id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.954 Rolnummer: A. 216574/IX-8689 Zaak: Arrest 245954 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 29/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 21:27 Fiche Arrest nr 245.954 van 29 oktober 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 245.954 van 29 oktober 2019 in de zaak A. 216.574/IX-8689 In zake: Linda BOLSIUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Antwerpen Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 juli 2015, strekt tot de nietigverkla- ring van de ongunstige beslissing van het agentschap voor Onderwijsdiensten van 5 juni 2015 over de aanvraag van Linda Bolsius tot erkenning van diensten die gepresteerd zijn als werknemer als nuttige ervaring voor het ambt, vak of specia- liteit ‘verzorging’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-8689-1/16 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Jürgen Vanpraet, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij en adjunct van de directeur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 1 september 2014 dient verzoekster bij het agentschap voor Onderwijsdiensten (hierna Agodi) een aanvraag in ‘tot erkenning als nuttige erva- ring van diensten die gepresteerd zijn als werknemer’ voor de periode van 5 no- vember 2001 tot “heden” – namelijk als kinderverzorgster van 5 november 2001 tot 15 juli 2008 en als technisch assistente van 16 juli 2008 tot 4 augustus 2014, datum waarop haar werkgever de bedoelde diensten op het aanvraagformulier bevestigt. IX-8689-2/16 Zij voegt bij haar aanvraag een door de werkgever gewaar- merkt overzicht van taken die zij als werknemer bij de stad Antwerpen heeft uit- geoefend. Blijkens haar begeleidend schrijven vraagt verzoekster de erkenning voor een hele reeks vakken, waaronder ‘verzorging’. 3.
- Op 2 december 2014 wordt verzoekster ter kennis gebracht dat de inspectie een ongunstig advies uitbracht voor de erkenning van de nuttige er- varing voor het ambt, vak of specialiteit ‘verzorging’ voor de prestaties van 5 november 2001 tot 4 augustus
- De haar meegedeelde motivering luidt: “De uitgevoerde taken als kinderverzorgster en technisch assistente heb- ben te weinig linken met verzorging.” Deze brief deelt verder mee dat verzoekster de mogelijkheid heeft om een herzieningsaanvraag in te dienen en vermeldt het recht om gehoord te worden. Te lezen is dat de herzieningsaanvraag “nieuwe of bijkomende ele- menten [moet] bevatten over de inhoud van de uitgeoefende opdrachten” en dat de aanvraag ongeldig is bij gebrek aan zulke elementen. Voor “meer informatie” wordt verwezen naar artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 ‘betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs’ (hierna: het besluit nuttige ervaring). 3.
- Op 15 januari 2015 stuurt verzoekster een herzieningsaanvraag naar Agodi. Zij wordt door de ‘interne beroepscommissie nuttige ervaring' gehoord op 7 mei 2015, waarop de commissie het negatieve advies bevestigt. 3.
- Op 5 juni 2015 neemt de adjunct van de directeur van Agodi de thans bestreden ongunstige beslissing voor de prestaties in de periode van 5 no- vember 2001 tot 4 augustus 2014 voor het ambt, vak of specialiteit ‘verzorging’. De motivering luidt: IX-8689-3/16 “De aanvrager werd gehoord op 7 mei 2015 en bezorgt een dossier dat to- taal identiek is aan de eerste aanvraag en die dus geen enkel nieuw ele- ment bevat. De bijgevoegde kopie van allerhande behaalde diploma’s en getuigschriften zijn niet relevant voor de beoordeling van de nuttige erva- ring. De commissie bevestigt het negatieve advies.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Het enige middel is geput uit de schending van artikel 14 van het besluit nuttige ervaring, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de materiëlemotiverings- plicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheids- en proportionaliteitsbegin- sel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en uit “de ontstente- nis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”: “Doordat, eerste onderdeel, de aanvraag tot erkenning nuttige ervaring van verzoekster voor het vak verzorging zonder ter zake doende motive- ring, minstens zonder afdoende motivering wordt afgewezen; En doordat, tweede onderdeel, verzoekster nochtans bij latere beslissing van 30 juni 2015 wel degelijk een erkenning van nuttige ervaring heeft gekregen voor dezelfde periodes van tewerkstelling voor de vakken ver- zorgingstechnieken en opvoedkunde, waarbij gesteld werd dat ‘overduide- lijk’ zou blijken dat verzoekster als kinderverzorgster diensten heeft ge- presteerd die een relevant verband houden met deze vakken; En doordat, derde onderdeel, verwerende partij blijkbaar heeft nagelaten concreet na te gaan of de ervaring van verzoekster, zoals die blijkt uit het volledige postulatiedossier, gekwalificeerd kan worden als nuttige erva- ring voor het vak verzorging, aangezien in redelijkheid niet kan gesteld worden dat deze ervaring wel afdoende zou zijn voor de vakken verzor- gingstechnieken en opvoedkunde maar niet relevant of onvoldoende ge- koppeld zou zijn met het vak verzorging; En doordat, vierde onderdeel, gesteld wordt dat verzoekster geen nieuwe stukken bijgebracht zou hebben bij haar verzoek tot herziening, ingediend op 15 januari 2015.” 4.
- Ter adstructie van het eerste middelonderdeel stelt verzoekster dat de beslissing op grond van artikel 14 van het besluit nuttige ervaring onder- worpen is aan de motiveringsplicht zodat ze binnen het toepassingsgebied van de IX-8689-4/16 wet van 29 juli 1991 valt, maar dat de bestreden beslissing gekenmerkt wordt door een totaal gebrek aan motivering. Zo laat de bestreden beslissing na de juri- dische en de materiële grondslagen waarop ze steunt te verduidelijken. Verzoek- ster wordt enkel meegedeeld dat de uitgevoerde taken als kinderverzorgster en technisch assistente te weinig linken hebben met verzorging en dat de stukken gevoegd bij de vraag tot herziening niet relevant zijn voor de beoordeling van de nuttige ervaring. Er wordt ten gronde niet ingegaan op de ervaring als kinderver- zorgster en technisch assistente zoals die overheen zes bladzijden gedetailleerd werd toegelicht in het kader van de aanvraag tot erkenning en het aanbod in haar herzieningsaanvraag om één en ander toe te lichten. Volgens verzoekster steunt de bestreden beslissing enkel op enkele gemeenplaatsen die niet concreet worden toegespitst op de omstandigheden van de zaak. Bovendien kunnen de door haar voorgelegde diploma’s en bre- vetten niet zomaar als niet relevant worden afgewezen. Het is aannemelijk dat diploma’s en brevetten kunnen getuigen van een opgebouwde expertise, ofwel tijdens de periode waarin nuttige ervaring werd opgebouwd, ofwel daaraan voor- afgaand; redelijkheidshalve mag worden aangenomen dat deze stukken dus wel degelijk relevant zijn, minstens als bijkomend element. 4.
- Inzake het tweede middelonderdeel betoogt verzoekster dat zij bij een latere beslissing van 30 juni 2015 een erkenning van nuttige ervaring heeft gekregen, voor dezelfde periodes van tewerkstelling, voor de vakken ‘verzor- gingstechnieken’ en ‘opvoedkunde’. Aangenomen mag worden dat de vakken ‘verzorgingstechnieken’ en ‘verzorging’ een zeer gelijkaardige inhoud hebben en dat de beoordeling van de nuttige ervaring voor beide vakken dus gebeurt aan de hand van soortgelijke toetsingscriteria; men kan zich immers moeilijk voorstellen dat een leerkracht die bekwaam genoeg is om verzorgingstechnieken te onderwij- zen, plotseling onbekwaam zou zijn om verzorging te onderwijzen in het buiten- gewoon secundair onderwijs. Het vertrouwensbeginsel vereist in dergelijke ge- vallen dat minstens wordt toegelicht waarom plots afwijkend wordt geoordeeld. IX-8689-5/16 4.
- In het derde middelonderdeel betoogt verzoekster dat niet in redelijkheid besloten kan worden dat de opgebouwde ervaring tijdens haar oplei- ding als kinderverzorgster en technisch assistente niet in aanmerking zou komen als nuttige ervaring in het vak ‘verzorging’. Verzoekster wijst erop: “dat zij minstens gedurende de jaren als kinderverzorgster, in overheids- dienst, het meest uitgebreide takenpakket heeft waargenomen in verband met de verzorging van kinderen uit alle onderwijsnetten, ook van kinderen met mentale beperkingen; dat zij daarvoor heeft ingestaan in de meest di- verse contexten, o.m. in een kinderdagverblijf, in scholen voor buitenge- woon onderwijs, in het kader van de openluchtwerking van het Stedelijk Onderwijs Antwerpen; dat collega’s met beperktere of soortgelijke refe- renties zonder uitzondering de erkenning als nuttige ervaring hebben be- komen, zodat het onbegrijpelijk en in strijd met elke redelijkheid is dat verzoekster de erkenning niet zou krijgen – zeker wanneer zij terzelfder- tijd wel erkend wordt in het vak verzorgingstechnieken.” Verzoekster somt nog de nevenactiviteiten op in het kader van de jeugdwerking die zij ook in haar aanvraag had opgenomen. 4.
- Bij het vierde middelonderdeel betoogt verzoekster dat in de bestreden beslissing totaal onbegrijpelijk wordt gesteld dat geen nieuwe gegevens zijn bijgebracht bij haar verzoek tot herziening in de zin van artikel 13 van het besluit nuttige ervaring. Zij heeft immers wel degelijk bijkomende stukken toe- gevoegd en bijkomende relevante informatie verschaft, zodat de vraag tot herzie- ning op ontvankelijke wijze werd ingesteld. Beoordeling a. eerste middelonderdeel
- Het eerste middelonderdeel voert de schending aan van de for- melemotiveringsplicht. IX-8689-6/16
- Bij de kennisgeving van het voorlopige ongunstig advies is verzoekster gewezen op het besluit nuttige ervaring, inzonderheid artikel 13 er- van. In dat artikel is onder meer te lezen: “Enkel als de betrokkene nieuwe argumenten en/of fouten kan aantonen, is de herziening mogelijk.” Dat de herzieningsaanvraag ongeldig is bij gebrek aan nieuwe of bijkomende elementen werd ook met zoveel woorden aan verzoekster meege- deeld in de brief van 2 december
- Verzoekster toont niet aan dat het formeel ontbreken van een verwijzing naar (artikel 13 van) het besluit nuttige ervaring in de eindbeslissing haar belangen heeft geschaad. In de mate dat zij zich beklaagt over het ontbreken van een vermelding van “de decretale of reglementaire grondslag” in de bestre- den beslissing is het middelonderdeel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- In de bestreden beslissing van 5 juni 2015 kon verzoekster dan lezen dat zij naliet, althans volgens de beoordeling van het bestuur, om nieuwe of relevante elementen voor te leggen: de aanvraag is “totaal identiek”, bevat “geen enkel nieuw element” en de nieuw bijgevoegde afschriften van diploma’s en ge- tuigschriften “zijn niet relevant”. Aldus heeft de verwerende partij uit het oogpunt van de forme- lemotiveringsplicht afdoende duidelijk gemaakt waarom de herzieningsaanvraag door haar is afgewezen.
- Het motief voor die afwijzing impliceert dat herziening van het advies niet mogelijk is, zodat het initiële advies van de inspectie als gehandhaafd moet worden beschouwd en het bestuur met de bestreden ongunstige beslissing impliciet maar zeker dit ongunstige advies is bijgevallen. IX-8689-7/16 Uit dit advies leert verzoekster dan weer dat haar diensten als kinderverzorgster en technisch assistente volgens Agodi te weinig linken hebben met verzorging. 9.
- Verzoekster betoogt dat dit een stijlformule is, dat de interne beroepscommissie van de verwerende partij, gelet op de devolutieve werking van het beroep, een volledig nieuwe studie van de aanvraag moest doen en dat de formelemotiveringsplicht in het kader van een administratieve beroepsprocedure strenger beoordeeld moet worden. 9.
- Toepassing van artikel 13, § 1, tweede lid, van het besluit nutti- ge ervaring – namelijk de vaststelling dat herziening niet mogelijk is wegens het ontbreken van nieuwe argumenten of aangetoonde fouten – ontslaat de verweren- de partij evenwel van de meer doorgedreven formelemotiveringsplicht, die ver- zoekster afleidt uit het bestaan van de herzieningsprocedure. Ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat artikel 13, § 1, tweede lid, ook voorschrijft dat de herzieningsaanvraag “gemotiveerd” is; ver- zoekster wijst in haar verzoekschrift geen motieven aan uit haar herzieningsaan- vraag die ten onrechte zonder antwoord zijn gebleven door de interne beroeps- commissie.
- Als zodanig – dit wil zeggen los van de gegevens van het dos- sier – vormt de dubbele motivering van het voorlopige advies en de ongunstige eindbeslissing een afdoende motivering voor de bestreden beslissing. Aldus beschikt verzoekster over alle nuttige gegevens om ter- dege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de mid- delen die het recht haar ter beschikking stelt. Zij doet dit overigens, wat de vor- melijke afwijzing van de herzieningsaanvraag betreft, in het vierde middelonder- deel en wat de inhoudelijke afwijzing van haar aanvraag betreft, in het derde middelonderdeel. IX-8689-8/16 Die kritieken – namelijk: de aanvraag bevat wél nieuwe ele- menten en de gepresteerde diensten zijn wél relevant als nuttige ervaring – zijn vreemd aan de in het eerste middelonderdeel aangevoerde formelemotiverings- plicht maar zien op de materiëlemotiveringsplicht en, zoals verzoekster het ten minste aanbrengt, het redelijkheidsbeginsel.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. b. vierde middelonderdeel
- In het inleidend verzoekschrift werkt verzoekster het vierde middelonderdeel op geen enkele manier uit; zij stelt louter dat zij “wel degelijk bijkomende stukken heeft toegevoegd”, zonder vervolgens toe te lichten om wel- ke stukken het dan wel zou gaan.
- De verwerende partij legt in het administratief dossier de oor- spronkelijke aanvraag van verzoekster voor evenals de herzieningsaanvraag. Ook de Raad kan met haar enkel vaststellen dat, uitgezonderd de toevoeging van ko- pieën van diploma’s en attesten, het voor de periode in kwestie om een identiek dossier gaat.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster, voor het eerst, dat zij de informatie herschikt zou hebben, wat volgens haar een “nieuw element” is. Nog daargelaten dat verzoekster dit argument had kunnen ontwikke- len in het inleidend verzoekschrift en dat zij dit laattijdig en dus niet ontvankelijk aan het debat kan toevoegen in haar latere processtukken, erkent verzoekster daarmee dat de inhoud van het dossier identiek is aan het initiële dossier. Een loutere “herschikking” van de door verzoekster meegedeelde informatie is, anders dan zij het ziet, immers geen nieuwe informatie. Het nieuw toegevoegde docu- ment van geleverde prestaties van de stad Antwerpen behelst enkel een anders gepresenteerd overzicht van verzoeksters loopbaan als, eerst, kinderverzorgster en, vervolgens, technisch assistente en vermeldt de door haar genoten jaarwedde IX-8689-9/16 maar bevat geen enkel bijkomend inhoudelijk element in verband met de inhoud van de functie en de aard van de geleverde prestaties. 15.
- Over de enige stukken die wel nieuw blijken, namelijk de meervermelde kopieën van diploma’s en getuigschriften, geeft de verwerende partij aan dat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van de nuttige ervaring. 15.
- In het vierde middelonderdeel weerspreekt verzoekster die con- statering in het inleidend verzoekschrift in het geheel niet. 15.
- In de memorie van wederantwoord doet verzoekster voor het eerst bij dit middelonderdeel gelden dat diploma’s relevant kunnen zijn omdat ze het bewijs vormen van nuttige ervaring die een persoon heeft opgedaan. 15.
- Daargelaten deze laattijdigheid en voor zover rekening te hou- den is met het gegeven dat verzoekster dit argument in het inleidend verzoek- schrift wel heeft aangebracht ter hoogte van het eerste middelonderdeel, doet de Raad opmerken dat de nuttige ervaring in kwestie betrekking heeft op ervaring op grond van geleverde diensten voor een werkgever, niet op ervaring die opgedaan wordt door het volgen van cursussen en opleidingen.
- Ten slotte argumenteert verzoekster in de memorie van weder- antwoord voor het eerst dat de door haar voorgelegde bewijzen van ervaring voor de periode tussen 1 juli 2000 en 7 september 2001 relevant zijn. Alweer is dit een – thans volledig – nieuw argument dat laattij- dig is en alleen reeds om die reden niet kan slagen. Ten overvloede merkt de Raad niettemin nog op dat die bewijzen betrekking hebben op een ander aan- vraagformulier, dat verzoekster had ingediend bij de verwerende partij gelijktij- dig met haar herzieningsaanvraag, over een andere periode en in een andere func- tie, zodat de erkenning van de nuttige ervaring voor die periode en functie IX-8689-10/16 vreemd is aan de thans in geding zijnde aanvraag. Overigens heeft verzoekster voor die periode op 23 april 2015 een gunstige beslissing gekregen.
- Verzoekster heeft in het vierde middelonderdeel niet aange- toond dat de beslissing over de herzieningsaanvraag de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist of de materiëlemotiveringsplicht schendt. Het vierde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. c. tweede middelonderdeel
- Op 30 juni 2015 heeft Agodi een beslissing genomen met be- trekking tot het al dan niet in aanmerking komen van de door verzoekster gepres- teerde diensten tussen 5 november 2001 en 4 augustus 2014 voor andere aspecten van haar aanvraag. Voor het ambt, vak of specialiteit ‘verzorgingstechnieken’ en ‘opvoedkunde’ is er een gunstige beslissing. Voor het ambt, vak of specialiteit ‘ziekenhuisverpleegkunde’ en ‘algemene verpleegkunde’ is de beslissing ongunstig. Deze beslissing heeft volgende motivering: “Uit de beschikbare elementen blijkt overduidelijk dat de aanvrager als kinderverzorgster diensten presteerde die een relevant verband houden met opvoedkunde en verzorgingstechnieken. De gepresteerde diensten houden echter onvoldoende verband met alge- mene verpleegkunde omdat de opgegeven diensten louter basic verzor- gende taken (wassen, kleden, e.d.) behel[z]en in een speelpleinsetting (openluchtklassen). Met ziekenhuisverpleegkunde hebben de uitgevoerde taken helemaal geen verband.” IX-8689-11/16
- Hieruit blijkt dat Agodi de in de aanvraag van verzoekster om- schreven gepresteerde diensten heeft getoetst aan de aard van de aangevraagde ambten, vakken en specialiteiten en deels gunstig, deels ongunstig heeft beslist. Een vaste beleidslijn op grond waarvan verzoekster erop mocht vertrouwen dat zij ook voor ‘verzorging’ een gunstige beslissing zou krijgen, volgt hier niet uit. Nog minder blijkt hieruit enige individuele toezegging of be- lofte van het bestuur aan verzoekster.
- Het tweede middelonderdeel, dat onder aanvoering van een schending van het vertrouwensbeginsel uitgaat van het tegendeel, is in zoverre ongegrond.
- Voor zover verzoekster in het tweede middelonderdeel ook stelt vergeefs te zoeken naar een verantwoording waarom zij voor de ene vakken wel en voor de andere vakken geen erkenning krijgt, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat zo een onderlinge en geëxpliciteerde vergelijking niet wordt ver- eist door de formelemotiveringswet of het besluit nuttige ervaring. Deze grief houdt bijgevolg veeleer verband met de materiëlemotiveringsplicht. Verzoekster beweert, maar toont niet aan dat de vakken ‘ver- zorgingstechnieken’ en ‘verzorging’ een zeer gelijkaardige inhoud hebben. Het valt de Raad van State niet toe dit vergelijkend onderzoek zelf te doen. Voorts verstrekt de verwerende partij in de memorie van ant- woord de volgende achtergrondinformatie: “Het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs bepaalt in artikel 12, §1 het volgende: ‘De bevoegde inspecteur adviseert over de relatie tussen de gepresteerde diensten en het vak, de specialiteit, de module of het ambt door het personeelslid uitgeoefend in het onderwijs’. IX-8689-12/16 De inspecteur […] moet dus oordelen of de aanvrager in staat is om het gevraagde vak te onderwijzen, waarbij er een relevant verband moet zijn tussen de gepresteerde diensten en het gevraagde vak. Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 1989 tot vaststelling van de algemene vakken, de kunstvakken, de technische vakken en de prakti- sche vakken in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs en in de instellingen voor voltijds secundair onderwijs die als centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs fungeren, georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, met uitzondering van de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs legt de vakken vast die kunnen inge- richt worden […]. De lijst opgenomen in artikel 4 toont aan dat de vakken ‘Opvoedkunde’, ‘Verzorging’ en ‘Verzorgingstechnieken’ aparte vakken zijn. Verzoekster vraagt onder andere nuttige ervaring aan voor de vakken ‘Verzorging’, ‘Verzorgingstechnieken’ en ‘Opvoedkunde’. De inspecteur, of bij een herzieningsaanvraag de inspecteur-generaal, moet overeenkom- stig artikel 13 van het besluit [nuttige ervaring] oordelen of verzoekster inzetbaar is voor de vakken ‘Verzorging’, ‘Verzorgingstechnieken’ en ‘Opvoedkunde’. Het betreft aparte vakken waarvoor de inspectie dus een andersluidend advies kan formuleren. De relatie tussen de gepresteerde diensten en elk van deze vakken moet dus worden aangetoond en kan dus verschillen. De reglementering inzake de bekwaamheidsbewijzen (Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewij- zen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs) legt per vak en per graad de bekwaamheidsbe- wijzen vast. Voor de vakken ‘Opvoedkunde’, ‘Verzorgingstechnieken’ en ‘Verzorging’ gelden andere bekwaamheidsbewijzen. Bovendien worden die vakken niet in dezelfde graden onderwezen (het vak ‘Opvoedkunde’ in de tweede en derde graad, het vak ‘Verzorgingstechnieken’ enkel in de eerste graad en het vak ‘Verzorging’ in de eerste, tweede en derde graad.”
- In haar memorie van wederantwoord erkent verzoekster “dat er inderdaad sprake is van verschillende vakken, en dat het dus aannemelijk lijkt te zijn dat voor verschillende vakken een verschillende beoordeling gemaakt kan worden in het kader van een verzoek tot erkenning als nuttige ervaring”. Zij herhaalt dan dat zij de motieven “waarom dezelfde nuttige ervaring niet relevant zou zijn voor één vak, maar wel voor een ander (zeer soort- gelijk) vak” in de beslissing wil kunnen terugvinden. Zoals hiervóór is opge- merkt, toont verzoekster de vergelijkbaarheid van de vakken niet aan en reikt de formelemotiveringsplicht niet zo ver. IX-8689-13/16 Ten slotte stelt verzoekster in de memorie van wederantwoord dat het “zuivere feit dat voor verschillende vakken verschillende bekwaamheidsbewijzen gelden […], of dat verschillende vakken kunnen gegeven worden in verschillende graden van het secundair onderwijs [niet] betekent […] dat de vakinhouden drastisch verschillen en dat de beoordeling van nuttige ervaring anders zou moeten gebeuren”. Dit is andermaal slechts een bewering, die verzoekster niet toelicht of onderbouwt en dus niet volstaat om een schending van de materiëlemotiveringsplicht of het gemis aan rechtens vereiste feitelijke grondslag aan te tonen. De niet feitelijk weerlegde toelichting van de verwerende partij over de verschillende bekwaamheidsbewijzen en de verschillende graden komt integendeel niet over als onredelijk als verklaring waarom de bedoelde vakken toch niet zo gelijkaardig zijn zoals verzoekster (louter) beweert. Verzoekster ontkracht met het tweede middelonderdeel niet dat ze door de inspectie anders mogen worden benaderd op het vlak van nuttige ervaring.
- Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. d. derde middelonderdeel
- Om de onredelijkheid van de bestreden beslissing aan te tonen, hanteert verzoekster in de toelichting van het derde middelonderdeel twee argu- menten die niet kunnen slagen.
- Het eerste argument is een loutere verwijzing naar haar taken- pakket dat zij “zeer gedetailleerd” in een bijlage bij haar aanvraag heeft opgelijst. Dit laatste is correct, maar wat verzoekster hiermee vraagt, is dat de Raad van State zelf in de plaats van het bestuur zou oordelen over de rele- vantie van de door haar als werknemer gepresteerde diensten als nuttige ervaring voor het vak ‘verzorging’, waarbij verzoekster dan bovendien nog nalaat om de inhoud van dit vak toe te lichten of in haar inleidend verzoekschrift de gepres- teerde taken te verbinden met die vakinhoud. IX-8689-14/16 De wijze waarop verzoekster het middelonderdeel in het inlei- dend verzoekschrift aldus aanbrengt, stelt de Raad niet in staat om de aangevoer- de schending van het redelijkheidsbeginsel te beoordelen, namelijk door na te gaan of de verwerende partij tegenover verzoekster louter willekeurig is opgetre- den, door een beslissing te nemen die geen naar kennis en kunde redelijk be- kwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelende overheid geacht kan worden te nemen. Verzoekster kan dit niet verhelpen in de memorie van weder- antwoord, door alsnog een korte vergelijking te maken tussen haar takenpakket en de voor het vak verzorging geldende bekwaamheidsbewijzen, aangezien zij dit reeds had kunnen doen in het inleidend verzoekschrift.
- Het tweede argument is de opmerking “dat collega’s met be- perktere of soortgelijke referenties zonder uitzondering de erkenning als nuttige ervaring hebben [gekregen]”. Verzoekster komt alweer niet verder dan een loutere bewering, zonder de minste onderbouwing, en belet aldus alweer aan de bestuursrechter dat hij zijn controle kan uitvoeren. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de verwerende partij in staat moet zijn de aangevoerde schending van het gelijk- heidsbeginsel aan de hand van stukken te weerleggen. Een verwerende partij is daartoe echter slechts geroepen, indien de verzoekende partij eerst met een mini- mum aan feitelijke gegevens de aangevoerde ongelijke behandeling geloofwaar- dig maakt. Daartoe komt verzoekster niet. Zij beweert wel dat er collega’s in die situatie zijn, maar laat na – ook in de memorie van wederantwoord – om zelfs maar hun namen te geven. Er is dan ook geen grond om stukken op te vragen, zoals verzoekster vraagt. IX-8689-15/16
- Ook het derde middelonderdeel kan de gevraagde nietigverkla- ring niet verantwoorden. e. besluit van het middel
- Het middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8689-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.