id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.052 Rolnummer: A. 216360/V-1949 Zaak: Arrest 246052 - Politie - 12/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-19 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-21 21:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 246.052 van 12 november 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 246.052 van 12 november 2019 in de zaak A. 216.360/V-
- In zake : Luc VAN DEN STEEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A Tussenkomende partijen :
- Pauline LEBON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Benoît Cambier en Alexandre Paternostre kantoor houdend te 1180 Brussel Winston Churchilllaan 253 bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Pascaline LAMBERT
- Frank NELIS advocaat Fabien Frérotte kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve boulevard Baudouin Ier 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Nick NOËL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te 1930 Zaventem Leuvensesteenweg 510 bus 32 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- V-1949-1/9 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van: a. het ministerieel besluit van 28 januari 2015 ‘houdende benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie’ (eerste bestreden besluit), b. het ministerieel besluit van 28 april 2015 ‘houdende benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie’ (tweede bestreden besluit) en c. het ministerieel besluit van 6 mei 2015 ‘betreffende de benoeming in de graad van commissaris van politie bij de federale politie’ (derde bestreden besluit). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Pauline Lebon, Pascaline Lambert, Frank Nelis en Nick Noël hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 15 oktober
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. V-1949-2/9 Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Rémi Quintin, die loco advocaat Benoît Cambier verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, advocaat Fabien Frérotte, die verschijnt voor de tweede en derde tussenkomende partij en advocaat Gauthier Baudts, die loco advocaat Carine Flamend verschijnt voor de vierde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Er wordt verwezen naar de feitenuiteenzetting in arrest nr. 246.048 van 12 november 2019 (zaak A. 213.127/V-1926), waarin de Raad van State het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 23 april 2014 ‘houdende aanstelling in de graad van commissaris van politie van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, proportionaliteit – aanvulling’ (hierna: het ministerieel besluit van 23 april 2014) verwerpt. Er wordt voorts verwezen naar de feitenuiteenzetting in arrest nr. 246.050 van 12 november 2019 (zaak A. 215.759/V-1945), waarin de Raad van State het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 6 januari 2015 ‘houdende benoeming in de graad van aanstelling van bepaalde personeelsleden van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie’ verwerpt. V-1949-3/9
- De artikelen XII.VII.16quinquies en XII.VII.19bis van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 ‘tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ (hierna: RPPol) voorzien in een benoemingsmogelijkheid voor de aangestelde commissarissen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de personeelsleden die houder zijn van een brevet van de Bewakings- en Opsporingsbrigade (hierna: BOB-brevet) en de personeelsleden die geen houder zijn van dit brevet. Voor de eerste categorie bepaalt artikel XII.VII.19bis RPPol dat de personeelsleden die houder zijn van het BOB-brevet, die minstens gedurende vijf jaar zijn aangesteld in de graad van commissaris en die geen laatste evaluatie hebben met als eindvermelding ‘onvoldoende’ in aanmerking kunnen komen voor een benoeming in die graad mits zij een bijkomende bijzondere opleiding hebben gevolgd. Voor de personeelsleden die geen houder zijn van een BOB- brevet bepaalt artikel XII.VII.16quinquies, § 2, RPPol dat de personeelsleden die in aanmerking komen voor de aanvulling bedoeld in artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol en die reeds gedurende zeven jaar zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, op hun vraag in die graad kunnen worden benoemd. Deze personeelsleden kunnen derhalve op hun verzoek na zeven jaar aanstelling en ten vroegste op 1 januari 2015 worden benoemd. Zij dienen geen bijkomende opleiding te volgen. 5.
- Bij ministerieel besluit van 28 januari 2015 wordt een aantal in de graad van commissaris aangestelde personeelsleden, waaronder de derde tussenkomende partij, benoemd in de graad van aanstelling op 1 januari 2015 omdat zij op grond van artikel XII.VII.16quinquies, § 2, RPPol voldoen aan de voorwaarden voor een benoeming in de graad van commissaris van politie. Dit is het eerste bestreden besluit. V-1949-4/9 5.
- Bij ministerieel besluit van 28 april 2015 wordt één personeelslid benoemd in de graad van aanstelling op 1 januari 2015 omdat hij op grond van artikel XII.VII.16quinquies, § 2, RPPol voldoet aan de voorwaarden voor een benoeming in de graad van commissaris van politie. Dit is het tweede bestreden besluit. 5.
- Bij ministerieel besluit van 6 mei 2015 worden negentien personeelsleden die geslaagd zijn in de basisopleiding officier en die aangewezen werden voor een ambt bij de federale politie op grond van artikel 37 van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiekdiensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002) op datum van 1 oktober 2014 benoemd in de graad van commissaris van politie bij de federale politie. Dit is het derde bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid Exceptie van de verwerende partij 6.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord – daarin bijgevallen door de tussenkomende partijen – als exceptie op dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is omdat een vernietiging verzoeker geen enkel voordeel kan opleveren. 6.
- Wat het eerste bestreden besluit en het tweede bestreden besluit betreft verduidelijkt de verwerende partij dat verzoeker een benoeming in de graad van commissaris tracht te verkrijgen, terwijl het bestreden ministerieel besluit de loutere uitvoering van de artikelen XII.VII.16quinquies en XII.VII.19bis RPPol is. Elke nieuwe uitvoering van de voormelde artikelen zal V-1949-5/9 volgens de verwerende partij noodzakelijkerwijze dezelfde wettelijke en reglementaire voorwaarden dienen te respecteren. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker, die geen houder is van het BOB-brevet, niet voldoet aan de voorwaarden van artikel XII.VII.16quinquies RPPol, nu hij niet gedurende minstens zeven jaar is aangesteld in de graad van commissaris. De verwerende partij wijst erop dat verzoeker namelijk op grond van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 niet batig gerangschikt was om op grond van artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, RPPol te kunnen worden aangesteld in de graad van commissaris. De verwerende partij is dan ook van mening dat de vernietiging van het bestreden besluit niet tot gevolg kan hebben dat verzoeker plots wel batig gerangschikt staat en dienvolgens wel in aanmerking zal komen voor een aanstelling, laat staan voor een benoeming in de graad van commissaris. 6.
- Wat het derde bestreden besluit betreft verduidelijkt de verwerende partij dat het personeelsleden benoemt die geslaagd zijn voor de basisopleiding ‘officier’ en dienvolgens in aanmerking komen voor een bevordering door overgang naar een hoger kader. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker niet heeft deelgenomen aan deze basisopleiding en aldus niet in aanmerking komt voor een bevordering op grond van artikel 37 van de wet van 26 april
- Het op basis van dit laatstgenoemde artikel genomen derde bestreden besluit staat volledig los van de zogenaamde “rode loper”-procedure, die slechts een overgangsregeling betreft.
- Verzoeker brengt hier in zijn memorie van wederantwoord tegen in dat hij het ministerieel besluit van 23 april 2014 heeft bestreden met een annulatieberoep. Nu de aanstellingen op grond van het ministerieel besluit van 23 april 2014 een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de betrokken personeelsleden om bij het thans bestreden besluit te kunnen worden benoemd en dit besluit aldus een loutere gevolgbeslissing is van voormeld ministerieel besluit van 23 april 2014, zullen bij een gebeurlijke vernietiging van het ministerieel V-1949-6/9 besluit van 23 april 2014 ook de thans bestreden besluiten uit de rechtsorde dienen te worden verwijderd. Beoordeling
- Zoals vermeld is het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 23 april 2014 verworpen bij arrest nr. 246.048 van 12 november 2019 (zaak A. 213.127/V-1926). 9.
- Terecht wordt in het auditoraatsverslag vastgesteld dat het eerste en het tweede bestreden benoemingsbesluit betrekking hebben op personeelsleden waarvan de aanstelling voor definitief moet worden gehouden, daar er geen annulatieberoep bij de Raad van State tegen werd ingesteld. De regelmatigheid van definitief geworden individuele beslissingen kan niet meer worden betwist, ook niet bij wijze van een exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet. Deze aanstellingen hebben voor de betrokkenen het recht doen ontstaan om volgens de “rode loper”-procedure tot commissaris van politie bevorderd te worden. Met het eerste en het tweede bestreden benoemingsbesluit oefent de verwerende partij aldus een gebonden bevoegdheid uit om de betrokkenen in die graad te benoemen. Zoals de verwerende partij opmerkt zou een vernietiging van het eerste en het tweede bestreden benoemingsbesluit verzoeker geen enkel voordeel bijbrengen. 9.
- Even terecht wordt in het auditoraatsverslag vastgesteld dat het derde bestreden besluit werd genomen met toepassing van artikel 37 van de wet van 26 april 2002 en volledig los staat van de “rode loper”-procedure. De vernietiging van het derde bestreden besluit kan dan ook geen enkel voordeel opleveren voor verzoeker, die een betere rangschikking tracht te bekomen in het kader van “de rode loper”-procedure.
- De aangevoerde excepties zijn gegrond. V-1949-7/9 V. Kosten van de tussenkomsten
- Een tussenkomst mag in beginsel geen meerkosten voor de andere partijen meebrengen. Nu te dezen geen bijzondere redenen blijken die kunnen verantwoorden dat van dit principe wordt afgeweken, dienen de tussenkomende partijen zelf het recht verbonden aan het indienen van hun verzoekschrift te dragen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van hun tussenkomsten, voor elk begroot op 150 euro. V-1949-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november 2019, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-1949-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.052 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div