← België

Arrest 246074 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.074 Rolnummer: A. 226584/VII-40419 Zaak: Arrest 246074 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-24 12:03 Fiche Arrest nr 246.074 van 14 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.074 van 14 november 2019 in de zaak A. 226.584/VII-40.419 In zake : de BVBA MBV ONTWIKKELING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1819/0105 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 25 september 2018 in de zaak 1617/RvVb/0661/A. VII-40.419-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Een beschikking van 27 november 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Peter De Smedt, die loco advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.419-2/11 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  5. Met een besluit van 16 maart 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning te verlenen aan de verzoekende partij “voor het bouwen van één handelsruimte, acht appartementen en een ondergrondse parkeergarage na afbraak van een hoekpand”.
  6. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
  7. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet) en artikel 149 van de Grondwet. Zij stelt dat zij in een eerste middelonderdeel heeft aangevoerd voor de RvVb “dat de deputatie in de bestreden weigeringsbeslissing verkeerdelijk de schending van artikel 55 [van de algemene stedenbouwkundige verordening van de stad Kortrijk (hierna: ASV Kortrijk]” heeft aangenomen “omdat de vergunningsaanvraag […] niet impliceert dat het openbaar domein (her)ingericht moet worden opdat het privédomein toegankelijk zou zijn voor mechanisch VII-40.419-3/11 verkeer vanaf de rijweg”. Zij argumenteert dat het bestreden arrest “in de beoordeling van het eerste middelonderdeel geheel ten onrechte abstractie [heeft] gemaakt van de bestaande situatie (d.i. het bestaande, verlaagde trottoir) en de uitvoerige argumentatie van verzoekende partij dienaangaande en gewaagd van een meningsverschil”. De RvVb “wijst […] het middelonderdeel af met de loutere stelling dat verzoekende partij een „andere mening‟ toegedaan is dan verwerende partij” terwijl “objectieve, verifieerbare feiten/feitelijkheden niet het voorwerp [kunnen] uitmaken van „meningen‟”. De RvVb kan “zijn controleverplichting [niet] afdoen als een „meningsverschil‟”. Het bestreden arrest gaat bovendien in “tegen de feiten” omdat “er geen noodzaak is aan een (her)inrichting van het openbaar domein teneinde toegang te nemen via de garagepoort tot het nieuwbouwproject”. Beoordeling
  8. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb van het eerste middelonderdeel van de verzoekende partij, is niet ontvankelijk.
  9. De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een VII-40.419-4/11 schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
  10. Het bestreden arrest overweegt: “
  11. Het staat buiten betwisting dat de stedenbouwkundige verordening van de stad Kortrijk van toepassing is op het voorwerp van de aanvraag. Artikel 55 van de ASV bepaalt: […] Artikel 2, §2 definieert een oprit als volgt: […]
  12. De aanvraag beoogt het oprichten van een meergezinswoning op een hoekperceel. Aan de kant van de Handelskaai staat op de rooilijn een garagepoort ingepland met een breedte van 8,10 m die toegang geeft tot de ondergrondse parking. Bestuurders die het gebouw wensen in te rijden zullen bijgevolg de strook tussen de rijweg en de poort moeten overrijden. Volgens artikel 55, §2 van de ASV mag de breedte van een oprit niet meer bedragen dan 3,5 m. Dat kan verhoogd worden tot ten hoogste 6 m als de garagepoort breder is dan 3,5 m of als het gaat om een gegroepeerde autostaanplaats van 6 tot 20 voertuigen. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij uitdrukkelijk dat zij het standpunt van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar niet volgt en overweegt dat de aanvraag afwijkt van artikel 55 van de ASV: „… Rekening houdend met hoger aangehaalde definitie van oprit moet worden vastgesteld, dat ook de strook tussen de rijweg en de poort als oprit moet worden aanzien. Zoals gewezen in het schorsingsarrest stelt de definitie duidelijk dat een oprit zowel de inrichting van het openbaar domein als het privédomein betreft om het privédomein toegankelijk te maken vanaf de rijweg, waar ook het geschikt maken van de strook tussen de rijweg en de voorbouwlijn, onder valt. (RVVb, 23 mei 2016, nr. RVVb/UDN/1516/1121, p.32) Onder geschikt maken van de strook tussen de rijweg en de voorbouwlijn moet worden begrepen : het verlagen van de boordsteen, de heraanleg van het trottoir en/of fietspad. Aangezien in casu ter hoogte van de Handelskaai tussen de rijweg en de voorbouwlijn een trottoir is gelegen, is het noodzakelijk dat ingevolge het voorgestelde project de trottoir dient te worden heraangelegd, of minstens dient de boordsteen te worden verlaagd teneinde de toegang tot de ondergrondse parking te kunnen verzekeren. Aangezien de poortopening aan de Handelskaai 8,10 m bedraagt, moet redelijkerwijs worden besloten dat de trottoir voor het gedeelte tussen de poort en de rijweg als oprit ook VII-40.419-5/11 deze afmeting van 8,10 m moet hebben. Bijgevolg moet worden besloten dat de voorliggende aanvraag niet in overeenstemming met de ASV voor wat betreft de breedte van de oprit kant Handelskaai, waar dus een maximale breedte geldt van 6 m. …‟ Uit die overwegingen blijkt dat de verwerende partij heeft onderzocht of er een oprit nodig is voor de aanvraag. De verwerende partij heeft daarbij uitdrukkelijk de definitie van de ASV gebruikt en overwogen dat er sprake is van een oprit. Dit omdat de aanvraag volgens haar tot gevolg heeft dat het voetpad opnieuw moet worden aangelegd, minstens dat de boordsteen verlaagd moet worden om toegang te krijgen tot de ondergrondse parking. De verwerende partij besluit vervolgens niet kennelijk onredelijk dat aangezien de poortopening aan de Handelskaai 8,10 m bedraagt men er van kan uitgaan dat het voetpad voor het gedeelte tussen de poort en de rijweg als oprit ook een breedte van 8,10 m moet hebben. Zoals de verwerende partij terecht overweegt omvat een oprit zowel de inrichting van het openbaar domein als het privédomein om het privédomein toegankelijk te maken vanaf de rijweg. Daaronder valt ook het geschikt maken van de strook tussen de rijweg en de voorbouwlijn. Louter stellen dat het voetpad niet verlaagd moet worden omdat er al een verlaagd voetpad aanwezig is, komt slechts neer op een andere mening dan die de verwerende partij voorstaat. Daarmee toont de verzoekende partij de onjuistheid dan wel de onwettigheid van de voorgaande overwegingen niet aan. Te meer nu zowel het college van burgemeester en schepenen van de stad Kortrijk, als de verzoekende partij in haar administratief beroepschrift zelf hebben aangegeven dat de aanvraag afwijkt van artikel 55 van de ASV”.
  13. Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd.
  14. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
  15. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.4.1, § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 32 van het DBRC-decreet en artikel 149 van de Grondwet. VII-40.419-6/11 Zij betoogt dat haar vergunningsaanvraag “geen afbreuk [doet] aan het opzet en de geest van artikel 55 ASV [Kortrijk]” en zulks erkend wordt in het bestreden arrest dat “evenwel ten onrechte [besluit] dat het niet kennelijk onredelijk was van [de deputatie] om te besluiten dat de afwijking in de vergunningsaanvraag op artikel 55 ASV [Kortrijk] niet vergunbaar was in toepassing van artikel 4.4.1, § 1 VCRO gelet op het opzet van artikel 55 ASV [Kortrijk]”. Zij stelt dat door haar nieuwbouwproject “geen enkele parkeerplaats op het openbaar domein verloren” gaat. Zij argumenteert dat er minstens sprake is van een “kennelijk motiveringsgebrek” in het bestreden arrest door het onbeantwoord laten van haar argumenten uit haar verzoekschrift met betrekking tot de bestaande feitelijke situatie die “ontegensprekelijk overtuigend zijn om te besluiten dat door het nieuwbouwproject […] geen enkele langsparkeerplaats verloren gaat én de vergunningsaanvraag […] aldus niet strijdt met de geest van artikel 55 ASV [Kortrijk]”. Beoordeling
  16. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de Raad van State noopt tot het overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb van de redelijkheid van de bestreden vergunningsbeslissing over de vergunbaarheid in toepassing van artikel 4.4.1, § 1, VCRO, is niet ontvankelijk.
  17. De rechterlijke motiveringsverplichting (randnummer 7) houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt. VII-40.419-7/11 Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  18. Het bestreden arrest overweegt: “
  19. De verzoekende partij bekritiseert ondergeschikt het weigeringsmotief in de bestreden beslissing dat de aanvraag niet vergunbaar is in toepassing van artikel 4.4.1, §1 VCRO. Artikel 4.4.1, §1 VCRO bepaalt: […] Op grond van die bepaling is de bevoegdheid van het vergunningverlenende bestuursorgaan om afwijkingen op stedenbouwkundige voorschriften (van een stedenbouwkundige verordening) toe te staan aan een dubbele beperking onderworpen. Artikel 4.4.1, §1 VCRO bepaalt dat de afwijkingen enkel betrekking mogen hebben op de perceelafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. Afwijkingen op de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen zijn niet mogelijk. Bovendien vereist artikel 4.4.1, §1 VCRO dat het om „beperkte‟ afwijkingen gaat, wat inhoudt dat er geen afwijkingen mogen worden toegestaan die afbreuk doen aan de essentiële gegevens van de stedenbouwkundige verordening (Parl.St., Vl.Parl. 2008-09, nr. 2011/1, 136). Daaruit volgt dat de verleende afwijkingen in overeenstemming met de algemene strekking van de toepasselijke stedenbouwkundige verordening moeten blijven. Artikel 4.4.1, §1 VCRO is een uitzonderingsbepaling en moet als dusdanig restrictief worden geïnterpreteerd. Bovendien moet de „beperkte afwijking‟ de toets aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening doorstaan.
  20. Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat onder meer betekent dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Daarenboven vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat het vergunningverlenend bestuur bij de feitenvinding slechts na een zorgvuldig onderzoek en met kennis van alle relevante gegevens een beslissing neemt. Om te voldoen aan de formele motiveringsplicht dient de verwerende partij de redenen op te geven waarop zij haar beslissing steunt, zodat het de belanghebbende mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen. De opgegeven motieven moeten afdoende zijn. De Raad kan zijn beoordeling niet in de plaats stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het aan hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid haar bevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is VII-40.419-8/11 uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  21. Zoals al gesteld mag de breedte van een oprit volgens artikel 55, §2 van de ASV niet meer bedragen dan 3,5 m. Dat kan verhoogd worden tot ten hoogste 6 m als de garagepoort breder is dan 3,5 m of als het gaat om een gegroepeerde autostaanplaats van 6 tot 20 voertuigen. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de aanvraag een garagepoort van 8,10 m breed omvat die wordt ingeplant op de rooilijn. Zoals ook al gesteld gaat de verwerende partij er in de bestreden beslissing niet op kennelijk onredelijke wijze van uit dat bijgevolg ook de strook tussen de poort en het openbaar domein als oprit eenzelfde breedte van 8,10 m moet hebben. In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij onder meer: „… Het opzet van artikel 55 ASV betreft in de eerste plaats het vrijwaren van een maximaal aantal autoparkeerplaatsen op het openbaar domein. In dat opzicht heeft voormeld artikel 55 §3 minutieus en limitatief bepaald wanneer mag worden afgeweken van de algemene regel, zoals voorzien in §2, met name dat de oprit ter hoogte van de rooilijn maximaal 3,5 m breed mag zijn. Samen genomen met het feit dat zoals hoger aangehaald het opzet van artikel 55 in de eerste plaats bestaat in het vrijwaren van een maximaal aantal autoparkeerplaatsen op het openbaar domein, kan een bijkomende afwijking op een afwijkingsregel (§3) niet meer als beperkt worden aanzien. Dit geldt des te meer aangezien men zich bevindt binnen een stedelijke context, waar precies elke meter om het langsparkeren aan de straatzijde mogelijk te maken, van belang kan zijn. Door van de afwijkingsregel zoals voorzien in §3 opnieuw af te wijken, wordt de stedenbouwkundige voorschrift oneigenlijk gewijzigd. Bijgevolg kan de afwijking van de maximale breedte van de oprit zoals voorzien in de ASV, niet als beperkt worden aanzien. …‟ Ook die overwegingen komen de Raad niet als kennelijk onredelijk of foutief over. Uit de bewoordingen van artikel 55 van de ASV volgt dat de maximale breedte van de oprit ter hoogte van de rooilijn een essentieel gegeven uitmaakt van de verordening. De bepaling veruitwendigt uitdrukkelijk de bedoeling van de verordenende overheid om bij het aanleggen van de toegang van en naar het openbaar domein en het aanleggen van opritten, het aantal autostaanplaatsen op het openbaar domein altijd maximaal te vrijwaren. De breedte van de oprit wordt daarom als „maximum‟ van 3,5 m vastgelegd. Zij het met enkele limitatieve uitzonderingen opgenomen in de bepaling zelf. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het aangevraagde project een garagepoort bevat van 8,1 m en er volgens de verwerende partij een even brede oprit aangelegd moet worden. Daarmee wijkt de aanvraag dus 4,6 m af van de maximale breedte van 3,5 m en is zij 2,1 m breder dan wat volgens de uitzonderingen in diezelfde bepaling maximaal is toegelaten. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing terecht dat artikel 55 van de ASV als doel heeft om het aantal parkeerplaatsen op het openbare domein maximaal te vrijwaren en de bepaling net daarom VII-40.419-9/11 gedetailleerd voorschrijft wat de mogelijke afwijkingen zijn. Zij kon ook op basis daarvan besluiten dat gelet op het opzet van de bepaling en de ligging in een stedelijke context een bijkomende afwijking op basis van artikel 4.4.1, §1 VCRO niet mogelijk is. Artikel 4.4.1, §1 VCRO houdt immers in dat verleende afwijkingen steeds in overeenstemming moeten blijven met de algemene strekking van de toepasselijke stedenbouwkundige verordening. Overigens merkt de Raad op dat de vergunningverlenende overheid niet verplicht is om afwijkingen op een stedenbouwkundig voorschrift toe te staan. De beoordeling hierover valt binnen haar discretionaire bevoegdheid. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij op dat punt een kennelijk onredelijke beoordeling heeft genomen”.
  22. Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd.
  23. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.419-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.419-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.