id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.101 Rolnummer: A. 221259/IX-9004 Zaak: Arrest 246101 - Tucht (openbaar ambt) - 18/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-21 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-24 12:09 Fiche Arrest nr 246.101 van 18 november 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.101 van 18 november 2019 in de zaak A. 221.259/IX-9004 In zake: Dirk REYNDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Brabanter kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: BPOST, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 januari 2017, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de chief human resources manager bpost van 17 november 2016 waarbij aan Dirk Reynders de tuchtstraf ‘tuchtschorsing voor een periode van vijf dagen’ wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-9004-1/15 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Anne-Sophie Claus, die loco advocaat Jan de Bra- banter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Isabelle Berben, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds 14 maart 1988 tewerkgesteld bij de verwe- rende partij als postman-uitreiker. 3.
- Op 25 maart 2016 ontstaat tijdens een bijeenkomst in het kan- toor van Heusden-Zolder – naar aanleiding van een mogelijke staking omwille van een nakende reorganisatie – een woordenwisseling tussen verzoeker en zijn collega B.E., waarna verzoeker B.E. een scheldwoord toestuurt en B.E. daarop reageert met fysiek geweld tegen verzoeker. IX-9004-2/15 3.
- Naar aanleiding van dat conflict wordt aan beiden op 29 maart 2016 een schriftelijke vraag om inlichtingen gesteld. Op 13 mei 2016 volgt een functioneringsgesprek met verzoe- ker. Tijdens dat gesprek wordt aangekondigd dat een tuchtprocedure wordt opge- start. Aan verzoeker wordt ten laste gelegd op 25 maart 2016 tijdens een bijeenkomst met andere uitreikers in het kantoor Heusden Zolder Mail en na een eerdere woordenwisseling, B.E. openlijk uitgescholden te hebben, waardoor hij bij deze een fysiek agressieve reactie heeft uitgelokt. Op 7 juni 2016 beslist de hiërarchisch meerdere om aan ver- zoeker de tuchtstraf van de tuchtschorsing voor een periode van vijf dagen op te leggen. Op 7 juni 2016 tekent verzoeker beroep aan tegen de voor- noemde beslissing van zijn hiërarchisch meerdere. Tijdens het verhoor vertolkt verzoeker als standpunt dat hij “uiteindelijk een tuchtstraf [wil] krijgen welke in verhouding staat met de feiten en vooral met de feiten welke zich in het kantoor Heusden-Zolder hebben voor- gedaan vooraleer de fysieke aanval […] op [verzoeker] heeft plaats gevonden” en vraagt hij “[de] straf te herleiden tot een blaam”. Op 12 oktober 2016 geeft de commissie van beroep het volgen- de advies: “De leden van de commissie zijn unaniem van oordeel dat de verzoeker wel degelijk een fout heeft begaan, maar dat de voorgestelde tuchtschor- sing van 5 dagen een overdreven straf is. De verzoeker heeft zich niet schuldig gemaakt aan fysiek geweld, maar zijn belediging was in de ge- geven omstandigheden wel een vorm van verbaal geweld. De leden zijn van oordeel dat aan de verzoeker een duidelijk signaal dient gegeven te worden dat zijn gedrag niet kan getolereerd worden. Een tuchtschorsing IX-9004-3/15 van één dag is volgens de leden een meer gepaste straf zodat er een duide- lijk signaal wordt gegeven dat zijn gedrag niet kan aanvaard worden.” 3.
- Op 17 november 2016 beslist de chief human resources mana- ger om verzoeker te straffen met de tuchtschorsing voor een periode van vijf da- gen. Deze beslissing vermeldt volgende motivering: “Gelet op de bepalingen vervat in hoofdstuk XI, XII en in hoofdstuk XIII van het Administratief Statuut van de Postambtenaren; […] Overwegende dat akkoord kan gegaan worden met het standpunt van de leden van de commissie van beroep, dat dhr. Reynders wel degelijk een fout heeft begaan en zich schuldig heeft gemaakt aan verbaal geweld; Overwegende dat akkoord kan gegaan worden met het standpunt van de leden van de commissie van beroep dat een duidelijk signaal dient gege- ven te worden aan dhr. Reynders dat zijn gedrag niet kan aanvaard wor- den; Overwegende dat ik niet akkoord ben met het argument van de leden van de commissie van beroep dat de tuchtschorsing van 5 dagen een overdre- ven straf is voor de feiten omdat dhr. Reynders zich niet schuldig gemaakt heeft aan fysiek geweld. Verbaal geweld t.a.v. collega’s is net zomin toe- gelaten bij bpost als fysiek geweld. De leden van de commissie geven ook geen duidelijke argumenten waarom een tuchtschorsing van 5 dagen een te zware straf zou zijn; Overwegende dat, dhr. Reynders, een postman met een lange ervaring en die er zich op voorstaat dat hij een voorbeeld is voor anderen, diende te weten dat de grove belediging op dat moment totaal ongepast was, gezien het geheel van de omstandigheden; Overwegende dat de straf die oorspronkelijk opgelegd werd door de mail center manager, nl. de tuchtschorsing voor een periode van 5 dagen, de meest gepaste maatregel is om dhr. Reynders te doen inzien dat zijn ge- drag niet kan getolereerd worden; Overwegende dat de bepaling in het artikel 104 §2 van het administratief statuut van de postambtenaren, mij toelaat om af te wijken van een una- niem gunstig advies van de Commissie van beroep.” IX-9004-4/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van ar- tikel 79 van het administratief statuut van de postambtenaren (hierna: het post- ambtenarenstatuut). Hij stelt dat de tuchtstraf niet werd voorafgegaan door een verwittiging. Beoordeling
- Artikel 79 van het postambtenarenstatuut luidt: “De tuchtstraf wordt in principe voorafgegaan door één verwittiging die door de ambtenaar wordt geviseerd.” 6.
- Volgens de verwerende partij is het eerste middel niet ontvan- kelijk, omdat verzoeker deze grief niet heeft aangevoerd tijdens de procedure voor de commissie van beroep. 6.
- Geen algemene rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring enkel kennis mag nemen van grie- ven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokke- ne werden opgeworpen. De verwerende partij wijst ook geen specifieke bepaling aan in het op verzoeker toepasselijke postambtenarenstatuut, die hem uitdrukkelijk zou verplichten, op straffe van onontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te dragen in de loop van het georganiseerd administratief beroep. IX-9004-5/15 6.
- De verwerende partij werpt evenmin op dat verzoeker uitdruk- kelijk afstand zou hebben gedaan van het recht om zich tegen een bepaalde onre- gelmatigheid te verweren. Het bewijs van de kennis van een onregelmatigheid, laat staan het vermoeden van dergelijke kennis, volstaat overigens op zich niet om van een afstand te kunnen gewagen. Een afstand moet uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en met kennis van zaken gebeuren – en op voorwaarde dat het in casu een hem tot bescherming strekkende waarborg is waarvan het personeelslid tijdens de tucht- procedure afstand mag doen. 6.
- Indien de verwerende partij deze exceptie toch opwerpt, dan is het met andere woorden omdat zij verzoeker verwijt welbewust, met welhaast bedrieglijk opzet een hem bekend juridisch bezwaar te hebben achtergehouden, om er het bestuur mee te kunnen verschalken indien de uitkomst van de admini- stratieve fase hem niet welgevallig zou zijn. 6.
- Het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatie- middel aan de rechter voor te leggen is een zware sanctie die slechts uitzonderlijk toegepast kan worden. In tuchtzaken, waarin streng de hand moet worden gehouden aan de eerbiediging van de rechten van de verdediging, kan die exceptie slechts aan een tuchtrechtelijk gestrafte tegengeworpen worden wanneer blijkt dat hij zijn rechten misbruikt. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op de kwade trouw beroept, namelijk bij het bestuur. 6.
- Aan ook maar enige bewijsvoering gaat de verwerende partij evenwel schromelijk voorbij. Zij werpt enkel op dat verzoeker deze grief niet eerder heeft voorgelegd aan de commissie van beroep. Dat is een feitelijke vast- IX-9004-6/15 stelling. Hoe hier een opzettelijk én bedrieglijk verzuim uit moet blijken, toont de verwerende partij niet aan. 6.
- De exceptie faalt, het middel is ontvankelijk.
- De voorafgaande verwittiging, waarvan sprake in artikel 79 van het postambtenarenstatuut, heeft kennelijk tot doel de ambtenaar te waarschuwen opdat hij zijn gedrag zou verbeteren en hij een tuchtstraf zou kunnen vermijden. Aangezien een tuchtstraf volgens de bewoordingen van deze bepaling alleen “in principe” moet worden voorafgegaan door een verwittiging, sluit de afwezigheid van een dergelijke preventieve maatregel niet noodzakelijk het opleggen van een tuchtstraf uit. Hiermee spoort de vaststelling, eensdeels, dat artikel 79 van het administratief statuut geen sanctie bepaalt in geval het geven van een verwittiging zou zijn nagelaten en, anderdeels, dat artikel 11, tweede lid, van de “richtlijn over de tuchtregeling (Toepassing van Hoofdstuk XII van het administratief statuut van de postambtenaren)” preciseert dat de verwittiging waarvan sprake in arti- kel 79 “geen verplichte voorafgaande voorwaarde om een tuchtstraf op te leggen” is. Zo heeft de Raad van State in eerdere arresten reeds gewezen op het geval waarbij de tuchtoverheid wordt geconfronteerd met een tuchtvergrijp dat een onmiddellijk optreden zonder voorafgaande verwittiging vergt (RvS nr. é.961 van 29 februari 2016) of ook nog op het geval waarin het gaat om een feit dat de hiërarchische meerdere niet heeft kunnen voorzien en waaromtrent hij de betrokken ambtenaar bijgevolg niet heeft kunnen verwittigen (RvS nr. 145.834 van 13 juni 2005). Voorts heeft de Raad reeds overwogen dat enkel lichte, terug- kerende feiten (“des faits bénins répititifs”) voor verwittiging in aanmerking ko- men (RvS nr. 166.266 van 21 december 2006). IX-9004-7/15 Om te beoordelen of het gedrag van de postambtenaar zich leent tot een voorafgaande verwittiging, beschikt het bestuur blijkens wat vooraf- gaat over een discretionaire bevoegdheid, die de redelijkheid tot grens heeft. Het bestuur is immers de eerste beoordelaar van de aard van de feiten, hun impact op de goede werking van de dienst, de algehele context waarin ze worden gepleegd en de opportuniteit om dit gedrag middels een verwittiging bij te stellen dan wel om er dadelijk tegen op te treden. De Raad van State mag deze afweging niet in de plaats van het bestuur overdoen. In de voorliggende zaak heeft de tenlastelegging geen betrek- king op een voortdurende en nog bij te stellen gedraging en blijkt dat de tucht- overheid tegenover verbaal geweld en uitlokking stelt geen tolerantie te kunnen opbrengen. Verzoeker overtuigt niet, dat in die omstandigheden niet on- middellijk opgetreden mocht worden.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 69 van het postambtenarenstatuut. Verzoeker verwijt aan de teamleader niet te zijn tussengekomen “om [B.E.] het zwijgen op te leggen”. Deze teamleader is aldus in zijn taken te- kort geschoten en daardoor hebben de feiten zich kunnen voordoen. IX-9004-8/15 Beoordeling
- Artikel 69 van het postambtenarenstatuut luidt: “§
- De ambtenaar oefent op een loyale en integere wijze zijn functie uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die voor de gegeven opdrachten verantwoordelijk zijn. Hij moet inzonderheid: 1° bij de uitoefening van zijn taken, in zijn handelingen en gedragingen, de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt, alsmede de billijkheids- en doelmatigheids- aspecten in acht nemen; 2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten; 3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt, de beslissingen uitvoeren en desbetref- fende programma’s verwezenlijken. §
- De ambtenaar vervult zijn functie zonder enige discriminatie tegen- over klanten, collega’s en alle andere personen waarmee hij in het kader van de uitvoering van zijn taken in contact komt. Hij waakt erover dat hij gegevens van persoonlijke aard, die werden ingezameld bij of over deze personen alleen maar bekend maakt aan hen die bevoegd zijn om er ken- nis van te nemen.”
- Hoe in deze bepaling de plicht is te lezen voor een hiërarchisch meerdere om tussen te komen bij een conflict tussen werknemers en hoe zijn stil- zitten noodzakelijk een gebrek aan integriteit van die meerdere aantoont, is een raadsel dat verzoeker in de toelichting bij het middel niet opheldert. Uit de toe- lichting blijkt wel dat verzoeker de bepaling verkeerd leest, want hij leest de “Hij” in de tweede zin van de eerste paragraaf als refererend aan “zijn hiërarchi- sche meerderen”, terwijl het woord refereert aan “[d]e ambtenaar” – in casu aan hemzelf. Hoe dan ook, zelfs als voor het debat aangenomen zou worden dat de hiërarchisch meerdere van verzoeker – die immers bij veronderstelling ook ‘ambtenaar’ is en onderworpen aan artikel 69 van het postambtenarenstatuut – door enig stilzitten zijn verplichtingen niet is nagekomen, dan is zulks voor ver- zoeker geen verschoningsgrond. Dat neemt met andere woorden niet weg dat het verzoeker zelf is die de verbale agressie heeft gepleegd, hetgeen hij ook niet be- twist. Verzoeker kan er niet omheen dat het tuchtfeit zich heeft voorgedaan en dat IX-9004-9/15 hij degene is die het heeft begaan. Een veronderstelde schending van artikel 69 van het postambtenarenstatuut door de meerdere tast bijgevolg de wettigheid van de bestreden tuchtmaatregel niet aan.
- Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord aan- voert dat B.E. ook de gedragscode heeft overtreden, geeft hij een nieuwe, laattij- dige en onontvankelijke invulling aan het tweede middel. Overigens komt deze grief aan bod in het derde middel.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een derde middel de “[o]njuiste interpretatie van de verplichtingen opgelegd aan de ambtenaar” aan. Hij stelt dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de provocatie – namelijk de houding van B.E.– die aanleiding heeft gegeven tot de beledigingen die hij heeft geuit ten opzichte van zijn collega. Het gedrag van B.E. was de enige oorzaak van de feiten die zich hebben voorgedaan. Er werd volgens verzoeker dan ook een onjuiste interpretatie gegeven van de door artikel 69 van het postambtenarenstatuut opgelegde verplichtingen in hoofde van B.E.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijk- heid van het middel op, omdat verzoeker nalaat een rechtsregel aan te duiden die geschonden zou zijn.
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker niet op deze exceptie. Hij doet dat evenmin in zijn laatste memorie, nadat hij in het audi- toraatsverslag kon lezen dat de exceptie bijval verdient. IX-9004-10/15 Beoordeling
- In het auditoraatsverslag kon verzoeker het volgende lezen: “Met verwerende partij moet worden vastgesteld dat uit de uiteenzetting van het derde middel in het inleidend verzoekschrift niet voldoende duide- lijk blijkt welke rechtsregel en/of welk rechtsbeginsel verzoeker nu pre- cies geschonden acht omwille van het feit dat volgens hem met de zoge- naamde ‘provocatie’ in de bestreden beslissing geen rekening is gehou- den. Het derde middel, zoals het is ontwikkeld in het inleidend verzoek- schrift en eveneens in de memorie van wederantwoord, haalt enkel de ‘on- juiste interpretatie van de verplichtingen opgelegd aan de ambtenaar’ aan. Dit kan bezwaarlijk worden beschouwd als een duidelijke omschrijving van het rechtsbeginsel dat en/of de rechtsregel die verzoeker geschonden acht. Zelfs voor een goede verstaander is het allerminst mogelijk om uit de uiteenzetting van verzoeker af te leiden welke rechtsregel en/of welk rechtsbeginsel hij nu precies geschonden acht.”
- Het is een beoordeling die door verzoeker in zijn laatste memo- rie niet weersproken wordt, noch onderneemt hij ook maar enige poging om toe te lichten welke rechtsregel achter de “onjuiste interpretatie van de verplichtingen opgelegd aan de ambtenaar” verscholen moet gaan.
- Het is niet de taak van de bestuursrechter om een middel in de plaats van een verzoekende partij te construeren. De exceptie is gegrond. Het middel is niet ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker wijst erop dat ook zijn collega B.E. verbaal agressief was en hem verbale verwijten heeft gemaakt die erger of minstens even erg zijn als die welke hij naar B.E. heeft gericht. Verzoeker meent dat het gelijkheidsbe- IX-9004-11/15 ginsel geschonden is doordat B.E. geen sanctie opliep of minstens geen sanctie vergelijkbaar met die welke aan verzoeker werd opgelegd. Het gedrag van B.E. is volgens verzoeker niet in overeenstemming met de richtlijnen voor het personeel van de verwerende partij, met de waarden, de rechten en plichten van de ambte- naar en met de bepalingen bedoeld in artikel 69 van het postambtenarenstatuut. De sanctie die ten aanzien van verzoeker werd genomen is niet in verhouding en veel zwaarder dan de maatregelen die door de tuchtoverheid genomen werden ten opzichte van B.E. Beoordeling 21.
- De verwerende partij werpt ook met betrekking tot dit middel op dat het niet ontvankelijk is omdat verzoeker heeft nagelaten om het aan te voe- ren voor de commissie van beroep. 21.
- Daargelaten of verzoeker wel materieel in staat was om deze grief reeds in de loop van de administratieve procedure te doen gelden – wat hij betwist – dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij andermaal het erop houdt een feitelijke vaststelling te doen. Hiermee kwijt zij zich niet van haar plicht om misbruik van zijn recht van verdediging in hoofde van verzoeker aan te tonen. Alleen reeds om die reden kan de exceptie niet worden aangenomen.
- Een verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbe- ginsel aanvoert, dient met voldoende concrete elementen aan te tonen dat zij on- gelijk wordt behandeld ten opzichte van diegenen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Doorgaans kunnen de situaties van de ambtenaren in tuchtaan- gelegenheden niet met elkaar worden vergeleken, behoudens ingeval van identie- ke feitelijke gegevens. Een verschillende afhandeling van een tuchtzaak is slechts dan onregelmatig wanneer de beoordelingselementen waarmee de tuchtoverheid rekening heeft gehouden dezelfde zijn en wanneer zij geen deugdelijke verant- IX-9004-12/15 woording kan geven voor de verschillende opstelling in de onderscheiden tucht- zaken.
- In de eerste plaats beperkt verzoeker zich tot de loutere bewe- ring dat hij anders wordt behandeld dan zijn collega. Hij brengt evenwel niet het minste bewijs bij dat zijn collega voor gelijkaardige feiten door de verwerende partij anders zou zijn behandeld. Ten tweede blijkt uit de gegevens van de zaak dat de tucht- overheid de provocatie niet zag in het gedrag van B.E., maar wel bij verzoeker. Verzoeker mag het daarmee niet eens zijn, maar die benadering van de tuchtfei- ten betekent wel dat het bestuur mocht aannemen dat het geen identieke feitelijke gegevens zijn die haar ter beoordeling voorlagen. Ten slotte merkt de verwerende partij niet zonder reden op dat verzoeker tewerkgesteld is in statutair verband, terwijl B.E. werkt onder arbeids- overeenkomst en dus niet is onderworpen aan het tuchtstatuut, zelfs al geldt voor hem ook de gedragscode. Op vlak van bestraffing staan aan het bestuur niet de- zelfde instrumenten ter beschikking. Deze drie vaststellingen, samen genomen, doen de Raad con- cluderen dat een schending van het gelijkheidsbeginsel niet is aangetoond.
- Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’. IX-9004-13/15 Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing niet de juridische overwegingen bevat waarop ze is gesteund, doch dat ze enkel in feite is gemoti- veerd. Beoordeling
- De bestreden beslissing vermeldt het postambtenarenstatuut, inzonderheid hoofdstuk XI over de tuchtregeling en hoofdstuk XIII over de commissies van beroep. Voorts verwijst de tuchtoverheid specifiek naar artikel 104, § 2, van het postambtenarenstatuut.
- Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Voorts stelt de Raad vast dat wat verzoeker een motivering “in feite” noemt, precies wél de juridische overweging vormt, die uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht is vereist als verantwoording om hem een tuchtmaat- regel op te leggen: de beslissing vermeldt de ten laste gelegde feiten, kwalificeert deze als tuchtfeiten en preciseert waarom tot een welbepaalde tuchtmaat wordt besloten, inzonderheid waarom afgeweken wordt van het voor verzoeker gunsti- ger advies van de commissie van beroep. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9004-14/15
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9004-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div