id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.946 Rolnummer: A. 228392/XIV-38081 Zaak: Arrest 245946 - Politie - 28/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 21:31 Fiche Arrest nr 245.946 van 28 oktober 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 245.946 van 28 oktober 2019 in de zaak A. 228.392/XIV-38.081 In zake: Timoteo MOENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Lauwens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 65/11 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Siffert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 174/8 tegen: de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD - ELSENE -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 juni 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van het politiecollege van de PZ Brussel-Hoofdstad - Elsene van 1 april 2019 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het uitoefenen van een bijkomende activiteit (vertaler-tolk voor gerechtelijke overheden) geweigerd wordt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft geen administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.081- 1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Siffert, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de PZ Brussel-Hoofdstad-Elsene (PZ 5339). Verzoeker oefent reeds enige tijd het bijberoep van vertaler-tolk voor gerechtelijke overheden uit. 3.
- Op 1 maart 2019 dient verzoeker een aanvraag in die hij richt aan de korpschef en aan de voorzitter van het politiecollege “om de toelating te verkrijgen een complementaire activiteit uit te oefenen”. Het betreft een activiteit als vertaler-tolk voor gerechtelijke overheden. Bij zijn aanvraag voegt hij een brief van 27 februari 2019 (met als onderwerp “Administratief verslag aan de HPC - DIZ/31XXX/2018/cd- Moens Timoteo”) van hoofdinspecteur van politie (HINP) P.H., coördinator van de dienst van verzoeker waarin deze verwijst (“[i]n bijlage”) naar het verhoor van verzoeker en te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen XIV-38.081- 2/10 het uitoefenen van dit bijberoep. De bijlage waarnaar HINP P.H. in zijn brief verwijst, is niet bij het door verzoeker bijgebrachte stuk gevoegd. Tevens voegt verzoeker bij zijn aanvraag van 1 maart 2019 de verklaring van de ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 27 februari 2019 waarin deze volmondig de aanvraag van verzoeker steunt om verder als tolk te kunnen fungeren. 3.
- Op 15 maart 2019 verstrekt de korpschef een negatief advies over de melding van verzoeker van het uitoefenen van het bijberoep. Hij is van oordeel dat het uitoefenen van het bijberoep moet worden geweigerd om de volgende redenen: “- Om de onpartijdigheid en de objectiviteit, vereist bij het uitoefenen van het politieambt te kunnen garanderen daar deze zouden kunnen botsen met de particuliere belangen wanneer deze activiteiten worden gecumuleerd en zeker wanneer de voormelde nevenactiviteit bezoldigd is; - Het uitoefenen van een bijkomende activiteit in een privéonderneming in hoofde van de aanvrager, aanleiding kunnen geven tot een verminderde beschikbaarheid ten nadele van zijn hoofdactiviteit en dreigt mede hierdoor het operationeel vermogen van de dienst aan te tasten; - Het cumuleren van ‘vertaler-tolk voor gerechtelijke overheden’ met het uitoefenen van het ambt van politiefunctionaris, is van aard om het imago aan te tasten dat moet uitgaan van elke politiefunctionaris, als houder van het openbaar gezag en van de openbare macht en dit zelfs in het kader van zijn privé-leven;” 3.
- Op 1 april 2019 beslist het politiecollege het uitoefenen van het bijberoep te weigeren op grond van dezelfde redenen als deze die door de korpschef zijn vermeld. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel XIV-38.081- 3/10 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- Het verzoekschrift bevat geen uiteenzetting betreffende de voorwaarde van de spoedeisendheid. Verzoeker vermeldt onder het kopje “[m]oeilijk te herstellen nadeel” in essentie wel dat niet alleen de nietigverklaring doch ook de schorsing van de bestreden beslissing zich opdringt omdat er, zo niet, een moeilijk te herstellen nadeel ontstaat. Bij gebrek aan een schorsing van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verkeert verzoeker immers “in afwachting van een eventuele vernietigingsbeslissing niet langer in de mogelijkheid […] tolkopdrachten aan te nemen”. Hij voegt toe dat, los van het pecuniair aspect, “het zo is dat het jaren inspanning vergt om een netwerk van contacten bij politiediensten, parketmagistraten, parketmedewerkers, zittende rechters, griffiers en griffiemedewerkers uit te bouwen op een dusdanige wijze dat elkeen ten eerste weet dat iemand tolk is, voor welke talen hij kan tolken en in welke politiezones en rechtbanken, op welke tijdstippen, en ten tweede dat men er ook aan denkt om deze tolk effectief te contacteren en opdrachten te bezorgen”. Gans dit netwerk dreigt te verwateren wanneer verzoeker voor geruime tijd, in afwachting van de vernietigingsbeslissing, niet meer actief zal zijn als tolk. Hij voegt nog toe dat, na enkele malen een opdracht te hebben geweigerd, “het evident is dat men als tolk niet meer of minstens niet meer meteen zal gecontacteerd worden” en dat andere tolken de plaats van verzoeker zullen innemen. De plaats die hij thans “veroverd” heeft bij een aantal rechtbanken, gelet op zijn zeer uitgebreide talenkennis (vijf talen) en zeer flexibele beschikbaarheid, evenals zijn zeer goede reputatie waaraan jaren gewerkt is om deze op te bouwen, zal wegsmelten als water voor de zon. Samenhangend met deze vertrouwensschade, gaat ook een zekere aantasting van de reputatie gepaard omdat derden “ook vragen gaan stellen over wat verzoeker XIV-38.081- 4/10 dan wel zou uitgestoken hebben dat hij niet meer kan of niet meer mag tolken”. Omgekeerd, zou verzoeker, bij gebrek aan schorsing van de bestreden beslissing en rekening houdende met het feit dat hij toch verder wenst te tolken, “er in feite toe gedwongen [...] worden om de facto zijn job als politiefunctionaris op te geven teneinde zich voltijds als vertaler-tolk te kunnen manifesteren - en aldus ontslag zou moeten nemen en bijgevolg niet zelf ontslagen wordt - , wat uiteraard veel te verregaande gevolgen zou hebben - niet alleen financieel maar ook persoonlijk - louter en alleen vermits de bestreden beslissing alsdan nog niet eens definitief is”. Er is dan ook sprake van een moeilijk te herstellen nadeel zodat de schorsing van de bestreden beslissing zich opdringt. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie XIV-38.081- 5/10 van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De verwerende partij was ter terechtzitting niet aanwezig, noch vertegenwoordigd. Luidens artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, worden, wanneer een vordering tot schorsing aanhangig is gemaakt, de andere partijen die niet verschijnen of vertegenwoordigd zijn, geacht in te stemmen met de vordering tot schorsing. Die bepaling kan niet betekenen dat de schorsing zou bevolen moeten worden indien op zicht van de vordering tot schorsing blijkt dat de vordering wegens een desgevallend ambtshalve op te werpen exceptie niet ontvankelijk is, of indien de wettelijke voorwaarden niet vervuld zijn.
- Waar verzoeker refereert aan de dreiging van het verwateren van het gedurende jaren opgebouwd “netwerk van contacten” indien hij, in afwachting van de vernietigingsbeslissing, niet meer actief zal zijn als tolk en het feit dat zijn plaats door anderen zal worden ingenomen, bemerkt de Raad van State dat verzoeker niet aantoont op welke juridische grondslag die jarenlange uitoefening van nevenactiviteit is gesteund. Om de Raad van State ervan te overtuigen dat de impact van de door hem ingeroepen gevolgen niet gedragen kunnen worden tot een uitspraak volgt over het beroep tot nietigverklaring - een aspect waarin de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid nu net verschilt van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel - mag van verzoeker wel een minimale inspanning XIV-38.081- 6/10 worden gevraagd om die impact toe te lichten en op zijn situatie te betrekken. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt immers het onvermijdelijke lot uit van elke beroepsindiener zodat verzoeker dient aan te tonen dat hij het resultaat daarvan niet kan afwachten op straffe zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen.
- In zoverre verzoeker zich beroept op de teloorgang van zijn plaats als bevoorrechte tolk en het verlies aan netwerk van contacten waaraan jarenlang is gewerkt (cq. de gebeurlijk daaraan verbonden pecuniaire gevolgen wanneer hij zijn nevenactiviteit moet stopzetten), toont hij evenmin aan op welke wettelijke of reglementaire grondslag of individuele machtiging die jarenlange uitoefening van nevenactiviteit is gesteund. Het is immers zo dat de bestreden weigering om de nevenactiviteit van vertaler-tolk uit te oefenen, kadert in de op verzoeker rustende meldingsplicht zoals die ligt vervat in artikel 135 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de WGP). Krachtens die bepaling, zoals gewijzigd bij artikel 16 van de wet van 19 juli 2018 ‘tot wijziging van diverse bepalingen die betrekking hebben op de politiediensten en betreffende de Romeinse instellingen’ (BS, 21 augustus 2018) (hierna: de wet van 19 juli 2018) moet een personeelslid van het operationeel kader zoals verzoeker die beoogt een bezigheid uit te oefenen die niet is bedoeld in artikel 134 van de WGP, dit voorafgaandelijk aan de burgemeester of het politiecollege melden, waarop de burgemeester of het politiecollege binnen de 45 kalenderdagen na ontvangst van de melding - en na het advies van de korpschef te hebben ingewonnen -, de uitoefening van de gemelde bezigheid kan weigeren dan wel de uitoefening ervan van welbepaalde voorwaarden afhankelijk kan stellen. Het is pas na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn (en bij het uitblijven van een weigeringsbeslissing) dat de gemelde bezigheid mag worden uitgeoefend. Gegeven eensdeels verzoekers aanvraag van 1 maart 2019 en anderdeels de daaropvolgende tussengekomen XIV-38.081- 7/10 weigeringsbeslissing van 1 april 2019, kan hierop alvast geen jarenlange uitoefening van de gemelde nevenactiviteit worden gesteund. Evenmin doet verzoeker blijken noch toont hij aan dat hij in het verleden - gelet op de beroepsonverenigbaarheden zoals die ook vóór 31 augustus 2018 in de WGP lagen vervat (cfr. de artikelen 134 en 135 van de WGP) - die nevenactiviteit ook rechtmatig vermocht uit te oefenen. Dat geldt des te meer in het licht van de overgangsbepaling vervat in artikel 32 van de hiervoor genoemde wet van 19 juli 2018 die erin voorziet dat de personeelsleden van het operationeel kader die vóór de inwerkingtreding van deze wet een afwijking op de beroepsonverenigbaarheden hebben verkregen, de bezigheid waarvoor ze die afwijking hebben verkregen, in voorkomend geval volgens de daaraan gekoppelde voorwaarden, verder mogen blijven uitoefenen en dat zij die vóór de inwerkingtreding van deze wet een afwijking op de beroepsonverenigbaarheden hebben aangevraagd maar niet hebben verkregen, die bezigheid, indien ze die alsnog wensen uit te oefenen, aan de bevoegde overheid moeten melden. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker aldus niet aantoont of aannemelijk maakt over een door de bevoegde overheid verleende machtiging of toelating te beschikken om de thans geweigerde nevenactiviteiten uit te oefenen. Dat volgens verzoeker de coördinator van zijn dienst van die feitelijke uitoefening van nevenactiviteit al op de hoogte was “ruim voor 27/02/2019” doet daaraan niets af. Het nadeel waarop verzoeker zich thans beroept - en dat dus de vordering spoedeisend zou maken - is aldus niet het gevolg van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, maar van zijn eigengereid handelen door het uitoefenen van een nevenactiviteit zonder dat hij blijkt over de daartoe vereiste voorafgaande machtiging te beschikken. Het aangevoerde nadeel en dus ook het spoedeisend karakter ervan, is aldus aan verzoeker zelf te wijten. Een dergelijk nadeel, en de er volgens verzoeker eruit voortvloeiende spoedeisendheid, kan niet worden aangenomen. Eenzelfde conclusie geldt voorts wat het ingeroepen moreel nadeel betreft en dat los van de vraag of de ernst ervan op zich de spoedeisendheid zou kunnen rechtvaardigen, daar in de regel een tussen te komen vernietigingsarrest volkomen genoegdoening verschaft. XIV-38.081- 8/10
- In de mate verzoeker tot slot nog aanvoert dat, wil hij verder blijven tolken, hij “andersom” door de bestreden beslissing zou worden gedwongen om de facto zijn ambt als politieambtenaar op te geven teneinde zich “voltijds als vertaler-tolk te manifesteren” - en dus niet langer in het kader van een nevenactiviteit -, hij met deze blote stelling die niet op enig concreet gegeven steunt, er niet in slaagt de Raad van State te overtuigen dat die hypothese rechtstreeks uit de bestreden beslissing voortvloeit nu die, in voorkomend geval, het resultaat zou zijn van een persoonlijke keuze na een eigen afweging van de voor- en nadelen die eraan verbonden zijn.
- Uit wat voorafgaat, blijkt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.081- 9/10 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.081- 10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.946 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.396 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div