id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.075 Rolnummer: A. 227218/VII-40476 Zaak: Arrest 246075 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 12:03 Fiche Arrest nr 246.075 van 14 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.075 van 14 november 2019 in de zaak A. 227.218/VII-40.476 In zake :
- Ludovicus VERRYCKT
- Julienne VAN DEN BOSCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0363 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 4 december 2018 in de zaak 1617-RvVb-0839-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 7 februari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. VII-40.476-1/7 Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een besluit van 18 mei 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning te verlenen aan de verzoekende partijen “voor het regulariseren van een permanente stalling, schuilplaats voor vee en opslag van hooi en stro”.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.476-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. V. Onderzoek van de middelen Eerste en tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren in het eerste middel de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Zij argumenteren dat het bestreden arrest aanneemt dat “het fokken van dieren [als] een loutere vrijetijdsbesteding […] of recreatieve bezigheid VII-40.476-3/7 […] niet beschouwd kan worden als landbouw in de ruime zin waarvan sprake in” artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit en “daaraan toevoegt dat de vaststelling dat een constructie in functie staat van een hobbyactiviteit en daardoor niet toelaatbaar is in agrarisch gebied […] geen voorwaarde toevoegt aan” deze laatste bepaling. Zij stellen dat “het onderhouden en fokken van vee op grond van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit […] weldegelijk dient te worden beschouwd als veeteelt en dus als landbouw in de ruime zin”. Het bestreden arrest voegt aldus wel een voorwaarde toe aan artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit en schendt bijgevolg ook de overige aangehaalde bepalingen en beginselen.
- De verzoekende partijen voeren in het tweede middel de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, b) en § 2 VCRO, artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het motiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Zij lichten toe dat het bestreden arrest artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit miskent door aan te nemen “dat wanneer het aangevraagde in functie staat van een hobby en niet in functie van een agrarische bedrijvigheid dit volstaat om de weigering van de aanvraag te schragen”. Bijgevolg stelt de RvVb ten onrechte dat de overwegingen in de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie “die betrekking hebben op de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening overtollige overwegingen zijn en dat de kritiek op deze overwegingen niet kan leiden tot de nietigverklaring van dat besluit”. Beoordeling
- Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt het volgende: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten VII-40.476-4/7 minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. Voor de toepassing van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit moet de overheid die over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag op grond van deze bepaling beschikt, nagaan of het uit stedenbouwkundig oogpunt om een werkelijk landbouwbedrijf gaat.
- Het eerste middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partijen waarin zij hebben aangevoerd “dat het onderhouden en fokken van vee dient te worden beschouwd als veeteelt en dus als een agrarische activiteit en dat door te stellen dat er geen bewijs voorligt van een professionele activiteit er een voorwaarde wordt toegevoegd aan het [...] inrichtingsbesluit [...]”. Het bestreden arrest overweegt: “De overheid die op grond van de voormelde bepaling beschikt, dient na te gaan of het uit stedenbouwkundig oogpunt om een werkelijk landbouwbedrijf gaat, met andere woorden of, aan de hand van de ingediende bouwplannen of andere voorgelegde stukken in redelijkheid kan worden aangenomen dat het in de ontworpen bouwwerken onder te brengen bedrijf geen voorwendsel is om een gebouw op te trekken dat niet thuis hoort in een agrarisch gebied. Hoewel op de eerste plaats de aanvrager de constructie kwalificeert waarvoor hij de vergunning aanvraagt, komt het nadien de vergunningverlenende overheid toe uit te maken welk het werkelijke gebruik is waartoe de bouwwerken bestemd zijn en te onderzoeken, zowel in feite als in rechte, of de aanvraag planologisch toelaatbaar is.
- In het bestreden besluit wordt de aanvraag niet in overeenstemming geacht met de agrarische bestemming van het betrokken perceel. Deze beoordeling steunt op de overweging dat de zeer kleine omvang van de activiteiten erop wijzen dat het weiland en de loods/stal hobbymatig worden ingevuld. De verzoekende partijen betwisten deze vaststellingen ook niet. Indien het fokken van dieren een loutere vrijetijdsbesteding is of recreatieve bezigheid, kan het niet beschouwd worden als ‘landbouw in ruime zin’. De vaststelling dat een constructie in functie staat van een hobbyactiviteit VII-40.476-5/7 en daardoor niet toelaatbaar is in agrarisch gebied, voegt, anders dan de verzoekende partijen voorhouden, geen voorwaarde toe aan artikel 11, 4.1 van het Inrichtingsbesluit”.
- Het tweede middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het tweede middel van de verzoekende partijen waarin zij hebben aangevoerd “dat de beoordeling van de onverenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening enkel steunt op de zogenaamde planologische onverenigbaarheid van de aanvraag”. Het bestreden arrest overweegt: “De vaststelling in de bestreden beslissing dat het aangevraagde in functie staat van een hobby en derhalve niet in functie van een agrarische bedrijvigheid, volstaat om de bestreden beslissing te dragen. In het licht van dit weigeringsmotief zijn de overwegingen in de bestreden beslissing die betrekking hebben op de onverenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening overtollige overwegingen. Kritiek op overtollige motieven kan niet tot de nietigverklaring leiden van het bestreden besluit”.
- Door aldus te beslissen voegt het bestreden arrest geen voorwaarde toe aan het bepaalde in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit en schendt het bestreden arrest bijgevolg geen van de in beide middelen aangehaalde bepalingen.
- Beide middelen worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. VII-40.476-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.476-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div