← België

Arrest 246066 - Overheidsopdrachten - 12/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.066 Rolnummer: A. 229363/XII-8816 Zaak: Arrest 246066 - Overheidsopdrachten - 12/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-13 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 22:21 Fiche Arrest nr 246.066 van 12 november 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 246.066 van 12 november 2019 in de zaak A. 229.363/XII-8816 In zake: de NV MPRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 tegen: de UNIVERSITEIT HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen, Stefanie Stappers en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV COS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Van Melkebeke kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Einestraat 22 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 17 oktober 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de XII-8816-1/17 beslissing van onbekende datum van [de Universiteit Hasselt] om de opdracht Renovatie auditorium H6 - Opdracht 3: auditorium meubilair „aan een andere inschrijver‟ m.n. [de nv COS] te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 28 oktober 2019 heeft de nv Cos gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2019, om 10 uur. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carlos De Wolf, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Wouter Moonen en Stefanie Stappers, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Peter Van Melkebeke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.l. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit, namelijk “UHasselt – Campus Diepenbeek Renovatie auditorium H6”. De opdracht is opgesplitst in drie percelen waarvan perceel 3, “Auditorium Meubilair”, die hier in het geding is, wordt geraamd op 159.000 euro, btw inbegrepen. XII-8816-2/17 De plaatsingswijze is de openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
  4. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 1 april 2019 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 2 april
  5. 3.
  6. In het toepasselijk bestek – Deel AB Technische Bepalingen – wordt onder meer inzake het auditoriummeubilair het volgende bepaald: “57.9 auditoriummeubilair algemeenheden De aannemer dient vóór aanvang der werken duidelijke constructie- tekeningen ter goedkeuring voor te stellen. De ontwerper en de bouwheer behouden zich het recht wijzigingen te laten aanbrengen aan standaard detailleringen voorgesteld door de aannemer en dit omwille van esthetische, constructieve, hygiënische of onderhouds- technische redenen en dit zonder prijsaanpassingen. Alle kleuren worden door de ontwerper vrij gekozen uit het volledige standaardgamma aan effen kleuren van de fabrikant, steeds zonder prijsaanpassing. De voeding van de stopcontacten is voorzien in opdracht 2 : elektriciteit. Het leveren, plaatsen en aansluiten van de stopcontacten is voorzien in onderhavige opdracht. materiaal: - Rugleuning en zitje uit multiplex met onder meer volgende kenmerken: * kwaliteit A * zichtbare zijde glas, vrij van knoesten en vrij van visuele fouten groter dan 15 mm; * afwerking zijdeglanslak op basis van urethaan-alkydharsen in dezelfde kleur als de stoffering; - Stoffering van rugleunen in zitje uit brandwerend polyester, versterkt met een laag koudschuim van 5 mm; - Schrijftabletten uit gestratificeerde multiplex met onder meer volgende kenmerken: * karakteristieken van de multiplex: • Watervast verlijmd (WBP weer- en kookvast); • Geschikt voor toepassing in vochtige ruimtes cfr. NRN EN 636-2; • Op basis van Meranti; • Onder druk met waterbestendige contactlijm bekleed op alle zichtbare vlakken met gestratificeerde platen. * karakteristieken van de gestraficeerde platen: • Kernmateriaal: met fenolharsen geïmpregneerde cellulosebanen, onder verhoogde temperatuur en druk tot homogene platen geperst; XII-8816-3/17 • Toplaag: met melaminehars geïmpregneerde cellulosebanen, eveneens tot homogene platen geperst en samengevoegd met kernmateriaal; • Volledig vlak, effen en mat; • Krasbestendigheid groter of gelijk aan 6N volgens DIN 53799; • Kleurechtheid : 7, norm DIN 53388/9; • Thermische uitzetting maximaal 34 x10-6/K • Stootvast - rechthoekige buisprofielen met afgedichte bovenzijde, vervaardigd uit gepoedercoat staal in RAL-kleur naar keuze van de bouwheer en de ontwerper. - tweevoudige contactdozen 16 A – 250 V voor verticale plaatsing van het type tweepolig met penaarding, uitgerust met veiligheidsinrichting en voorzien van schroefaansluiting met vlottende moer, bedienbaar aan de voorkant van het apparaat, met bijhorende afdekplaatjes in 2 verschillende kleuren naar keuze van de bouwheer en de ontwerper. toepassing: Leveren en plaatsen van vast auditoriummeubilair: - auditoriumstoelen type „middenrij‟, samengesteld uit: * een op-en neerklapbaar zitje; * een rugleuning; * een naar voren wegkantelend schrijftablet achter de rugleuning; * metalen steunen, waarvan één steun per 2 stoelen wordt voorzien van sparingsopeningen voor inbouwdozen voor een dubbel stopcontact. - auditoriumstoelen type „laatste rij‟ samengesteld uit: * een op-en neerklapbaar zitje; * een rugleuning; - auditoriumstoelen type „eerste rij‟, samengesteld uit : * een op- en neerklapbare zitje; * een rugleuning; * een armsteun aan de rechterzijde, uit gepoedercoat staal en aan de bovenzijde afgewerkt met gelakte multiplex cfr. de rugleuning en het zitje; * een zijwaarts wegkantelend schrijftabletje; * metalen steunen, waarvan één steun per 2 stoelen wordt voorzien van sparingsopeningen voor inbouwdozen voor een dubbel stopcontact. - vrijstaande schrijftafels type „eerste rij‟, samengesteld uit : * metalen steunen met naar voren wegkantelend schrijftablet, waarbij in voorkomend geval één steun per 2 stoelen wordt voorzien van sparingsopeningen voor inbouwdozen voor een dubbel stopcontact; * een decoratieve afwerkwand uit gelakte multiplex om het mechanisme van de schrijftafel te verbergen. - vrijstaande schrijftafels type „mindervaliden‟, cfr. type „eerste rij‟ maar met breedte 60 cm en vrije hoogte onder het tablet 75 cm. uitvoering : De metalen steunen dienen aangepast aan de variabele hoogte van de treden en worden voorzien van een voetplaat voor bevestiging op de gradins. XII-8816-4/17 De rug-op-rug afstand bedraagt ca. 80 cm, de vrije doorgang bij ingeklapte zit en weggeborgen schrijftafel bedraagt maximum 40 cm tussen de rijen. De hart-op-hart breedte van de zetels bedraagt ca. 55 cm. Elke eerste en laatste stoel wordt voorzien van een rijnummer, uitgefreesd in een volkunststofplaatje en gemonteerd tegen de zijkant van de metalen steun. voor te leggen documenten, modellen, e.a. : Vóór aanvang der werken dient de aannemer in voorkomend geval ten minste volgende gegevenster goedkeuring voor te leggen : - technische fiche van de verschillende materialen incl. kleurenkaart; - gedetailleerde uitvoeringstekeningen. meetwijze : meeteenheid : per stuk en per toepassing. meetcode : zonder onderscheid naar hoogte. met inbegrip van de rijnummering.” 3.
  7. Twee inschrijvers dienen een offerte in voor perceel 3 van de opdracht, namelijk de verzoekende partij en de tussenkomende partij. 3.
  8. Met een e-mailbericht van 17 mei 2019 wordt aan beide inschrijvers een prijsverantwoording gevraagd voor een aantal eenheidsprijzen in verband met het auditoriummeubilair. 3.
  9. Beide inschrijvers verstrekken een prijsverantwoording. 3.
  10. In het gunningsverslag van 4 juni 2019 wordt het prijsonderzoek als volgt toegelicht: XII-8816-5/17 Inzake de gunning wordt het volgende voorgesteld: XII-8816-6/17 3.
  11. Op 5 juni 2019 beslist de verwerende partij om perceel 3 van de opdracht te gunnen aan de nv Cos op grond van de volgende motivering. XII-8816-7/17 3.
  12. Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 2 oktober 2019 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van het gunningsverslag en de bijlagen ervan. IV. Tussenkomst
  13. De nv Cos blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  15. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van XII-8816-8/17 toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 69 van de richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 „betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG‟, van de artikelen 4 en artikel 81, § 1, juncto § 2, 1°, van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟, van de artikelen 36, § 2, en 76, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van “het beginsel van de materiële motivering in samenhang met artikel 4, 8° en artikel 5, 9°, van de wet van 17 juni 2013” „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ en van het zorgvuldigheidsbeginsel. XII-8816-9/17 De verzoekende partij vat haar middel als volgt samen: “Doordat, in toepassing van de wetgeving overheidsopdrachten, inschrijvingen die abnormaal hoge prijzen bevatten, als substantieel onregelmatig en, bijgevolg, nietig dienen te worden verworpen; Doordat, in de voorliggende plaatsingsprocedure, zijnde een openbare procedure met als enig gunningscriterium de prijs en met als voorwerp de uitvoering van werken waarbij een Europese en Belgische bekendmaking werd verricht, twee offertes werden ingediend, waarbij beide inschrijvingsprijzen gevoelig onder de ramingsprijs liggen en, bovendien, de inschrijvingsprijs van Belanghebbende Partij 31 % lager is dan de inschrijvingsprijs van Verzoekende Partij (EUR 61.710,00 tegenover EUR 89.397,00); Doordat, overeenkomstig artikel 36, § 2 van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017, zowel Verzoekende Partij als Belanghebbende Partij werd gevraagd om een prijsverantwoording betreffende een aantal posten van de samenvattende opmeting over te maken; Doordat, in tegenstelling tot Verzoekende Partij, Belanghebbende Partij haar prijsverantwoording heeft beperkt tot de opgave van een aankoopprijs, het toepassen van een vaste toeslag van 35 % om tot een verkoopprijs te komen, en een montagekost, zijnde een uurtarief x een aantal uren; Terwijl in de technische omschrijving betreffende de betrokken posten is aangegeven dat het omvatte auditoriummeubilair maatwerk vormt, waarbij uitvoeringstekeningen moeten worden voorgelegd voorafgaand aan de uitvoering, zodat de uitvoering van de betreffende posten naast een component „materialen‟ ook de arbeidsprestaties dient te omvatten; Terwijl, op het eerste zicht de prijsverantwoording van Belanghebbende Partij met deze noodzakelijke arbeidsprestaties geen rekening lijkt te houden; Zodat, binnen de haar toekomende beslissingsruimte, Verwerende Partij ten onrechte de prijsverantwoording van Belanghebbende Partij heeft aanvaard en de motieven die in het Gunningsverslag zijn opgenomen, in rechte niet van aard zijn om de abnormaliteit die hangt over de posten waarvoor een prijsverantwoording werd gevraagd, weg te nemen; Zodat minstens moet worden vastgesteld dat bij het beoordelen van de prijsverantwoording van Belanghebbende Partij, Verwerende Partij niet als een zorgvuldige aanbestedende overheid heeft gehandeld; Zodat de Bestreden Beslissing artikel 69 van Richtlijn 2014/24/EU, artikel 81, § 1 juncto § 2, 1° van de Wet van 17 juni 2016 schendt, evenals artikel 36, § 2 en artikel 76, § 1 van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017; tevens zijn de artikelen 4 van de Wet van 17 juni 2016 en 4, 8° en 5, 9° van de Wet van 17 juni 2013 geschonden, evenals, minstens in ondergeschikte orde, het zorgvuldigheidsbeginsel.” De verzoekende partij betoogt toelichtend in essentie dat de gekozen inschrijver zijn prijsverantwoording heeft beperkt tot de opgave van een XII-8816-10/17 aankoopprijs, het toepassen van een vaste toeslag van 35 % om tot een verkoopprijs te komen, en een montagekost, zijnde een uurtarief x een aantal uren; de gekozen inschrijver beperkt zich aldus tot “enkel algemeenheden” en steunt of detailleert zijn eenheidsprijzen geenszins op cijfermatige wijze. Zij voert voorts aan dat in de technische omschrijving van de betrokken posten is aangegeven dat het kwestieuze auditoriummeubilair eigenlijk maatwerk vormt waarbij uitvoeringstekeningen moeten worden voorgelegd voorafgaand aan de uitvoering; aldus dient de uitvoering naast een component “materialen” ook arbeidsprestaties te omvatten; het gaat immers niet om “louter standaardproducten”. Aangezien de prijsverantwoording van de gekozen inschrijver volgens de verzoekende partij hiermee geen rekening lijkt te houden, heeft de verwerende partij ten onrechte de prijsverantwoording aanvaard en zijn de motieven die in het gunningsverslag zijn opgenomen, in rechte niet van aard om de abnormaliteit die hangt over de posten waarvoor een prijsverantwoording werd gevraagd, weg te nemen. Minstens blijkt dat de verwerende partij bij het beoordelen van de prijsverantwoording niet als een zorgvuldige overheid heeft gehandeld.
  17. De verwerende partij merkt in de eerste plaats op dat het middel niet ontvankelijk is. Immers, volgens de verwerende partij hebben de beide inschrijvers een prijsverantwoording gegeven “met dezelfde parameters: de opdeling van de aangeboden prijs per stoel in materiaalkost, overheadkosten en kosten voor werkuren”. “Het enige merkbare verschil tussen de beide ingediende prijsverantwoordingen bestond er in dat tussenkomende partij de kost voor werkuren in globo weergaf, daar waar de verzoekende partij een kost voor productie en een kost voor plaatsingsarbeid per type stoel verdeelde”. Aangezien de beide inschrijvers dezelfde parameters hanteren en zij met dezelfde maatstaven zijn beoordeeld, “zijn de motieven waarom de prijsverantwoording wordt aanvaard voor beide inschrijvers gelijk”. Kritiek van de verzoekende partij op de motivering geldt dan ook voor de beide inschrijvers wat “impliceert dat de verzoekende partij in haar middel de onregelmatigheid van haar eigen inschrijving bepleit”. Voorts werpt de verwerende partij op dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is, namelijk in de mate dat het is gesteund op de schending van de Richtlijn 2014/24/EU. Deze richtlijn heeft immers geen rechtstreekse werking. XII-8816-11/17 Voorts is ze omgezet in het interne recht en laat de verzoekende partij na aan te geven dat deze omzetting onvolkomen zou zijn. Ten gronde betoogt de verwerende partij dat een aanbestedende overheid over een “aanzienlijke beslissingsruimte” beschikt om prijsverantwoordingen al dan niet te aanvaarden. Zij wijst erop dat in de prijsverantwoording van de tussenkomende partij de coëfficiënt van 35 % het verschil dekt tussen aan- en verkoop, en overhead en winst omvat en dat zij daarnaast een loonkost in aanmerking neemt. Aldus heeft de tussenkomende partij haar prijs verantwoord “door de totaalprijs te verduidelijken aan de hand van materiaalkost, werkuren en overhead met winst” net zoals de verzoekende partij heeft gedaan. In het bestek is volgens de verwerende partij overigens nergens een verwijzing naar maatwerk opgenomen. Ook merkt zij op dat het “verschil in toerekening van de loonkost op het gehele plaatsingsproject dan wel op de plaatsing van elk type stoel afzonderlijk tot de bedrijfseconomische insteek van de inschrijver behoort”. De verwerende partij wijst er voorts op dat de verzoekende partij in haar prijsverantwoording een percentage op de prijs voor “werk productie” opgeeft dat hetzelfde is voor welk type stoel ook; dit houdt volgens de verwerende partij in dat “in de prijsverantwoording verstrekt door de verzoekende partij niet meer aandacht [werd] besteed aan het vereiste „maatwerk‟”. “Het „maatwerk‟ komt bij beide inschrijvers afdoende tot uiting ingevolge de weergave van de gedifferentieerde kost per typestoel enerzijds en anderzijds door de weergave van de component arbeidstijd”. De verwerende partij besluit dat er geen substantieel verschil is in de prijsopbouw van beide partijen, dat het normdoel van artikel 36 koninklijk besluit plaatsing 2017 is bereikt en dat het essentiële prijsverschil geen verband houdt met arbeidskost maar met “een zeer hoge toeslag” die de verzoekende partij “hanteert voor het voorzien van stopcontacten”.
  18. De tussenkomende partij betwist dat haar prijsverantwoording, zoals de verzoekende partij beweert, enkel uit algemene overwegingen bestaat. Volgens de tussenkomende partij legt de verzoekende partij ten onrechte een verband tussen het op maat te fabriceren meubilair en de prijstoeslag van 35 % waarvan sprake in de verantwoording van de tussenkomende partij; zij merkt op dat “het vereiste maatwerk immers begrepen zit in de kostprijs van de onderscheiden stoeltypes”. XII-8816-12/17 Beoordeling 9.
  19. De aanbestedende overheid beschikt over een aanzienlijke beslissingsruimte om de in het kader van een onderzoek naar abnormale prijzen gegeven verantwoording al dan niet te aanvaarden. Het komt niet aan de Raad van State toe om een eigen beoordeling in de plaats van deze van het bestuur te stellen, doch enkel om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven in rechte ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking mogen worden genomen, wat onder meer vereist dat ze naar behoren zijn bewezen, en dat daarbij de appreciatie van het bestuur de perken van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten is gegaan. De betrokken motieven dienen ook te worden veruitwendigd teneinde een controle mogelijk te maken. Indien de aanbestedende overheid een facultatief prijsonderzoek heeft gevoerd en een prijsverantwoording heeft gevraagd, dient zij hierover inhoudelijk standpunt in te nemen alvorens de beslissing te nemen om de gekozen inschrijver de opdracht te gunnen. Op grond van de formelemotiveringsverplichting moet worden aangenomen dat in de gunningsbeslissing afdoende redenen worden opgegeven waarom een gekozen offerte na prijsonderzoek regelmatig wordt bevonden. 9.
  20. De verwerende partij heeft de prijzen van de beide inschrijvers schijnbaar abnormaal bevonden en hun een prijsverantwoording gevraagd. Luidens de bestreden beslissing was de eerste reden om een verantwoording te vragen dat de prijzen zeer laag waren in vergelijking met haar raming. Die was gegrond op eerdere analoge projecten op de campus waarbij werd vastgesteld dat standaardisering van de onderstellen van de stoelen problematisch was omwille van “zeer veel variatie in de maatvoering van de gradins”. De tweede reden was dat de beide offertes onderling vrij veel verschillen. 9.
  21. De tussenkomende partij heeft de volgende prijsverantwoording gegeven: XII-8816-13/17 In de bestreden beslissing die het gunningsverslag omzeggens onverkort overneemt, wordt deze verantwoording aanvaard met de volgende motivering: “COS nv handhaaft haar prijzen en geeft een overzicht weer van de aankoopprijs van de materialen, de kosten van de montage en de winst”. Tevens wordt vermeld: “Beide kandidaat-inschrijvers hebben een relatief gedetailleerde prijsverantwoording opgesteld en zijn beiden overtuigd een correcte offerte opgemaakt te hebben. Op het eerste zicht bevatten deze prijsverantwoordingen geen fouten”. 9.4.
  22. Op het eerste gezicht lijken de motieven opgenomen in de bestreden beslissing en het gunningsverslag niet van aard om de schijn van abnormaliteit die over de betrokken prijzen hangt, weg te nemen. 9.4.
  23. Het feit immers dat de betrokken inschrijver zijn prijzen handhaaft en er zelf van overtuigd is een correcte offerte te hebben opgemaakt, lijkt als dusdanig geen enkele concrete en objectieve verantwoording te bieden. Dat de prijsverantwoording “op het eerste zicht” geen fout bevat, lijkt evenmin dergelijke prijsverantwoording in te houden. De prijsverantwoording dient immers te kunnen worden betrokken op objectieve verklarende factoren, zoals bijvoorbeeld degene die worden opgesomd in artikel 36, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en daarvan blijkt geen sprake in het beslissingsproces. XII-8816-14/17 Om die reden alleen reeds lijkt de bestreden beslissing onwettig. 9.4.
  24. Voorts lijkt de verzoekende partij niet onterecht te betogen dat het te dezen wel degelijk gaat om een zeker maatwerk. Dit lijkt te mogen worden afgeleid uit de hiervoor, sub randnummer 3.3, geciteerde besteksbepalingen. Eén van de redenen voor het vragen van de prijsverantwoording, zoals blijkt uit de bestreden beslissing en het gunningsverslag, is volgens de verwerende partij overigens de problematische standaardisering van de onderstellen van de stoelen. Evenmin ontkent de tussenkomende partij dat het om maatwerk gaat. In de mate dat de verwerende partij in haar nota thans betoogt dat het voorwerp van de opdracht louter de levering van een bepaald vooropgesteld type stoel en de installatie daarvan ter plaatse betreft, kan zij, louter op grond van de stukken uit het administratief dossier, niet worden gevolgd. 9.4.
  25. In de mate dat de verwerende partij thans opmerkt dat er geen verschil is in de prijsopbouw van de beide inschrijvers, gaat zij eraan voorbij dat de verzoekende partij in haar prijsverantwoording, anders dan de tussenkomende partij, expliciet in een kostprijs voorziet voor “werk productie” naast “werk plaatsing” terwijl de tussenkomende partij slechts expliciet voorziet in een kost “Montage”. 9.4.
  26. Dat het essentiële prijsverschil tussen de offerte van de verzoekende partij en de offerte van de tussenkomende partij geenszins verband houdt met de arbeidsprestaties, zoals de verwerende partij in haar nota nog aanvoert, lijkt niet relevant wanneer niet blijkt dat de door de gekozen inschrijver aangeboden eenheidsprijzen een normale prijsopbouw vertonen, minstens dat niet blijkt dat dit op zorgvuldige wijze werd onderzocht. Bovendien lijkt het prijsverschil wel degelijk deels verband te houden met zekere arbeidsprestaties nu op het eerste gezicht blijkt dat enkel de door beide inschrijvers opgegeven kosten voor montage vergelijkbaar zijn, terwijl uitsluitend de verzoekende partij een afzonderlijke kostprijs voor “werk productie” blijkt te hebben opgegeven en terwijl de tussenkomende partij niet beweert dat het percentage ad 35 % betrekking heeft op de productie. XII-8816-15/17 Waar de tussenkomende partij nog opmerkt dat het vereiste maatwerk zou zijn inbegrepen in de kostprijs van de onderscheiden stoeltypes, dient te worden vastgesteld dat dit op het eerste gezicht niet blijkt uit de door haar verstrekte prijsverantwoording, waarin louter wordt verwezen naar een aankoopprijs vermeerderd met een toeslag van 35 %. De nadere toelichting van de tussenkomende partij ter terechtzitting inzake een bepaalde productiewijze bij de producent waar zij haar meubilair inkoopt, lijkt geen element te zijn geweest in het beslissingsproces en dit in het kader van artikel 36, § 2, koninklijk besluit plaatsing
  27. 9.4.
  28. Ten overvloede valt nog op dat de ontwerpers bij hun besluit in het gunningsverslag geen standpunt innemen aangaande het al dan niet aanvaardbaar karakter van de verstrekte prijsverantwoording. Geadviseerd wordt immers om de opdracht te gunnen aan de nv COS “[i]ndien de aanbestedende overheid de prijsverantwoording van COS nv aanvaardbaar vindt”. Desondanks worden in de bestreden gunningsbeslissing zelf louter de vaststellingen aangaande de prijsverantwoording in het gunningsverslag hernomen zonder enig nadere motivering. 9.4.
  29. Conclusie lijkt dan ook te mogen zijn dat de motieven opgenomen in de bestreden beslissing en het gunningsverslag niet van aard zijn om de schijn van abnormaliteit die over de betrokken prijzen hangt, weg te nemen. Tevens lijkt aangetoond dat de opgegeven prijsverantwoording in de gegeven omstandigheden door de verwerende partij niet mocht worden beschouwd als een afdoende, concreet onderbouwde prijsverantwoording. 9.
  30. Ten slotte snijdt de exceptie van gebrek aan belang bij het middel opgeworpen door de verwerende partij geen hout gelet op de overweging in randnummer 9.4.
  31. Voorts lijkt een eventuele onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij geen invloed te hebben op haar belang bij het middel, alleenlijk al omdat bij aanname van een dergelijke onregelmatigheid er geen enkele regelmatige offerte zou zijn, de verwerende partij in voorkomend geval de plaatsingsprocedure zou kunnen herbeginnen zodat de verzoekende partij een nieuwe kans krijgt om zich de opdracht te zien gunnen. XII-8816-16/17 VII. Besluit
  32. Het enig middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden toegewezen. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING
  33. Het verzoek van de nv Cos tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  34. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Universiteit Hasselt van 5 juni 2019 om de opdracht Renovatie auditorium H6 - Opdracht 3: auditoriummeubilair aan de nv COS te gunnen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Pierre Barra XII-8816-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.066 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.