan het genoemde artikel 7 waardoor XIV-36.951-15/28 het geschonden is. Eventuele problemen omtrent de duur van het te verlenen uitstel zijn geen reden om het uitstel zelf te weigeren. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster, wat het tweede middel betreft, dat de schooldirecteur een voorwaarde aan artikel 7 heeft toegevoegd, wat losstaat van (de uitoefening van) een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De mogelijkheid tot uitstel is niet gekoppeld aan een navolgende opleiding binnen eenzelfde politieschool noch aan een navolgende opleiding binnen een welbepaalde termijn. Overal te lande hebben de politieassistenten jarenlang gefunctioneerd zonder dat deze opleiding is georganiseerd en er zijn zelfs zones waar politieassistenten actief zijn, nog altijd, die niet hebben deelgenomen aan de opleiding sessie 2015-2016. In haar aanvullende laatste memorie voegt ze nog toe dat de verwerende partij de zaken omkeert. Het is volgens haar niet zo dat zij een uitstel sine die beoogt; enkel een uitstel voor deelname aan een eerstvolgende opleiding is aan de orde. Bovendien moet eerst over het uitstel worden beslist en dan pas over de duur ervan. Tot slot meent ze dat het niet tegenstrijdig is eensdeels te stellen dat de deliberatiecommissie voor haar beurt heeft beslist terwijl deze de beslissing om uitstel diende af te wachten en anderdeels het bekomen van een uitstel te benaarstigen met het oog op het volgen van een andere opleiding aan een andere politieschool. Indien een uitstel kan worden bekomen, aldus verzoekster, dan sluit de regelgeving niet uit dat deze opleiding kan worden hernomen aan een andere politieschool indien deze opleiding daar zou worden georganiseerd en wanneer verzoekster daar de opleiding voltooid zal het gebeurlijk aan die deliberatiecommissie zijn om te oordelen, dan wel aan deze van Paulo wanneer de opleiding terug aldaar zou doorgaan. Beoordeling 13. Het eerste en het tweede middel worden omwille van hun onderlinge samenhang samen beoordeeld. XIV-36.951-16/28 A. Beoordeling van de feiten en (de gevolgen ervan
  5. op)de chronologie van de tweede bestreden beslissing en de navolgende eerste bestreden beslissing 14. Het te dezen relevante koninklijk besluit van 3 december 2005 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 januari 2006. Artikel 7 ervan bepaalt dat de cursist om gezondheidsredenen, wegens zwangerschap of omwille van ernstige of uitzonderlijke omstandigheden om uitstel kan verzoeken van het geheel of een gedeelte van de functionele opleiding. De cursist richt hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de schooldirecteur die het advies inwint van de bevoegde overheid, dit is krachtens artikel 1 van datzelfde koninklijk besluit - wat personeelsleden van de lokale politie zoals verzoekster betreft -, de korpschef. De schooldirecteur beslist (vervolgens) over de toekenning van een uitstel en bepaalt, in voorkomend geval, de duur ervan. Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de cursist en van de bevoegde overheid. Artikel 6 van datzelfde koninklijk besluit van 3 december 2005 bepaalt dat in geval van niet-slagen, de bevoegde overheid, te dezen de korpschef, beslist “over het geheel of gedeeltelijk overdoen van de functionele opleiding”. 15. Het wordt door verzoekster niet betwist dat alle cursisten met e-mailberichten van 2 en 3 juni 2015 zijn opgeroepen om te participeren aan de functionele opleiding politieassistent 2015-2016 die is gestart op 3 september 2015. Bij die gelegenheid worden aan de cursisten en dus ook aan verzoekster, wat zij evenmin betwist, de data meegedeeld van de lessen (die lopen van 3 september tot 9 oktober 2015), van de stageperiode die start op 12 oktober 2015 en loopt tot 10 november 2015, van de intervisie van de stage (op 26 oktober en 13 november 2015), van de examens bestaande uit een schriftelijk examen, gevolgd door de eindevaluatie professioneel functioneren die beide plaatsvinden op 30 november 2015, van de mondelinge examens die plaatsvinden tijdens de week van 7 december 2015, van de deliberatie en de proclamatie die plaatsvinden op 18 december 2015 en, tot slot, van gebeurlijke herexamens voor de onderdelen XIV-36.951-17/28 waarop in eerste zittijd de minimumnorm niet wordt gehaald en die worden georganiseerd op 4 januari 2016. Vanaf 25 september 2015 is verzoekster ziek wat zij die dag telefonisch meldt aan het secretariaat van Paulo. Zij volgt niet verder de theoretische opleiding. Zij vat evenmin de daaropvolgende stage aan. Op 27 oktober 2015 meldt verzoekster aan C.V.N., de opleidingscoördinator, dat zij om medische redenen de opleiding wenst stop te zetten. Zij gewaagt niet van een verzoek om uitstel zoals bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005. Op 23 november 2015 bericht zij de schooldirecteur J.B. (met C.V.N. in cc.) dat zij naar aanleiding van een aanslepend medisch probleem niet aanwezig kan zijn tijdens de functionele opleiding tot politieassistent sessie 2015 en dat haar behandelende arts-specialist haar opnieuw volledig arbeidsongeschikt heeft verklaard vanaf 23 november tot 20 december 2015. Zij vraagt aldus kennis te nemen “van [haar] afwezigheid wegens medische redenen”. Zij vraagt wel om verdere informatie betreffende de te volgen procedure maar verzoekt niet om het in artikel 7 van het toepasselijke koninklijk besluit bedoelde uitstel. Op 26 november 2015 in een e-mail gericht aan verzoekster en haar korpschef (en met de schooldirecteur J.B. in cc.), stelt de opleidingscoördinator C.V.N. vervolgens akte te nemen van verzoeksters beslissing om de functionele opleiding “stop te zetten”: de opleidingscoördinator stelt vast dat verzoekster haar stage niet is begonnen, deze bijgevolg niet heeft afgewerkt en er dus ook geen stageverslag tijdig is binnengebracht. Tot slot, meldt C.V.N. in diezelfde e-mail nog dat verzoeksters korps in cc. van dat bericht wordt geplaatst “opdat zij op de hoogte zijn van uw gemaakte keuze”. Zelfs in haar zeer omstandige e-mail van 16 december 2016 (12u30) - die zij verstuurt nadat zij, zoals blijkt uit haar aanvullende laatste memorie (p. 10), vanaf eind november 2015 contact had met haar vakorganisatie en die “begin december” met de schooldirecteur contact heeft genomen -, met als onderwerp “gemotiveerd verslag stopzetting opleiding Marianne De Vuyst” wordt er nog steeds met geen woord gerept over enig verzoek om uitstel in de zin van het XIV-36.951-18/28 genoemde artikel 7. Integendeel, stelt zij in fine van dat e-mailbericht de hoop te koesteren dat de directeur haar “de mogelijkheid kan en wil geven om ooit de opleiding opnieuw te starten en mijn graad te vervolledigen”, wat eerder lijkt te wijzen op een vraag om de opleiding ingeval van niet-slagen alsnog te mogen “overdoen” in de zin van artikel 6 van het meergenoemde koninklijk besluit van 3 december 2005. Er kan in dat verband immers niet aan voorbij worden gegaan dat verzoekster niet alle lessen heeft kunnen volgen, de stageverplichtingen niet heeft vervuld noch aan de examens heeft deelgenomen zodat een beoordeling niet-slagen in het vooruitzicht lag. Het is pas in de e-mail van de schooldirecteur van 17 december 2015 van 15u41, dit is daags vóór de deliberatie die plaatsvindt op 18 december, dat voor het eerst gewag wordt gemaakt van artikel 7 van het meergenoemde koninklijk besluit. In die e-mail meldt de schooldirecteur verzoekster: “[i]k heb uw bericht dd 16 december 2016 in goede orde ontvangen. Ik liet u eerder weten dat ik een ad hoc overleg met de portefeuillehouder van deze opleiding, HINP [C.V.N.], moet houden om duidelijk te kunnen beslissen. Zoals het KB op de functionele opleidingen bepaalt dien ik ook het advies van uw korpschef te vragen. Ik zal uw dossier dan ook bundelen en spoedig aan de korpschef overmaken, met het oog op dit advies, vooraleer een beslissing te kunnen nemen. Deze beslissing zal u en uw korpschef worden betekend in een schrijven.”. Op het einde van zijn e-mail neemt hij de tekst van het genoemde artikel 7 op. Het is, anders dan verzoekster voorhoudt, allerminst evident om uit die feitelijke gegevens te besluiten dat de opleidingscoördinator, die tevens voorzitter is van de deliberatiecommissie op het ogenblik van de beraadslaging van de deliberatiecommissie op de hoogte was of moest zijn van het initiatief van de schooldirecteur die in die bewuste e-mail voor het eerst verwijst naar het in artikel 7 bedoelde uitstel. Er kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat verzoekster, daags voordien, in haar e-mail van 16 december 2015, getiteld “gemotiveerd verslag stopzetting” nog steeds gewaagt van “stopzetting” en hoopt dat haar nog de mogelijkheid wordt gegeven “om ooit de opleiding opnieuw te XIV-36.951-19/28 starten en [haar] graad te vervolledigen”. Van een verzoek om uitstel is in die e-mail geen sprake. Evenmin kan worden voorbijgegaan aan het feit dat de opleidingscoördinator C.V.N., tevens voorzitter van de deliberatiecommissie, geen geadresseerde was van de e-mail van 17 december 2015 (15u41) doch de genoemde e-mail ontving met een cc.-bericht. Los daarvan was de deliberatiecommissie op de dag van de deliberatie in ieder geval niet in het bezit van een beslissing van de schooldirecteur waarbij het uitstel, na een - per hypothese - positief advies van de korpsoverste dat op dat ogenblik nog moet worden ingewonnen, ook effectief werd toegekend. Het advies van de korpschef is overigens door de schooldirecteur pas gevraagd nadat de deliberatie al had plaats gevonden. De deliberatiecommissie kon in die omstandigheden enkel rekening houden met de feiten zoals ze zich op 18 december 2015 hebben voorgedaan, met name dat verzoekster meermaals te kennen had gegeven dat zij de opleiding stopzette wat zij in de feiten ook deed aangezien zij, zonder toegestaan uitstel, niet deelnam aan de examens noch haar stageverplichtingen vervulde zodat deze als niet-geslaagd diende te worden geproclameerd. 16. Het gegeven dat het koninklijk besluit van 3 december 2005 niet in een uiterlijke termijn voorziet waarbinnen het verzoek om uitstel moet worden ingediend, neemt niet weg, vooreerst, dat van een zorgvuldig handelend politieassistent/cursist zoals verzoekster mag worden verwacht dat zij wanneer zij deelneemt aan een functionele opleiding voor een gespecialiseerde functie, kennis neemt van de daarop toepasselijke regelgeving, te dezen meer bepaald het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte koninklijk besluit van 3 december 2005, evenals van het haar met e-mailberichten van 2 en 3 juni 2015 ter kennis gebrachte examenprogramma dat die opleiding beheerst daarin begrepen de data van de lessen, de stageperiode, de data van de examens en de datum van de deliberatie en proclamatie. Voorts, en zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de communicatie tussen verzoekster en de opleidingscoördinator beter had kunnen verlopen, kan verzoekster niet ernstig volhouden dat zij de verwerende partij niet XIV-36.951-20/28 op het verkeerde been heeft gezet. Verzoekster toont te dezen geen overmacht aan zodat moet worden vastgesteld dat het verzoekster is die in gebreke is gebleven om tijdig een duidelijk, helder en ondubbelzinnig geformuleerd schriftelijk verzoek om uitstel in te dienen bij de schooldirecteur en met name op zodanige wijze dat de procedure om uitstel te bekomen nog tijdig - dit is vóór de deliberatie en proclamatie waarmee de opleidingscyclus is beëindigd -, kon worden afgehandeld, met inbegrip van het bevragen van de korpschef om het vereiste advies. Zoals reeds is bemerkt, vraagt verzoekster in haar e-mail van 16 december 2015 nog steeds niet om een uitstel noch verwijst ze naar het meergenoemde artikel 7. Ze gewaagt daarin nog steeds van een “stopzetting” en het willen in overweging nemen van de mogelijkheid om “ooit de opleiding opnieuw te starten”. Verzoekster lijkt dit ook zelf wel te beseffen nu zij in haar verzoekschrift, weliswaar post factum, stelt “Dit als zijnde een toepassing van het voornoemde KB van 2005 mbt. de functionele opleiding.” (verzoekschrift p. 7). Verzoekster is te dezen dan ook niet goed geplaatst om de verwerende partij onzorgvuldigheid te verwijten. Verzoekster kan de Raad van State er niet van overtuigen dat zij niet wist, kon of moest weten dat door haar houding een beoordeling “niet geslaagd” redelijkerwijze in het vooruitzicht lag aangezien zij de theoretische opleiding niet heeft voltooid, de stage niet heeft aangevat, aan de examens niet heeft deelgenomen en de deliberatie en proclamatie plaats vond op 18 december 2015. Daargelaten nog de vaststelling dat de schooldirecteur krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 hoedanook geen beslissing tot uitstel kan verlenen zonder het advies van de korpschef te hebben ingewonnen, kon verzoekster er redelijkerwijze niet vanuit gaan dat zij met haar e-mail van 16 december in de late namiddag nog op nuttige wijze een verzoek tot uitstel (dat zij ook op dat ogenblik nog steeds niet zo benoemd) kan indienen om voor die opleidingssessie die zij niet volbracht en die met de deliberatiebeslissing wordt afgerond, aan de beoordeling niet-geslaagd van de deliberatiecommissie te ontsnappen. 17. Dat verzoekster omwille van medische problemen diende af te haken of stop te zetten, doet niet af aan de vaststelling dat zij of een door haar XIV-36.951-21/28 gemachtigde met het oog op een nuttige toepassing van artikel 7, tijdig haar schooldirecteur diende aan te schrijven met een ondubbelzinnig verzoek om uitstel. Verzoekster toont ter zake geen overmacht aan. Dat geldt des te meer nu blijkt dat zij reeds vanaf 25 september 2015 niet meer aan de opleidingssessie heeft deelgenomen. Daarmee is niet gezegd dat verzoekster alsnog - met toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 - de mogelijkheid kan verkrijgen om “ooit de opleiding opnieuw op te starten” zoals ze op 16 december 2015 vraagt en daarover de proeven af te leggen, doch deze vraag maakt niet het voorwerp uit van het in de zaken sub I en II voorliggende geschil (cfr. punt 3.10). 18. Dat, tot slot, de tweede bestreden beslissing van 18 december 2015 waarbij de deliberatiecommissie verzoekster als “niet geslaagd” beoordeeld (noch de daarin vervatte aanbeveling dat haar “de kans mag gegund worden om de functionele opleiding op een later tijdstip te vervolledigen”) voorafgaat aan de daaropvolgende eerste bestreden beslissing over het uitstel waarop het aangevoerde eerste en tweede middel betrekking hebben, doet niets af aan hetgeen hiervoor is uiteengezet. B. Beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de eerste bestreden beslissing die volgt op de tweede bestreden beslissing 19. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de XIV-36.951-22/28 redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 20. De eerste bestreden beslissing die dateert van 10 februari 2016, dit is na de deliberatie van 18 december 2015, moet worden geplaatst in de feitelijke context zoals die zich heeft voorgedaan. Met die beslissing doet de schooldirecteur niet meer dan alsnog een formeel antwoord te verstrekken op de e-mail van verzoekster van 16 december 2015. Deze beslissing omvat evenwel meerdere luiken en kan, anders dan verzoekster laat uitschijnen, niet worden gereduceerd louter tot een beslissing omtrent het verzoek om uitstel dat volgens verzoekster in haar e-mail van 16 december 2015 moest worden gelezen doch waarin zij zoals hiervoor is uiteengezet (cfr. punten 15 tot 18), niet wordt bijgetreden. De eerste bestreden beslissing (cfr. punt 3.9) omvat immers, achtereenvolgens, (1.) de context van de functionele opleiding politieassistent, (2.) de context van het koninklijk besluit van 3 december 2005 waarbij in die beslissing wordt gewezen op zowel artikel 6 als artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005, (3.) de chronologie van de afhandeling van verzoeksters dossier en, tot slot, (4.) het dictum ervan waarvan de voor het voorliggende geschil relevante bepalingen luiden: “4 Beslissing van de schooldirecteur 4.1- inzake de aanvraag tot vrijstelling op basis van artikel 7 van eerder bedoeld KB: de schooldirecteur (c.q. schooldirecteur) kan niet ingaan op deze vraag, om de volgende redenen : XIV-36.951-23/28 - het negatieve advies van de bevoegde overheid, - door de initiële en herhaalde mededeling van betrokkene om de opleiding te stoppen, - de zeer laattijdige afgifte van de aanvraag tot eventuele vrijstelling en de datum van de concrete afhandeling van de functionele opleiding conform het erkenningsdossier door de examencommissie (zie bijlage pagina 20 en 21), - de onduidelijkheid en onzekerheid over zowel de datum van een volgend opleidingsaanbod functionele opleiding politieassistent als de toewijs van deze opleiding aan een erkende of een ingerichte politieschool, waardoor het vastleggen van een billijke duurtijd van de vrijstelling niet mogelijk is. 4.2- inzake het verdere gevolg op het niet geslaagd zijn voor de opleiding, op basis van artikel 6 van eerder bedoeld KB behoort het niet tot de bevoegdheid van de schooldirecteur hierover een beslissing te nemen. […]” Die beslissing die moet worden gezien als een geheel, beoogt derhalve alsnog een antwoord te verstrekken op eensdeels verzoeksters “gemotiveerd verslag stopzetting opleiding Marianne De Vuyst” van 16 december 2015 en anderdeels, rekening houdende met het gegeven dat de deliberatiecommissie om de eerder uiteengezette feitelijke context en gegevens, verzoekster inmiddels als “niet geslaagd” heeft beoordeeld. In de mate in verzoeksters “gemotiveerd verslag stopzetting opleiding” een verzoek moest worden gelezen “om ooit de opleiding opnieuw te starten en [haar] graad te vervolledigen”, wat kan worden gelezen als het mogen overdoen, geheel of gedeeltelijk, van de functionele opleiding bij niet slagen als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit, beslist de schooldirecteur dat het overeenkomstig artikel 6 niet hem toekomt daarover een beslissing te nemen. In de mate in de genoemde e-mail van 16 december 2015 een verzoek om uitstel zoals bedoeld in artikel 7 zou moeten worden gelezen, zoals verzoekster, zij het tevergeefs, beargumenteert, haalt de schooldirecteur vier motieven aan waarom op die aanvraag niet kan (of kon) worden ingegaan, namelijk, samengevat, (a.) het (weliswaar navolgende) negatieve advies van de korpschef, (b.) de herhaalde mededeling van verzoekster om de opleiding te stoppen, (c.) de zeer laattijdige afgifte van de vraag tot uitstel in het licht van de afhandeling door de deliberatiecommissie conform het erkenningsdossier van de functionele opleiding waaraan verzoekster deelnam en (d.) de onduidelijkheid en onzekerheid over een toekomstige functionele opleiding politieassistent. XIV-36.951-24/28 21. Uit de punten 15 tot 18 hiervoor volgt dat de Raad van State in de eerste bestreden beslissing geen feitelijke onjuistheden of elementen ontwaart die zouden strijden met de stukken van het administratief dossier. Verzoekster geeft weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de inhoud van haar communicaties, maar zij maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling ervan tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. Uit dezelfde punten 15 tot 18 hiervoor volgt ook dat de hiervoor genoemde motieven (b.) en (c.), namelijk de vaststelling eensdeels dat verzoekster herhaaldelijk heeft meegedeeld dat zij de opleiding stopzette wat zij in de feiten ook deed en, anderdeels, dat zij haar “verzoek om uitstel” niet helder heeft geformuleerd zoals zij dat wil laten uitschijnen, laat staan tijdig, volstaan om de tweede (en dus ook de door verzoeksters stilzitten nagekomen eerste) bestreden beslissing te schragen. Dat de korpsoverste op 21 december 2015 het verzoek om uitstel zoals hem dat door de schooldirecteur met zijn e-mail van 18 december 2015 na de deliberatie nog is voorgelegd, alsnog negatief heeft beoordeeld, voegt daaraan niets toe, noch doet het daaraan af. Het feit dat dat advies werd verstrekt na de deliberatie is het gevolg van het (laattijdig en verwarringstichtend) handelen van verzoekster en kan niet aan de korpschef, noch aan de verwerende partij worden toegerekend. Wat tot slot het motief inzake de onduidelijkheid en onzekerheid over de datum van een volgend opleidingsaanbod betreft, stelt de Raad van State vast dat, anders dan verzoekster dat ziet, het een overtollig motief betreft. Die onduidelijkheid over een volgend opleidingsaanbod doet immers niets af aan het feit dat niet tijdig een verzoek om uitstel voorlag. XIV-36.951-25/28 Een schending van de materiëlemotiveringsplicht ligt derhalve niet voor. 22. Evenmin kan verzoekster gelet op de hiervoor beschreven feitelijke omstandigheden, aan de verwerende partij een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel toeschrijven. Verzoekster heeft immers zelf verzuimd duidelijk en tijdig haar aanspraken op een uitstel te doen kennen. In zoverre verzoekster tot slot oordeelt dat het redelijkheidsbeginsel is geschonden, kan zij evenmin worden bijgetreden. Wanneer een cursist niet deelneemt aan de examens noch aan de stageverplichtingen of tijdig om uitstel verzoekt op een wijze dat het nog vóór de eindbeslissing van de deliberatiecommissie zou kunnen worden toegekend, is het niet onredelijk te besluiten dat zij voor die opleidingssessie door de deliberatiecommissie als “niet geslaagd” wordt beoordeeld. 23. De aangevoerde middelen zijn ongegrond. 24. In de mate dat verzoekster in haar procedurestukken nieuwe argumenten ter adstructie van haar in het verzoekschrift ontwikkelde middelen aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoekster die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in haar verzoekschrift in de zaak sub I. In die mate geeft verzoekster aldus in wezen op laattijdige en niet ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het eerste en het tweede middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet-ontvankelijk. C. Beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de tweede bestreden beslissing 25. Uit de punten 20 tot 23 blijkt dat de in de zaak sub I aangevoerde middelen die uitsluitend betrekking hebben op de eerste bestreden beslissing, niet tot vernietiging van die beslissing kunnen leiden. Het leidt er evenzo toe dat de XIV-36.951-26/28 Raad van State niet vermag te besluiten tot vernietiging van de tweede besteden beslissing waartegen geen eigen middelen worden aangevoerd. De zaak sub II 26. De in de zaak sub II aangevoerde middelen zijn uitsluitend gericht tegen de in de zaak sub I eerste bestreden beslissing. Uit de beoordeling van die zaak is gebleken dat het vernietigingsberoep tegen de in die zaak aangevoerde eerste bestreden beslissing, wordt verworpen. Die beslissing is definitief en de wettigheid ervan kan niet verder worden betwist, ook niet door middel van een exceptie van onwettigheid ervan, in het raam van een beroep gericht tegen een andere administratieve rechtshandeling. 27. Het beroep in de zaak sub II is bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De zaken nrs. A. 218.674/XIV-36.951 en A. 219.952/XIV-37.157 worden gevoegd. 2. De Raad van State verwerpt het beroep in beide zaken. 3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-36.951-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-36.951-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.