← België

Arrest 246076 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.076 Rolnummer: A. 227386/VII-40487 Zaak: Arrest 246076 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-20 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 12:04 Fiche Arrest nr 246.076 van 14 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.076 van 14 november 2019 in de zaak A. 227.386/VII-40.487 In zake : de NV MIVARIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evert Vervaet en Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD MECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Christophe Smeyers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0453 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 18 december 2018 in de zaak 1617-RvVb-0592-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Een beschikking van 14 maart 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.487-1/7 Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter-Jan Van de Weyer, die loco advocaten Floris Sebreghts en Christophe Smeyers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een besluit van 24 februari 2017 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen (hierna: college) “een constructie op het perceel gelegen te 2800 Mechelen, Boterstraat 25+ […] als ‘vergund geacht’ in het vergunningenregister” op te nemen.
  6. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de registratiebeslissing van het college. VII-40.487-2/7 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij
  7. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 5.1.3, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij betoogt dat het vermoeden van vergunning in artikel 5.1.3, § 2, eerste lid, VCRO “zich ook uit[strekt] tot de functiewijzigingen doorgevoerd vóór 9 september 1984, zijnde de datum van het invoeren, met retroactieve werking van een vergunningsplicht voor de ‘gebruikswijzigingen’ op grond van artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening […] Dit betekent dat het vermoeden van vergunning uit artikel 4.2.14, § 2 VCRO voor wat betreft functiewijzigingen in tijd moet worden uitgebreid tot en met 8 september 1984, wat inhoudt dat, indien kan aangetoond worden dat de functiewijziging dateert van voor 9 september 1984, deze functiewijziging eveneens is gedekt door het vermoeden van vergunning. […] De zienswijze van de [RvVb] in het bestreden arrest bestaat erin dat een opname in het vergunningenregister enkel openstaat voor constructies die qua oprichting beroep moeten doen op het vermoeden van vergunning […], desgevallend nog steeds beschouwd [worden] als bestaande constructie doordat deze voor bepaalde wijzigingen ook beroep kunnen doen op aanvullende (praetoriaanse) vermoedens, nl. wijziging van de hoofdfunctie vóór 9 september 1984 of wijziging van het aantal woongelegenheden vóór 1 mei
  8. Bijgevolg is de [RvVb] van oordeel dat een constructie die qua oprichting vergund is d.m.v. een stedenbouwkundige vergunning die werd afgeleverd nà de inwerkingtreding van het toepasselijke gewestplan, geen beroep kan doen op het voormelde artikel om een opname in het vergunningenregister te bekomen, ook niet wanneer er een praetoriaans vermoeden van vergunning van toepassing is. […] Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel zoals vervat in de artikels 10 en 11 van de Grondwet verzetten zich tegen een verschillende behandeling van gelijke of gelijkaardige gevallen”. Zij verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: VII-40.487-3/7 “Schendt het artikel 5.1.3 VCRO de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de opname in het vergunningenregister enkel openstaat voor constructies die met toepassing van het decretaal vermoeden van vergunning voor wat de oprichting betreft kunnen beschouwd worden als vergund geacht, desgevallend uitgebreid met de praetoriaanse vermoedens van vergunning voor enerzijds functiewijzigingen die in een bestaande constructie werden doorgevoerd vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1984 houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen op 9 september 1984 en anderzijds de opdeling in meerdere woongelegenheden vóór de inwerkingtreding van artikel 99, §1, 7° van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) op 1 mei 2000, terwijl deze mogelijkheid tot opname in het vergunningenregister (en dus het bekomen van rechtszekerheid) niet openstaat voor constructies die werden opgericht op basis van een stedenbouwkundige vergunning nà de inwerkingtreding van het toepasselijke gewestplan en die voor wat de erin doorgevoerde functiewijziging en/of opdeling in meerdere woongelegenheden (ook) kunnen genieten van de voormelde praetoriaanse vermoedens?”. Beoordeling
  9. De verzoekende partij vraagt “[a]lvorens ten gronde te oordelen” de aangehaalde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  10. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het middel van de verzoekende partij waarin zij de schending heeft aangevoerd van de artikelen 4.2.14, §§ 1 en 2, 5.1.3, § 2 en 7.5.1 VCRO, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
  11. Het bestreden arrest verwerpt het middel van de verzoekende partij met volgende overwegingen: “Uit de begeleidende toelichting bij de registratieaanvraag blijkt dat de verzoekende partij rechtszekerheid nastreeft over de functie van de loods als loutere opslagplaats. De bouw van de loods als magazijn en herstellingsplaats voor landbouwmachines werd op 24 november 1980 vergund. De verzoekende partij betoogt dat de wijziging van de para-agrarische functie van de loods naar loutere opslagruimte nog vóór 9 september 1984 voltrokken was, dat wil zeggen vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1984 VII-40.487-4/7 houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen […]. Via de opname in het vergunningenregister wil de verzoekende partij de opslagfunctie van de loods als ‘vergund geacht’ erkend zien. […] De opname in het vergunningenregister op grond van artikel 5.1.3, §2, eerste lid VCRO staat open voor constructies ‘waarvan aangetoond (is) dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn’. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing, en het wordt niet betwist, dat het gewestplan ‘Mechelen’ waarbinnen de loods gelegen is, op 13 oktober 1976 in werking getreden is. De verzoekende partij betwist niet, maar bevestigt integendeel dat de loods na de inwerkingtreding van het gewestplan ‘Mechelen’ opgericht werd. Het staat dan ook vast dat de constructie, in strijd met het bepaalde in artikel 5.1.3, §2, eerste lid VCRO, niet ‘in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan’ gebouwd werd. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, staat de opname in het vergunningenregister niet open voor constructies waarvan aangetoond is dat de functiewijziging dateert van vóór de invoering van de vergunningsplicht op 9 september 1984, maar die na de inwerkingtreding van het gewestplan gebouwd werden. Door vast te stellen dat ‘de bouw van de constructie (...) slechts werd aangevat na het in voege gaan van het gewestplan’ en ‘een opname in het register als vergund geachte constructie bijgevolg niet mogelijk (is)’, voegt de verwerende partij geen bijkomende voorwaarde voor de opname toe, noch vervroegt zij ‘het ijkpunt’ betreffende het vermoeden van vergunning betreffende de wijziging van de hoofdfunctie naar de eerste inwerkingtreding van het gewestplan. De verwerende partij past daarmee de wettelijke voorwaarde toe dat de constructie tussen 22 april 1962 en de eerste inwerkingtreding van het gewestplan gebouwd moet zijn. […] De onbetwiste vaststelling dat de loods na de inwerkingtreding van het gewestplan ‘Mechelen’ opgericht werd, volstaat als draagkrachtig motief om de weigering van de opname in het vergunningenregister te verantwoorden. Het geschil over het tijdstip waarop de loods een wijziging van een para-agrarische functie naar een loutere opslagfunctie ondergaan zou hebben, heeft geen relevantie. Een gebeurlijk succesvolle bewijsvoering dat de hoofdfunctie al vóór 9 september 1984 gewijzigd werd, kan niet tot de opname in vergunningenregister leiden. De motieven in de bestreden beslissing waarop de afwijzing van het bewijsmateriaal van de verzoekende partij berust, zijn overtollig. Kritiek op overtollige motieven kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden”.
  12. Door de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet voor de RvVb aan te voeren, kan de verzoekende partij dit middel derhalve niet voor het eerst in cassatieberoep opwerpen. VII-40.487-5/7
  13. Het middel is onontvankelijk.
  14. Krachtens artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad er niet toe gehouden de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen wanneer de zaak niet door hem kan worden behandeld om redenen van niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag.
  15. De Raad van State verklaart het beroep onontvankelijk om een reden die niet ontleend is aan de norm die zelf het onderwerp uitmaakt van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag.
  16. Er is geen aanleiding tot het stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof die met betrekking tot het middel wordt geformuleerd. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. VII-40.487-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.487-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.076 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.