← België

Arrest 246003 - Politie - 06/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.003 Rolnummer: A. 221013/XIV-37269 Zaak: Arrest 246003 - Politie - 06/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-08 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 21:24 Fiche Arrest nr 246.003 van 6 november 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.003 van 6 november 2019 in de zaak A. 221.013/XIV-37.269 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145 A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de Federale Politie van 19 oktober 2016 waarbij de deliberatiecommissie heeft vastgesteld dat [verzoeker] niet de nodige competenties bezit om te kunnen toetreden tot het middenkader van het operationeel personeel van de geïntegreerde politie.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.269-1/28 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345 Antwerpen). 3.2. Verzoeker stelt zich kandidaat voor deelname aan het vergelijkend examen voor interne promotie door overgang naar het middenkader, sessie 2014-2015. De selectieprocedure omvat overeenkomstig de bepalingen van het RPPol en het selectiereglement een beroepsproef, een persoonlijkheidsonderzoek, een selectiegesprek met een selectiecommissie, en het onderzoek van het dossier door de deliberatiecommissie. Verzoeker heeft bij zijn kandidatuur het positief advies van zijn korpschef gevoegd. XIV-37.269-2/28 3.3. Verzoeker slaagt in de beroepsproef en wordt derhalve uitgenodigd voor het persoonlijkheidsonderzoek en het gesprek met de selectiecommissie. Bij brief van 18 juli 2014 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de deliberatiecommissie heeft vastgesteld dat hij niet over de nodige competenties beschikt om het beoogde ambt uit te oefenen. Als bijlage bij die brief is een fiche gevoegd met de cijfermatige beoordeling van de negen competenties die in het kader van de persoonlijkheidsproef werden onderzocht door de selectiecommissie. 3.4. Nadat verzoeker tegen deze beslissing van 18 juli 2014 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend (zaak A.213.717/XIV-35.949), wordt de beslissing van 18 juli 2014 ingetrokken bij beslissing van 2 februari 2015, waarna het beroep bij arrest nr. 230.324 van 25 februari 2015, bij gebrek aan voorwerp, wordt verworpen. In de beslissing van 2 februari 2015 wordt de intrekking impliciet gemotiveerd door de ongeldige samenstelling van de deliberatiecommissie bij de beslissing van 18 juli 2014 nu erin wordt gesteld dat “[h]eden, 02 februari 2015, een rechtsgeldig samengestelde deliberatiecommissie een nieuwe beslissing [heeft] genomen”. Voorts blijkt eruit dat de deliberatiecommissie verzoeker opnieuw ongeschikt bevindt op basis van (dezelfde) scores behaald bij de beoordeling van de competenties in het kader van de persoonlijkheidsproef, zij het dat de behaalde scores nu schriftelijk worden gemotiveerd. Ook tegen deze beslissing van 2 februari 2015 heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring (A.215.392/XIV-36.326) ingediend, hetgeen op 10 juni 2015 tot de intrekking van die bestreden beslissing leidt, waarna het tegen die beslissing ingediende beroep bij arrest nr. 232.316 van 24 september 2015, bij gebrek aan voorwerp, wordt verworpen. XIV-37.269-3/28 3.5. Na de intrekkingsbeslissing van 10 juni 2015 neemt de deliberatiecommissie op 15 januari 2016 een nieuwe beslissing waarin opnieuw wordt gesteld dat “[h]eden, 15 januari 2016, een rechtsgeldig samengestelde deliberatiecommissie een nieuwe beslissing [heeft] genomen”. In die beslissing stelt de deliberatiecommissie weerom dat verzoeker niet de nodige competenties bezit om het beoogde politieambt uit te oefenen. Deze beoordeling is gesteund op basis van (dezelfde) scores behaald bij de beoordeling van de competenties in het kader van de persoonlijkheidsproef. Tegen deze beslissing dient verzoeker opnieuw een beroep tot nietigverklaring (A.218.442/XIV-36.925) in waarna de beslissing van 15 januari 2016 op 20 mei 2016 wordt ingetrokken, zodat ook dat beroep tot nietigverklaring bij arrest nr. 236.613 van 30 november 2016 bij gebrek aan voorwerp wordt verworpen. 3.6. Na de intrekking van 20 mei 2016 heeft verzoeker op 5 september 2016 een selectiegesprek met de selectiecommissie, dit evenwel op basis van het oorspronkelijk persoonlijkheidsonderzoek dat plaatsvond op 19 juni 2014. Het selectiegesprek vindt plaats met een selectiecommissie, samengesteld uit K.L., voorzitster, L.L., vertegenwoordiger van de lokale politie, en J.V., vertegenwoordiger van de Federale politie. Op 19 oktober 2016 bevindt de deliberatiecommissie, samengesteld uit K.D.W., adviseur ‘Dienst Rekrutering & Selectie’ (voorzitster), commissaris van politie (CP) R.C., gedetacheerd officier DGR/DPRS (vertegenwoordiger lokale politie), en CP P.B., gedetacheerd officier DGR/DPRS (vertegenwoordiger federale politie) verzoeker ongeschikt voor het beoogde ambt. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.269-4/28 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker met verwijzing naar artikel 21 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 6 van het algemeen procedurereglement om de aanvullende stukken die de verwerende partij met haar laatste memorie heeft bijgebracht, uit het debat te weren. Beoordeling 5. In het auditoraatsverslag (p. 11) heeft verzoeker kunnen lezen dat de verwerende partij de gelegenheid wordt geboden bij het indienen van haar laatste memorie alsnog de vereiste bewijzen bij te brengen wat de rechtsgeldige samenstelling van de deliberatiecommissie betreft, bij gebrek waaraan zou moeten worden besloten dat de verwerende partij niet aantoont dat deze commissie rechtsgeldig is samengesteld, en dat in dat geval geen bewijs voorligt dat de betreden beslissing is genomen door de daartoe bevoegde overheid. De verwerende partij heeft die gelegenheid te baat genomen en de stukken 14 en 15 met haar laatste memorie bijgebracht. Zij zijn bij het proceduredossier gevoegd zodat zij voor verzoeker raadpleegbaar waren die als laatste een laatste memorie heeft neergelegd. In die omstandigheden worden de bedoelde stukken in de aangegeven mate bij het debat betrokken. In de mate de verwerende partij als onderdeel van haar stuk 15 ook nog een “erkenningsdossier functionele opleiding” (van 2 december 2014) bijbrengt dat uitgaat van de dienst Recrutering & Selectie teneinde “aan te tonen” dat het programma van de opleiding die de leden van de selectiecommissie moeten volgen door de daartoe bevoegde overheid werd vastgesteld, dient te worden vastgesteld - daargelaten dat te dezen de leden van de selectiecommissie reeds een opleiding volgden in 2006 - dat de in het auditoraatsverslag geboden mogelijkheid geen betrekking had op dit rechtspunt en dat voorts niet blijkt dat de XIV-37.269-5/28 verwerende partij dit stuk niet reeds had kunnen bijbrengen, namelijk ten tijde van de indiening van haar memorie van antwoord en de neerlegging van het administratief dossier zodat dit onderdeel van stuk 15 uit het debat wordt geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6. In het eerste middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan van artikel IV.22 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: het UBPol) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991). Verzoeker zet in essentie uiteen dat uit het dossier niet blijkt dat de deliberatiecommissie rechtsgeldig is samengesteld. Overeenkomstig artikel IV.22 van het UBPol is de deliberatiecommissie samengesteld uit 1) de directeur van de directie van de Rekrutering en van de Selectie van de Federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst, die het voorzitterschap waarneemt, 2) één personeelslid van de lokale politie, aangewezen door de Vaste Commissie voor de Lokale Politie en 3) één personeelslid van de Federale politie, aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer’. De bestreden beslissing is ondertekend door K.D.W (voorzitster), en de leden CP R.C. en CP P.B. (cfr. punt 3.6). Het is onduidelijk of K.D.W. effectief de directeur van de directie Rekrutering en Selectie van de Federale politie is, nu zij enkel de titel ‘adviseur’ draagt. Daarnaast moet het lid van de lokale politie worden aangewezen door de Vaste Commissie voor de Lokale Politie, en het lid van de Federale politie door de directeur-generaal van de algemene directie van de XIV-37.269-6/28 Ondersteuning en het Beheer. Verzoeker vraagt dat de verwerende partij de rechtsgeldige aanwijzingsbeslissingen bijbrengt, bij gebrek waaraan de bestreden beslissing is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan, hetgeen de openbare orde raakt. Verder stelt verzoeker vast dat de ondertekenaars van de bestreden beslissing niet dezelfde zijn als deze van de ingetrokken beslissingen van 2 februari 2015 en 15 januari 2016: de voorzitter en de vertegenwoordiger van de Federale politie zijn in de loop van de procedure gewijzigd zodat de vraag rijst of deze de bestreden beslissing wel kunnen ondertekenen nu zij nooit bij de selectieprocedure van verzoeker betrokken zijn geweest. De voorzitster van de deliberatiecommissie K.D.W. heeft verzoeker nooit gesproken of gehoord tijdens de selectieprocedure zodat zij onmogelijk een beslissing over verzoeker kon nemen. In zijn memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in zijn eerste middel. Hij voert aan dat overeenkomstig artikel IV.22 van het UBPol de directeur het voorzitterschap van de deliberatiecommissie waarneemt, en de verwerende partij geen nieuwe interpretatie aan die bepaling kan geven. Artikel 6, 1°,

  1. c)van het koninklijk besluit van 14 november 2006 ‘betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie’, bepaalt dat de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie “de door of krachtens de wet aan de federale politie toevertrouwde opdrachten inzake selectie, rekrutering en opleiding van de leden van de politiediensten” verzekert. Aan het hoofd van een directie staat een directeur, en geen diensthoofd. Bijgevolg diende de directeur van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie’ (dan wel het door hem aangewezen personeelslid) voorzitter van de deliberatiecommissie te zijn. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog dat een koninklijk besluit niet impliciet kan worden gewijzigd door een ander koninklijk besluit omdat zulks een schending zou uitmaken van het rechtszekerheidsbeginsel. Er kan niet van een rechtsonderhorige worden verwacht dat hij “naar aanleiding van de wijziging van het ene [koninklijk besluit] zou moeten weten dat een ander [koninklijk besluit] daardoor automatisch ook zou wijzigen”. XIV-37.269-7/28 7. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord, wat zij in haar laatste memorie herhaalt, dat de deliberatiecommissie werd samengesteld overeenkomstig de vereisten van artikel IV.22 UBPol. Uit de stukken 2 en 3 van het administratief dossier blijkt dat zowel CP R.C. als CP P.B. door de respectievelijke overheden werden aangewezen als vertegenwoordigers van de lokale politie en de Federale politie om te zetelen in de deliberatiecommissie. Wat de voorzitster van de deliberatiecommissie betreft, adviseur K.D.W., stelt de verwerende partij dat deze sinds 1 juli 2016 de functie van diensthoofd van de rekruterings- en selectiedienst (DGR/DRP-RS) uitoefent, zodat zij de functie van voorzitter van de deliberatiecommissie geldig kon waarnemen. Bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 23 augustus 2014) werd het aantal directies binnen de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie teruggeschroefd van twaalf naar vier. Dit heeft tot gevolg dat de directie van de Rekrutering en Selectie van de Federale politie niet langer een directie is, met aan het hoofd een directeur, maar een dienst met aan het hoofd een diensthoofd. Artikel IV.22, eerste lid, 1° UBPol moet dan ook worden gelezen als “het diensthoofd van de rekruterings- en selectiedienst van de federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst, die het voorzitterschap waarneemt”. Verder repliceert de verwerende partij nog dat overeenkomstig artikel VII.II.18 RPPol de selectieprocedure die van toepassing is op de kandidaten voor overgang naar het middenkader uit een beroepsproef, een persoonlijkheidsproef en een gesprek met de selectiecommissie bestaat. De deliberatiecommissie beslist, rekening houdende met al de door de kandidaat afgelegde proeven, of de kandidaat “zeer geschikt”, “geschikt” of “ongeschikt” is. De deliberatiecommissie beslist dus op basis van de resultaten van de proeven. Nergens wordt bepaald dat de leden van de deliberatiecommissie de kandidaten zelf moeten spreken of horen. Evenmin wordt bepaald dat de leden van de deliberatiecommissie moeten tussengekomen zijn in de selectieprocedure, bijvoorbeeld door tevens te zetelen in de selectiecommissie. Beide commissies zijn afzonderlijke organen en beoordelen andere aspecten met het oog op het nemen van een zo onpartijdig mogelijke XIV-37.269-8/28 beslissing. De verwerende partij wijst er verder op dat verzoeker werd uitgenodigd voor een nieuw gesprek met de (rechtsgeldig samengestelde) selectiecommissie op 5 september 2016, zodat de deliberatiecommissie rekening heeft moeten houden met het nieuwe resultaat van deze proef. Bij het nemen van de nieuwe beslissing mocht de deliberatiecommissie enkel rekening houden met dit nieuwe gesprek met de selectiecommissie. Dat in die deliberatiecommissie twee leden zetelen die niet betrokken waren bij de vorige beslissingen benadeelt de verzoeker dan ook niet. Door deze nieuwe samenstelling kon verzoeker er des te meer vanuit gaan dat deze leden zich niet zouden laten beïnvloeden door de eerdere reeds ingetrokken beslissingen. Tot slot, wijst de verwerende partij er nog op dat adviseur K.D.W. werd aangewezen op 1 juli 2016 als nieuw hoofd van de selectie- en rekruteringsdienst van de Federale politie in opvolging van hoofdcommissaris van politie (HCP) F.M. Laatstgenoemde kon derhalve logischerwijs niet langer zetelen als voorzitter van de deliberatiecommissie in zijn hoedanigheid van diensthoofd. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de hervorming die zij in haar memorie van antwoord heeft geschetst, geen invloed heeft op de opdrachten en de bevoegdheden van de dienst Rekrutering & Selectie die verantwoordelijk blijft voor de aanwervingen binnen de geïntegreerde politie, zowel voor het operationeel kader als voor het burgerpersoneel en, dus, voor het organiseren van de selectieproeven voor de sollicitanten en van interne promotie-examens. Het diensthoofd ervan voert dan ook dezelfde taken uit als de voormalige directeur van de directie van de Rekrutering en van de Selectie waarnaar artikel IV.22, van het UBPol uitdrukkelijk verwijst. Het was met andere woorden de uitdrukkelijke wil van de regelgever om de directe verantwoordelijke voor de rekrutering en selectie te beogen en niet de directeur van het Personeel, noch de directeur-generaal wiens bevoegdheden veel ruimer zijn dan enkel rekrutering en selectie. Volgens de verwerende partij is met de functie van directeur van het Personeel een volledig nieuwe functie tot stand gekomen bij de optimalisatie, die dan ook “volledig vanaf nul” moest worden ingevuld. Indien het de bedoeling zou zijn geweest van de regelgever om deze taken over te hevelen aan de directeur van het Personeel, is het toch opmerkelijk dat de regelgever de teksten XIV-37.269-9/28 die hierop betrekking hebben, niet in die zin heeft aangepast. Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing naar de directie van de Rekrutering en van de Selectie, zou “de stelling dat de woorden directeur van de Rekrutering en van de Selectie dienen te worden [gelezen] als directeur van het Personeel dan ook manifest strijdig zijn met de bedoeling van de regelgever. Het spreekt dan ook voor zich dat artikel IV.22, eerste lid, 1°, UBPol dient gelezen te worden als zijnde “diensthoofd van de dienst rekrutering en selectie van de federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst”. Wat, tot slot, de aanwijzing van de leden van de deliberatiecommissie betreft, verwijst de verwerende partij naar de stukken 14 en 15 die zij met haar laatste memorie bijbrengt en waaruit de aanstelling blijkt van HCP F.M. als diensthoofd a.i. van de dienst Rekrutering & Selectie en de aanstelling van adviseur K.D.W. als diensthoofd ervan vanaf 1 juli 2016. Uit stuk 14 blijkt dat HCP A.G. voorheen aangewezen was als directeur van de (voormalige) directie van de Rekrutering en van de Selectie. In die hoedanigheid heeft hij HCP A.G. krachtens artikel 120 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de WGP) HCP F.M. aangewezen als directeur van de directie van de Rekrutering en van de Selectie in geval van afwezigheid of verhindering. Ten gevolge van de optimalisatie nam HCP A.G. de functie waar van directeur van de directie van het Personeel in afwachting van de definitieve aanwijzing van adviseur. I.C. in februari 2016 in die functie. HCP A.G. werd dus aangesteld als directeur a.i. van de directie van het Personeel. Beoordeling 8. Vooreerst wordt vastgesteld dat uit de uiteenzetting van het middel niet blijkt waarom verzoeker meent dat de formelemotiveringsplicht is geschonden. Los daarvan, reikt de formelemotiveringsplicht - die inhoudt dat de rechtszoekende in de beslissing de motieven moet terugvinden die de bestuursbeslissing die hem aanbelangt, afdoende schragen -, niet zover dat hij uit die motivering moet kunnen afleiden dat de deliberatiecommissie rechtsgeldig is samengesteld. XIV-37.269-10/28 Het middel, in zoverre het de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, is, in de mate het ontvankelijk is, ongegrond. 9. Het geschonden geachte artikel IV.22, van het UBPol bepaalt: “De deliberatiecommissie bedoeld in artikel IV.I.17 RPPol, is samengesteld uit: 1° de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst, die het voorzitterschap waarneemt; 2° één personeelslid van de lokale politie, aangewezen door de Vaste Commissie voor de Lokale Politie; 3° één personeelslid van de federale politie, aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de ondersteuning en het beheer. Om geldig te kunnen beslissen, moeten alle leden aanwezig zijn. De deliberatiecommissie beslist met gewone meerderheid van stemmen.” 10. Vóór de vervanging van titel V (dat de artikelen 16 en 17 bevatte) van het koninklijk besluit van 14 november 2006 ‘betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 14 november 2006) bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 voorzag het genoemde artikel 16 in de inrichting van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer. Deze algemene directie omvatte, naast een secretariaat en een medische dienst, (nog) 11 directies waaronder de in littera 2° van die bepaling genoemde directie van de Rekrutering en van de Selectie, waarnaar ook het hiervoor aangehaalde artikel IV.22, eerste lid, 3°, van het UBPol verwijst. Door de vervanging van de titels I tot V bij het genoemde artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 krijgt de federale politie een nieuwe organisatiestructuur. De hiervoor genoemde algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer verdwijnt en wordt bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 vervangen door de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie. Deze (nieuwe) algemene directie heeft met ingang van 1 oktober 2014 onder meer als opdracht “de door of krachtens de wet aan de federale politie toevertrouwde opdrachten inzake selectie, rekrutering en opleiding van de leden van de politiediensten” (cfr. artikel 6, 1°,
  2. c)van het koninklijk besluit van XIV-37.269-11/28 14 november 2006 zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 augustus 2014). Krachtens artikel 7 van het aldus gewijzigde koninklijk besluit van 14 november 2006 bevat de (nieuwe) algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie nog slechts vier directies waaronder - naast de directies van de Logistiek, van de Politionele informatie en de ICT-middelen en deze van de Financiën - de te dezen relevante directie van het Personeel (waarvan de dienst Recrutering & Selectie deel uitmaakt). Het wijzigingsbesluit van 23 augustus 2014 is gepubliceerd in het Belgisch Staatblad van 4 september 2014 en in werking getreden op 1 oktober 2014. Artikel IV.22, van het UBPol is aan deze door het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 doorgevoerde wijzigingen niet aangepast. 11. Met haar laatste memorie, aldus gevolg gevend aan het auditoraatsverslag, brengt de verwerende partij nog de stukken 14.1 tot 14.3 en 15 bij. Stuk 14.1 betreft een “tijdelijke” interne nota van 6 maart 2014 (dit is vóór de inwerkingtreding van de nieuwe organisatiestructuur) met als onderwerp “Directie van de Rekrutering, Selectie en Opleiding’: geïntegreerde werking” die uitgaat van zijn directeur HCP A.G., waarin hij de nakende hervorming aankondigt. Uit die nota blijkt dat HCP A.G. in zijn hoedanigheid van directeur van de directie van de Recrutering en van de Selectie, krachtens artikel 120 van de WGP zijn adjunct HCP F.M., heeft aangewezen als directeur van diezelfde directie in geval van afwezigheid of verhindering. Stuk 14.2 betreft een interne nieuwsbrief “DRP News - April 2015”. Uit dat stuk, evenals uit het bijgebrachte stuk 14.3 blijkt dat HCP A.G., met ingang van 1 oktober 2014, de directie a.i. waarneemt van de bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 (nieuw) opgerichte directie van het Personeel in afwachting, zo blijkt uit de laatste memorie van de verwerende partij (p. 3), van “de definitieve aanwijzing van adviseur. I.C. in februari 2016”. Uit de interne nieuwsbrief (stuk 14.2) blijkt nog dat de onder die nieuwe directie ressorterende XIV-37.269-12/28 dienst Recrutering & Selectie onder leiding staat van het diensthoofd a.i. HCP F.M. Deze dienst kent evenwel geen reglementaire verankering in het koninklijk besluit van 14 november 2006 zoals dat is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014. 12. Wat de in het eerste middel bekritiseerde aanstelling van CP P.B. als lid van de deliberatiecommissie betreft, blijkt uit stuk 2 van het administratief dossier dat hij op 14 oktober 2015 wordt vermeld op een lijst getiteld “vertegenwoordigers van de Federale politie voor de deliberatie- en selectiecommissie”. Deze lijst is ondertekend door de directeur-generaal van de (nieuwe) algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (afgekort DGR) HCP P.P. en door HCP F.M., diensthoofd a.i. van de dienst Recrutering & Selectie (stuk 14.2 – zie supra). CP P.B. wordt op die lijst vermeld als vertegenwoordiger van de Federale politie voor de deliberatie- en selectiecommissies, onder meer wat betreft het “intern middenkader”. Overeenkomstig het in punt 9 aangehaalde artikel IV.22, eerste lid, 3°, UBPol (dat, zoals reeds is vermeld, ondanks de gewijzigde organisatiestructuur doorgevoerd bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014 ongewijzigd is gebleven), dient het in die bepaling genoemde personeelslid van de Federale politie te worden aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer. Hoewel het vanuit het oogpunt van de duidelijkheid en transparantie aangewezen is een reglementaire tekst in overeenstemming te brengen met naderhand doorgevoerde wijzigingen in een andere reglementaire tekst -, moet op dit punt worden aangenomen - zonder dat een schending van het rechtszekerheidsbeginsel voorligt - dat bij afwezigheid van een directeur-generaal van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer’ (omdat die algemene directie sinds 1 oktober 2014 niet meer bestaat) artikel IV.22, eerste lid, 3°, UBPol, impliciet is vervangen door de in punt 10 vermelde wijzigingen van het koninklijk besluit van 14 november 2006 bij het koninklijk besluit van 23 augustus XIV-37.269-13/28 2014. Dit houdt in dat vanaf 1 oktober 2014 de aanwijzing van het personeelslid van de Federale politie in de deliberatiecommissie nu dient te gebeuren door de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie. Aangezien CP P.B. voorkomt op een lijst van 14 oktober 2015 die is (mede)ondertekend door de directeur-generaal van de (nieuwe) algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (HCP P.P) moet CP P.B. worden geacht rechtsgeldig te zijn aangewezen als vertegenwoordiger van de Federale politie in de deliberatiecommissie. 13. Wat de bekritiseerde aanstelling van CP R.C. als lid van de deliberatiecommissie betreft, blijkt uit stuk 3 van het administratief dossier dat het genoemde lid op 14 oktober 2015 – conform hetgeen is bepaald in artikel IV.22, eerste lid, 2°, UBPol - door de Vaste Commissie van de Lokale Politie is aangewezen als vertegenwoordiger van de lokale politie voor de deliberatie- en selectiecommissie, onder meer wat betreft ‘intern middenkader’. Ook CP R.C. is derhalve rechtsgeldig aangewezen als vertegenwoordiger van de lokale politie in de deliberatiecommissie. 14. Wat, tot slot, de bekritiseerde aanstelling van adviseur K.D.W. tot voorzitster van de deliberatiecommissie betreft, vereist (het niet gewijzigde) artikel IV.22, eerste lid, 1°, van het UBPol, dat het voorzitterschap van de deliberatiecommissie wordt waargenomen door de “directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst”. De verwerende partij legt een lijst neer van “Voorzitters van de deliberatie- en selectiecommissie” waarop de naam van K.D.W. wordt vermeld (stuk 1). Deze lijst werd op 14 oktober 2015 ondertekend door “HCP F.M., Diensthoofd a.i.” Uit het door de verwerende partij met haar laatste memorie bijgebrachte stuk 14.2 (cfr. punt 11) blijkt dat op dat ogenblik HCP F.M., als diensthoofd a.i., de leiding waarneemt van de dienst Recrutering & Selectie die niet langer een directie is en ressorteert onder de (nieuwe) directie van het XIV-37.269-14/28 Personeel. Uit stuk 15 blijkt dan weer de aanstelling met ingang van 1 juli 2016 van adviseur K.D.W. als diensthoofd van diezelfde dienst Recrutering & Selectie. Deze aanwijzingsakte werd ondertekend op 14 juni 2016 (voor directeur-generaal P.P.) door de waarnemend directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie en blijkt ook nog uit een nota van 15 juni 2016 van HCP P.VDC. van de dienst Loopbaanbeheer. Uit dit alles blijkt dan wel

(1)dat adviseur K.D.W. werd aangewezen op een lijst “Voorzitters van de deliberatie- en selectiecommissie” van 14 oktober 2015, ondertekend door het diensthoofd a.i. van de dienst Recrutering & Selectie (en dus niet door de directeur van de directie van het Personeel waaronder deze dienst ressorteert) en
(2)dat adviseur K.D.W. met ingang van 1 juli 2016 ook is aangewezen als diensthoofd van diezelfde dienst Recrutering & Selectie doch daarmee is nog niet het bewijs geleverd dat ook is voldaan aan hetgeen in artikel IV.22, eerste lid, 1°, van het UBPol is gesteld. Immers, zelfs indien wordt aangenomen dat de genoemde bepaling impliciet is gewijzigd door de wijzigingen die het koninklijk besluit van 14 november 2006 heeft ondergaan bij het koninklijk besluit van 23 augustus 2014, dan blijft het ook dan volstrekt onduidelijk wie in de plaats is gekomen van de in artikel IV.22, eerste lid, 1°, van het UBPol genoemde “directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie” die immers met ingang van 1 oktober 2014 is verdwenen. Sedertdien omvat, zoals in punt 10 is gebleken, de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie’ op directieniveau een directie van het Personeel die ook onder zich de verantwoordelijkheid draagt voor de recrutering en selectie. Het lijkt dan de directeur van die directie te zijn die in de plaats is gekomen van de in artikel IV.22, eerste lid, 1°, bedoelde directie, eerder dan de dienst Recrutering & Selectie (en het diensthoofd ervan); te meer nu die dienst geen verankering kent in de reglementering van het koninklijk besluit van 14 november 2006, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 augustus
  1. Er moet in ieder geval worden vastgesteld wat dit punt betreft, dat zulks niet met de vereiste rechtszekerheid kan worden vastgesteld. Dat vóór de inwerkingtreding van de wijzigingen op 1 oktober 2014 - zoals blijkt uit de interne nota van 3 maart 2014 (stuk 14.1) - HCP A.G., op dat ogenblik nog directeur van de directie van de Recrutering en van de Selectie, in die hoedanigheid, krachtens XIV-37.269-15/28 artikel 120 van de WGP zijn adjunct HCP F.M., heeft aangewezen als directeur van de directie van de Recrutering en van de Selectie in geval van afwezigheid of verhindering, doet daaraan niet af. Het standpunt van de verwerende partij dat “indien het de bedoeling zou zijn geweest van de regelgever om deze taken over te hevelen aan de directeur van het personeel, het toch opmerkelijk [is] dat de regelgever de teksten die hierop betrekking hebben, niet in die zin heeft aangepast”, wordt niet bijgetreden. Het kan immers niet worden betwist dat de verantwoordelijkheid voor de “door of krachtens de wet aan de federale politie toevertrouwde opdrachten inzake selectie, rekrutering en opleiding van de leden van de politiediensten” onder de verantwoordelijkheid valt van de nieuw opgerichte algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie en, derhalve, evenzo onder deze van de onder die algemene directie ressorterende directie van het Personeel (artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 14 november 2006, zoals gewijzigd). Bovendien blijkt op geen enkele wijze dat de regelgever deze beslissingsbevoegdheid heeft willen onttrekken aan het niveau van de directie. Het blijkt dan ook niet dat de deliberatiecommissie conform artikel IV.22 UBPol werd samengesteld, en er ligt dan ook geen bewijs voor dat de bestreden beslissing door de daartoe bevoegde overheid werd genomen.
  2. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  3. In het tweede middel wordt een schending aangevoerd van de artikelen IV.6ter, IV.6quater en IV.6quinquies van het UBPol, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, evenals van het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In zijn verzoekschrift zet verzoeker in essentie uiteen XIV-37.269-16/28 dat de selectiecommissie moet worden samengesteld overeenkomstig de artikelen IV.6ter, IV.6quater en IV.6quinquies van het UBPol. Uit het dossier blijkt niet dat de selectiecommissie rechtsgeldig is samengesteld en, zodoende, dat de bestreden beslissing uitgaat van een daartoe bevoegde overheid. Het is niet aangetoond dat de selectiecommissie is samengesteld conform artikel IV.6ter van het UBPol noch dat de leden van de selectiecommissie voorkwamen op de lijst waarvan sprake is in artikel IV.6quater van het UBPol en evenmin is aangetoond dat deze de opleiding hebben genoten zoals bepaald in artikel IV.6quinquies van het UBPol. Verzoeker vraagt dat de verwerende partij de rechtsgeldige samenstelling van de selectiecommissie aantoont. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op het verweer van de verwerende partij dat zij de leden van de selectiecommissie benoemt aan de hand van initialen, wat onduidelijkheid creëert en de rechten van verdediging beperkt. Er kan geen rekening worden gehouden met initialen. Voorts stelt verzoeker dat de selectiecommissie uit vier leden bestaat en dat onduidelijk is wie het (afwezige) vierde lid is. Verzoeker betwijfelt of er wel een vierde lid werd aangesteld en dat, bij gebrek daaraan, de samenstelling onwettig is: er moet immers een personeelslid van de directie van de opleiding van de Federale politie of een personeelslid van een politiedienst tewerkgesteld in een politieschool die over bijzondere bekwaamheden beschikt in het raam van de basisopleiding, uitgenodigd zijn geweest voor de selectiecommissie. Op het standpunt van de verwerende partij die stelt dat twee leden een opleiding hebben gevolgd in 2006, repliceert verzoeker dat artikel IV.6quinquies van het UBPol pas werd ingevoerd bij het ministerieel besluit van 30 april 2010 ‘tot wijziging van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: het ministerieel besluit van 30 april 2010) zodat de opleiding van 2006 onmogelijk kan voldoen aan dit vier jaar later goedgekeurde ministerieel besluit van 30 april
  4. Het is dan ook niet aangetoond dat deze opleiding van 2006 voldoet aan artikel IV.6quinquies. De verwerende partij legt immers ook niet het programma van de opleiding voor dat XIV-37.269-17/28 werd vastgesteld door de directie van de Rekrutering en van de Selectie van de Federale politie. Bijgevolg kan niet nagegaan worden of deze opleiding van 2006 wel voldoet aan een later vastgesteld programma. Bovendien dient ook de voorzitster deze opleiding te hebben genoten. Uit de stukken blijkt niet dat de voorzitster de opleiding heeft gevolgd. Evenmin is aangetoond dat de interne opleiding die de voorzitster zou hebben genoten, voldoet aan het programma van de opleiding dat moet worden vastgesteld door de directie van de Rekrutering en van de Selectie van de Federale politie. De verwerende partij kan niet zomaar andere (interne) opleidingen gelijkstellen met een opleiding als bepaald bij het UBPol. Er blijkt dan ook uit geen enkel stuk dat de voorzitster de juiste opleiding heeft gevolgd. Verzoeker besluit: “[e]r kan niet zomaar besloten worden dat een zogenaamd gespecialiseerd lid van de dienst competentiemeting bekwaam is om over te gaan tot het meten van de competenties. Er zullen vermoedelijk verschillende profielen lid zijn van deze dienst.” In zijn laatste memorie merkt verzoeker nogmaals op dat een koninklijk besluit niet impliciet kan worden gewijzigd omdat zulks een schending zou uitmaken van het rechtszekerheidsbeginsel. Er kan niet van een rechtsonderhorige worden verwacht dat hij “naar aanleiding van de wijziging van het ene [koninklijk besluit] zou moeten weten dat een ander [koninklijk besluit] daardoor automatisch ook zou wijzigen”. Verzoeker kan niet het slachtoffer zijn van een gebrekkige of onduidelijke regelgeving. Wat de door de leden van de selectiecommissie gevolgde opleiding betreft, volhardt hij in zijn kritiek dat ook de voorzitster de vereiste opleiding diende te volgen. Deze is immers ook lid van de selectiecommissie en artikel IV.6quinquies van het UBPol maakt geen onderscheid tussen de leden en de voorzitter van de selectiecommissie zodat deze aan dezelfde kwalificatievereisten moet voldoen.
  5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord in essentie dat de selectiecommissie was samengesteld uit CSP K.L. (voorzitster), HCP L.L. (vertegenwoordiger van de lokale politie) en CP J.VD. (vertegenwoordiger van de Federale politie). Ook deze personeelsleden zijn terug XIV-37.269-18/28 te vinden op de lijsten voor de deliberatie- en selectiecommissies zoals opgenomen in de stukken 1 tot 3 van het administratief dossier. De leden van de selectiecommissie werden derhalve rechtsgeldig aangewezen. Voor de vertegenwoordigers van de lokale politie en de Federale politie werden er opleidingen georganiseerd conform artikel IV.6quinquies van het UBPol. Uit stuk 4 van het administratief dossier blijkt dat beide leden de opleiding hebben gevolgd op 6 november respectievelijk 4 december
  6. Zij stelt nog dat “[l]os van het feit dat die opleidingsverplichting enkel de leden van de commissie betreft (dus bedoeld in 2° en 3° van artikel IV.6ter UBPol), CSP K.L. bovendien [is] tewerkgesteld als gespecialiseerd lid bij DGR/DRP-RS- dienst competentiemeting (adm. doss., stuk 5).”. Deze dienst is bevoegd voor alle aspecten omtrent het meten en opstellen van de vereiste competenties van kandidaten voor functies binnen de geïntegreerde politie. De opleiding voorzien in artikel IV.6quinquies UBPol maakt deel uit van de interne opleiding die CSP K.L. heeft genoten bij haar aanwerving op die dienst. Bovendien mag men ervan uitgaan dat een gespecialiseerd lid tewerkgesteld op die dienst bekwaam is om over te gaan tot het meten van competenties tijdens een selectiegesprek. De selectiecommissie werd derhalve wel degelijk rechtsgeldig samengesteld. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in haar uiteenzetting. Zij verwijst verder “naar hetgeen zij uiteengezet heeft in haar eerste middel voor wat betreft de bevoegdheid van het diensthoofd van de dienst rekrutering en selectie”. Zij vat te dezen haar standpunt als volgt samen. HCP F.M. heeft in zijn hoedanigheid van diensthoofd a.i. de lijsten (mee)ondertekend voor wat betreft de personeelsleden die kunnen zetelen in de selectiecommissie. Stuk 2 van het administratief dossier, zijnde de lijst van de vertegenwoordigers van de Federale politie voor de deliberatie- en selectiecommissies werd ondertekend door HCP F.M. en door HCP P.P., directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie. Deze laatste heeft deze lijst ondertekend niet omdat er op dat ogenblik geen directeur van de directie van het Personeel was aangesteld (HCP A.G. vervulde deze functie ad interim in afwachting van een definitieve aanwijzing) maar wel omdat hij als directeur-generaal van de algemene XIV-37.269-19/28 directie van het Middelenbeheer en de Informatie conform artikel IV.22, 3°, van het UBPol bevoegd is om de vertegenwoordigers aan te wijzen van de Federale politie die kunnen zetelen in de deliberatiecommissie. Gelet op het feit dat in dat document (stuk 2) zowel de leden van de Federale politie worden aangewezen die kunnen zetelen in de deliberatiecommissie (op aanwijzing van de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie als in de selectiecommissie (op aanwijzing van het diensthoofd van de dienst Rekrutering & Selectie), hebben zowel de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie als het diensthoofd a.i. van de dienst Rekrutering & Selectie deze lijst ondertekend. Zij voegt nog toe, wat het tweede middel betreft, dat de personeelsleden die door het diensthoofd van de dienst Rekrutering & Selectie worden aangewezen om te zetelen in de selectiecommissie (als enigen) toegang krijgen tot een platform in Sharepoint waar maandelijks de planning op verschijnt van de diverse selectiecommissies die in die maand gepland staan. Enkel de personeelsleden die worden aangewezen en dus op de lijsten staan, hebben toegang tot dit platform. De personeelsleden worden telkens automatisch per e-mail in kennis gesteld wanneer de agenda online beschikbaar is en ze zich dus kunnen inschrijven om te zetelen in die diverse selectiecommissies. Eenmaal de beschikbare plaatsen voor de selectiecommissies zijn ingevuld, wordt de agenda afgesloten en verschijnt deze onder de rubriek “mijn commissies”. De leden van de selectiecommissie krijgen tevens een bevestiging per e-mail dat zij op die specifieke datum in die specifieke selectiecommissie zullen zetelen. Deze e-mail gaat uit van de dienst Rekrutering & Selectie in opdracht van het diensthoofd ervan “en betreft dus impliciet de aanwijzing door het diensthoofd van de dienst rekrutering en selectie van deze leden om te zetelen in die specifieke selectiecommissie”. Beoordeling
  7. In dit middel voert verzoeker in essentie aan (1.) dat de verwerende partij niet aantoont dat de selectiecommissie is samengesteld overeenkomstig artikel IV.6ter, van het UBPol, (2.) dat niet blijkt dat de leden van XIV-37.269-20/28 de selectiecommissie werden aangesteld op basis van de lijst bedoeld in artikel IV.6quater, van het UBPol, en (3.) dat evenmin blijkt dat de leden van de selectiecommissie de door artikel IV.6quinquies, van het UBPol voorgeschreven opleiding hebben gevolgd waarvan het programma door de directie van de Rekrutering en de Selectie van de Federale politie is vastgesteld.
  8. Vooreerst moet ook wat het tweede middel betreft, worden vastgesteld dat in het middel niet wordt verduidelijkt waarom verzoeker meent dat de formele- en materiëlemotiveringsplicht, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  9. De te dezen relevante artikelen van het UBPol, bepalen wat volgt: “Art. IV.6bis. De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie plant de selectiecommissies en bepaalt de plaats waar en de data waarop zij zitting houden, in functie van, in voorkomend geval, de bepalingen van de beheerscontracten bedoeld in artikel IV.I.28 RPPol. Art. IV.6ter De selectiecommissie bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, RPPol, hierna de selectiecommissie genoemd, is samengesteld uit: 1° een gekwalificeerd personeelslid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, die het voorzitterschap waarneemt; 2° twee personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, waarvan er één tot de federale politie en één tot een korps van de lokale politie behoort; 3° een personeelslid van de directie van de opleiding van de federale politie of een personeelslid van een politiedienst tewerkgesteld in een politieschool die over bijzondere bekwaamheden beschikt in het raam van de basisopleiding. Om geldig te kunnen beslissen moeten ten minste drie leden waaronder de voorzitter en één van de leden bedoeld in het eerste lid, 2°, aanwezig zijn. De selectiecommissie beslist met gewone meerderheid van stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Art. IV.6quater. De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie stelt een lijst op van personeelsleden op basis waarvan de onderscheiden commissies bedoeld in artikel IV.6bis worden samengesteld. In elke commissie wijst hij de voorzitter aan en de leden die er zitting houden evenals hun plaatsvervangers. Elk lid ten aanzien van wie elementen voorhanden zijn die zijn respect voor de deontologie of zijn bekwaamheid om kandidaten te evalueren in twijfel trekken, wordt geschrapt van de lijst bedoeld in het eerste lid. In een dergelijk geval licht de XIV-37.269-21/28 directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie het betrokken lid van de commissie schriftelijk in van zijn gemotiveerde beslissing. Art. IV.6quinquies. Alvorens als lid van een selectiecommissie te kunnen worden aangewezen, moet het personeelslid een opleiding hebben gevolgd waarvan het programma wordt vastgesteld door de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.” Artikel IV.15, eerste lid, 4°, van het RPPol waarnaar het aangehaalde artikel IV.6ter van het UBPol verwijst, betreft het selectiegesprek met de selectiecommissie die “de competenties [meet] die door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie in het selectiereglement worden aangewezen uit een door de minister vastgestelde lijst”. Het selectiegesprek met verzoeker vond plaats zoals uit de feitelijke uiteenzetting is gebleken, op 5 september 2016, dit is (ruim) na de inwerkingtreding van de nieuwe organisatiestructuur op 1 oktober
  10. Te dezen blijkt uit stuk 12 van het administratief dossier dat de selectiecommissie waarmee verzoeker op 5 september 2016 het selectiegesprek heeft gehad, was samengesteld uit K.L., voorzitster, L.L, vertegenwoordiger van de lokale politie, en J.VD., vertegenwoordiger van de Federale politie. Uit het administratief dossier blijkt dat het door deze drie personen ondertekende stuk 12 (waarop hun naam voluit is opgenomen zodat zij kunnen worden geïdentificeerd), de lijst bevat van de op 5 september 2016 opgeroepen kandidaten, waaronder verzoeker die derhalve door hen is gehoord. In die omstandigheden leidt het gegeven dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord deze leden slechts aan de hand van hun initialen benoemt, niet tot een schending van het recht van verdediging. Aangezien artikel IV.6ter, tweede lid, van het UBPol bepaalt dat de selectiecommissie geldig kan beslissen als tenminste drie leden, waaronder de voorzitter en één van de leden bedoeld in het eerste lid, 2°, aanwezig zijn, kon de selectiecommissie, gesteld dat de samenstelling ervan rechtsgeldig zou zijn gebeurd waarvan te dezen het bewijs evenwel niet voorligt (zie infra), geldig XIV-37.269-22/28 beslissen vermits de voorzitster en de twee leden bedoeld in artikel IV.6ter, eerste lid, 2°, aanwezig waren. Verzoeker ontbeert in die omstandigheden het vereiste belang bij het pas in zijn memorie van wederantwoord aangevoerd argument dat niet duidelijk is wie het vierde aangesteld lid van de selectiecommissie is en of dit lid werd aangesteld.
  11. In zoverre verzoeker aanvoert dat niet wordt aangetoond dat het aangehaalde artikel IV.6quater, van het UBPol werd gerespecteerd bij de samenstelling van de selectiecommissie, is, zoals in het eerste middel, opnieuw het probleem aan de orde dat er sinds 1 oktober 2014 geen “directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie” meer is, aangezien deze directie sindsdien niet meer bestaat. Krachtens artikel IV.6quater, van het UBPol is het (1.) de “directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie” die een lijst opstelt van personeelsleden op basis waarvan de onderscheiden commissies bedoeld in artikel IV.6bis worden samengesteld (art. IV.6quater, eerste lid) en (2.) is het “hij [die] [in elke commissie] de voorzitter aan[wijst] en de leden die er zitting houden evenals hun plaatsvervangers” (art. IV.6quater, tweede lid). Om dezelfde redenen als bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken (punt 14), dient, bij gebrek aan een expliciete aanpassing van artikel IV.6quater, van het UBPol, deze bepaling zo te worden begrepen dat de directeur van de (nieuwe) directie van het Personeel (en niet het diensthoofd van de (niet-reglementair verankerde) dienst Rekrutering & Selectie de beslissingen bedoeld in artikel IV.6quater, van het UBPol moet nemen. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de verwerende partij in haar laatste memorie (p. 3) te kennen geeft dat de directeur van de directie van het Personeel (die eerst nog vanaf 1 oktober 2014 a.i. werd waargenomen door HCP A.G.) inmiddels definitief werd aangewezen “in februari XIV-37.269-23/28 2016”. Vanaf februari 2016 - dit is vooraleer de selectiecommssie het selectiegesprek op 5 september 2016 met verzoeker heeft gevoerd -, wordt die directie (die ook bevoegd is voor recrutering en selectie) waargenomen door adviseur I.C. Nochtans blijkt de tussenkomst van deze directeur van het Personeel bij de samenstelling van de selectiecommissie op geen enkele wijze.
  12. Concreet, wat het lid van de selectiecommissie betreft dat tot de lokale politie moet behoren, legt de verwerende partij als stuk 3 van het administratief dossier een namens de Vaste Commissie van de Lokale Politie goedgekeurde lijst van de bijzitters in de selectie- en deliberatiecommissie neer waarop L.L. wordt vermeld. Wat het lid van de selectiecommissie betreft dat tot de Federale politie moet behoren, blijkt uit stuk 2 van het administratief dossier dat J.VD. is opgenomen op de lijst van de “Vertegenwoordigers van de Federale politie voor de deliberatie- en selectiecommissie” (onder meer voor het “intern middenkader”). Die lijst is evenwel op 14 oktober 2015 (mede)ondertekend door HCP F.M. in zijn hoedanigheid van diensthoofd a.i. van de dienst Recrutering & Selectie en door P.P. in zijn hoedanigheid van directeur-generaal van de algemene directie voor het Middelenbeheer en de Informatie’ waaronder de directie van het Personeel ressorteert, wat het vermoeden voedt dat er op dat tijdstip nog geen directeur van de directie van het Personeel was aangesteld. Die functie werd evenwel (alvast vanaf april 2015) a.i. waargenomen door HCP A.G. en vanaf februari 2016 werd adviseur I.C. definitief in die functie aangesteld (cfr. laatste memorie van de verwerende partij, p. 3). Uit geen enkel stuk blijkt de tussenkomst van deze directeur van het Personeel hoewel, zoals hiervoor is gebleken, moet worden aangenomen dat het deze directeur is die in elke commissie de voorzitter en de leden ervan, alsook hun plaatsvervangers moet aanwijzen. Wat tot slot de voorzitster van de selectiecommissie betreft, wordt K.L. vermeld op de lijst van “Voorzitters van de deliberatie- en selectiecommissie” (stuk 1 van het administratief dossier). Die lijst is op XIV-37.269-24/28 14 oktober 2015 ondertekend door HCP F.M., diensthoofd a.i. van de dienst Recrutering & Selectie doch ook hier blijkt uit geen enkel stuk dat de (inmiddels definitief aangewezen) directeur van de directie van het Personeel hierin is tussengekomen. Naast deze onduidelijkheden en onvolkomenheden - en zelfs nog los van de vraag wie de bevoegde instantie is die in de plaats is gekomen van de “directeur van de directie van de rekrutering en de selectie van de federale politie” - moet hoedanook worden vastgesteld dat de verwerende partij geen enkel stuk bijbrengt waaruit in het bijzonder blijkt dat de hierboven vermelde voorzitster (K.L.) en leden (L.L. en J.VD.) van de selectiecommissie nominatim werden aangeduid om te zetelen in die welbepaalde selectiecommissie die op 5 september 2016 het selectiegesprek met verzoeker heeft gevoerd. Weliswaar beschrijft de verwerende partij in haar laatste memorie (cfr. punt 17) de elektronische procedure die daarbij in de praktijk wordt gevolgd en waaruit zou moeten blijken dat de leden van de selectiecommissie een bevestiging per e-mail krijgen “dat zij op die specifieke datum in die specifieke selectiecommissie zullen zetelen” doch dergelijke e-mails brengt ze niet bij wat de selectiecommissie betreft waarmee verzoeker op 5 september 2016 zijn selectiegesprek heeft gevoerd. Conclusie is dat verzoeker moet worden bijgevallen dat de verwerende partij niet aantoont, minstens niet met de daartoe vereiste rechtszekerheid, dat de selectiecommissie werd samengesteld conform artikel IV.6quater; tweede lid, van het UBPol.
  13. In zoverre verzoeker nog aanvoert dat niet blijkt dat de leden van de betrokken selectiecommissie de door artikel IV.6quinquies, van het UBPol voorgeschreven opleiding waarvan het programma door de directie voor de Rekrutering en de Selectie van de Federale politie is vastgesteld, hebben gevolgd, stelt de Raad van State vast dat uit het administratief dossier (stuk 4 - lijst ‘opleidingen commissieleden’) blijkt dat L.L. en J.V. een opleiding hebben gevolgd op 6 november 2006 respectievelijk op 4 december
  14. Wat die XIV-37.269-25/28 opleiding betreft, voegt de verwerende partij een beknopt overzicht van het programma van die opleiding (“opleiding SS-leden BK”). Niet blijkt dat het programma van de opleiding (daterend van 2006) werd vastgesteld door de “directie van het personeel van de rekrutering en van de selectie van de federale politie” zoals artikel IV.6quinquies, vereist. Verzoeker wijst er daarbij ook op dat artikel IV.6quinquies UBPol slechts werd ingevoegd bij het ministerieel besluit van 30 april 2010, terwijl hier verwezen wordt naar opleidingen die in 2006 hebben plaatsgevonden zodat niet aangetoond wordt dat deze opleidingen voldoen aan de voorwaarden van artikel IV.6quinquies UBPol. Het valt inderdaad niet meteen in te zien hoe het programma van die opleiding zou kunnen voldoen aan een programma dat op dat tijdstip nog niet vastgesteld was vermits het nog niet (reglementair) voorzien was. Hoe dan ook, enige beslissing waarbij het programma van de opleiding werd vastgesteld door een daartoe bevoegde overheid ligt niet voor, zodat verzoeker moet worden bijgevallen dat de verwerende partij niet aantoont dat de leden de door artikel IV.6quinquies UBPol voorgeschreven opleiding hebben gevolgd. Wat, tot slot, de voorzitster betreft van de selectiecommissie waarmee verzoeker het selectiegesprek heeft gevoerd, argumenteert de verwerende partij dat de opleiding bedoeld in artikel IV.6quinquies, van het UBPol deel uitmaakt van de opleiding die zij bij haar aanwerving op DGR/DRP-RS-dienst competentiemeting heeft genoten, en dat zij als gespecialiseerd lid van die dienst bekwaam is om competenties te meten tijdens een selectiegesprek. De Raad van State stelt vast dat het standpunt van de verwerende partij steun vindt in artikel IV.6ter, eerste lid, 1°, van het UBPol krachtens hetwelk een gekwalificeerd personeelslid van “de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie” het voorzitterschap waarneemt. Uit stuk 5 van het administratief dossier blijkt dat K.L. als gespecialiseerd consulent-lid-psycholoog als personeelslid deel uitmaakt van de dienst Recrutering & Selectie (‘Competentiemeting’), zijnde een onderdeel van de directie van het Personeel en in die hoedanigheid moet worden geacht over de daartoe vereiste kwalificaties te beschikken. XIV-37.269-26/28
  15. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Anonimisering
  16. Verzoeker vraagt in zijn verzoekschrift de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
  17. De Raad van State vernietigt de beslissing van de federale politie van 19 oktober 2016 waarbij de deliberatiecommissie heeft vastgesteld dat verzoeker niet de nodige competenties bezit om te kunnen toetreden tot het middenkader van het operationeel personeel van de geïntegreerde politie.
  18. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  19. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-37.269-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.269-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.