← België

Arrest 245956 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 29/10/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.956 Rolnummer: A. 229380/IX-9635 Zaak: Arrest 245956 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 29/10/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 06:50 Fiche Arrest nr 245.956 van 29 oktober 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 245.956 van 29 oktober 2019 in de zaak A. 229.380/IX-9635 In zake: Janique MARCELIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Brussel bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 oktober 2019, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “[b]eslissing dd. 7 oktober 2019 [lees: 23 september 2019] waarbij de Raad van Bestuur van de Scholengroep Brussel beslist om de gewijzigde functiebeschrijving zoals ze op 3 september 2019 aan [Janique Marcelis] werd voorgelegd te beves- tigen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9635-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2019, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Tim Peeters, die loco advocaat Christophe Vangeel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster is als vast benoemd opvoeder werkzaam in het atheneum te Ukkel, onderwijsinstelling die behoort tot de scholengroep Brussel van het Gemeenschapsonderwijs. Op 3 september 2019 vindt een planningsgesprek plaats met verzoekster met het oog op de aanpassing van haar functiebeschrijving. Verzoekster gaat niet akkoord met het voorstel van nieuwe functiebeschrijving en zij dient bezwaar in bij de raad van bestuur van de scho- lengroep Brussel. IX-9635-2/8 Op 23 september 2019 beslist die raad van bestuur, verzoekster gehoord, “om de functiebeschrijving zoals ze op 3 september 2019 aan [verzoek- ster] werd voorgelegd, te bevestigen”. IV. Onderzoek van de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  6. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Die uiteenzetting moet doen aannemen dat de gevorderde schorsing niet slechts te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring, maar bovendien te spoedeisend voor een behandeling van de vordering volgens de gewone schorsingsprocedure. Vereist zijn concrete en pre- cieze gegevens in verband met de nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die geloofwaardig maken dat deze gevolgen dermate zijn dat de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs van een gewone schor- singsvordering niet kan worden afgewacht.
  7. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is evenwel ook vereist dat de verzoekende partij met haar uiteenzetting aantoont dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar be- IX-9635-3/8 slissing te verkrijgen. Het vereiste van spoedeisendheid maakt inherent deel uit van de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  8. Het inleidend verzoekschrift bevat een ruime uiteenzetting onder de hoofding „Spoedeisendheid – belang en nadeel – uiterst dringende noodzake- lijkheid‟. Voor zover verzoekster in die uiteenzetting uitgebreid de strek- king van de beslissing toelicht, het feitenrelaas (nogmaals) verwerkt of haar “duidelijk belang” bij de vordering uiteenzet, is het niet dienstig. Dat alles heeft niets van doen met de spoedeisendheid van de zaak of de uiterst dringende nood- zakelijkheid. In haar uiteenzetting gaat verzoekster ook in op het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” dat zij ondergaat. Hierbij verliezen verzoekster en haar raadsman uit het oog dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als schorsingsvoorwaarde verlaten is sinds de hervorming van de schor- singsprocedure bij wet van 20 januari 2014, die in werking is getreden op 1 maart 2014, ondertussen reeds meer dan vijf jaar geleden.
  9. Evenmin dienstig is de herhaalde allusie in de uiteenzetting op de onwettigheden die aan de beslissing zouden kleven, inzonderheid wat de motive- ringsplicht betreft wanneer verzoekster stelt dat zij “recht [heeft] op een wettelijke en gemotiveerde beslissing”. De ernst van een middel toont op zich immers de spoedeisendheid of de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet aan. De gegrondheid – minstens de ernst – van de middelen is een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde.
  10. Wat verzoekster in wezen grieft, is dat zij ingevolge de nieuwe functiebeschrijving niet langer wordt belast met de personeelsadministratie. IX-9635-4/8 Dit is een moreel nadeel dat in de regel wordt goedgemaakt door een later tussen te komen vernietigingsarrest – al dan niet met een schadevergoe- ding tot herstel – en gedragen kan worden in afwachting van de uitspraak ten gronde. Het ligt op de weg van verzoekster om de Raad van State te overtuigen van de uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het in haar geval anders moet zijn.
  11. Dat verzoekster “haar initiële takenpakket [wenst] uit te voeren zoals ze in het verleden steeds heeft mogen doen”, volstaat niet om er anders tegen aan te kijken. 11.
  12. Uit de uiteenzetting van verzoekster mag worden afgeleid dat zij haar vordering wezenlijk spoedeisend acht omwille van haar “fragiele gezond- heid”. Naar eigen zeggen bevat haar nieuwe functiebeschrijving slechts “banale” en “nietszeggende taken” die een “nefaste invloed” hebben “op haar mentale ge- zondheid”. Als verzoekster “meerdere maanden moet wachten” op een uitspraak van de Raad van State, dan “neemt de onherstelbare schade aan haar gezondheid exponentieel en onherstelbaar toe”; zij “stevent dan af op haar derde burn-out” met “slaapproblemen, hartkloppingen, verhoogde hartslag tijdens de slaap, ver- moeidheid, overemotionaliteit”, wat zou moeten blijken uit “de bijgebrachte at- testen”. 11.
  13. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat verzoekster schadelijke gevolgen koppelt aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een beslissing die haar op 7 oktober 2019 ter kennis is gebracht, maar dat zij wegens een arbeidsongeval op 12 september 2019, sedertdien afwezig is gebleven op het werk en minstens nog afwezig zal blijven tot 17 november
  14. Het gevreesde nadeel dat zij vreest te zullen ondervinden ingevolge het uitoefenen van “banale” taken is dus nog enkel een hypothese, waarvan de geloofwaardigheid volgens haar dan moet blijken uit “bijgebrachte attesten”. IX-9635-5/8 11.
  15. Als er voorts iets blijkt uit het enige “geschiktheidsattest” dat verzoekster ter ondersteuning van die beweringen als stuk 21 bij haar verzoek- schrift heeft bijgebracht, dan is het dat zij al “sinds 04/06/2019 overspannen en in burn-out [toestand] is”. Daarmee weerspreekt de arts van verzoekster zelf het rechtstreekse verband tussen de door haar geschetste gezondheidsproblematiek en de bestreden beslissing, die haar immers maar op 7 oktober 2019 werd meege- deeld. De problemen waarmee verzoekster zegt te kampen te hebben, lijken integendeel meer verband te houden met haar wedervaren in het atheneum te Ukkel voorafgaand aan de bestreden beslissing. Zo geeft verzoekster in haar ver- zoekschrift zelf aan dat zij op 26 oktober 2018 in ziekteverlof is gegaan omdat zij “de steeds toenemende druk en de zoveelste wissel van directeur niet meer [aan- kon]” en dat zij op 7 januari 2019 het werk heeft hervat maar de volgende dag opnieuw is thuisgebleven omdat zij “helemaal overstuur was”. Dat verzoekster “sinds 04/06/2019 overspannen en in burn-out [toestand]” is, schrijft zij in haar verzoekschrift overigens zelf toe aan “[d]e weigering van 21.05 en de boodschap van 29.05” – bedoeld worden de weigering van de directie om aan verzoekster een dienstnota te bezorgen en de “boodschap” “dat, indien verzoekster wenste te her- beginnen met werken, zij eerst langs de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer moest gaan”. Deze twee elementen “tasten de gezondheid van verzoekster aan en zij hervalt met burn-out / overspanning”. 11.
  16. Daargelaten of de Raad van State vermag acht te slaan op stuk 22 van verzoekster – De inventaris die aan het verzoekschrift is gehecht vermeldt geen stuk 22 en het stuk werd pas drie dagen later neergelegd, terwijl verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij dat stuk, dat 14 oktober 2019 gedateerd is, al niet samen met haar verzoekschrift kon neerleggen – dient vastgesteld dat deze ver- klaring van de psychologe van verzoekster wat voorafgaat uitdrukkelijk bevestigt. Zij verklaart immers dat verzoekster “zich begin januari ‟18” bij haar heeft gemeld, dat daarbij “een sterk verminderde draagkracht als gevolg van een aantal pro- bleemsituaties in haar beroepsleven” werd vastgesteld en dat verzoekster “[i]n de IX-9635-6/8 loop van 2019 […] nood [bleef] hebben aan verdere psychologische begeleiding en ondersteuning omdat ze vindt dat er te veel spanning en onzekerheden blijven bestaan in haar beroepsleven”. 11.
  17. Tussen de gezondheidstoestand van verzoekster en de tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing bestaat aldus niet het causaal verband waarop verzoekster aanspraak maakt om de vordering te verantwoorden. De nieuwe functiebeschrijving heeft haar wankele gezondheid geenszins veroorzaakt, en evenmin toont verzoekster aan dat de gevraagde schorsing ervan die gezondheid weer zal herstellen. 11.
  18. Ook de gezondheidstoestand van verzoekster wordt niet dienstig aangevoerd.
  19. De bewering, ten slotte, dat de wijziging van haar functiebe- schrijving een “nefaste invloed [zal] hebben op haar […] affiniteit met de behan- delde materie” en bij verzoekster “alle know-how en ervaring [zal] laten verloren gaan”, maakt verzoekster op geen enkele manier aannemelijk. Verzoekster geeft immers zelf aan “sinds haar aanstelling d.d. 01.10.1992” de personeelsadministratie tot “hoofdtaak/specifieke taak” te hebben gehad. Verzoekster wekt in haar verzoekschrift ook de indruk specialist ter zake te zijn. Hoe het niet-uitoefenen van die taak in afwachting van een arrest ten gronde een totaal verlies van alle kennis en zevenentwintig jaar ervaring met zich kan brengen, licht verzoekster niet nader toe en is evenmin evident zichtbaar. Dat klemt des te meer nu verzoekster te kennen geeft in het voorbije schooljaar wegens ziekte al meerdere keren langdurig afwezig te zijn geweest.
  20. Slotsom is dat verzoekster niet ervan overtuigt dat zij thans het normale verloop van de annulatieprocedure niet kan afwachten – en zij bijgevolg IX-9635-7/8 des te minder overtuigt van de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vor- dering – zodat niet is voldaan aan ten minste één van de cumulatieve voorwaarden opdat de Raad van State kan overgaan tot de gevraagde schorsing. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9635-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.