← België

Arrest 245953 - Varia (onderwijs en cultuur) - 29/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.953 Rolnummer: A. 220059/IX-8905 Zaak: Arrest 245953 - Varia (onderwijs en cultuur) - 29/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:33 Fiche Arrest nr 245.953 van 29 oktober 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.953 van 29 oktober 2019 in de zaak A. 220.059/IX-8905 In zake: Paul DE GANCK woonplaats kiezend te 9820 Merelbeke Fraterstraat 73 bus 206 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.

  1. Het beroep, ingesteld op 11 augustus 2016, strekt tot de nie- tigverklaring van “de beslissing van 17 juni 2016 genomen door het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassen[en]onderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen en deel uitmakend van de Vlaamse Overheid, betreffende een niet geschikte be- oordeling, toegekend aan [Paul De Ganck], voor het uitoefenen van de functie dossierbeheerder school- en studietoelagen”. 1.
  2. Tevens wordt gevorderd om Paul De Ganck “onmiddellijk in dienst te nemen en de verwerende partij aansprakelijk te stellen voor het gemis aan inkomsten van [betrokkene]”. IX-8905-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld met toepas- sing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, alsook met toepassing van artikel 25/3 van datzelfde besluit. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
  4. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. In de loop van het eerste trimester van 2016 maakt de verwe- rende partij bekend dat vijf betrekkingen van dossierbeheerder school- en studie- toelagen met de graad van medewerker (rang C1) in statutair dienstverband te IX-8905-2/10 begeven zijn bij het agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen van de Vlaamse overheid. De selectieprocedure omvat een cv-screening waarbij wordt nagegaan of de kandidaat voldoet aan de formele deelnemingsvoorwaarden. Daarna volgt “fase 1” van de selectie, onder de vorm van een standaardvragenlijst, waarbij een “[e]erste toetsing” gebeurt van de motivatie en de verwachtingen, van het inzicht in de functie en van de relevantie van de werkervaring. Indien er meer dan vijftien geslaagden zijn voor “fase 1”, dan volgt in “fase 2” een schriftelijke proef met het oog op een beoordeling van de technische competenties van de kandidaten. “Fase 3”, ten slotte, betreft een “eindgesprek bestaande uit een com- petentiegericht en inhoudelijk interview met persoonlijkheidsvragenlijst (en case)”. 3.
  7. Op 17 maart 2016 stelt verzoeker zich kandidaat. 3.
  8. Op 18 april 2016 wordt verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat er geen schriftelijke proef zal moeten worden georganiseerd. Aangezien verzoeker geslaagd is voor de cv-screening en de standaardvragenlijst (fase 1), volgt op 20 april 2016 de melding dat hij wordt toegelaten tot de volgende fase van de selectieprocedure, namelijk het competen- tiegericht en inhoudelijk interview met persoonlijkheidsvragenlijst. 3.
  9. Na het interview, dat op 1 juni 2016 plaatsheeft, wordt verzoeker door de selectiejury op grond van de volgende motieven niet geschikt bevonden: “ten eerste beperkt de motivatie van de kandidaat voor de organisatie zich tot de extrinsieke reden van stabiliteit en een vast contract. Ook onderschat de kandidaat het belang van klantencontact in de functie. Ook laat de kandidaat zich niet zien als een persoon die het belang van klanten op de eerste plaats zet. Gedurende het gesprek profileert de kandidaat zich als een persoon die bij complexe materie snel teruggrijpt naar een leidinggevende of de juridische dienst. Hij weet minder aan te tonen dat hij ook zelfstandig verantwoordelijk- heid opneemt. Qua inzetbaarheid ziet de jury een aandachtspunt bij de hoge IX-8905-3/10 werkdruk op de dienst Studietoelagen. Bovendien heeft de kandidaat een minder dynamische uitstraling en is er nog verbetering nodig op vlak van mondelinge communicatie om een functie uit te voeren als deze waarin het te woord staan van klanten ook zeer belangrijk is.” Op 17 juni 2016 meldt het agentschap Overheidspersoneel van de Vlaamse overheid aan verzoeker dat de jury zijn kandidatuur voor de functie van dossierbeheerder school- en studietoelagen bij het agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen op grond van de voormelde motivering niet geschikt bevond. Dit betreft de beslissing waarvan verzoeker thans de nietigver- klaring vordert. 3.
  10. Met een e-mailbericht van 18 juni 2016 deelt verzoeker aan het agentschap Overheidspersoneel mee dat hij niet akkoord gaat met de voormelde beoordeling van zijn kandidatuur. 3.
  11. Op 21 juni 2016 bezorgt het agentschap Overheidspersoneel het volledige verslag van het jurygesprek aan verzoeker. Volgens het agentschap worden “[h]ierin […] zowel positieve punten als aandachtspunten opgenomen, waardoor de conclusie beter gekaderd wordt”. Tevens vermeldt het agentschap dat verzoeker opnieuw contact kan opnemen indien hij nog nadere feedback zou wensen. 3.
  12. Op 24 juni 2016 bezorgt het agentschap Overheidspersoneel aan verzoeker “de feedback die aan de overige kandidaten verstuurd werd (gea- nonimiseerd)”. Voorts antwoordt het agentschap op verzoekers “vraag naar ove- rige gegevens van de kandidaten” dat die informatie niet zonder toestemming van de betrokkenen mag worden gegeven en dat een vraag tot toestemming inmiddels is gesteld. IX-8905-4/10 Verzoeker wordt er ook op gewezen dat hij “overeenkomstig artikel 22 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur tegen deze beslissing beroep [kan] instellen bij de afdeling openbaarheid van bestuur van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en herge- bruik van overheidsinformatie”. 3.
  13. Op 28 juni 2016 meldt het agentschap Overheidspersoneel nog aan verzoeker dat de informatie van de kandidaten met betrekking tot hun leeftijd en hun al dan niet werken of werkloos zijn niet mag worden bezorgd, omdat de betrokkenen daartoe geen toestemming hebben gegeven. Verzoeker wordt nog- maals gewezen op de beroepsmogelijkheid bij de afdeling openbaarheid van be- stuur van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  14. Voor zover verzoeker in fine van zijn verzoekschrift vordert hem “onmiddellijk in dienst te nemen”, dient ambtshalve te worden opgeworpen dat het niet tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort om in de plaats van het bestuur een dergelijke beslissing te nemen. Het voorliggende beroep dient in zoverre te worden verworpen.
  15. Evenmin behoort het tot de rechtsmacht van de Raad van State om, zoals verzoeker ook vordert, “de verwerende partij aansprakelijk te stellen voor het gemis aan inkomsten van de verzoeker”. Voor zover verzoeker daarmee evenwel zou beogen een vorde- ring tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel in te stellen, zoals bedoeld in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zal hierna sub 14 dan weer blijken dat een eventuele zodanige vordering evenzeer zou dienen te worden afgewezen. IX-8905-5/10 V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de exceptio obscuri libelli op. Zij doet gelden dat een verzoekschrift tot nietigverkla- ring bij de Raad van State overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ onder meer een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Daartoe dient de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift een voldoende duidelijke omschrijving te geven van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker dat in casu niet gedaan. Zij stelt dat “[a]angezien [verzoeker] geen omschrijving heeft gegeven van een vermeende geschonden regel of beginsel, [...] het a fortiori onmogelijk [is] om na te gaan op welke wijze de bestreden beslissing die schending heeft bewerkstelligd”. Zij besluit daaruit dat het voorliggende be- roep tot nietigverklaring kennelijk onontvankelijk is.
  17. Voorts betoogt de verwerende partij dat voor zover verzoeker poneert dat hij van haar niet de informatie heeft verkregen waarom hij had verzocht en hij in dit verband een schending aanvoert van artikel 22 van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’, hij heeft nagelaten het georganiseerd administratief beroep uit te putten waarin door die bepaling is voorzien, zodat ook deze grief manifest niet ontvankelijk is. Repliek van verzoeker
  18. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord vooreerst: “Dat de verwerende partij de verzoeker verwijt dat men geen duidelijke omschrijving geeft van de overtreden rechtsregel klopt niet. Het is de beslissing van de jury (niet geschikte beoordeling), toegekend aan de verzoeker. Deze beslissing wordt bestreden door de verzoeker.” IX-8905-6/10
  19. Met betrekking tot het verwijt van de verwerende partij dat hij de administratieve beroepsmogelijkheid bedoeld in artikel 22 van het voornoemde decreet van 26 maart 2004 niet heeft uitgeput, stelt verzoeker dat de kennisgeving van de eindbeoordeling op 17 juni 2016 niet vermeldde dat hij zich diende te wenden tot de bedoelde beroepsinstantie. Pas op 24 juni 2016 kon hij lezen dat een beroep kon worden ingesteld bij de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur, maar nooit is hem geantwoord dat hij zich eerst tot deze instantie diende te wenden. Beoordeling
  20. Krachtens artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ dient het inleidend verzoekschrift tot nietig- verklaring bij de Raad van State onder meer een uiteenzetting van de middelen te bevatten. Onder een middel zoals bedoeld in de voormelde bepaling moet worden verstaan een voldoende duidelijke aanduiding van de geschonden geachte rechtsregel of van het geschonden geachte rechtsbeginsel, alsook een voldoende duidelijke omschrijving van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel volgens de verzoekende partij geschonden is. Die uiteenzetting is een essentieel onderdeel van de inleidende akte omdat ze de verwerende partij moet toelaten zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van haar bestreden beslissing worden aangevoerd en ze tevens de Raad van State in staat moet stellen de gegrondheid van die grieven te beoordelen.
  21. In dit geval betoogt verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift onder de titel ‘Schending rechtsregels en op welke wijze zij werden geschonden’ dat zijn “[k]lacht berust op 7 feiten”: IX-8905-7/10 “1/ De jury heeft in het eindverslag heel veel zaken weggelaten die als po- sitief beschouwd dienen te worden voor een gunstige mededeling. 2/ Geen objectieve beoordelingen. 3/ De jury verdraait de woorden van verzoeker, geeft andere wendingen. Vragen van de verzoeker tijdens het interview worden door de jury omgevormd tot antwoorden van de verzoeker, duidelijk met de bedoeling de verzoeker on- geschikt te verklaren. 4/ De jury wijzigt eenzijdig de opgegeven competenties. 5/ Tegenstrijdigheden en niet te verzoenen feiten in het rapport. 6/ Nergens wordt melding gemaakt van de resultaten van de persoonlijk- heidsvragenlijst. 7/ Schending artikel 22 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur: duidelijke tegenwerking van de verweerder wat be- treft de inzage van verzoeker in de rapporten van de andere deelnemers.” Daarna volgt, overigens zonder een uitdrukkelijk of zelfs maar impliciet voldoende zichtbaar verband met de zo-even aangehaalde “feiten”, een weinig verhelderende en alleszins moeilijk te begrijpen uiteenzetting met betrek- king tot de elementen waarop de selectiejury heeft gesteund om verzoekers kan- didaatstelling ongeschikt te bevinden. Die uiteenzetting leest als de weergave van een rist oprispingen van verzoeker, maar allerminst als een voldoende duidelijke uiteenzetting van een geschonden geachte rechtsregel of een geschonden geacht rechtsbeginsel en van de wijze waarop die schending zich heeft voorgedaan. In zijn memorie van wederantwoord verwart verzoeker “de overtreden rechtsregel” met het voorwerp van het beroep.
  22. Voor zover verzoeker met zijn verwijzing naar artikel 22 van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ toch gewag maakt van een rechtsregel die hij geschonden acht, dient dan weer te worden op- geworpen dat zelfs indien de beweerde schending door de verwerende partij van de op haar rustende verplichtingen inzake de openbaarheid van bestuur zou worden aangenomen, die schending hoe dan ook niet vermag aan te tonen dat de bestreden beslissing, die daarvan losstaat, onwettig is genomen. Dat middel kan door verzoeker derhalve hoe dan ook niet ont- vankelijk tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd. IX-8905-8/10
  23. Uit wat voorafgaat volgt dat de door de verwerende partij op- geworpen exceptie gegrond is. Bijgevolg moet worden besloten dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is ingesteld. VI. Schadevergoeding tot herstel
  24. Voor zover verzoeker met zijn inleidend verzoekschrift ook een vordering tot schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State zou beogen in te stellen, kan het zo-even geformuleerde besluit dat zijn beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is ingesteld, met toepassing van artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State” alleen maar ertoe leiden dat ook die vordering zou moeten worden afgewezen. VII. Slotsom
  25. Het auditoraat heeft in zijn verslag terecht geoordeeld dat de zaak overeenkomstig artikel 93 van het voornoemde besluit van de Regent met korte debatten kan worden beslecht. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-8905-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8905-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.953 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.