id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.996 Rolnummer: A. 223927/XIV-37580 Zaak: Arrest 245996 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 21:26 Fiche Arrest nr 245.996 van 6 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 245.996 van 6 november 2019 in de zaak A. 223.927/XIV-37.580 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Verkeyn kantoor houdend te 8400 Oostende Kaïrostraat 85 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 december 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 194.512 van 30 oktober 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.672 van 5 januari
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.580-1/14 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Maertens, die loco advocaat Charlotte Verkeyn verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster dient op 5 januari 2017 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van haar Belgische moeder. Op 4 juli 2017 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoekster een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-37.580-2/14 Verzoekster stelt op 2 augustus 2017 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 30 oktober 2017 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van 4 juli 2017 houdende bevel om het grondgebied te verlaten en verwerpt hij het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van 4 juli 2017 tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 40ter iuncto 40bis, § 2, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 2 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38). Verzoekster voert in een eerste middelonderdeel aan dat artikel 40ter, § 2, van de vreemdelingenwet de aanvraag betreft van een kind dat de Belg “vergezelt” of “zich bij hem voegt” en op zich reeds verwijst naar de toestand XIV-37.580-3/14 op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Zij acht artikel 40ter, § 2 iuncto artikel 40bis van de vreemdelingenwet geschonden waar het bestreden arrest erop neerkomt dat een kind zou worden uitgesloten van de categorieën die het recht op gezinshereniging openen wanneer zou blijken dat dit kind ten laste was in het land van herkomst en vóór de aanvraag maar vermeend niet ten laste zou zijn na de ontvangst van het attest van immatriculatie. Verzoekster maakt een onderscheid tussen de bepalingen betreffende de vraag welke categorieën in aanmerking komen voor gezinshereniging en vervolgens de voorwaarden waaraan de Belgische referentiepersonen moeten voldoen. Het bestreden arrest kan niet worden gevolgd waar het stelt dat zowel in het land van herkomst als vóór het indienen van de aanvraag en na het verkrijgen van het attest van immatriculatie enkel en alleen voldoende bestaansmiddelen aanwezig mogen zijn in hoofde van de referentiepersoon. Daarmee verwijst het bestreden arrest inderdaad naar de voorwaarden aangaande de toereikende bestaansmiddelen van de Belg omtrent het in artikel 40bis, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet bedoelde “ten laste” zijn, doch de bepalingen betreffende de vraag welke categorieën in aanmerking komen voor gezinshereniging staan los van de bepalingen inzake huisvesting, bestaansmiddelen en ziekteverzekering in hoofde van de Belg. Volgens het bestreden arrest kan in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie nergens worden gelezen dat het beschikken over voldoende bestaansmiddelen enkel zou slaan op het ten laste nemen van de descendent van een Unieburger in het land van oorsprong en mogen, zelfs indien het tegendeel zou gelden, nationale bepalingen strenger zijn ten aanzien van gezinshereniging met een Belg. Verzoekster vervolgt dat, ook indien de nationale bepalingen strenger mogen zijn dan het recht van de Unie, geen enkele nationale bepaling voorziet in het transponeren van de voorwaarden van de bestaansmiddelen in hoofde van een Belg op het beoordelen van het al dan niet “ten laste” zijn, waarbij voor dit laatste begrip louter wordt verwezen naar artikel 40bis, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet. Dit geldt volgens verzoekster des XIV-37.580-4/14 te meer omdat het Unierecht ingevolge de verwijzing in artikel 40ter van de vreemdelingwet naar artikel 40bis van die wet net wel van toepassing is. Verzoekster begrijpt hieruit dat het “ten laste” zijn dient te worden beoordeeld ten aanzien van de situatie in het land van herkomst alvorens men een aanvraag indient. In die zin wordt niet betwist dat verzoekster inderdaad van in het land van herkomst ten laste is. Verzoekster besluit dat het oordeel dat niet is voldaan aan artikel 40ter, § 2, van de vreemdelingenwet iuncto artikel 40bis, § 2, 3° van die wet omwille van een andere beoordeling daarom deze artikelen samen met artikel 2 van richtlijn 2004/38 schendt. Verzoekster voert in een tweede middelonderdeel aan dat zij op jonge leeftijd als enige van het kerngezin is moeten achterblijven in het land van herkomst waarbij zij enkel kon voorzien in haar basisbehoeften door de referentiepersoon. In het bestreden arrest wordt geen schending van artikel 8 van het EVRM aangenomen omdat verzoekster het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven met de Belgische referentiepersoon niet zou hebben aangetoond aangezien zij niet heeft bewezen dat zij heden ten laste zou zijn van de Belgische referentiepersoon, terwijl niet wordt betwist dat de andere leden van het gezin Belg zijn en dat verzoekster hen “vervoegt”. Verzoekster acht derhalve artikel 40ter iuncto artikel 40bis, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet iuncto artikel 8 van het EVRM iuncto artikel 149 van de Grondwet geschonden. Verzoekster vervolgt dat zij volgens het bestreden arrest een en ander niet zou hebben betwist en reeds vanaf haar aankomst in België tewerkgesteld zou zijn. In het bestreden arrest wordt verder gesteld dat de beoordeling niet diende te gebeuren na het verkrijgen van het attest van immatriculatie zodat er geen sprake was van enige erkentenis van een situatie vanaf de aankomst in België. Verzoekster heeft dit wel degelijk betwist in haar verzoekschrift en bovendien is hiervan geen sprake in het administratief dossier. De situatie na ontvangst van het attest van immatriculatie valt immers niet gelijk te stellen met “vanaf de aankomst in België”. XIV-37.580-5/14
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel onderstreept zij dat het niet is omdat na de beoordeling van de categorie die het recht op gezinshereniging opent er cumulatief een beoordeling van de bestaansmiddelenvereiste moet gebeuren, dat de wettelijke bepaling betreffende de bestaansmiddelenvereiste zou inhouden dat men niet tot de categorie van “ten laste zijn” in de zin van artikel 40bis, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet kan behoren omdat, ondanks het voorleggen van materiële steun, er na een attest van immatriculatie enkel bestaansmiddelen van de referentiepersoon zouden mogen bestaan. Verzoekster herhaalt dat het om onderscheiden voorwaarden gaat. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel voegt verzoekster toe dat zij geen beoordeling betracht met betrekking tot artikel 8 van het EVRM. Zij roept wel in dat volgens het bestreden arrest geen belangenafweging zou moeten worden doorgevoerd omdat er geen beschermenswaardig gezinsleven zou zijn vermits verzoekster niet zou aantonen “ten laste” te zijn, terwijl uit het administratief dossier wel degelijk de banden met onder meer de Belgische vader blijken en dit elders in het arrest niet wordt tegengesproken. Vermits het bestaan van een beschermenswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet afhankelijk wordt gesteld van het al dan niet aantonen van het “financieel ten laste zijn”, is deze verdragsbepaling geschonden waar het bestreden arrest wel uitgaat van deze premisse opdat sprake zou kunnen zijn van een beschermenswaardig gezinsleven. XIV-37.580-6/14 Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel: wat de verwijzing naar het Unierecht betreft
- Naar luid van artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de vreemdelingenwet worden onder meer als familielid van een burger van de Unie beschouwd “de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen […]”. Ingevolge het bepaalde in artikel 40ter, § 2, van die wet, zijn deze bepalingen van toepassing op de familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend voor zover het onder meer betreft “de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen”.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoekster de dochter is van een Belgische vader. Er wordt niet aangegeven dat deze laatste zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Het is juist dat een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling aan de orde is, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht. Verzoeksters aanvraag, die tot de aanvankelijk bestreden beslissing en het bestreden arrest heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van XIV-37.580-7/14 de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zgn. “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150). Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht kan verzoekster niet dienstig verwijzen naar de interpretatie van richtlijn 2004/38 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eerste onderdeel van het enige middel: wat de voorgehouden schending van artikel 40ter iuncto artikel 40bis, § 2, 3°, van de vreemdelingenwet betreft
- In het bestreden arrest wordt met betrekking tot de voorwaarde van het ten laste en het ogenblik waarop eraan moet zijn voldaan, overwogen: “Te dezen laat de verzoekster gelden dat ‘de beoordeling van het ten laste zijn dient te gebeuren aan de hand van het feit of het kind ouder dan 21 jaar in het land van herkomst, en dus voor de aankomst in België, ten laste was van de referentiepersoon’. Zij verwijst hierbij naar de arresten Jia (HvJ C-1/05, 9januari2007) en Reyes (zaak C-423/12 van 16 januari 2014) van het Hof van Justitie van de Europese Unie en meent dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris, ‘(d)oor de aanvraag te beoordelen enkel aan de hand van enkele vermeende gegevens aan verweerster gekend op het ogenblik van de beoordeling van de aanvraag, dewelke overigens zelfs niet werden opgevraagd’, de door haar opgeworpen bepalingen schendt ‘daar zij de aanvraag diende te beoordelen aan de hand van het feit of de aanvrager ten laste was in het land van herkomst alvorens de aankomst in België’, wat niet gebeurd is. Er wordt evenwel op gewezen dat de redactie van de artikelen 40ter en 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet niet uitsluit dat de verzoekster moet aantonen ook gedurende de periode dat haar aanvraag nog loopt ten laste te zijn van de referentiepersoon. Er is immers in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet sprake van bloedverwanten in neerdalende lijn ‘die te hunnen laste zijn’. Deze vaststelling dringt zich des te meer op aangezien artikel 40ter van de Vreemdelingenwet, dat in casu van toepassing is omdat de verzoekster de dochter is van een Belgische onderdaan, duidelijk en uitvoerig gewag maakt van de verplichting voor de XIV-37.580-8/14 Belgische onderdaan om te beschikken over voldoende bestaansmiddelen om de descendent, zijnde de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, van de Vreemdelingenwet bedoelde vreemdeling, te zijnen laste te nemen. Nergens kan worden gelezen dat deze verplichting om te beschikken over voldoende bestaansmiddelen enkel zou slaan op het ten laste nemen van de descendent in het land van oorsprong. Bovendien wordt er nog op gewezen dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat een descendent van een Unieburger slechts zou moeten aantonen dat zij in het land van herkomst ten laste is geweest van deze Unieburger en dat zij ten laste is op het moment van het indienen van de aanvraag, voor descendenten van statische Belgische onderdanen strengere voorwaarden kunnen gelden (cf. GwH 26 september 2013, nr. 123/2013). De verzoekster kan dan ook niet worden gevolgd waar zij voorhoudt dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening mocht houden met het gegeven dat zij ‘sinds haar aankomst in België, zelf tewerkgesteld is’ en dat zij ‘zelf over een inkomen beschikt’, feitelijke vaststellingen die steun vinden in het administratief dossier en door de verzoekster niet worden betwist. Voorts acht de Raad het niet kennelijk onredelijk dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris in het kader van een verblijfsaanvraag van een descendent van een Belgische onderdaan oordeelt dat het bewijs van diens eigen inkomsten aantoont dat deze niet ten laste is van de Belgische onderdaan. De aanvraag wordt beoordeeld op het ogenblik dat de bestreden beslissing wordt genomen. Hierbij is de gemachtigde er niet toe gehouden zich enkel en alleen te steunen op de gegevens die door de verzoekster werden aangebracht bij het indienen van de aanvraag, temeer wanneer uit informatie waarover zij beschikt blijkt dat deze gegevens niet (meer) pertinent blijken te zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Zo niet zou het enkele feit dat de aanvrager van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie in het verleden ooit ten laste is geweest van de Belgische ascendent reeds volstaan om het verblijfsrecht overeenkomstig artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°,van de Vreemdelingenwet vast te stellen. Het betoog van de verzoekster komt er in wezen op neer dat zij, eens in het bezit van een attest van immatriculatie dat het voorlopig verblijf dekt gedurende de loop van het onderzoek, niet langer aan de voorwaarden van het ingeroepen verblijfsrecht moet voldoen. Een dergelijk standpunt is de negatie zelf van het bestaan van wettelijke verblijfsvoorwaarden en kan dan ook niet worden bijgetreden. De omstandigheid dat ten aanzien van de verzoekster in het verleden reeds werd aangehaald dat zij diende aan te tonen dat zij ten laste was van de referentiepersoon in het land van herkomst, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Het loutere gegeven dat wordt vastgesteld dat aan één aspect van het ten laste zijn niet is voldaan, brengt immers niet met zich dat op een later moment de overige aspecten ervan niet meer beoordeeld zouden mogen worden. Gelet op de vaststelling dat niet gesteld kan worden dat de verzoekster heden ten laste is van de referentiepersoon, diende de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris niet tevens na te gaan of zij in het verleden in haar land van herkomst van hem ten laste was.”
- Volgens verzoekster dient de verwerende partij zich, anders dan in het bestreden arrest wordt geoordeeld, voor de beoordeling van de voorwaarde van het “ten laste zijn” enkel te plaatsen op het ogenblik van de aanvraag en niet op het ogenblik van de beslissing over die aanvraag. XIV-37.580-9/14
- Verzoekster beschikte op het ogenblik van het indienen van de aanvraag echter niet over een onherroepelijk of zeker recht op verblijf. Er is slechts sprake van een onherroepelijk vastgesteld recht indien de overheid heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden zijn vervuld en zij aldus het verblijfsrecht heeft erkend, hetgeen op het ogenblik van het indienen van de aanvraag nog niet het geval is. De erkenning van het recht op gezinshereniging vereist derhalve niet enkel dat de aanvrager erover beschikt wanneer hij er aanspraak op kan maken, maar ook op het ogenblik dat de overheid een beslissing neemt over zijn aanvraag. Het recht op verblijf, waarop verzoekster meende aanspraak te kunnen maken bij het indienen van haar aanvraag, is niet onvoorwaardelijk. Bij het indienen van de aanvraag golden tevens de voorwaarden dat de Belgische bloedverwant in opgaande lijn aantoonde te beschikken over “stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen”, over “een behoorlijke huisvesting” voor hem en zijn familieleden en over “een ziektekostenverzekering die de risico’s in België voor hem en zijn familieleden dekt”. Verzoekster wordt weliswaar geacht van dit verblijfsrecht te genieten vanaf het ogenblik van de aanvraag ervan, doch op voorwaarde dat dit verblijfsrecht door de bevoegde overheid wordt toegekend na onderzoek van de voorwaarden waaraan dient te zijn voldaan. Uit het loutere indienen van de aanvraag volgt derhalve niet dat verzoekster reeds bij het indienen van die aanvraag een onherroepelijk vastgesteld en zeker verblijfsrecht had. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 in dezelfde zin geoordeeld over de bepalingen betreffende het recht op gezinshereniging en wat dat betreft geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgesteld.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest derhalve op wettige wijze geoordeeld dat de verwerende partij zich voor de beoordeling van de vraag of verzoekster voldeed aan de voorwaarden voor het recht op gezinshereniging ook moest plaatsen op het ogenblik dat zij de XIV-37.580-10/14 aanvankelijk bestreden beslissing nam en niet enkel op het ogenblik dat verzoekster haar aanvraag indiende. Het volstond dus niet dat verzoekster op het ogenblik van het indienen van de aanvraag ten laste was van de Belgische referentiepersoon, dit diende ook het geval te zijn op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de aangehaalde bepalingen niet geschonden door te oordelen dat aan de voorwaarde van het ten laste zijn ook moest voldaan zijn op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen.
- Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij vermag dus niet in de plaats van de eerste rechter te oordelen of verzoekster al dan niet ten laste was van de Belgische referentiepersoon op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de aangehaalde bepalingen niet geschonden door voor de interpretatie van het begrip “ten laste zijn” te aanvaarden dat de verwerende partij rekening hield met het feit dat verzoekster over eigen inkomsten beschikte en derhalve niet (meer) ten laste was van de Belgische referentiepersoon bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing. Tweede onderdeel van het enige middel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt met betrekking tot een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM dat verzoekster eerst “het bestaan [zal] moeten aantonen van het privé- en/of het familie- en gezinsleven waarop zij zich beroept, en dit op voldoende nauwkeurige wijze, in acht genomen de omstandigheden van de zaak”. Het gaat daarbij om “een feitenkwestie die afhankelijk is van de aanwezigheid van effectief beleefde nauwe XIV-37.580-11/14 persoonlijke banden”. Hij vervolgt dat, “waar de gezinsband tussen partners, alsook tussen ouders en minderjarige kinderen verondersteld wordt, het evenwel anders ligt in de relatie tussen ouders en meerderjarige kinderen”, waarin men “niet noodzakelijk de bescherming van artikel 8 van het Verdrag [zal] genieten zonder dat het bestaan is aangetoond van bijkomende elementen van afhankelijkheid die anders zijn dan de gewone affectieve banden”. Hierna zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in concreto uiteen dat “te dezen uit het voorgaande reeds [is] gebleken dat de verzoekster, die 31 jaar is, er niet in geslaagd is het motief in de bestreden beslissing dat ‘niet gesteld (kan) worden dat zij heden ten laste is van de referentiepersoon’ te weerleggen of te ontkrachten”, dat “de omstandigheid dat zij in het verleden (zowel in het land van herkomst als in België) ten laste zou zijn geweest van de referentiepersoon en dat zij destijds als enig kind is moeten achterblijven in het land van herkomst […] hieraan geen afbreuk [doet]”, dat verzoekster aldus “geen bijkomende elementen van afhankelijkheid aan[toont] tussen haarzelf en de Belgische referentiepersoon, in functie van wie zij een verblijfskaart heeft aangevraagd als descendent ten laste”, dat “dergelijke elementen […] evenmin [blijken] uit de stukken van het administratief dossier” en dat “bijgevolg […] verzoekster het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven met de Belgische referentiepersoon in de zin van artikel 8 van het EVRM niet aan[toont]”.
- Anders dan verzoekster voorhoudt, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus niet dat het bestaan van een beschermenswaardig gezinsleven niet is aangetoond omdat verzoekster niet zou hebben bewezen thans ten laste zou zijn van de Belgische referentiepersoon. Hij verwijst wel naar deze omstandigheid en overweegt dat verzoekster geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haarzelf en de referentiepersoon aantoont en dat dergelijke elementen ook niet blijken uit het administratief dossier. XIV-37.580-12/14 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent evenmin artikel 8 van het EVRM door aldus, minstens impliciet, aan te nemen dat uit het feit dat de andere kinderen van de referentiepersoon Belg zijn en verzoekster haar aanvraag heeft ingediend omdat zij hen “vervoegt”, geen beschermenswaardig gezinsleven zou blijken. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door na te gaan of uit deze of gene elementen al dan niet een beschermenswaardig gezinsleven blijkt.
- Verzoekster laat nog gelden dat zij, anders dan in het bestreden arrest wordt aangenomen, niet sinds haar aankomst in België is tewerkgesteld en over een inkomen beschikt doch slechts sinds de afgifte van het attest van immatriculatie. De eventuele gegrondheid van deze kritiek kan de wettigheid van het bestreden arrest echter niet hebben beïnvloed vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft overwogen dat verzoekster op het ogenblik dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen, dus na de afgifte van het attest van immatriculatie toen verzoekster zoals zij zelf aanvoert reeds was tewerkgesteld, diende aan te tonen dat zij ten laste was van de Belgische referentiepersoon. Conclusie
- Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. XIV-37.580-13/14 V. Begroting van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
- Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoekster te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits verzoekster als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.580-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div