← België

Arrest 246049 - Politie - 12/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.049 Rolnummer: A. 213156/V-1925 Zaak: Arrest 246049 - Politie - 12/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-19 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-21 21:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 246.049 van 12 november 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 246.049 van 12 november 2019 in de zaak A. 213.156/V-1925. In zake : Kris DAELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A Tussenkomende partijen : 1. Joseph ASCONE 2. Fabien OSAER 3. Eric BAIVIER 4. Luc MEUTER 5. Philippe GRUMIAU 6. Vincent GILLES 7. Philippe POTY 8. Philippe VANHORENBEKE 9. Eric ELOIR 10. Christian DELSINNE 11. Georg LEITENBERGER 12. Pascal LEONARD 13. Roland DOHLEN 14. Patrick VERHOEYEN 15. Jan STAES 16. Erwin RAVEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fabien Frérotte kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve boulevard Baudouin Ier 25 bij wie woonplaats wordt gekozen 17. Fabrice LESWAL 18. André FOULON V-1925-1/21 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoît Cambier kantoor houdend te 1180 Brussel Winston Churchilllaan 253 bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 juli 2014, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 23 april 2014 ‘houdende aanstelling in de graad van commissaris van politie van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, proportionaliteit – aanvulling’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Joseph Ascone, Fabien Osaer, Eric Baivier, Luc Meuter, Philippe Grumiau, Vincent Gilles, Philippe Poty, Philippe Vanhorenbeke, Eric Eloir, Christian Delsinne, Georg Leitenberger, Pascal Léonard, Roland Dohlen, Patrick Verhoeyen, Jan Staes, Erwin Raveel, Fabrice Leswal en André Foulon hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 10 december 2014. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partijen en verzoeker hebben een laatste memorie ingediend. V-1925-2/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker, adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Fabien Frérotte, die verschijnt voor de eerste tot en met zestiende tussenkomende partij en advocaat Rémi Quintin, die loco advocaat Benoît Cambier, verschijnt voor de zeventiende en achttiende tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker treedt op 27 juni 1983 in dienst bij de voormalige rijkswacht. Op 1 oktober 1986 wordt hij benoemd in de graad van opperwachtmeester (kader keuronderofficier). Vanaf 1987 is verzoeker tewerkgesteld binnen het Speciale Interventie Eskadron (SIE) van de toenmalige rijkswacht, thans de directie van de speciale eenheden (CGSU) binnen het commissariaat generaal van de federale politie, waar hij als keuronderofficier een leidinggevende functie uitoefent binnen de afdeling interventie (SIE/Interventie). In 1996 wordt verzoeker bevorderd tot de graad van 1ste opperwachtmeester en in datzelfde jaar slaagt hij in een opleiding “undercoveragent”, waarna hij wordt ingezet als undercoveragent. Verzoeker vraagt via interne mobiliteit zijn overplaatsing aan vanuit zijn eenheid SIE/Interventie naar het undercoverteam (UCT). Hij wordt uiteindelijk herplaatst naar het UCT met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999. V-1925-3/21 Naar aanleiding van de politiehervorming wordt voor de leden van het undercoverteam een regeling ad hoc uitgewerkt, waardoor ieder lid van het UCT dat aan de voorwaarden voldeed om gemuteerd te worden naar een Bewakings- en Opsporingsbrigade (BOB), gemuteerd zou worden naar een BOB- eenheid en in de hogere graad zou worden aangesteld. In functie van anciënniteit zullen de leden van het UCT uiteindelijk “herplaatst” worden naar de federale gerechtelijke politie (FGP). 4. Op grond van artikel XII.VII.23 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 ‘tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: RPPol) en artikel 25 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid, en 53, van de wet van 27 december 2000 ‘houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen’, worden 270 hoofdofficieren en keuronderofficieren aangesteld in de graad van commissaris. Het betreft een aanstelling in de graad, en geen benoeming in de graad. Luidens het genoemd artikel 25 is de voorwaarde wel dat deze personeelsleden op 30 december 2000 deel uitmaken van de bewakings- en opsporingsbrigades of van de dienst gerechtelijke politie bij het militair gerecht. 5. Op 1 april 2001 wordt verzoeker binnen de geïntegreerde politie benoemd in de graad van hoofdinspecteur. Begin april 2004 muteert verzoeker vanuit SIE/UCT naar de federale gerechtelijke politie te Brugge. In 2004/2005 slaagt hij in de cursus functionele gerechtelijke opleiding. 6. Op grond van artikel XII.VII.18 RPPol, zoals vervangen door de wet van 3 juli 2005 en vervolgens gewijzigd door de wet van 25 januari 2010, kunnen hoofdinspecteurs die de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis genieten, bevorderd worden tot de graad van commissaris van politie, indien zij geen evaluatie ‘onvoldoende’ hebben gekregen en voor zover de proportionaliteit V-1925-4/21 wordt nageleefd, en dit gespreid over een periode van zeven jaar van 2005 tot en met 2011. Deze bevorderingen worden gemeenzaam de “rode loper” genoemd. De leden van het UCT die tot het middenkader behoorden (opperwachtmeester, eerste opperwachtmeester en adjudant) kregen in het kader van de politiehervorming de graad van hoofdinspecteur toegekend en werden via de “rode loper” en de “oranje loper” aangesteld in de graad van commissaris. 7.1. De nadere regels met betrekking tot de aanvulling waarvan sprake in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol zijn vastgesteld in het koninklijk besluit van 3 juni 2007 ‘tot uitvoering van artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 3 juni 2007) dat uitwerking heeft vanaf 1 april 2005. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 luidt: “De in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol bedoelde aanvulling geschiedt door ambtshalve aanstellingen van de betrokken actuele personeelsleden die geen evaluatie ‘onvoldoende’ genieten, met volgende voorrang : 1° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel XII.VII.18 RPPol, met voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten; 2° de personeelsleden die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirantofficier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 3° de personeelsleden die houder zijn van het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht of van het brevet van de hogere aanvullende gerechtelijke opleiding of van het brevet van operationele misdrijfanalist; 4° de overige personeelsleden. Binnen elk van de in het eerste lid bedoelde categorieën geschieden de aanstellingen op basis van de kaderanciënniteit”. V-1925-5/21 De personeelsleden die in aanmerking komen voor de aanvulling worden gerangschikt volgens de voorrang die zij op basis van dit besluit genieten. De naam van verzoeker komt niet voor in de lijst die de volgorde van aanstelling vastlegt. 7.2. Verzoeker uit zijn bezwaren ter zake en wordt daarin gevolgd door de verwerende partij. Luidens een nota van 24 augustus 2009 meent de directeur-generaal van de algemene directie van Ondersteuning en het Beheer (DGS) dat verzoeker wel op de lijst dient te worden opgenomen. In deze nota wordt het volgende gesteld: “In het kader van uw vraag om opgenomen te worden op de lijst voor bijkomende aanstellingen ‘Oranje loper’ en naar aanleiding van de vergadering die dienaangaande heeft plaatsgehad op 10-06-2009 […], kan ik u meedelen dat de Directeur-generaal DGS […] van oordeel is dat u aan de voorwaarden voldoet om op de desbetreffende lijst opgenomen te worden, hierbij ondermeer rekening houdend met de door u aangehaalde argumenten. De diensten van DGS/DSP zullen dan ook het nodige doen om deze beslissing verder uit te voeren”. 8. Het koninklijk besluit van 1 maart 2009 wijzigt het koninklijk besluit van 3 juni 2007. De doorgevoerde wijziging heeft enkel betrekking op de derde categorie en strekt ertoe binnen die categorie een voorrangsregeling in te stellen voor de leden van de BOB, die vóór 30 december 2000 hun BOB-brevet behaalden. Dit koninklijk besluit van 1 maart 2009 is eerst door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 196.212 van 21 september 2009 en vervolgens vernietigd bij arrest nr. 213.046 van 9 mei 2011. 9. Na de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 1 maart 2009 vaardigt de verwerende partij op 2 november 2010 een nieuw koninklijk besluit uit waarbij, met uitwerking op 1 januari 2009, artikel 1, eerste lid, 3°, van het sub 7.1. geciteerde koninklijk besluit van 3 juni 2007, aangevuld wordt met een nieuw lid, luidend: V-1925-6/21 “de personeelsleden die vóór 30 december 2000 beschikten over het brevet van de aanvullende gerechtelijke opleiding dat toegang verleende tot de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht worden, onverminderd de toepassing van het eerste lid, in aanmerking genomen ten belope van de proportionele verhoging van het aantal personeelsleden van de voormalige rijkswacht met toepassing van artikel XII.VII.18, § 2/1, tweede lid, RPPol”. Het koninklijk besluit van 2 november 2010 wordt bij arrest nr. 224.019 van 21 juni 2013 vernietigd. 10. Na het koninklijk besluit van 2 november 2010 wordt bij nota van 10 januari 2011 van de Federale Politie, algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer - directie van de Mobiliteit en het Personeelsbeheer, nr. DGS/DSP/Bur3/2011/750, een nieuwe rangschikking bekendgemaakt. Verzoeker wordt daarin op de 263ste plaats gerangschikt. Hij beschikt over geen brevet dat hem toelaat ingedeeld te worden bij de derde categorie. Verzoeker betwist deze – volgens hem te lage – plaats in de rangschikking via de FGP Brugge. 11.1. De aanstellingen die daarop volgen zijn gerealiseerd met het ministerieel besluit van 5 mei 2011, dat werd gepubliceerd in het Bulletin van het Personeel van 9 mei 2011. Bij dit ministerieel besluit wordt verzoeker dan toch retroactief op datum van 1 april 2008 aangesteld in de graad van commissaris. 11.2. Bij tussenarrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 schorst de Raad van State op vordering van Luc Van Den Steen de tenuitvoerlegging van het laatstgenoemde ministerieel besluit. Dit besluit wordt naderhand vernietigd bij ’s Raads arrest nr. 238.089 van 4 mei 2017. 11.3. In het schorsingsarrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 wordt het volgende overwogen: “14. Daargelaten de vraag of [Luc Van Den Steen] terecht stelt dat hij, hoewel hij niet in het bezit is van een brevet als door het koninklijk besluit van 3 juni 2007 vereist om gerangschikt te worden in categorie 3, op dezelfde wijze behandeld had moeten worden als de hoofdinspecteurs die V-1925-7/21 deze brevetten wel bezitten, stelt de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging vast dat de verzoeker zijn situatie vergelijkt met die van twee collega’s:

  1. a)uit de rangschikking die de verwerende partij op 9 augustus 2007 opmaakte – stuk 1 administratief dossier – blijkt dat [V.B.], behorend tot de dienst ‘FGP Antwerpen-gespecialiseerde diensten’ op plaats 276 gerangschikt werd en dat hij over geen brevet beschikte; de verzoeker zelf, die evenmin over een brevet bleek te beschikken, werd op plaats 280 gerangschikt. De nieuwe rangschikking van 10 januari 2011, die de grondslag vormt voor het bestreden ministerieel besluit, geeft evenwel een geheel ander beeld: [V.B.] wordt op basis van het HAGO-brevet, behaald op 24 februari 2006, op plaats 56 gerangschikt – weliswaar met ‘prioriteit 4’ – waardoor hij in aanmerking komt voor een aanstelling op 1 april 2007; bij de verzoeker daarentegen wordt geen attest vermeld: hij boekt geen significante vooruitgang en wordt op plaats 265 gerangschikt. Daaruit blijkt dat met betrekking tot [V.B.] wel degelijk rekening gehouden is met een gelijkschakeling van zijn recherchebrevet aan het HAGO-brevet terwijl aan de verzoeker blijkbaar elke gelijkschakeling geweigerd wordt. Voor die onderscheiden behandeling vindt de Raad van State geen verklaring in het dossier.
  2. b)uit de rangschikking van 10 januari 2011 blijkt dat K. Daels, behorend tot de dienst ‘FGP Brugge -gespecialiseerde diensten’ op plaats 263 gerangschikt werd – er wordt ook geen prioriteit vermeld – en dat hij, evenmin als de verzoeker die twee plaatsen lager gerangschikt werd, over een brevet beschikt; in het bestreden benoemingsbesluit wordt hij evenwel ingedeeld bij de personeelsleden die op 1 april 2008 aangesteld worden en voegt hij zich aldus bij de kandidaten die in de rangschikking plaats 66 tot 84 innemen, zonder dat daarvoor enige verklaring voorhanden lijkt. Daargelaten de vaststelling dat die aanstelling -zelfs als vierde in de rij- merkwaardig is omdat de nota bij de rangschikking van 10 januari 2011 in haar punt 7 melding maakt van 19 aanstellingen die te verrichten zijn op 1 april 2008 en K. Daels nu bovenop deze 19 personen wordt aangesteld, kan uit het dossier niet opgemaakt worden waarom K. Daels een sprong maakte in de rangschikking en de verzoeker niet, hoewel hun administratieve situatie wat betreft het bezit van brevetten niet verschilde. Ook voor deze ongelijke behandeling geeft de verwerende partij dus geen verklaring. 15. De concrete aanwijzingen van een ongelijke behandeling die de verzoeker overlegt en die in de huidige stand van de procedure door de verwerende partij niet weerlegd worden, rechtvaardigen de conclusie dat de verwerende partij zich met het oog op de rangschikking van de kandidaten niet strikt gehouden heeft aan de regel vervat in het koninklijk besluit van 3 juni 2007 en dat zij de bestreden benoemingen heeft verricht met inachtneming van bepaalde gelijkstellingen die zij mogelijks ten onrechte aan de verzoeker geweigerd heeft. Het middel geput uit de schending van het gelijkheidsbeginsel is ernstig. 16. De omstandigheid dat de verwerende partij voor het opmaken van haar rangschikking met het oog op de verrichte aanstellingen, niet altijd strikt de hand lijkt gehouden te hebben aan de criteria bepaald in het V-1925-8/21 koninklijk besluit van 3 juni 2007, en de vaststelling dat zulks in het nadeel van de verzoeker gespeeld heeft, maakt de gehele volgorde die in de rangschikking aangehouden is en die door het bestreden besluit gevolgd is twijfelachtig. De vastgestelde onwettigheden tasten het gehele bestreden besluit aan.” 12. Na het schorsingsarrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 neemt de verwerende partij op 24 september 2012 een nieuw ministerieel besluit, dat het ministerieel besluit van 5 mei 2011 intrekt en een aantal personeelsleden – doch niet verzoeker – individueel aanstelt tot commissaris van politie. De door verzoeker tegen het ministerieel besluit van 24 september 2012 ingestelde vordering tot schorsing en het daartegen ingediende beroep tot nietigverklaring (zaak A. 207.108/V-1886) liepen respectievelijk uit op een verwerping en een vaststelling van afstand van het geding in ’s Raads arresten nr. 226.227 van 27 januari 2014 en nr. 229.515 van 10 december 2014. 13. Op 23 mei 2013 wordt het koninklijk besluit ‘betreffende de bijkomende aanstellingen in de graad van commissaris van politie van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie’ uitgevaardigd. Artikel 1 van dit koninklijk besluit luidt als volgt: “Art. 1. De in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol, bedoelde actuele personeelsleden, die nog niet zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie op 31 december 2011 en geen laatste evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” hebben, worden, naar rata van het aantal benoemingen van de in artikel XII.VII.18, § 3, RPPol, bedoelde personeelsleden, van rechtswege in die graad aangesteld op 1 april 2012”. De door Luc Van Den Steen tegen het koninklijk besluit van 23 mei 2013 ingestelde vordering tot schorsing en het daartegen ingediende beroep tot nietigverklaring worden verworpen bij respectievelijk ’s Raads arresten nr. 227.158 van 23 april 2014 en nr. 238.384 van 1 juni 2017. V-1925-9/21 14. Op 23 april 2014 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit. Dit besluit trekt tevens het sub 11.1 vernoemde ministerieel besluit van 5 mei 2011 en het sub 12 vernoemde ministerieel besluit van 24 september 2012 in. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 15.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel, van het legaliteitsbeginsel, van artikel 12.7.18 RPPol en van het koninklijk besluit van 3 juni 2007. Tegen het laatstgenoemde besluit voert verzoeker de exceptie van onwettigheid met toepassing van artikel 159 van de Grondwet aan. 15.2. In het eerste onderdeel van het eerste middel wijst verzoeker erop dat op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot de derde voorrangscategorie de personeelsleden behoren die houder zijn van het BOB-brevet, het brevet van de hogere aanvullende gerechtelijke opleiding (hierna: het HAGO-brevet) of het brevet van operationele misdrijfanalist (hierna: het OMA-brevet). Verzoeker stelt evenwel vast dat niet nader genoemde brevetten hiermee worden gelijkgesteld, waarin niet uitdrukkelijk is voorzien in het koninklijk besluit van 3 juni 2007. Zo blijkt uit de kandidatenlijst dat P. (nr. 254) en M. (nr. 255), laatstgenoemde gepensioneerd sedert 1 oktober 2012, op deze lijst vermeld staan met het brevet ‘Equivalence’, zonder vermelding van de datum waarop dit brevet behaald zou zijn. Verzoeker stelt vast dat P. door het bestreden besluit wordt aangesteld in de graad van commissaris van politie, hetgeen aldus impliceert dat dit onbekende brevet ‘Equivalence’, waarvan laatstgenoemde houder is, wordt gelijkgeschakeld met de in artikel 1 van het V-1925-10/21 koninklijk besluit van 3 juni 2007 bedoelde BOB-, HAGO- en OMA-brevetten. Verzoeker meent dan ook dat de verwerende partij aldus willekeurig handelt en daardoor het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel schendt. Verzoeker benadrukt dat – zoals hij reeds aanvoerde in de zaak A. 207.108/V-1886 – het door hem behaalde brevet dient te worden gelijkgeschakeld. 15.3. In een tweede onderdeel van het eerste middel stelt verzoeker dat V.B. (nr. 57 op de kandidatenlijst) werd aangesteld tot commissaris op 1 april 2007, waarbij als brevet wordt vermeld ‘HAGO-brevet’ behaald op 24 februari 2006, terwijl dit brevet volgens hem nooit op die datum behaald geweest kan zijn, aangezien de laatste opleiding georganiseerd werd door de Nationale Rechercheschool in het jaar 2001. Vermits V.B. aldus onmogelijk kan beschikken over het HAGO-brevet, maar toch op grond van de vermelding ‘HAGO-brevet’ werd aangesteld, is er volgens verzoeker derhalve door de verwerende partij een gelijkstelling gebeurd, die echter niet op een wettelijke basis is geschied. Dat er een gelijkstelling is geweest, kan volgens verzoeker niet betwijfeld worden, vermits V.B. in de lijst van 30 november 2007 op de 273e plaats wordt vermeld, zonder vermelding van enig brevet. Het is voor verzoeker dan ook onbegrijpelijk dat V.B. van plaats nr. 273 plots opschuift naar plaats nr. 57 en hierdoor uiteraard veel vroeger wordt aangesteld tot commissaris van politie. Volgens verzoeker kan V.B. hoogstens titularis zijn van het nieuwe recherchebrevet (FGO). Hetzelfde geldt volgens verzoeker voor hoofdinspecteur V.G., voormalig Eerste Opperwachtmeester bij de rijkswacht, die op de lijst bij de nota van 10 januari 2011 gerangschikt wordt op plaats nr. 54 als zijnde titularis van het HAGO-brevet dat hij op 30 november 2001 (dus na 1 april 2001) behaald zou hebben. Ook hier merkt verzoeker op dat hoofdinspecteur V.G. onmogelijk titularis kan zijn van het HAGO-brevet, omdat de betrokkene niet in de voorwaarden verkeerde om het HAGO-brevet te behalen. Uit het gegeven dat zowel hoofdinspecteur V.B. als hoofdinspecteur V.G. op basis van een erratum van het ministerieel besluit van 31 augustus 2009 ondertussen retroactief werden aangesteld in de graad van V-1925-11/21 commissaris op 1 april 2007, valt volgens verzoeker onmiskenbaar af te leiden dat de verwerende partij het nieuwe FGO-brevet gelijkstelt met het HAGO-brevet voorzien in het koninklijk besluit van 2 november 2010. Verzoeker wijst erop dat het voormalige BOB-brevet in de nieuwe politiestructuur vervangen werd door de verschillende onderdelen van de functionele gerechtelijke opleiding (FGO). Aangezien hij de functionele gerechtelijke opleiding volgde, behaalde hij het recherchebrevet en moet hij geacht worden te voldoen aan de ter zake vooropgestelde voorwaarden en te beschikken over het vereiste brevet zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 3 juni 2007, minstens over een gelijkwaardig brevet, standpunt dat ook gedeeld wordt door de verwerende partij, zoals blijkt uit een advies van DGS van 9 september 2008 verstrekt aan hoofdinspecteur S. Verzoeker meent dat hij voorrang dient te krijgen en meer bepaald bij de derde categorie moet worden ingedeeld. Uit wat voorafgaat, blijkt volgens verzoeker dat de vereisten, opgenomen in het koninklijk besluit van 3 juni 2007 met betrekking tot het bezitten van het BOB- of het HAGO-brevet enkel geïnterpreteerd kan en mag worden in die zin dat ook zij die geacht worden het recherchebrevet te bezitten, voldoen aan de voorwaarden om voorrang te genieten bij hun aanstelling, temeer nu de overheid in soortgelijke gevallen (V.B. en V.G.) het (nieuwe) recherchebrevet wel degelijk gelijkstelt met het in voormeld koninklijk besluit bedoelde HAGO-brevet. Gelet op zijn kaderanciënniteit en rekening houdend met het feit dat hij geacht moet worden over het vereiste brevet te beschikken, meent verzoeker dat hij diende te worden gerangschikt op de 72e plaats. Met het ministerieel besluit van 5 mei 2011 werd verzoeker retroactief aangesteld. In een nota van 24 augustus 2009 volgde en bevestigde de verwerende partij uitdrukkelijk zijn redenering dat een gelijkstelling in casu aangewezen is in het belang van het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Het is voor verzoeker dan ook onbegrijpelijk dat hij thans niet meer wordt aangesteld en hij betwist met klem dat zijn aanstelling bij het inmiddels vernietigde ministerieel besluit van 5 mei 2011 een materiële vergissing zou zijn geweest. Na arrest nr. 218.061 van V-1925-12/21 16 februari 2012 van de Raad van State, waarbij de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 5 mei 2011 werd geschorst omdat de Raad prima facie een schending van het gelijkheidsbeginsel erkende, mocht verzoeker rechtmatig vertrouwen op de erkenning van zijn rechten en dienvolgens op een batige rangschikking. 15.4. Het derde onderdeel van het eerste middel viseert 37 personeelsleden die vóór verzoeker gerangschikt zijn op de ranglijst van personen die in aanmerking komen voor de aanstelling tot commissaris van politie. Volgens het middelonderdeel voldeden deze 37 personeelsleden op 1 april 2001 niet aan de wettelijke voorwaarden om op de ranglijst opgenomen te worden. Vóór die datum behoorden deze 37 personen immers niet tot het middenkader van de voormalige rijkswacht. Zij behoorden tot het basiskader (wachtmeester of eerste wachtmeester) en waren derhalve geen officier, maar enkel agent van de gerechtelijke politie. 15.5. In een vierde onderdeel van het eerste middel betoogt verzoeker dat de omstandigheid dat hij geen vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen het koninklijk besluit van 3 juni 2007, hem niet de mogelijkheid ontneemt om thans de onwettigheid ervan in te roepen op grond van artikel 159 van de Grondwet. Op basis van de voormelde uiteengezette onderdelen van het middel blijkt volgens verzoeker dat de verwerende partij diverse brevetten heeft gelijkgeschakeld met het BOB-brevet, het HAGO-brevet en het OMA-brevet, terwijl deze gelijkschakeling geen steun vindt in één of andere normatieve bepaling. 16.1. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker – wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft – naar opperwachtmeester D., die – net zoals hij – op het ogenblik van de politiehervorming tot het UCT behoorde en die op 1 september 2009 werd aangesteld tot commissaris, terwijl hij sinds een tiental jaren geen deel meer uitmaakte van de BOB en dus niet meer beschikte over een geldig BOB-brevet. V-1925-13/21 16.2. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord vast dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uitdrukkelijk erkent dat V.B. niet beschikt over het vereiste BOB-brevet. Verzoeker stelt dat hij dezelfde rechtmatige verwachtingen als V.B. had. Destijds heeft ook hij gevraagd om de cursus aanvullende gerechtelijke opleiding (BOB-cursus) te volgen, hetgeen hem geweigerd werd. Zo ook V.G. over een HAGO-brevet beschikt, heeft hij dit volgens verzoeker eveneens op een onrechtmatige wijze verkregen omdat hij absoluut niet voldeed aan de voorwaarden om hieraan te mogen deelnemen. 16.3. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel dat hij niet betwist dat de 37 geviseerde personeelsleden op 1 april 2001 werden ingeschaald als aspirant- hoofdinspecteur. Maar – zo benadrukt verzoeker – aspirant-hoofdinspecteur is een graad die pas ontstaan is binnen de nieuwe geïntegreerde politie. De functie van aspirant-hoofdinspecteur heeft nooit bestaan bij de voormalige rijkswacht. Beoordeling 17. In de mate waarin verzoeker zich beroept op ’s Raads arrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel hierna (sub 28). 18. Verzoeker beschikt niet over een brevet dat wordt vermeld in de derde voorrangscategorie (sub 7.1). Verzoeker meent evenwel dat hij op grond van zijn brevet van officier van gerechtelijke politie moet worden ingedeeld bij die derde categorie en zodoende toch voorrang dient te krijgen. Hij meent bovendien dat bepaalde personeelsleden die ten tijde van de politiehervorming nog tot het basiskader van de voormalige rijkswacht behoorden, eveneens ten onrechte vóór hem aangesteld worden in de graad van commissaris van politie. 19. Ook al beschikt verzoeker over een recherchebrevet, toch moet worden vastgesteld dat geen enkele normatieve bepaling dit recherchebrevet V-1925-14/21 gelijkschakelt met een BOB-brevet, een HAGO-brevet of een OMA-brevet – brevetten die vereist zijn om voorrang te genieten op basis van het koninklijk besluit van 3 juni 2007. Bovendien is het niet omdat de functionele gerechtelijke opleiding de “vervanger” zou zijn van de vroegere BOB-opleiding, dat het FGO- brevet zonder meer gelijkgesteld kan worden met het BOB-brevet. De verwerende partij argumenteert dan ook terecht dat uit een vrijstelling voor de functionele opleiding gerechtelijke politie niet kan worden afgeleid dat verzoeker geacht wordt houder te zijn van een BOB-brevet, een HAGO-brevet of een OMA-brevet. 20. In de mate dat verzoeker zich erover beklaagt dat op arbitraire wijze bepaalde brevetten wel en andere brevetten, gelijkschakelingen of vrijstellingen niet in aanmerking worden genomen om de voorrang te bepalen, lijkt hij kritiek uit te oefenen op het koninklijk besluit van 3 juni 2007, waarin die voorrangsregeling werd opgenomen. Verzoeker zet evenwel niet uiteen op welke wijze de keuze voor die welbepaalde brevetten onzorgvuldig zou zijn of het gelijkheidsbeginsel zou schenden. 21. Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat uit de behandeling van andere personeelsleden een schending van de aangevoerde regels zou blijken. 22. Wat meer bepaald M. betreft moet worden vastgesteld dat dit personeelslid ingevolge zijn pensionering niet werd aangesteld in de graad van commissaris van politie middels het bestreden besluit, zodat verzoeker hoe dan ook niet benadeeld wordt door een eventuele – ten onrechte – gelijkschakeling van diens brevet(ten). Wat de situatie van P. betreft, heeft de verwerende partij er in haar memorie van antwoord op gewezen dat dit personeelslid op grond van zijn kaderanciënniteit alleszins vóór verzoeker moet worden gerangschikt, zodat hij door diens aanstelling hoe dan ook niet wordt benadeeld. V-1925-15/21 Verzoeker heeft geen belang bij de met betrekking tot M. en P. aangevoerde grieven. Daargelaten de ontvankelijkheid van de pas in de memorie van wederantwoord aangehaalde grief over personeelslid D., moet worden vastgesteld dat verzoeker niet concreet aannemelijk maakt dat hij zich in vergelijkbare omstandigheden als dit personeelslid zou bevinden. 23.1. Wat de situatie van V.B. betreft, blijkt uit het bestreden besluit en het administratief dossier dat de verwerende partij een rechtvaardiging voor het onderscheid in behandeling van dit personeelslid ten aanzien van verzoeker geeft. Ter zake vermeldt een in het administratief dossier opgenomen nota: “[...] 5 Situatie [V.B.] [V.B.] behoort tot het contingent van 300 brigaderijkswachters die op het ogenblik van de hervorming in de gerechtelijke pijler werden opgenomen. Hij slaagde in de kennistest BOB doch werd pas in de allerlaatste fase weerhouden voor de GDA Asse. Hierdoor is hij de overgangscursus AGO eind 2000 mislopen. Alle andere collega’s van dit overgangscontingent hebben die uiteraard wel gevolgd en worden derhalve op de lijst weerhouden als brevethouder. Hij werd in de GDA Asse niet toegelaten tot de eerstvolgende cursus HAGO en hij heeft zich daardoor ingeschreven voor de eerstvolgende functionele opleiding ‘Gerechtelijke politie voor het basiskader, het middenkader en het officierskader van de federale en de lokale politie.’ Hij vormt dus als enige van zijn lichting de uitzondering op de regel door feiten onafhankelijk van zijn wil. Rekening houdend met zijn staat van dienst, zijn inzet en het feit dat hij al twee jaar effectief een team leidt in de sectie terro (wat niet gezegd kan worden van alle andere brevethouders) stel ik voor hem vooralsnog als brevethouder te weerhouden. [...]” De verwerende partij licht toe dat de aanstelling van V.B. ingegeven is door de bekommernis tegemoet te komen aan een “dubbele fout/tekortkoming” van de overheid, meer bepaald heeft V.B. door een fout van de overheid de BOB-opleiding niet kunnen volgen en werd zijn inschrijving voor de hogere aanvullende gerechtelijke opleiding vervolgens geweigerd. In zijn memorie van wederantwoord maakt verzoeker met zijn loutere verwijzing naar de V-1925-16/21 post factum-erkenning van zijn periode bij de BOB Dendermonde niet aannemelijk dat de overheid ten zijne opzichte een vergelijkbare “dubbele fout/tekortkoming” zou hebben begaan. De verwerende partij toont aldus genoegzaam aan dat de aanstelling van V.B. niet steunt op een algemene gelijkschakeling van bepaalde brevetten, doch wel op specifieke omstandigheden van de zaak, die zich niet blijken te hebben voorgedaan in hoofde van verzoeker. Minstens toont verzoeker niet aan dat hij zich bevindt in dezelfde omstandigheden als V.B., of dat diens uitzonderlijke gelijkschakeling niet afdoende werd gemotiveerd dan wel de aangevoerde rechtsregels anderszins zou schenden. 23.2. Wat de situatie van V.G. betreft, blijkt uit het administratief dossier dat dit personeelslid wel degelijk in het bezit is van het HAGO-brevet. Derhalve is de voorrang die V.G. geniet, gerechtvaardigd op grond van de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 opgenomen regeling. Er is wat dat betreft dus – in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift beweert – geen sprake van enige gelijkschakeling van brevetten. De niet- gestaafde bewering in verzoekers memorie van wederantwoord dat V.G. “niet in de voorwaarden verkeerde om het HAGO-brevet te behalen”, toont geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 23.3. Uit de nota van 24 augustus 2009 (sub 7.2) kan enkel worden afgeleid dat verzoeker een plaats verdiende op de lijst, doch niet dat hij een plaats moest krijgen bij die personeelsleden die bij voorrang dienden te worden aangesteld. Verzoeker kan derhalve ook uit die nota geen rechtmatig vertrouwen putten dat hij bij een voorrangsgroep zou worden ingedeeld. 24.1. Het uitgangspunt van het derde onderdeel van het eerste middel is dat de geviseerde 37 personeelsleden vóór 1 april 2001 agent van de gerechtelijke politie waren en dus niet beschouwd konden worden als officier. V-1925-17/21 24.2. Het blijkt dat voor elk van de geviseerde 37 personeelsleden geldt dat zij vóór 1 april 2001 gestart waren met hun deelname aan de sociale promotie voor bevordering tot de graad van opperwachtmeester, met andere woorden voor de bevordering door overgang naar het officierenkorps van de voormalige rijkswacht. In haar laatste memorie zet de verwerende partij uiteen dat er in het statutaire overgangsrecht van deel XII RPPol er steeds voor gekozen is om de personeelsleden die op 1 april 2001 het voorwerp waren van een lopende opleidings- en bevorderingsprocedure op voet van gelijkheid te behandelen met de reeds in de hogere graad benoemde personeelsleden. Zij voegt er aan toe dat artikel IV.II.47 RPPol het principe huldigt dat de hoedanigheid van aspirant wordt verleend zodra de betrokkene tot de opleiding wordt toegelaten. De verwerende partij besluit dat zij de geviseerde 37 personeelsleden op de ranglijst moest opnemen omdat personeelsleden reeds vanaf de aanvang van hun opleiding geacht worden te behoren tot de graad waartoe zij opgeleid worden. 24.3. Deze verantwoording komt er op neer dat van de geviseerde 37 personeelsleden wel degelijk diende te worden aangenomen dat zij behoorden tot het officierenkorps van de voormalige rijkswacht. Noch in enig procedurestuk, noch ter terechtzitting bekritiseert de verzoeker deze verantwoording. Het blijkt niet dat die verantwoording ontoereikend of anderszins onwettig zou zijn. 24.4. In hun laatste memories verzoeken de tussenkomende partijen om, in de hypothese dat de Raad van State zou oordelen dat de laatstgenoemde verantwoording onwettig is, prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Daar deze hypothese zich niet voordoet is dit verzoek zonder voorwerp. 24.5. Het derde onderdeel van het eerste middel, dat steunt op een uitgangspunt waarvan de juistheid niet blijkt, wordt verworpen. 25. Tot slot acht verzoeker het evident dat het koninklijk besluit van 3 juni 2007 aangetast is door onwettigheid, blijkbaar omdat hij uitgaat van de V-1925-18/21 gegrondheid van zijn – hiervóór verworpen – kritiek. In het licht van die verwerping toont verzoeker niet aan dat het laatstgenoemde koninklijk besluit onwettig zou zijn en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing zou moeten worden gelaten. 26. Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 27. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van het gezag van het gewijsde van ’s Raads arrest nr. 218.061 van 16 februari 2012, nu de verwerende partij met het thans bestreden besluit niet tegemoetkomt aan de bezwaren zoals deze door hem werden geformuleerd tegen het ministerieel besluit van 5 mei 2011 en door de Raad van State werden aangenomen. Beoordeling 28. Op vordering van Luc Van Den Steen heeft ’s Raads arrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 de tenuitvoerlegging geschorst van het ministeriële besluit van 5 mei 2011 omdat het middel waarin de schending van het gelijkheidsbeginsel werd aangevoerd ernstig voorkwam, gelet op de afwezigheid van een verantwoording voor de meer batige rangschikking van twee collega’s van Luc Van Den Steen, te weten verzoeker en V.B. Het thans bestreden besluit van 23 april 2014 trekt het ministeriële besluit van 5 mei 2011 in. Verder wordt verzoeker, die in het besluit van 5 mei 2011 werd aangesteld op datum van 1 april 2008, in het bestreden besluit niet langer vermeld. De verwerende partij licht toe dat de eerdere aanstelling van verzoeker V-1925-19/21 een materiële vergissing betrof die zij bij deze heeft rechtgezet. Verzoeker neemt derhalve zijn oorspronkelijke plaats

(263)weer in. Voor de situatie van V.B. geeft de verwerende partij – zoals vermeld – thans een rechtvaardiging voor het onderscheid in behandeling ten aanzien van verzoeker. Sub 23.1 is reeds vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat hij zich bevindt in dezelfde omstandigheden als V.B., of dat diens uitzonderlijke gelijkschakeling niet afdoende werd gemotiveerd dan wel de aangevoerde rechtsregels anderszins zou schenden. Aldus blijkt de aanleiding voor de Raad van State om in het schorsingsarrest nr. 218.061 te besluiten dat de verwerende partij zich inzake de rangschikking niet strikt zou hebben gehouden aan de regel vervat in het koninklijk besluit van 3 juni 2007 en bepaalde gelijkstellingen zou hebben gehanteerd die mogelijk ten onrechte aan Luc Van Den Steen werden geweigerd, verdwenen en blijkt de verwerende partij rekening te hebben gehouden met de specifieke motieven van de Raad van State die tot dit schorsingsarrest hebben geleid. Verzoeker kan zich niet beroepen op een rechtmatige verwachting dat hij ingevolge schorsingsarrest nr. 218.061 van 16 februari 2012 hoe dan ook een meer batige rangschikking moest krijgen. De conclusie is dat de verwerende partij met het bestreden besluit – waarin verzoeker niet wordt aangesteld – het gezag van gewijsde van schorsingsarrest nr. 218.061 niet heeft geschonden.
  1. Het tweede middel wordt verworpen. V. Conclusie
  2. De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. V-1925-20/21 BESLISSING
  3. De Raad van State verwerpt het beroep.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van hun tussenkomsten, voor elk begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend negentien, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren. V-1925-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.